Dit is voor jou; nu ik je niet meer spreken kan nu ik je zoeken moet in sporen je volgend op een afstand, steeds erop bedacht mij niet te verraden –
spreek ik voor jou; al zul je het nooit weten.
Ik ben niet wanhopig, ik ben je niet onwaardig. Ik heb een leven gevonden nu en hier. Maar een leegte heerst, als een duizeling, in de kringloop der planeten.
Een nacht in juni in de tuin door Nikolai Astrup, 1909
Nuits de juin
L’été, lorsque le jour a fui, de fleurs couverte La plaine verse au loin un parfum enivrant ; Les yeux fermés, l’oreille aux rumeurs entrouverte, On ne dort qu’à demi d’un sommeil transparent.
Les astres sont plus purs, l’ombre paraît meilleure ; Un vague demi-jour teint le dôme éternel ; Et l’aube douce et pâle, en attendant son heure, Semble toute la nuit errer au bas du ciel.
Victor Hugo (26 februari 1802 – 22 mei 1885) Besançon, de geboorteplaats van Victor Hugo
“Szymek had nog wel even gezocht, maar had snel de moed opgegeven. Een klontertje was maar een klontertje, misschien lukte het de volgende keer wel. De wereld houdt niet op bij klonters, vooral niet op een dag als vandaag waarop zijn moeder had beloofd uit Warschau een nieuwe Asterix voor hem mee te nemen: wie zou op zo’n dag nog in het gras en tussen distels willen lopen graaien? Hij had nog een halve jampot oude munten. Hij haalde zijn schouders op en liep achter Budzik aan. Ze liepen langzaam terug, om beurten elkaar een vlak voorwerp met gerafelde randen overhandigend. Budzik beweerde dat hij ooit al zijn klonters uit zijn schuilplaats in het kippenhok zou meenemen en ze op een plank in de kamer zou leggen. Hij zou zich niets van zijn vader aantrekken. Dat ging hij een keer doen. Ze passeerden de oprit naar de Autobaan en Szymek vertraagde zijn pas in de hoop een blauwe Fiat Uno te ontwaren. Hij bleef even staan wachten, erop vertrouwend dat zijn ouders zo dadelijk de afslag van de hoofdweg zouden nemen. Ze namen geen afslag. Alleen Hołowczyc scheurde geheel in stijl de andere kant op, dicht langs de berm, machtig en angstaanjagend. Hij duwde de wielen met zijn dikke armen voort, iets in zijn volle baard mompelend. Szymek hoopte dat zijn ouders snel terug zouden zijn, zoals ze hadden beloofd, hoewel je het met de beloftes van ouders wel wist: je wist het maar nooit. Hij logeerde graag bij oma Tosia, maar vanavond was Het reuzenrad met Bugs Bunny op tv en hij moest nog zoveel doen. Als ze eenmaal thuis waren wachtte hem het saaie ritueel met de visjes: levend voer uit de vriezer, wat droogvoer uit een zakje, het schoonmaken van het verwarmingselement en het filter, water bijvullen. O, en het belangrijkste van alles: het kleuren van koeien. De koeien bracht zijn vader mee van zijn werk. Ze stonden op grote vellen papier, ingekaderd in de linkerbovenhoek. Twee flanken en van voren alleen een driehoekige kop. Geesten van koeien, dunne omlijningen zonder vlekken, want de vlekken moest je zelf invullen. Zijn vader tekende ze snel op zijn werk en gaf met een kruisje aan waar het zwart moest komen. Szymek ging dan aan zijn bureau zitten, deed de lamp met de rode metalen lampenkap aan en vulde zorgvuldig de vlekken in met viltstift.”
