„Es war an der Art des Robert Perwald durchaus etwas Langsames, man hätte auch sagen können, etwas Behutsames. Sein noch jungenhaftes Ge-sicht, das zumeist vor Energie und Klugheit nur so strahlte, floss in manchen Momenten weich auseinander, die Lippen standen offen und seine blaugrauen Augen sahen dann zart und verletzlich aus. Für gewöhnlich war an seinem Gesicht wenig Besonderes, es sei denn sein waches und kluges Geschau und eben der Eindruck von Kraft, von dem es insgesamt zeugte. Seit Jahren lebte Robert jetzt mit seiner japanischen Frau Yoko in Tokyo. Bald nach der Hochzeit waren sie von Wien her übersiedelt. Yoko hatte in Wien studiert. Sie hatte sich aber eingeredet und bald auch den schwer in sie verliebten Robert davon überzeugen können, dass eine Japanerin auf Dauer im Ausland unglücklich werden muss. Dabei war sie durchaus keine Nesthockerin. Gleich nach der Hochzeit hatte sie mit Robert eine Weltreise unternommen. In Japan gelten Welt- reisen als schick. Aber wo ist das, bitte, nicht so? Im Übrigen: Die Ehe lief dann nicht sehr gut. Heimgekehrt von einer seiner Extratouren, die immer ganz unangekündigt und grausam über Yoko hereinbrachen, fand Robert in der Diele ihres gemeinsamen Hauses in Ebisu, einem angesagten Viertel in West-Tokyo, eingeschoben unter die gewöhnlichen Poststücke, einen Schrieb seiner Frau, auf dem sie ihm das gemeinsame Leben aufkündigte. »Mach, was du willst«, schrieb sie da, »mich siehst du nicht wieder.« Was für ein Wisch, dachte Robert. Solche Botschaften von Yoko waren nichts Neues für ihn. Der Groll, der sich anfänglich in ihm regte, zerfiel aber bald zu einem Gefühl der Schwäche, einer fast kindlichen Verzagtheit: Und wenn sie es diesmal ernst meint? — Seinem gedunsenen und leicht geröteten Gesicht war von diesen Regungen freilich kaum etwas anzumerken. Ich bin einfach müde, sagte er sich. Zu müde sogar, um mich zu fürchten. Das machte ihn lächeln, und er rief dann halbherzig und halblaut ein paar Mal Yokos Namen durch das Haus. Wo mag sie nur stecken? Er kochte sich in der Küche Kaffee, und während er so hantierte, ging er Yokos mögliche Fluchtorte und Schlupfwinkel durch, ohne indes zu einem Ergebnis zu kommen.“
Peter Rosei (Wenen, 17 juni 1946)
De Amerikaanse dichter, schrijver en vertaler Ron Padgett werd geboren op 17 juni 1942 in Tulsa, Oklahoma. Zie ook alle tags voor Ron Padgett op dit blog.
Dames en heren in de ruimte
Dit is mijn filosofie: Alles verandert (het woord “alles” is net veranderd, net als het woord “verandering”: het betekent nu geen verandering”) zo snel dat het letterlijk mijn geloof overstijgt, er recht langs raast zoals sommige van de gigantische ideeën op dit gebied. Ik had geen begin en ik zal geen einde hebben: de lichtstraal strekt zich voor en achter uit en ik kook de groenten slechts een paar minuten, hoe korter hoe beter. Doe er boter op en serveer. Dit is mijn filosofie: doe er boter op en serveer.
