In bed. De tijd waait weg. Alleen mijn sigaret en ik.
Hoe komt het toch dat ik, die sta en val op een gedicht
waarin de wereld feller is, soms dagen lang niet leven kan?
Ik kan niet leven met gemis en als ik bij Larissa blijf
verlies ik tijd. Tot aan mijn dood zal ik mijn grootste vijand zijn.
Lichaam, mijn lichaam
Lichaam, mijn lichaam, hoeveel handen van hoeveel vreemden kreeg je op je af?
Ooit was de dood een klamme kappershand. Toen kwam de vrieskou van een stethoscoop.
Weer later brak je in een tandartsstoel of zat een valse leerkracht aan je hoofd.
En dan die metro’s met dat drukke vlees, dat restvolk dat als vissen langs je gleed
in winkels, liften, stegen en coupés, lichaam, mijn lichaam, denk toch aan de geur
van eerste kamers en verliefde lakens, de lente die het in ons werd. Want wij
zijn bang. En angst duurt soms een lichaam lang. Straks lig ik daar en wordt mijn haar gekamd.
Sluipwesp
Een wesp, een sluipwesp, pal onder mijn glas, die zomer dat ik niks te vrezen had. Zijn onbeholpen dood in mijn cognac en ik die nog in vrijheid was. Luister: ik zag een schilderij waarop doodleuk
een mes was neergelegd en vroeg me af of die schilder nooit aan gekken had gedacht. Luister: ik had een vrouw die handen had, twee handen met een onbeheersbaar gat.
Dus stal ik wel eens wat. Of brak ik in. Geen woord over die nacht dat ik was betrapt. Natuurlijk kwam dat mes niet echt van pas.
Hier spreekt een dapper hoofd vol dom verdriet dat zestig maanden tegen glas aan vliegt.
“Toen ik ongeveer in het midden zat van m’n eerste gedicht, getiteld `De zomer van ’91’, werd m’n zoontje wakker en begon leuk te brabbelen, en kwam m’n vriendin binnen, die niet over de blauweregen repte, maar wel zei: ‘Wil jij de vaatwasser uitruimen?’ Zij haalde ons zoontje uit het park en knuffelde hem, en ik liep naar beneden om de vaatwasser uit te ruimen. De tweede helft van ‘De zomer van ’91’ zou ik later wel schrijven. Een vaatwasser moet nu eenmaal uitgeruimd worden, en het is niet altijd een vrouw die dat moet doen. Dat is althans, als feminist, m’n mening. De tweede helft schreef ik uren later, terwijl m’n vriendin op de bank in slaap gevallen was, en ons zoontje genoot van z’n nachtrust in z’n kamer boven. Ik vond ‘De zomer van ’91’, voor zover ik er verstand van had, geen mis gedicht. Soms rijmden een paar woorden met elkaar, soms Set. Wat ik er leuk aan vond was dat m’n moeder erin voorkwam, in haar mythische bloemetjesjurk. In de zomer van ’92 zou ze overlijden, het ergste nekschot in m’n leven tot dan toe. De dag daarna was Michael, zoals ons zoontje heet, naar de crèche, en was Thera, de naam van m’n vriendin, gaan zwemmen in het Van Eyck-zwembad. Ik zette me aan het schrijven van het tweede gedicht, getiteld te doelman van Dikkelvenne’. Dat kwam zo: eerder die dag was ik naar de Poolse winkel geweest, waar alle producten inderdaad in het Pools zijn gelabeld en belettend. Ik zou enige zakjes nat voer voor onze hond Bert kopen. Dat deed ik. Op weg naar de kassa werd ik staande gehouden door een man met een baard, die zei: `Wie we hier hebben, Walter Waterschoot, ik zag je laatst nog op tv.’ Ik zei dat ik dat niet was, maar wel iemand die erg op mij leek, de imitator Ferdy Smal. ‘Ach zo,’ zei hij, ‘ja, iedereen heeft wel een dubbelganger.’ Hij ging door met lullen en tijdens deze monoloog kwam ik aan de weet dat hij havenarbeider was, dat hij in Zomergem woonde, dat hij speciaal naar Gent en deze winkel kwam om Poolse worst te kopen, volgens hem de beste worst ter wereld, en dat hij voetbalde, als doelman van het elftal van het dorp Dikkelvenne. Tevens zei hij dat z’n vrouw gestorven was aan longkanker en dat ze nooit een sigaret had aangeraakt. Ik condoleerde hem, waarop hij zei: ‘Ze deugde niet. Ik heb om haar geen traan gelaten.”