“4 maart Op Aswoensdag begon het gedenken, het vasten en het overpeinzen. Vandaag werd er gezondigd. Voor het Café du Monde stonden lange rijen; mannen en vrouwen uitgedost met boa’s, kleurrijke pruiken, eindeloos veel kralenkettingen. Iets verderop, in Bourbon Street, trokken toeristen en stedelingen over de natte straatstenen. Linten van rode lampjes en lampionnen hingen tussen de huizen, cocktails in groene bekers gingen van hand tot hand, vrouwen met ontbloot bovenlichaam lieten hun borsten aanraken in ruil voor absint. En toen de zoveelste hoosbui over de stad raasde, trok iedereen zich terug in cafés of schuilde onder een afdakje. Alle chaos die er in een mensenleven te vinden was, kwam hier samen, op deze ene avond. Mardi Gras, Vette Dinsdag, in New Orleans. Het was iets over elven toen Nathalie Underwood, in een witte spijkerbroek en een wit hemdje met glitters op de schouders, zich langs een groepje studenten wrong, richting de bar van Café du Monde. Ze bestelde een Sazerac, extra bourbon. Toen ze een hand op haar schouder voelde, verstijfde ze en keek achterom. Een paar seconden stonden ze, te midden van al dat geruis, roerloos tegenover elkaar, Nathalie en de man verkleed als skelet. Zwart textiel maskeerde zijn lichaam, de getekende botten waren fluorescerend wit. Om zijn nek hing een ketting van afgestreken lucifers. Langzaam trok hij zijn masker af. Nathalie keek schichtig om zich heen, niemand besteedde aandacht aan hen. “Ik wist niet dat jij het was,” zei ze. Waar is jouw masker?” “Daar had ik geen zin in. Waarom wilde je hier afspreken?” ”Ik wil je iets in de buurt laten zien. Een halfuurtje rijden, hooguit. Mijn auto staat in een zijstraat.” Om hen heen klonk ‘When the Saints Go Marching In’, een zwalkende uitvoering. “Binnen een uur wil ik terug zijn,”zei ze. “Ik wil zo min mogelijk missen.” “Je zult niets missen, dat beloof ik.” Hij trok zijn masker weer over zijn hoofd, Nathalie liet haar Sazerac op de bar staan en nam van niemand afscheid. Louisiana. Beekjes en rivieren kronkelen als opgezette aderen door de dalen, met op de achtergrond de fabriekstorens die dag en nacht roken. Akkers staan blank, riet groeit net zo lang tot de deining het doet knakken. En heel af en toe doorkruist een eenzame auto het landschap, als een vlieg die over een landkaart kruipt. “Kun je wel goed zien met dat masker op?” vroeg ze. “Mijn ogen zijn vrij.”
Zo bescheiden dat zelfs de zon de betekenis van trots in twijfel trekt, maar ongeduldig, oh ja, zelfs de uitspraken die ze doet over de winter zijn ademloos, een ruisen dat weinig met wind te maken heeft, meer met taal, stille kracht. Ze kunnen allemaal als beloftes worden gelezen. Geven aan dat de Serengeti slechts een halte in een spannend leven was en dat ze nu hier haar paraplu uitspreidt, silhouet van veiligheid. Niets eindigt snel genoeg, geen enkele dag: er is alleen ongeduld, wachten – totdat de zon eindelijk in slaap valt. Samen met haar bewering: wachten, dat maakt niet uit, wachten is overgang. De natuur is niet donker, de wereld is donker.
Wat zijn we goed voor elkaar, wandelend door een land van stilte en duisternis. Jij opent deuren voor me, ik neem de telefoon voor je op.
Ik draai harde junglemuziek. Jij leest met het licht aan. Prachtig. De ronding van je jukbeen, explosieve klinkers, precies het juiste gebruik van parfum.
Waar denk je aan? vraag ik in een taal van aanraking die uniek is voor ons. Je tikt op mijn handpalm, niets bijzonders. Op stations wedijveren we met onze zintuigen, kijken we wat
het eerst komt – licht in de tunnel, een zweepslag op de rails. Ik schop tegen je schenen als we uit eten gaan. Jij dept mijn lippen. Ik betast die van jou als braille.
De Nederlandse dichteres Lieke Marsman is afgelopen woensdag, 3 juni, op 35-jarige leeftijd overleden. Lieke Marsman werd op 25 juli 1990 geboren in Den Bosch.
