Dit is voor jou; nu ik je niet meer spreken kan nu ik je zoeken moet in sporen je volgend op een afstand, steeds erop bedacht mij niet te verraden –
spreek ik voor jou; al zul je het nooit weten.
Ik ben niet wanhopig, ik ben je niet onwaardig. Ik heb een leven gevonden nu en hier. Maar een leegte heerst, als een duizeling, in de kringloop der planeten.
De Nederlandse dichteres Lieke Marsman is afgelopen woensdag, 3 juni, op 35-jarige leeftijd overleden. Lieke Marsman werd op 25 juli 1990 geboren in Den Bosch.
In mijn mand
Ik heb niet stilgezeten, ik heb Sartre gelezen en Kant en Kierkegaard. Als ik doodga hoop ik op een hemel om met hen in te kaarten (ik vraag me af of Marx voor geld zou spelen). Lachend zal ik vier azen op tafel gooien, twee jokers achter de hand. ‘Schenk mij bij!’ zal ik roepen naar een engel in een doorzichtig gewaad, maar de doden hebben geen stem. Natuurlijk hebben de doden wel een stem. Driekwart van de boeken die je leest zijn geschreven door een dode toen die dode nog leefde. En zo sijpelt het verleden de toekomst in
Dying is an art, schreef Sylvia Plath Doodgaan is weer kind zijn, denk ik Volledig overgeleverd aan de elementen, zonder dat je iets te zeggen hebt over de plekken waar het leven (een kinderwagen als het ware) je naartoe rijdt
Dit zal na mij zijn, wat voor mij is geweest – Seneca Wat een dwaasheid om verbaasd te zijn als op een dag gebeurt wat elke dag gebeuren kan. Ik ben een dwaas, maar dwazer is wie leeft alsof hij morgen sterft: wat een paniek pulseert er vandaag door je lijf! Nooit zul je meerdaagse plannen maken, nooit ‘s avonds laat door het Oosterpark lopen en verlangen naar de nazomer, nooit een stuk taart bewaren voor morgen, nooit kaartjes voor de biënnale kopen
Zachtjes zit ik in een kano in Frankrijk Hoopvol zit ik weer in de zonnige erker met bloemen Dit zijn geen jeugdherinneringen, maar geuren zoals alle jeugdherinneringen op een gegeven moment geuren worden. Proust, expert in deze vorm van melancholie, schreef: de kracht die de meeste keren om de aarde gaat in één seconde is niet elektriciteit, het is pijn.
…maar hij vergat het licht, dat het allersnelst is en altijd met dezelfde snelheid reist. Licht dat pijn kan doen verbleken. Want wanneer ik mij buk om de druiven die gevallen zijn op te rapen en pijn duwt mijn gezicht weer eens ineen als een harmonica maar ik kijk op en zie de zon weerkaatst in de nieuwe koelkast die van jou en mij samen is, wat betekent pijn dan nog?
Jij bent geboren in de grijze flat met plastic balustrades, ik zag mijn eerste nacht in het kleine huis met gekleurde kozijnen
Maar dit gedicht gaat over de dood. In mijn kist zal een donzen dekbed liggen, mijn lijf omringd door pluchen knuffels Ze noemden me kinderachtig, maar dat was toen Jonge honden waren we, voor het eerst in een park zonder riem, verbaasd bij alles wat ons lukte dankzij of ondanks onszelf en ons vermogen overal een competitie in te zien
‘De dood accepteert geen jokers,’ zegt Kant in alle ernst met zijn zwaarste stem en: ‘Schenk mij bij!’ tegen de engel, die geïrriteerd zijn breiwerk opzijlegt en antwoordt: in je mand (want is het zo onderhand niet evident dat mensen voor engelen zijn wat dieren voor mensen zijn?)
In mijn mand!