Uit: Het boek van de Baltimores (Vertaald door Manik Sarkar)
“Ik ben de schrijver. Zo word ik door iedereen genoemd. Door mijn vrienden, mijn ouders, mijn familie en zelfs in het openbaar, door mensen die ik niet ken maar die me herkennen en dan vragen: “Bent u niet die schrijver…?” Ik ben de schrijver, dat is mijn identiteit. Men denkt dat je als schrijver een vredig leventje leidt. Niet zo lang geleden beklaagde een van mijn vrienden zich erover hoe lang hij onderweg was van huis naar kantoor, en hij besloot met: <Tja, jij staat ’s ochtends op, gaat aan je bureau zitten en schrijft. Dat is alles.’ Ik zei niets terug, misschien omdat ik te murw was van het besef hoezeer mijn werk in de collectieve verbeelding bestaat uit nietsdoen. Iedereen denkt dat je niets uitvoert, terwijl je juist als je niets doet het hardste werkt. Het schrijven van een boek is als het organiseren van een zomerkamp. Het leven, dat gewoonlijk eenzaam en stil is, wordt plotseling overrompeld door een groot aantal personages dat op een dag onaangekondigd komt aanzetten en je hele leven overhoophaalt. Op een ochtend komen ze in een grote touringcar aangereden, ze stappen lawaaiig uit, opgewonden over de rol die ze hebben gekregen. En daar moet je het mee doen, je moet ze bezighouden, te eten geven en onderdak bieden. Je bent overal verantwoordelijk voor. Want jij bent de schrijver. Het verhaal begon in februari zon, toen ik New York verliet om mijn nieuwe roman te gaan schrijven in een huis dat ik net had gekocht in Boca Raton, Florida. Ik had het drie maanden eerder aangeschaft van de filmrechten van mijn laatste boek, en afgezien van een paar korte bezoekjes in december en januari om het in te richten, was dit de eerste keer dat ik er zou verblijven. Het was een ruim huis, een en al glas, met uitzicht op een meer dat in trek was bij wandelaars. Het lag in een heel rustige, groene wijk, waar bijna uitsluitend gepensioneerden woonden, tussen wie ik detoneerde. Ik was half zo oud als zij, maar ik had deze plek juist uitgezocht voor de absolute rust. Het was de plek die ik nodig had om te schrijven. Anders dan bij mijn vorige bezoeken, die heel kort waren geweest, had ik ditmaal een zee van tijd, en ik ging met de auto naar Florida. De rit van twaalfhonderd mijl boezemde me geen enkele angst in: in de loop van de voorgaande jaren had ik die tocht vanuit New York onnoemelijk vaak gemaakt om bij Saul Goldman langs te gaan, mijn oom, die zich na het Drama dat zijn familie ten deel was gevallen in een voorstad van Miami had gevestigd. Ik kende de route uit mijn hoofd. Ik liet New York achter onder een dun laagje sneeuw, de thermometer gaf tien graden onder nul aan; twee dagen later bereikte ik Boca Raton in de zachtheid van de tropische winter. Toen ik in deze bekende omgeving van zon en palmbomen kwam, kon ik de gedachte aan oom Saul niet onderdrukken. Ik miste hem verschrikkelijk. “
“Au commencement, il connut la Yakoutie du Nord et Mirny où il travailla trois années. Mirny, une mine de diamants à ouvrir sous la croûte glaciale, grise, sale, toundra désespérante salopée de vieux charbon malade et de camps de déportés, terre déserte baignée de nuit à engelures, cisaillée onze mois l’an d’un blizzard propre à fendre les crânes, sous laquelle sommeillaient encore, members épars et cornes géantes bellement recourbées, rhinoceros en fourrure, bélougas laineux et caribous congelés – cela il se l’imaginait le soir attablé au bar de l’hôtel devant un alcool fort et translucide, la même pute subreptice lui prodiguant mille caresses tout en arguant d’un mariage en Europe contre loyaux services mais jamais ne la toucha, pouvait pas, plutôt rien que baiser cette femme qui n’avait pas envie de lui, il s’en tint à ça. Les diamants de Mirny, donc, il fallut creuser pour aller les chercher, casser le permafrost à coups de dynamite, forer un trou dantesque, large comme la ville elle-même – on y aurait plongé tête en bas les tours d’habitation de cinquante étages qui y naissance d’un pont poussèrent bientôt tout autour –, et, muni d’une torche frontale, descendre au fond de l’orifice, piocher les parois, excaver la terre, ramifier des galeries en une arborescence souterraine latéralisée au plus loin, au plus dur, au plus noir, étayer les couloirs et y poser des rails, électrifier la boue, alors fouir la glèbe, gratter la caillasse et tamiser les boyaux, guetter l’éclat splendide. Trois ans. Son contrat expiré, il rentra en France à bord d’un Tupolev peu démocratique – son siège en classe économique est complètement défoncé, une pelote de fils métalliques se promène sous la toile du dossier, la perce çà et là pour faire sortir une tige qui lui meurtrit les reins –, quelques contrats s’ensuivent et chef de chantier à Dubaï on le retrouve, un palace à faire jaillir du sable, vertical comme un obélisque mais laïc comme un cocotier, et du verre cette fois, du verre et de l’acier, des ascenseurs comme des bulles coulissant le long de tubulaires dorés, du marbre de Carrare pour le lobby circulaire dont la fontaine bruitait son glouglou de luxe pétrodollar, le tout assorti de plantes vertes cirées, de canapés croûte de cuir et d’air conditionné.”
al wat ik terug wou hebben was het blauw van de zee het groen va de winter het geel van de zon de afstand van de maan het water van de regen de klank van de wind mijn plekje achter moeders rug
Vertaald door Alfred Schaffer
Ronelda Kamfer (Blackheath, 16 juni 1981)
En als toegift bij een andere verjaardag:
Psalm
Voor hem bestond er geen voortijdig sterven – wie bood ook aan het sterven tegenstand? – de dood begroetend met dezelfde hand die ooit gods naam in elke boom zou kerven.
Niets meer verhopend van het eeuwig zwerven Naar dat beloofd, maar steeds verschuldigd land, Het zaad verspillend aan onvruchtbaar zand, Liet hij de duivel al zijn steden erven.