In mijn mand
Ik heb niet stilgezeten, ik heb Sartre gelezen en Kant en Kierkegaard. Als ik doodga hoop ik op een hemel om met hen in te kaarten (ik vraag me af of Marx voor geld zou spelen). Lachend zal ik vier azen op tafel gooien, twee jokers achter de hand. ‘Schenk mij bij!’ zal ik roepen naar een engel in een doorzichtig gewaad, maar de doden hebben geen stem. Natuurlijk hebben de doden wel een stem. Driekwart van de boeken die je leest zijn geschreven door een dode toen die dode nog leefde. En zo sijpelt het verleden de toekomst in
Dying is an art, schreef Sylvia Plath Doodgaan is weer kind zijn, denk ik Volledig overgeleverd aan de elementen, zonder dat je iets te zeggen hebt over de plekken waar het leven (een kinderwagen als het ware) je naartoe rijdt
Dit zal na mij zijn, wat voor mij is geweest – Seneca Wat een dwaasheid om verbaasd te zijn als op een dag gebeurt wat elke dag gebeuren kan. Ik ben een dwaas, maar dwazer is wie leeft alsof hij morgen sterft: wat een paniek pulseert er vandaag door je lijf! Nooit zul je meerdaagse plannen maken, nooit ‘s avonds laat door het Oosterpark lopen en verlangen naar de nazomer, nooit een stuk taart bewaren voor morgen, nooit kaartjes voor de biënnale kopen
Zachtjes zit ik in een kano in Frankrijk Hoopvol zit ik weer in de zonnige erker met bloemen Dit zijn geen jeugdherinneringen, maar geuren zoals alle jeugdherinneringen op een gegeven moment geuren worden. Proust, expert in deze vorm van melancholie, schreef: de kracht die de meeste keren om de aarde gaat in één seconde is niet elektriciteit, het is pijn.
…maar hij vergat het licht, dat het allersnelst is en altijd met dezelfde snelheid reist. Licht dat pijn kan doen verbleken. Want wanneer ik mij buk om de druiven die gevallen zijn op te rapen en pijn duwt mijn gezicht weer eens ineen als een harmonica maar ik kijk op en zie de zon weerkaatst in de nieuwe koelkast die van jou en mij samen is, wat betekent pijn dan nog?
Jij bent geboren in de grijze flat met plastic balustrades, ik zag mijn eerste nacht in het kleine huis met gekleurde kozijnen
Maar dit gedicht gaat over de dood. In mijn kist zal een donzen dekbed liggen, mijn lijf omringd door pluchen knuffels Ze noemden me kinderachtig, maar dat was toen Jonge honden waren we, voor het eerst in een park zonder riem, verbaasd bij alles wat ons lukte dankzij of ondanks onszelf en ons vermogen overal een competitie in te zien
‘De dood accepteert geen jokers,’ zegt Kant in alle ernst met zijn zwaarste stem en: ‘Schenk mij bij!’ tegen de engel, die geïrriteerd zijn breiwerk opzijlegt en antwoordt: in je mand (want is het zo onderhand niet evident dat mensen voor engelen zijn wat dieren voor mensen zijn?)
In mijn mand!
Is het mijn sterfdag? Ik maak mij geen zorgen Alle gelukkige momenten herhalen zich Eerst als tragedie en dan als klucht en daarna als elegie Er zullen opnieuw tieners wild na sluitingstijd een snackbar in rennen Er zullen opnieuw geliefden in de wijnbar zitten waar wij elkaar voor het eerst kusten Zelfs jij zal opnieuw een geliefde in een wijnbar zijn en opnieuw gelukkig zijn ook al is je oude geliefde dood Maar voor nu ben je boos dat ik dit opschrijf Veel te vroeg zoals ik altijd overal veel te vroeg ben Maar juist daarom hou ik van je omdat mijn ziekte soms voor jou een bron van boosheid is
Is het mijn sterfdag? De lucht is stil, als lucht op een kalender Is het mijn sterfdag? Vergeet klokken die luiden De lucht is stil, als lucht Is het mijn sterfdag? Vergeet engelen en psalmen Ik wil de vanille van een oud boek Ik wil een koud flesje bier en ik wil jou, nog één keer Vergeet vogels die zingen Ik wil mijn hond horen drinken
De Nederlandse schrijver Bert Natter heeft de Libris Literatuur Prijs gekregen voor zijn roman “Aan het einde van de oorlog”.Zie ook alle tags voor Bert Natter op dit blog.