Is het mijn sterfdag? Ik maak mij geen zorgen Alle gelukkige momenten herhalen zich Eerst als tragedie en dan als klucht en daarna als elegie Er zullen opnieuw tieners wild na sluitingstijd een snackbar in rennen Er zullen opnieuw geliefden in de wijnbar zitten waar wij elkaar voor het eerst kusten Zelfs jij zal opnieuw een geliefde in een wijnbar zijn en opnieuw gelukkig zijn ook al is je oude geliefde dood Maar voor nu ben je boos dat ik dit opschrijf Veel te vroeg zoals ik altijd overal veel te vroeg ben Maar juist daarom hou ik van je omdat mijn ziekte soms voor jou een bron van boosheid is
Is het mijn sterfdag? De lucht is stil, als lucht op een kalender Is het mijn sterfdag? Vergeet klokken die luiden De lucht is stil, als lucht Is het mijn sterfdag? Vergeet engelen en psalmen Ik wil de vanille van een oud boek Ik wil een koud flesje bier en ik wil jou, nog één keer Vergeet vogels die zingen Ik wil mijn hond horen drinken
“Ik ben zelf een barometer, had hij tegen haar gezegd toen ze voor de barometer stonden. Ik voel het tot in mijn skelet. Een ander zou gezegd hebben tot in mijn botten, maar Rudolf zei skelet, omdat hij wist dat Rosita dat irritant vond. Hij wist ook waarom zij het irritant vond, dat maakte het erger. Zij had een letterlijke geest en zág dus ook een skelet, wat ze niet aangenaam vond. De tijd van de vanitasschilderijen is voorbij, zei ze, je zet toch ook geen doodskopmeer op je werktafel. Als je dat een uur geleden gezegd had zou ik niet met je hebben geneukt. Geen zin in zo’n skelet boven op me. Ze zag het voor zich, klapperende ribbenkasten, in elkaar bijtende schedels. Je bent soms een echte klootzak. Alleen maar omdat het weer verandert. Daar zei hij niets op terug, omdat het waar was, zowel het een als het ander. Ineens was de zomer voorbij. Grauwe wolkenkastelen, het wit van de Spaanse huizen ineens vaal, en straks de tuin onder water, want als het kwam, kwam het goed, met bakken. En de melancholie die erbij hoorde. Deuren die de hele zomer open geweest waren moesten dicht, de grote wandelingen langs de kust moesten naar een vroeger tijdstip verzet worden, er viel een donker gat tussen het uur dat de duisternis inviel en het uur waarop je in Spanje kon gaan eten. Dat betekende vroeger drinken in een bar of in het ineens niet meer zo aangename huis bij een elektrisch kacheltje een beetje kleumerig zitten lezen. Onuitstaanbaar dat zij daar geen last van had. Zij had, als hij er goed over nadacht, eigenlijk nooit ergens last van. Niet van slapeloosheid, niet van verveling. Ze verdween eenvoudig naar haar werkkamer, en was daar kennelijk gelukkig. Hoe iemand gelukkig kon zijn die al jaren aan een geschiedenis van de Nederlandse arbeidersbeweging werkte was hem een raadsel. Alles wat ze erover vertelde, van Domela Nieuwenhuis tot en met Henriette Roland Holst, vervulde hem met diep wantrouwen. Allemaal mensen met dubbele namen die het goed gemeend hadden met de uitgebuite klasse. Nu was het een eeuw later en de te verheffen klasse van ooit stond getatoeëerd als een Maori met een radio keihard aan op een ladder het huis naast je te schilderen. Gejengel en gestamp, vette stemmen van populaire dj’s, en op de televisie plat pratende nieuwe beroemdheden die een seizoen lang de helden waren in een of andere soap. Ze zouden eens terug moeten komen, zei hij dan, de Gorters ende Van Eedens. Ze zouden zich de pleuris schrikken. Eindelijk gelukt, de dictatuur van het proletariaat, kunst voor het volk. Ik zie d’arbeiders dansen in zilvren rijen aan de rand van de oceaan, zo’n soort regel. Gorter, geloof ik. Gelukt ook nog, in de disco in Torremolinos. Haar antwoord daarop was meestal een zacht neuriën, waarvan hij nooit zeker wist of het niet een uiting van minachting of van groot medelijden was. Een licht, hoog zoemen, een soort vogelgemurmel, alsof ze al bezig was van hem weg te vliegen.”