Voor hem was er geen spreken en geen woord. Hij had geen stem tenminste ooit gehoord. De dood verloste al wie er voor kozen.
Was hij een kind van god of vaderloze, het leven had gelijk gewicht noch waarde. Gods zoon zag pas postuum het licht der aarde.
Frans Roumen (Wessem, 16 juni 1957) David speelt harp voor koning Saul, door Julius Kronberg, 1885
„Aufwachen!« Ich tippe ihr auf die Schulter. Halte die Hand ins Flusswasser und bespritze ihr Gesicht. Der Junge findet das total spannend, das merke ich. So schnell werde ich den nicht mehr los, also sage ich: »Hilf mir mal, wenn du schon da bist.« Das muss man ihm nicht zweimal sagen. Er stürzt sich auf Mutter und zieht so heftig an ihrem Arm, dass er ihr fast die Schulter auskugelt. Aus ihrem Mund kommt ein Grunzen, sie blinzelt endlich. Zusammen gelingt es uns, sie hochzuziehen. Sie nuschelt etwas. »Er hilft uns kurz«, erkläre ich. »Warte«, sagt der Junge, »ich halte sie an der anderen Seite.« Sie steht inzwischen, auf unsere Schultern gestützt, mühsam arbeiten wir uns die Anhöhe hoch. Auf dem Weg wird es leichter, und prompt schließen sich ihre Augen wieder halb, während sie wie ein Automat weiter Fuß vor Fuß setzt. »Was sollte das mit der toten Nutte?«, frage ich. »Tut mir leid. Ich wusste doch nicht, dass sie deine Mutter ist!« Ich versuche es anders: »Ich meine, wie bist du darauf gekommen? Hast du schon einmal eine tote Nutte gesehen?« »Klar. Zweimal. In Frankfurt.« »Wow.« »Na ja, nur vom Fenster aus, sie rannte aus einem Haus. Jemand hat auf sie geschossen. Dauernd war da was los auf der Straße, Polizeirazzien, Messerstechereien und so. Wir haben im Bahnhofsviertel gewohnt, das ist eine gefährliche Gegend.« Er klingt stolz. »Hm.« Hier in der Stadt gibt es auch jede Menge fiese Ecken, aber da bin ich natürlich nachts nicht. »Ich habe ein Fernglas«, sagt der Junge. »Ein Fernglas?« Ich stelle ihn mir damit am Fenster vor und muss grinsen. Er grinst zurück: »Ja. Genau wie ein Spanner.« Ich merke, dass er gern eine Pause machen würde, um sich zu unterhalten, aber den Gefallen kann ich ihm nicht tun. Wir gehen weiter. An der Seite wird das Ufer schnurgerade, und nur niedriges Grün wächst am Rand. »Frankfurt ist sicher nicht schlecht, oder?«, frage ich. Eigentlich nur, weil man das eben so sagt, denn ich vermisse hier nichts. »Na ja. Jetzt sind wir hier. Wir sind am Wochenende eingezogen. Da!« Er dreht sich um, soweit das mit Mutter an der Seite geht, und deutet zu den Blocks an der Mainstraße.“
Fluisterende dorpen
Hoewel onze steden voortdurend proberen ons met de hemel vertrouwder te maken doordat zij ons van uitzichtpunten, balkons en terrassen voorzien Hoewel ze beweren dat je van bovenaf misschien wel het meest tedere punt in de ruimte kunt zien, een gigantische knikker met een blauw centrum, en ze ons trappen op en liften in lokken, ons de veiligheidsvoorzieningen laten zien, leuningen en netten, de schoonheid van de neonreclames, vrachtwagens zo klein dat we ons gigantisch voelen Hoewel we bijna betoverd worden door het lawaai beneden, horen we soms het gefluister van de dorpen, en soms geloven we er iets van, en springen we als Superman
“Basra, maart 1916 Miss Ben veegt op de drempel van de hal haar bemodderde rijglaarsjes schoon en slaat met een geërgerd gebaar de zwerm mugjes weg die om haar heen cirkelt. Een Somalische boy, gekleed in een tuniek en met een tulband op, snelt blootsvoets toe om haar schoudermantel en paraplu over te nemen. Hij verzoekt haar hem te volgen, Sir Percy Cox wacht op haar in zijn kantoor. Hij is die ochtend van zijn dienstreis teruggekeerd. Lang en mager, blauwe doordringende ogen: Cox is niet veranderd sinds hun laatste ontmoeting bij gemeenschappelijke vrienden in Londen, zeven jaar terug. Zijn golvende haar is misschien grijzer geworden, maar hij lijkt niet erg verouderd en ziet er in zijn uniform nog altijd even deftig uit. Op zijn kraag herkent Miss Bell de dubbele witte lipjes van de politiek officieren van het Brits-Indische leger. Na in Somalië, Perzië en verschillende emeritaten aan de Perzische Golf te hebben gediend is de eenenvijftigjarige Cox, doorgewinterd