Uit: Oorlog en oorlog (Vertaald door Mari Alföldy)
“Niemand had hem gevraagd om te praten, zij wilden dat hij hun zijn geld zou geven, maar hij gaf het hun niet, hij zei dat hij geen geld had, en hij begon te praten, eerst hakkelend, later steeds vloeiender en ten slotte onstuitbaar, maar hij praatte dus, omdat hij zichtbaar geschrokken was van de ogen van die zeven kinderen, of, zoals hij zelf later uitlegde: omdat zijn maag ineengekrompen was van angst, en als de angst zijn maag samendrukte moest hij, zo zei hij, altijd praten, en aangezien die angst nog steeds niet geweken was, omdat hij niet kon weten of zij een wapen bij zich hadden, werd hij steeds verder meegesleurd door de stroom van het praten en in die stroom wilde hij hun nu alles vertellen, eindelijk alles aan iemand vertellen, want sinds hij – en wel op het allerlaatste moment! – was begonnen aan ‘de grote reis; zoals hij het noemde, had hij met niemand een woord gewisseld, geen woord, want hij vond het te gevaarlijk, en er was ook niemand om mee te praten, aangezien hij onderweg weinig kans had om mensen te ontmoeten die ongevaarlijk waren of voor wie hij niet bang hoefde te zijn; voor hem was namelijk niemand ongevaarlijk genoeg, en hij moest voor iedereen bang zijn, want hij zag, zo zei hij aan het begin, in iedereen dezelfde persoon, iemand die rechtstreeks of op de achtergrond in verbinding stond met zijn achtervolgers, iemand die intensief of oppervlakkig, maar onmiskenbaar contact had met diegenen van wie hij meende dat ze van elke stap op de hoogte waren die hij zette, maar hij was sneller, vertelde hij later, hij was hun altijd ’ten minste een halve dag’ voor, maar de prijs die hij betaalde voor de vluchtige overwinningen met betrekking tot de tijdstippen en de plaatsen was dat hij met niemand een woord kon wisselen, echt niet één, pas nu kon dat, uit angst, terwijl hij onder de natuurlijke druk van de angst inging op steeds belangrijker terreinen van zijn leven, waarbij hij vertrouwelijk en steeds vertrouwelijker werd en hun diepe en steeds diepere inzichten verschafte, met het doel om hen daarmee om te kopen en hen voor zich te winnen, om de aanvaller in hen uit zijn aanvallers weg te spoelen en hen alle zeven ervan te overtuigen dat iemand zich hier niet alleen had overgegeven, maar door die overgave zijn aanvallers als het ware tegemoet was getreden.”
Nu de Gedroomde in de Nacht is die voor eeuwig lichtloos gloeit heb ik mijn laatste vader verloren.
Zo eindigen profeten: zwijgend in verpleegtehuizen, aan tafels van kunststof tegen het morsen, met straffen van twee tot vijf jaar. Niemand nadert ongeschonden tot het aangezicht van God.
Bij wie kan ik mijn onschuld pleiten? Hem heb ik nog nooit gezien, noch ook enig bewijs van Zijn bestaan,
maar dat is waarschijnlijk wederzijds. Het gras wordt gemaaid, een geur stijgt op.
Het is te laat voor brieven.
Beeld in genade ontvangen
Ze tuimelt voorover in mijn dag, een onhandige dienstmaagd die over haar eigen voeten struikelt, die dienbladen op de grond laat kletteren en verlegen in de deuropening staat, wachtend op het tij van onze grillen.