Cees Nooteboom (31 juli 1933 – 11 februari 2026)
De Duitse schrijfster Elina Penner werd geboren op 12 februari 1987 in Kamenka, Oblast Orenburg, toen USSR. Zie ook alle tags voor Elina Penner op dit blog.
Uit: Die Unbußfertigen
»Herzlich willkommen zur offiziellen Harmlik-TV-Rennion!« Die Moderatorin strahlt und freut sich, zurück an dem historisch denkwürdigen Ort zu sein. »Seid ihr auch so aufgeregt wie ich? Wir können es selbst kaum glauben, aber vor genau einem Jahr startete Hamerk-7V auf eine extrem kuriose, wenn nicht gewöhnungsbedürftige Art und Weise. Mit euch zusammen gehen wir heute noch einmal auf die Memory Lane, landen in Eichbrück, flirten mit unseren Idolen, streiten und fetzen uns, beschuldigen uns und versuchen auszubrechen.« Das Publikum im Saal tobt. Die Moderatorin legt die Hände auf ihren Brustkorb, presst die Lippen aufeinander und nickt gerührt den Menschen zu. Sie wischt sich links und rechts imaginäre Tränen weg und fährt fort: »Ihr habt unsere Hamerk-Babes genauso vermisst wie ich, deshalb sollt ihr nicht länger warten. Denn wir wissen alle, was ihr braucht! Heute bricht er weder Herzen noch Bankkonten, unser Lieblingsfuckboi a. D., Justin, komm her!« Schüchtern betritt ein junger Mann Ende 20, vielleicht schon Anfang 30, die Bühne. Er trägt einen gut geschnittenen cremefarbenen Leinenanzug, jede einzelne seiner blonden Locken sitzt perfekt. Ein junger Ryan Phillippe, ein hübscher Matthias Schweighöfer. Das Publikum johlt, Hunderte Frauen schreien immer wieder JUSTIN! Justin setzt sich auf das goldglänzende Sofa. Die Moderatorin wartet, bis sich das Publikum beruhigt hat. Das wird sie bei allen Gästen so machen – und da kommt auch schon der Nächste. »Vor ihm könnt ihr euch nicht verstecken, er wird euch überall finden, hier kommt Max!« Ein freundlich aussehender Mann Mitte 40 kommt auf die Bühne. Er ist unaufdringlich farblos, einer, den man schnell vergisst. Man denkt nur, das war dieser Dicke, wie hieß der noch mal? »Bitte give it up für unseren einzig wahren Girl Dad, der heute seinen Senf nur noch dazugibt, wenn es Bratwurst gibt! Hier ist euer Klaus!« Ein sportlicher Mann um die 70 mit vollem weißem Haar, in heller Jeans und weißem Hemd geht zügig auf die Bühne. Typ Hausarzt, der gerne golft. Oder Geschichtslehrer, der gerade von der Romfahrt mit dem Geschichte-Leistungskurs kommt. Tiefenentspannt, ihm fehlt nur der Espresso in der Hand und eine Pilotensonnenbrille auf der Nase. »Mensch Klaus, dich erkennt man ja gar nicht wieder, steht dir gut, so frisch!«, begrüßt ihn die Moderatorin. Klaus setzt sich und grüßt mit einem Nicken das Publikum. »Ladys, holt eure Persos raus, denn unser folgender Gast kontrolliert mehr als nur eure Facecard, hier ist Basti!«
No one knows the wonder Your child awoke in you, Your heart a perfect cradle To hold its presence. Inside and outside became one As new waves of love kept surprising your soul.
Now you sit bereft Inside a nightmare, Your eyes numbed By the sight of a grave No parent should ever see.
You will wear this absence Like a secret locket, Always wondering why Such a new soul Was taken home so soon.
Let the silent tears flow And when your eyes clear Perhaps you will glimpse How your eternal child Has become the unseen angel Who parents your heart And persuades the moon To send new gifts ashore.