Uit: Aan het einde van de oorlog
“CHRISTINE BIJ DE KAPPER IN HET STADJE Christine sluit haar ogen, vooral om niet steeds in de spiegel de gedienstige kapper te hoeven zien. Een mankepoot. Als ze haar ogen sluit, lijkt het net of ze thuis is. Daar heeft ze er eentje die zich met soortgelijk gebonk door het leven beweegt. Vanochtend aan de ontbijttafel vroeg ze haar echtgenoot of het niet verstandig was de jongens thuis te houden, vanwege het gerommel, dat sinds zonsopgang steeds luider leek te worden. “Hoezo?” vroeg hij met volle mond, niet eens opkijkend van het rapport dat hij doorbladerde. Hij nam een slok thee en spoelde een hap brood weg. “Vanwege de Russen: Het was de tweede keer dat ze het onderwerp aansneed. Vanmorgen vroeg wilde ze alleen bij haar echtgenoot schuilen, maar nu… nu verwachtte ze antwoorden en actie. “Jij met je Russen..: zei hij zacht ‘Ik heb je toch gezegd dat ze..” ‘Ik ben niet gek. Mijn hart zegt dat mijn jongens als ze uit school komen beter binnen kunnen blijven. En we moeten hier weg.” Haar echtgenoot zette zijn kop op tafel. ”Die jongens gaan vanmiddag gewoon naar buiten. Een gezonde geest in een gezond lichaam. En wij blijven. Ik kan toch niet als… als kapitein het schip verlaten.” Op z’n hoogst is hij tweede stuurman, maar dat zei Christine niet, ze zuchtte alleen diep. “Misschien moeten ze dat kettinkje afdoen” zei hij even later, terwijl hij van tafel opstond. ”Het kamp komen ze helemaal niet meer binnen.” “Nee, laat ze alsjeblieft dat kettinkje omhouden”. “Wat jij wilt.” Hij draaide zich van haar af, naar de piano, waar hij midden in de nacht nog op had zitten oefenen, tot wanhoop van haar. ‘Ik heb te veel aan mijn hoofd voor dit soort vermoeiende gesprekken. Vanavond moet ik spelen… Goed, ze houden het kettinkje om en als ze uit school komen, gaan ze buiten spelen, ze weten heel goed waar de grens van hun speelterrein ligt en jij ziet erop toe dat ze op tijd thuis zijn, zodat je erbij kunt zijn vanavond.” Boink-stap, boink-stap, daar komt de kapper weer aan, met een ronde spiegel in een houten lijst. Net als hij die omhooghoudt, zodat Christine haar kapsel van achter kan zien, grijpt de man onder de kreet “Mijn been!” naar zijn houten poot. De spiegel valt in stukken op de vloer.”
4 mei . De oorlog is al jarenlang voorbij. Men zegt het, maar het is niet waar. Ik zie ze nog, gebonden aan elkaar gaan naar hun graf. De duinenrij ligt in de zon, de wind streelt door hun haar. . Voorover liggen. het is niet voorbij. Wachten met het gezicht op de grond. Roepen tot God met een gesloten mond. Mijn God, mijn God, ontferm U over mij. . Nog klopt hun bloed tegen het witte zand. Nog zoekt hun hart de verre overkant. Ik hoor de schoten. het is niet voorbij.
Jaap Zijlstra (5 september 1933 – 22 december 2015) Oorlogsmonument in wassenaar, de geboorteplaats van Jaap Zijlstra
’s Ochtends toen ik langs de keuken liep Zag ik de banaan op de aanrecht liggen. Gisterenavond heb ik hem niet gegeten en daar laten liggen.
Ik zou hem gaan pakken en hem in de koelkast leggen, Ik keek: de bovenkant van de banaan zat vol met saffraan!
Ik herinnerde me, dat tijdens het maken van een salade Het deksel van het saffraanpotje van zijn plaats verdwenen was.