Verbijsterd kijkt ze toe hoe mensen sterven en huizen verkruimelen, staat met de scherven van het 206-delig theeservies aan haar voeten, veegt de boei hoofdschuddend bij elkaar, zij weet ook niet waarom alles zo kort duurt, het huis is opgeruimd maar nooit voor lang.
Ze zou wel eens huilend op haar kamertje willen blijven en twee hele dagen lang geen pap eten, maar dat kan niet want voortdurend worden er baby’s geboren en planeten geschapen waar ze voor redderen moet,
dus rent ze weer door de gang, struikelend over haar voeten, zwetend in haar boezeroen, met vochtige strengetjes haar langs de oren, mompelend ogottegottegottegot, o gottegottegottegot.
Singel
Met dank aan Jan Engelman en Marga Klompé
O singel weer rond O cirkel weer dicht O water weer open Slaap zacht, Catharijnebaan die we eindelijk mochten slopen.
Een nazi bedacht het J. Kuiper volbracht het De Ranitz verachtte de volkswil en dempte de gracht. Zo begon de lange wacht.
De stad draagt nu een ring. De allereerste zilverwinde zwom reeds de grote kring en werd goddank niet opgevist; haar staartje heeft vijftig jaar uitgewist.
het doel is dat waarheen het zich ontwikkelt goed dan wel slecht, alleen met zijn tweeën, het doel is waarvan zoveel sprake is van wijn en schijn, van geld en goud, van tol en wereld het doel is datgene waardoor men verstrikt raakt littekens krijgt, verliefd in cirkels rent, geld en goed zoekt dat sommigen nog van het leven scheidt, schurken, idioten en faillissement afhandelaars luisteren in de verte brullen sappelmensen doel doel, tepels doel het doel is dat wat er aan gewicht te veel is
Uit: Onze vriend uit Oslo (Uit: Mag ’t een ietsje meer zijn)
“Het was John Barrymore die eens zeide: ‘Een vrouw kan drie dingen maken uit niets: een slaatje, een hoed en ruzie.’ Het vierde is zonder de geringste twijfel een cocktailparty. Te Rome was ik weer eens in de gelegenheid deze verticale ontspanning te beoefenen. Merendeels buitenlandse gasten hadden zich verenigd ten puissanten huize van een heer, die in het hart van de kwestie, stond te kijken als een boeiende persoonlijkheid, voor wie hem wist aan te snijden. Zijn echtgenote, die wij op een moeilijk levenstijdstip aantroffen, dwarrelde gastvrouwelijk rond en sloeg fonteinen geestdrift uit een rots van wanhoop. Men nipte aan verversingen, zoals vorstelijke personen maar niet kunnen laten het noenmaal te gebruiken. Er heerste een stemming van wellevend verbeten verveling. ‘Ah – en u is onze jonge vriend uit Oslo,’ kwam de gastvrouw tegen mij roepen. Ze had het al een keer éérder gedaan, maar mijn rectificatie was blijkbaar niet tot haar doorgedrongen. ‘Nee nee, uit Amsterdam,’ zei ik, op een toon of het maar een enkel breedtegraadje scheelde. ‘Ach, natuurlijk…’ Zij verdween weer in de menigte, mij overlatend aan een windstille heer op leeftijd, die als een uitgedwarreld blad in het leven lag, en mij aankeek of ik zijn twaalfde bord balkenbrij was. ‘How’s your king?’ vroeg hij eindelijk. ‘We have no king,’ zei ik. Hij zweeg ontmoedigd. ‘We have a queen,’ sprak ik, om hem tegemoet te komen. ‘Is that so…’ vroeg hij gehinderd, of ik hem lastig viel met lootjes op een rookworst. Daarop begaf hij zich neuriënd naar elders. Toen ik mijn glas ging neerzetten op een grote tafel, waar verscheidene personen de moeilijke spitzendans om de eetwaren uitvoerden, rees de gastvrouw weer op en riep met een nauwelijks gehavende glimlach: ‘Ah – en daar is onze jonge vriend uit Oslo!’ Zij stond in een groepje gezonde mannen, die keken of ze het onbetaalbaar vonden, daar vandaan te komen. Even wilde ik mijn rectificatie weer plaatsen, maar opeens leek het me een beetje querulant, het aldoor beter te willen weten. ‘Yes…’ zei ik en nam een nieuw glas van haar aan.”