John O’Donohue (1 januari 1956 – 4 januari 2008) De Petrus en Paulus kathedraal in Ennis, County Clare, de geboorteplaats van John O’Donohue
Uit: Möwengelächter (Coletta Bürling und Renate Einarsson)
“Am Ostermorgen, als Agga mit der Aprilsonne im Nacken auf dem alten Steinpier stand und die Flundern im seichten Wasser am Ufer mit Steinen zu treffen versuchte, bekam sie dieses merkwürdige Prickeln im Bauch, das die Erwachsenen bekommen, wenn sie verliebt sind oder irgendein fürchterliches Gebräu getrunken haben. Allerdings hatte sie weder das eine noch das andere ausprobiert, und deshalb glaubte sie, das Gefühl sei ein Vorzeichen großer Ereignisse, denn genauso ging es Kidda in der Kellerwohnung immer, wenn Orkane oder Vulkanausbrüche im Anzug waren, und außerdem konnte diese plötzlich und unvermittelt Lemurengeruch wittern, was unweigerlich den Tod ankündigte. Agga schnupperte, konnte aber nichts anderes riechen als den penetranten Geruch von Seetang. Gelbe Strahlen erleuchteten die glatte, graue Meeresoberfläche im Hafenbecken, und im Ort herrschte Grabesstille. Nur der Rauch aus den Häusern, die zum Teil halb versteckt in den Lavamulden kauerten, deutete darauf hin, dass manche bereits auf den Beinen waren. Die Uhr am Kirchturm zeigte gut zehn, und bald würden sich die Männer mit Schlägermützen und in abgewetzten Sonntagsanzügen am Hafen einfinden und mit den Händen in den Hosentaschen die alte Leier über mageren Fischfang, Reaktionäre und die verdammten Kommunisten anstimmen. Die Möwen am Ufer kreischten laut an diesem Auferstehungstag des Gottessohnes, und Aggas Magen rumorte, als hätte sich dort ein Poltergeist eingenistet. Dass die Übelkeit von dem riesigen Schokoladenosterei herrühren könnte, das sie sich noch vor Sonnenaufgang einverleibt hatte, kam ihr nicht in den Sinn, sie glaubte eher an das Vorzeichen, spürte aber das Bedürfnis, aufzustoßen oder sich über einen Küchenhocker zu legen, um sich von Blähungen und Bauchschmerzen zu befreien. Sie trottete den alten Steinpier wieder zurück, über die Brücke, die über den Bach führte, und hielt sich bis nach Hause den Bauch. Unterwegs hörte sie aus einiger Entfernung das Klappern von hochhackigen Schuhen, war aber zu sehr mit ihren Bauchschmerzen beschäftigt, um es zu beachten. Es war ihr so egal, dass sie sich nicht einmal umdrehte, um zu sehen, wer schon so früh am Ostersonntag unterwegs war. Sie war bereits zu Hause am Gartentor angelangt, als ihr bewusst wurde, dass die Frau ihr die ganze Zeit auf den Fersen gewesen war. Da endlich drehte sie sich um.”