Kijk dat is toevallig, dacht ik, dat rijmt: banaan en saffraan In mijn keuken banaan Met bovenop saffraan Het heeft geen betekenis Noch enige noodzaak Zoals alle gedichtjes van mijn leven.
Laten we drinken omdat er niets te vieren valt Dan dat we bleven leven om mekaar te bezoeken. Het is een feest dat jij vandaag niet bent gestorven. Het is een feest dat hij geen degelijke wortels had Maar benen om te komen naar mijn huis van ons. Het is een feest dat zij haar eenzaamheid kan geven Aan het muzikale oor dat deze kamer is geworden. Laten we drinken zonder andere reden dan wij.
2
De avond valt. Het ernstige oktoberlicht Dat ouder is dan wij, kijkt door de tuimelramen Op ons neer met zijn oorspronkelijke perfectie. Zijn juiste warmte leert ons wat we kunnen worden, Delend in zijn antieke waarde van levend goud. Zijn sprakeloos gezicht doet ons de dromen aan Waarin we samen sprekend worden opgenomen – Zijn pure buitenkant is helemaal zichzelf.
3
Vriendschap heeft vanavond de deuren vernageld. De kamer bestrijkt de wereld zoals we hem denken. Het kijkende wiel van onze gesprekken neemt hem In zich op – we maken naam en krijgen zin.
De fles gaat rond zoals een woord dat laaft en lest. De wildpastei als voorgerecht is een memento mori Recht uit de oven. De dode dieren heb ik gered Van hun dood – die moge jullie goed en wel bekomen.
Wat ik bedacht en deed in mijn eenzame keuken Wandelt nu door onze darmen en verandert zich In ons denken en doen. Ik heb me uitgedeeld – Het is mijn vlees en bloed dat in de borden dampt.
Leonard Nolens (11 april 1947 – 26 december 2025)
De Amerikaanse dichter en schrijver Mark Strand werd geboren op 11 april 1934 in Summerside, Prince Edward Island, Canada. Zie ook alle tags voor Mark Strand op dit blog.
Wat het was
II
Het was de omtrek van een stoel; Het was de grijze bank; het was de ommuring, De tuin, de grindweg; het was de manier Waarop het verbrokkelde maanlicht over haar haar viel. Dat was het, en het was meer. Het was de wind die aan de bomen Rukte; het was het gerommel en gedonder van wolken, de kust Bezaaid met sterren. Het was de tijd die leek te zeggen Dat als je wist hoe laat het werkelijk was, je nergens meer Naar vragen zou. Dat was het. Dat was het beslist. Het was ook wat nooit gebeurde – een ogenblik zo vol Dat toen het onvermijdelijk voorbijging, geen smart groot genoeg was Om het te bevatten. Het was de kamer die er na zoveel jaren Onveranderd uitzag. Dat was het. Het was de hoed Die zij vergeten was, haar pen die op de tafel lag. Het was de zon op mijn hand. Het was de gloed van de zon. Het was de manier Waarop ik zat, de manier waarop ik uren, dagen wachtte. Dat was het. Precies dat.
Dit Romenu Blog bestaat vandaag precies twintig jaar! Dank weer aan alle oude en nieuwe bezoekers voor hun interesse en reacties van het afgelopen jaar. De eerste bijdrage in 2006 ging over de dichter en schrijver Willem de Mérode. Traditiegetrouw, omdat hij aan de wieg stond van dit blog, ook nu weer een gedicht van hem. Zie ook alle tags voor Willem de Mérode op dit blog en Romenu’s eerste lustrumpagina.
De vrienden
Bij ’t portret van Jaap en Okke Hun houding drukt hun diepste wezen uit De grootste zit, in wakkren droom verloren, Op ’t rijzen van de stem des bloeds te hooren, De nachtegaal die in harts meinacht fluit.
Hij wond zijn arm los om zijn makker heen In groote goedheid, niet om steun te ontvangen. Wie luistert naar zijn innigste verlangen, Hij vindt zijn vastheid in zichzelf alleen.
De jongste staat, zijn oogen moedig open, Gereed om met zijn onbevlekte kracht Het schoone leven naar zijn wil te dwingen.