Simon Carmiggelt (7 oktober 1913 – 30 november 1987)
De kaarsen die zij in de grond stak, bakenden hun graf af, wees zij hem hun ruimte in de dood.
Ze zouden op het zuiden liggen met hun hoofden vol geluiden van de vogels in de oksels van het kerkje, aan de noordkant lag nog sneeuw.
Ze dronken Hemawijn uit plastic bekers, vlochten ijzerdraad tot ringen, beurden chips als heilig brood, neurieden Latijnse dingen.
Dronken wordend strekten zij zich in het mos uit, hielden eikaars adem in, vergingen. Gingen.
Recessie
Met verliefdheden gaat het als met je leven: ze willen steeds minder lukken. Hoe veelbelovend begonnen ze: evenwichtsstoornissen, braak- neigingen, smachtelijke blik op de nachtelijke eeuwigheid, scherp besef van god, samen dood willen, daarna alleen, langzaam herstellen, weer bomen en struiken zien staan, je vrouw, dat nam toch gauw een paar maanden tot een jaar.
Gaandeweg steeds minder ongelukkig geluk, alles bij elkaar twee weekjes, je blijft er noemenswaardig goed uitzien, let te snel weer op je kinderen. Verliefdheid niet veel meer dan een onschuldige aandoening: even erdoor van streek, je schraapt je keel, snuit je neus, simuleert wat snikken en gaat over tot de orde van het huwelijk.
Tocht
Zijn slapen sneeuwen in. Naast hem in hun wagen geeft zij hem niet veel meer dan een jaar
voordat zijn boordwit door- loopt in de berm van zijn haar.
Houdt zij het stuur dan gluurt hij naar haar perkamenten vel, het stikwerk van pigment.
Naar nieuwe verten onderweg ontkomen zij steeds minder aan het oude, zeer nabije
tot één de bocht vindt om te missen, de einders tegemoet.
Een tekst die de buitenlucht verdraagt, in de zon kan worden gelezen of in de regen, in de schreeuw of de nacht, in de naakte tijd.
Een tekst die de oneindigheid verdraagt, de kieren die zich verspreiden als stuifmeel, het meedogenloze lezen van de goden, het ongeletterde lezen van de woestijn.
Een tekst die de buitenlucht totaal weerstaat. Een tekst die zelfs gelezen kan worden in de dood.
Pomeriaan teefje en puppy door Thomas Gainsborough, 1777
De hond
Pas uit de hand des Scheppen losgelaten beruikt hij in het gras een zedig dier en blaft ‘wat doet dit vreemde mormel hier?’ rent snuivend verder, dwaas en uitgelaten, toeft bij de zuilen van een olifant, holt dan maar door, langs boom en struik en heester, als zocht hij in dit onbekende land het verse spoor van zijn verloren meester.
Jan van Nijlen (10 november 1884 – 14 augustus 1965) Ingang van de dierentuin in Antwerpen, de geboorteplaats van Jan van Nijlen
Zij is op reis maar uit de eerste morgen van ons levenslange leven in één leven daar kwam uit mijn doezel opgeweld haar arm, vederduiflichtdalende gevleid op mij. Ik sliep beslist en iets sprak door mij heen en zei: je leven is van mij. Maar nu was zij niet eens in bed, toch sprak het met een stem: je leven is van mij. Geen juk zo licht als van degeen die, met haar arm op mij, dit zei.
De ene tel
Toen mijn vader bijkwam uit de coma volgend op gestorven zijn en weer pneumatisch teruggebeukt waarbij zijn borstbeen werd gekraakt, heeft hij mij tijdens een bezoekuur plotseling verteld dat daar, waar hij dus niet meer was, maar aangekomen was hij evenmin, dat daar een koor geklonken had.
Een koor, jawel. Gemengd. Onzichtbaar. Maar het zong.
Zelfs hij, die alle muziek bij naam en toenaam kende, wist niet wie zongen, noch de componist. Toch kende hij het stuk.