Kristín Marja Baldursdóttir (Hafnarfjörður, 21 januari 1949)
“Ik druk mijn duim in de noest boven mijn voorhoofd en sleep mijn huid langs de nerf, over het taaie eikenhout, tot een splinter mijn vel in sluipt en ik op mijn tong bijt om geluidloos te kermen. Omdat ik toch iets denken moet, denk ik: ’toog’ betekent zowel ‘priestergewaad’ als ‘bar: Ik stop mijn duim in mijn mond en zuig het ijzer uit mijn lijf. Als de wond is gestold, vouw ik mijn handen kruislings over mijn borst en wacht net als iedereen het einde af. De mouwen van mijn gasten ruisen als zij hun kruisen slaan. Het moet me meer zorgen baren Ik hoor hoe de priester opnieuw rond mijn lichaam klingelt. HIJ prevelt zoetgevooisde woorden die ik niet versta. Ingenesteld in eiken tel ik mijn grafrede af. Er zit een ruimte van twee vuisten tussen neus en deksel, maar ik heb in te veel kleine keukens gewerkt om nu nog claustrofobie te ontwikkelen. Ik lig zo stijf als ik kan. Zonder de priester te zien volg ik het geketende wierookvat in zijn handen, op en neer, heen en terug, als een pendule die de toeschouwer in hypnose leidt. Mijn ingetoomde adem stuit op de deksel en keert nog warm terug. Ik begrijp beat dat je soms wordt verrast door het leven – noem het overrompeld – maar dit is niet het einde dat ik me had voorgesteld. Ik ben hier niet heen gegaan om te sterven. De priester kucht Ik bijt me door de psalmen, hymnes, gebeden en klaagzangen. Een hoop gedoe om niets. Ik heb heel mijn leven gezegd dat ik niet gecremeerd en zeker niet begraven wilde worden. Stoof mijn lijf in een ketel met abdijbier en voer me aan het meest misbruikte dier ter wereld: het varken. Volgende keer beter. De priester neemt een slok water voor hij preekt. Hij vervloekt de globalisering, de eindeloze nood tot consumeren die zelfs is doorgedrongen tot zijn gemeente in het hoge noorden en het gebrek aan spiritualiteit die over de moderne mens is neergedaald. ‘Alex..? Hij pauzeert kort zodat alle aanwezigen mij voor zich zien, de Alex die zij zo kort kenden. te vroeg, veel te vroeg, teruggeroepen.’ Ik houd van mijn voornaam. Van mijn voornaam wel. Alex past me. Die naam heb ik te danken aan mijn vader, die mijn vader niet was. Hij gaf me bij een poldergemeente onder zeeniveau aan als Alex Petrescu. Tegen de zin van mama, zij stond erop om mij Codrin te noemen. Dat kon ze vergeten. Mijn voornaam was de naam die hij mij wilde geven om mijn vader te spelen. Het was een eenzijdig compromis. Al hield hij wel degelijk rekening met haar geboortegrond: het ging wat hem betrof tussen Daniel, Victor, Stefan, zonder komma onder de s, en Alex. Een Alex zou tenminste werk vinden in een kantoortoren. ‘Ik begraaf meer mensen dan ik doop: zegt de priester. Hij zucht – oprecht, geloof ik. ‘Dat kan ik accepteren, dat is mijn last. Maar dit…’ Hij wijst, vermoedelijk, naar mij. Ik druk mijn achterhoofd dieper in het hoofdkussen.”
Portret van broer en zus door Sergei Pavlenko, z.j.
Brother And Sister
The shorn moon trembling indistinct on her path, Frail as a scar upon the pale blue sky, Draws towards the downward slope: some sorrow hath Worn her down to the quick, so she faintly fares Along her foot-searched way without knowing why She creeps persistent down the sky’s long stairs.
Some day they see, though I have never seen, The dead moon heaped within the new moon’s arms; For surely the fragile, fine young thing had been Too heavily burdened to mount the heavens so. But my heart stands still, as a new, strong dread alarms Me; might a young girl be heaped with such shadow of woe?
Since Death from the mother moon has pared us down to the quick, And cast us forth like shorn, thin moons, to travel An uncharted way among the myriad thick Strewn stars of silent people, and luminous litter Of lives which sorrows like mischievous dark mice chavel To nought, diminishing each star’s glitter,
Since Death has delivered us utterly, naked and white, Since the month of childhood is over, and we stand alone, Since the beloved, faded moon that set us alight Is delivered from us and pays no heed though we moan In sorrow, since we stand in bewilderment, strange And fearful to sally forth down the sky’s long range.
We may not cry to her still to sustain us here, We may not hold her shadow back from the dark. Oh, let us here forget, let us take the sheer Unknown that lies before us, bearing the ark Of the covenant onwards where she cannot go. Let us rise and leave her now, she will never know.
D.H. Lawrence (11 september 1885 – 2 maart 1930) St Mary’s Church in Eastwood, de geboorteplaats van D.H. Lawrence
Verdween mijn zusje onverwacht. En niemand die haar lopen zag. De zon sloop weg, de dag werd oud. De maan kwam op, de nacht was koud. We zochten haar aan strand en zee. Misschien nam Westenwind haar mee. We riepen hard en zongen zacht. We zochten sporen in de nacht. Maar alles gaat zoals het moet. En zij bleef weg, voorgoed, voorgoed. Nu zingt de wind een droevig lied. Vergeet mij niet, vergeet mij niet.