Gelukkigen! Zij hebben wat zij hopen: De reine houdt de wereld in zijn macht, En die gelooft, bezit reeds alle dingen.
We woonden nog op het kasteel en vader stapte binnen met wat voor ons de eerste teletijdmachine was een commodore een plastic bak met vensterglas waarachter ik de nieuwe wereld zag met broertjes vocht ik om de aandacht van het ding de gunst van de betovering – het spel met de Perzische prins
—
We belden later later eenzaam in als onverbonden wezen weifelend zocht de modem vertraging van het verlangen contact
—
Maar we leefden net zolang tot elk van ons zichzelf in de ban van het ding volledig omringde met schijn met de glans van de ring met het schijnsel van schermen online scheen alles onmiddellijk nabij
—
Op een kleine planeet groeide toen het idee dat je in deze wereld helemaal je hele zelf kan zijn astronaut in het diepst van je gedachten ongebonden tijdloos tollend om je eigen as planeet zonder zon
—
Alleen je blijkt niet alleen zo alleen in de ruimte woekert oneindig de braamstruik ik zie het aan en breid mijn databundel uit schrijf en schrijf om er te zijn
—
We tasten, we zweven soms lijkt iets dichtbij maar weet jij of weet ik veel want wat is er waar dit hier jij daar zonder nabijheid is alles verhaal
Lamps through the quiet house; outside, there’s rain. Open windows; verandah; TV moon next door, amongst dark fronds; the typewriter sounds of wetness; and bougainvillea entwining each carved white pole with a vine cruel as wire. The petals make their clamour silently; held by heat of the houselights in high arc, above the steps — hovering, a red surf, blown from darkness. Down the street’s the light-pole, that stands as though a fountain, its cowl soda-white, in rains that thicken. And, going in, my hand again searches quietness, along the books. I come sidling into the deep presence of these flowers.
Summer, Summer
A game of cricket on the English grass, in the slow-motion blast of the sun and amid the slow hand-claps — the bats’ are similar but even slower strokes. Aimless as a blowfly on its motorbike, or as some real bike among distant lanes, the afternoon. Canvas chairs and crumbs and the match from Lords kept low on a portable, and some are stretched along the turf, and half turning the head, at times, can watch from under cover, a pair who, laughing near, wine-flushed, have each begun their slow ticklings with grass stalks. The clouds are soap froth built up on the hands of someone who pauses indoors above the sink, in silhouette even to himself, and that hold; that still, still nothing can dissipate. This frosted glass that’s pushed up in the changing room invites a glimmer, as there passes the white figure quickly scissoring across the wide lawn, although nothing comes undone. Whatever the bird is called, whether it’s a wood pigeon or a dove, it faithfully makes its rich idle bubblings like a Moroccan pipe — the brief billows, loose as summer wash. And now you notice the young couple have got up and gone, and you see, too, how the man who has become so quiet is one who must realise he will never have his hands upon a firm breast again.
Laat ons het wilde onkruid zingen, Waaruit de grauwe lewerk stijgt, Als hij met nietige vlerken Zich in het eigen lied vertakt. Van de schermvormige sterrebloem Leer de bestuiving, Beschouw de schuwe mier En glijd bij neerwaarts Genijgden, verzonken gang Uw vinger de bedauwde stengel langs.
Nu is de tijd gekomen Dat aarde zelf ons aanzet Verrukt te prijzen, wat de vrome Graanakkers eenmaal krenkte: De tere winde, Het licht gepeupel Der verwaaide grassen, De gloeiende glazen Der bedwelmende papaver op de slaperige barm, En zie het doorwaskruid steekt zijn hazenoren uit.
Ach, de verzwonden marsyas drijven De stenen zelf nu weder uit, Wij voelen bevend hoe we blijven En luisteren in een ledig huis. Het cymbelkruid wendt, Terwijl het reeds sterft, Zich af van de dag, En strooit dat het drage Van muur tot muur het aardse geluk Het heilige zaad in het donker terug.
Vertaald door René Verbeeck
Elisabeth Langgässer (23 februari 1899 – 25 juli 1950)