Het klonk, en hij begreep dat hij alleen maar op moest letten wachtend op de ene tel waarop hij in kon vallen.
Aller ogen, zei hij, waren nu op mij gericht, ik kende de muziek
en voelde hoe de ene tel mij naderde – de ene rust
waarin mijn inzet werd verwacht, en ja, deed ik het niet –
Hij keek me met opgetrokken schouders aan, verontschuldigend. Ik had niet ‘en?’ gezegd.
De apparaten van Intensive Care zoemden een tel rust. Toen zei hij glimlachend ik heb het niet gedaan.
Ach, goede moordenaar, niet hedenavond, nee, al gisteren ben jij in het koninkrijk gegaan, jij wachtende op de voorgoed jou naderende tel.
Mijn oma zwemt in de winterzee haar overvallers wilden dat niet geloven
ze had graag bij de maffia gewild want die zorgen tenminste goed voor hun familie
toen The Bold and the Beautiful er tijdelijk mee stopte dreigden mensen hun televisie uit het raam te gooien – de wereld is mooier in andermans kamers
mijn oma liet het hek zien waar mijn moeder ’s nachts overheen klom en thuiskwam met gaten in haar panty – ze wees ernaar of het de drinkplaats van een kudde was daarna haalde ze een schaar tevoorschijn
zwemmen is goed voor de weerstand zouden jullie ook eens moeten doen water verdraagt veel
Zure melk
Als de aarde is opgebrand hoelang duurt het dan voordat er opnieuw leven ontstaat bossen zijn teruggegroeid
eencelligen voeten krijgen rechtop leren staan beschutting zoeken
misschien is er voor een lange tijd alleen heel veel zwart doet iemand vanaf een andere planeet met zaklampen de sterren na
Finse meisjes zeggen zelden gedag maar ze zijn niet verlegen of arrogant. Je hebt alleen een beitel nodig om dichtbij te komen. Ze bestellen alleen bier voor zichzelf reizen de hele wereld af terwijl hun mannen thuis wachten.
Overwinteren doen ze op een bank onder de sneeuw. Als het lente wordt laten ze zich vollopen om de dikke laag beschaving van hun huid te krabben. Hangen rond in bushokjes en soms naakt in een meer.
In de nachtbus zetten ze hun tanden in de rubberen stoelleuning als ze niet in slaap gevallen zijn.
Ook de woorden vallen op de grond, als vogels die plotseling dol worden van hun eigen bewegingen, als voorwerpen die opeens hun evenwicht verliezen, als mensen die struikelen terwijl er geen obstakels zijn, als poppen vervreemd door hun stijfheid.
En in dat geval bouwen de woorden zelf een trap vanaf de grond om weer naar het betoog van de mens te klimmen, naar zijn gestamel of zijn laatste woorden.
Maar er blijven er een paar liggen. En soms vind je ze bijna verborgen achter hun schutkleur, alsof ze wisten dat iemand ze zou oppakken om een nieuwe taal met ze te maken, een taal die alleen uit gevallen woorden bestaat.