Zusje
Het zusje dat zo dwalen moest langs verre stranden, golven woest zij gaf de woorden toekomst mee en bracht ze naar de wijde zee nu is ze weg, haar stem werd stil maar als ik haar weer horen wil sluit ik mijn ogen om te zien of zij nog ergens is misschien.
Johanna Anna Kruit (Zoutelande, 14 december 1940) Sint Catharinakerk, Zoutelande
De Nederlandse schrijfster Yvonne Keuls is gisteren op 93-jarige leeftijd overleden. Yvonne Keuls werd geboren op 17 december 1931 in Batavia, toen nog een onderdeel van Nederlands-Indië. Zie ook alle tags voor Yvonne Keuls op dit blog.
Uit: Gemmetje Victoria
“Ik lees nooit rapporten,” zei ik, ‘dus ook niet de jouwe. Als het nodig is, leer ik je wel kennen.” Ik zag dat ze onrustig werd. Ze ging staan, zweeg en hield mij in de gaten. Ze begon te wiebelen, van het ene been op het andere, waarschijnlijk zoekend naar het volgende voorwerp dat ze naar mijn hoofd kon smijten. ‘Is er geen asbak hier? We mogen toch wel roken? In alle psychiatrische inrichtingen roken ze als de pieten. Maar daar heb jij natuurlijk nooit gezeten, haha.’ Daarna, met een knikbeweging naar de rapporten: ‘Staat een stempel op. Op al die rapporten dezelfde stempel: onhandelbaar. Bedoelen ze mij mee.’ Ze maakte agressief het stempelgebaar en keek aandachtig hoe ik daarop reageerde. ‘Ik wist niet dat daar een stempel van bestond,’ zei ik rustig. ‘Naïef tiepje, jij, hè. Bij jeugdzorg gaan ze zuinig om met hun tijd. Als je een stempel hebt, hoef je namelijk niks op te schrijven, kan je eerder naar huis.’ Ze lachte spottend. ‘Nou… hoe heet je?’ ‘Gem,’ zei ze. ‘Gemmetje Victoria. Officieel alleen Gemmetje. Victoria werd mijn achternaam omdat ze die niet wisten. Iemand heeft dat bedacht omdat ik altijd weer kwam bovendrijven. Staat tenminste in een van die rapporten, maar niemand weet of het waar is. Eigenlijk best leuk om rapporten over jezelf te lezen. Allemaal gelogen natuurlijk. Hebben ze allemaal geschreven om zichzelf belangrijk te maken. Heb jij zelf geen naam?’ ‘Yvonne,’ zei ik. ‘Ja, dáár moest ik naar vragen. Naar Yvonne. Jij bent die schrijfster, hè, dat vind ik interessant. En jij vindt míj vast ook interessant. Om over te schrijven, zeiden ze. Niet om wie ik echt ben, want dan moet je tijd in me stoppen en daar heeft niemand zin in. Als jij over mij gaat schrijven, word ik dan beroemd? Misschien gaan ze dan wel een film over mij maken. Word ik nog rijk ook. En jij samen met mij. Dat is een goeie combinatie, hoor, jij en ik. De beste kans van slagen.’ ‘In wat?’ vroeg ik. ‘Nou, dat ik er niet meteen weer uit gemieterd word. Het lijkt me hier wel wat, zo’n groot huis in de duinen. Hoeveel kamers hebben ze hier wel niet?’ ‘Een stuk of dertig.’ ‘Godsklere… nou, dan mag ik zeker wel een eigen kamer hebben. En kan mijn kamer op slot? Want ik wil wel een kamer die op slot kan. En mag ik mijn kamer even zien?’ ‘Straks.’ Na een poosje zwijgend om zich heen kijken richtte ze haar blik onderzoekend op mij.”
Yvonne Keuls (17 december 1931 – 16 november 2025)