“Doe maar gewoon alsof ik er niet ben”, zei ik tegen het kind dat van de honger aan het sterven was en dat ik probeerde te fotograferen. Ik was zenuwachtig en wou dat ik een pil te slikken had die het beven van mijn handen zou stoppen. Ergens voelde ik dat dit mijn foto zou worden. Dé foto. Die foto die mijn grote doorbraak zou inluiden, waardoor ik mijn marktwaarde kon opdrijven, die het mij zou toestaan de grote baas van Reuters te vragen of hij mij eens terug kon bellen wanneer het mij beter paste. Een fotograaf voelt zoiets. De wereldberoemde Henri Cartier-Bresson voelde het toen hij dat jongetje met de twee wijnflessen in de Parijse rue Mouffetard vastlegde, Elliot Ervitt voelde het toen die neger voor het oog ronde camera zijn rong uitstak, Alfred Stieglitz voelde het toen dat mooie meisje met de nog mooiere vingers haar jas had dichtgeknoopt op het juiste moment, en Edward Steichen had honderden kiekjes van Greta Garbo geschoten maar had nog tijdens het scheepstellen van zijn lens gevoeld: dit wordt het enige, ware, schone, ultieme portret van de godin. Hetzelfde als wat ik voelde met het uitgehongerde kind in mijn vizier. Zalig. Op avonden die nergens voor deugen dan voor flauwekul hoor je weleens beweren dat fotografie veel, zo niet alles met geluk van doen heeft. En dan beginnen ze over de maker van de foto die iedereen kent: het naakte meisje, verbrand, rennend met de armen open. Christus met een kut. Als de fotograaf niet toevallig op de plaats van het napalmbombardement was geweest, zo redeneren ze, dan had hij nooit die foto kunnen schieten en dus heeft het te maken met geluk. Tja. U gaat toch niet mopperen dat ik het geluk had dat er voor mijn ogen een kind lag te creperen? Ik had dat geluk niet. Ik had dat talent. Zoals Robert Capa het talent had, de neus had, met zijn camera op de plaats te zijn waar een soldaat de hersenen uit de kop werden geschoten. Geluk, zeggen bergbeklimmers die een moordende steenlawine op drie centimeter van hun smikkel zagen voorbijrazen, geluk is op den duur een kwestie van bekwaamheid. ik weet dat ze daar gelijk in hebben. Dat stervende kind dat ik wou fotograferen, ik moet daar eerlijk in zijn, vormde een dramatisch en artistiek keerpunt in mijn leven. Het bekeerde mij tot de kleurenfotografie. Als student was ik opgeleid in de traditie van de zwartrotfotografie. Een kleurenfilmpje, dat werd omzeggens alleen gekocht voor vakantiekiekjes en huwelijksreportages.”
Supple and turbulent, a ring of men Shall chant in orgy on a summer morn Their boisterous devotion to the sun, Not as a god, but as a god might be, Naked among them, like a savage source. Their chant shall be a chant of paradise, Out of their blood, returning to the sky; And in their chant shall enter, voice by voice, The windy lake wherein their lord delights, The trees, like serafin, and echoing hills, That choir among themselves long afterward. They shall know well the heavenly fellowship Of men that perish and of summer morn. And whence they came and whither they shall go The dew upon their feet shall manifest.
VIII
She hears, upon that water without sound, A voice that cries, “The tomb in Palestine Is not the porch of spirits lingering. It is the grave of Jesus, where he lay.” We live in an old chaos of the sun, Or old dependency of day and night, Or island solitude, unsponsored, free, Of that wide water, inescapable. Deer walk upon our mountains, and the quail Whistle about us their spontaneous cries; Sweet berries ripen in the wilderness; And, in the isolation of the sky, At evening, casual flocks of pigeons make Ambiguous undulations as they sink, Downward to darkness, on extended wings.
Wallace Stevens(2 oktober – 1879 – 2 augustus 1955)
De Fransman, Patrice, wordt voorafgegaan door een reputatie voor het in kaart brengen en vastleggen van vulkanen Ik heb begrepen dat het niet zijn werk is, maar zijn passie. Terwijl ik de man ontmoet aan een Franse eettafel bij zijn zus, Cécile, geeft hij te kennen dat ook ravijnen hem en zijn camera in beweging brengen. Ik wijs op de steile hellingen die ravijnen en vulkanen gemeen hebben. Zijn zus wijst op een broer die altijd wankelt aan de rand van een afgrond. Een man op het randje.
Er wordt fruit aangeboden als dessert. Patrice begint de appel te schillen met zijn zakmes, en terwijl hij het vervolgens gebruikt om het vruchtvlees te snijden, roept het een vergeten flits van mijn vader op. Hij zat aan onze eettafel met zijn eigen zakmes en gaf me gul het beste stuk uit handen die gebarsten waren tot woeste ravijnen en ingesmeerd met vaseline. Pap, soms stond je op het punt om uit te barsten, maar ondanks elk brandend pak slaag dat je me gaf, heb ik er nooit aan getwijfeld dat je onvoorwaardelijk de rest van je leven zou opofferen om mij te redden.