dienaar van het Britse Rijk, het hoofd van het civiel bestuur in het bezette Mesopotamië. Cox, vermaard om zijn tact en zijn onverstoorbaarheid, betoont zich zijn reputatie die middag onwaardig. Verscholen achter een stapel topografische kaarten en luchtfoto’s bepotelt hij onder een portret van koning George v zijn snor en scheldt op de regen die aanhoudend op het dak van zijn hoofdkwartier roffelt, een gebouw dat is opgetrokken langs een stinkend kanaal waaruit het oorverdovende gekwaak van kikkers en padden opklinkt, het vaste winterse deuntje van Basra, de op palen gebouwde stad aan het estuarium dat Perzië van Mesopotamië scheidt. Er heerst chaos, heeft Miss Ben vastgesteld in de week dat ze in de stad is. De logistiek van het Brits-Indische leger faalt, de Britten tasten rond in onzekerheid, improviseren, hebben aan alles een tekort. Het is moeilijk, zo niet onmogelijk, de honderdduizenden paarden, soldaten, artsen en brahmanen die aan land zijn gekomen te herbergen en dit grote leger van het Oosten te bevoorraden, bij gebrek aan loodsen en koelinstallaties voor de bederfelijke voedingswaren. Het zuiden van Mesopotamië heeft alleen dadels, wat groenten en vee te bieden, dus alles moet uit India, worden geïmporteerd. Maar de oude handelsstad is niet uitgerust om het eskader onder te brengen dat in haar wateren ronddobbert. De haven zit vol, de grote vaartuigen gaan op volle zee voor anker. Onder wolkbreuken en een verzengende zon zijn uren, zelfs dagen nodig om mensen, dieren, goederen en munitie op kleinere transportmiddelen als gondels en ranke kaïks over te schepen en naar de drabbige, van vliegen en muggen vergeven oevers te brengen. Miss Bell heeft het aan den lijve ondervonden en tijdens de overtocht is ze door haar kousen heen in haar benen gestoken. Ze heeft onderweg opgemerkt dat het enige hospitaalschip overvol is en dat de stroom aan bootjes nog lang niet ophoudt.”
Uit: De honden die we zijn (Samen met Leon Verdonschot)
“Ik weet niet meer precies hoe oud ik was toen we weer op vakantie naar Limburg gingen en ik Tobie leerde kennen. Voor mij was Limburg het enige ‘buitenland’ dat ik de eerste zestien jaar van mijn leven kende. Elke vakantie probeerde ik in een grot een stuk mergel los te bikken en als een schat mee te nemen naar onze tent, waar ik een kunstwerk van het zachte gesteente hoopte te maken. Mijn moeder brulde elke keer dat ik niet te ver de grotten in mocht, omdat ik anders zou verdwalen. “Laat dat kind!” zei mijn vader: “Zo wordt het tenminste een vent.” “Wat? Als hij verdwaalt in een grot?” Mijn vader keek mijn moeder hoofdschuddend aan. ”Als hij zijn weg vindt,” zei hij, en daarna zette hij het flesje bier weer aan zijn mond, en keek hij naar de andere campinggasten, die aan het badmintonnen waren, lagen te sudderen in de zon of die de barbecue in de fik probeerden te steken. We gingen elk jaar naar een veld in Meerssen dat eigendom was van een boer die wat extra geld wilde verdienen en een bord in de grond had gestoken met daarop de nieuwe functie van het veld: ‘CAMPING’. Nadat we de camping hadden bereikt, zei mijn moeder: “Wat een achenebbisj! Dit is gewoon een boerenveld.” “Een paradijs”, zei mijn vader glunderend. “En goedkoop!” De locatie was gunstig gelegen, tegenover het bos en de grotten, aan de rand van de rivier de Geul, omringd door koeien die ons elke ochtend wakker loeiden. Het veld was hobbelig door de vele molshopen, en als de wind verkeerd stond, dan rook je de stank van koeienvlaaien. De boer had bij zijn huis provisorisch vier douches aangelegd en in een gat in de grond een betonnen kikkerbad laten storten waar de kinderen konden zwemmen en spelen. Tijdens een van onze eerste vakanties op de camping werden we elke ochtend begroet door een hond die langs de tenten zwierf en om wat eten bedelde. Toen ik voor de tent aan het spelen was kwam hij ineens aanwandelen en bekeek hij wat ik aan het doen was. Misschien wilde hij weten of er iets te bietsen viel. Hij liet zich moeilijk aanhalen en bleef mij op afstand gadeslaan. Ik vroeg aan mijn vader, die met zijn blote, harige buik voor de opening van de tent stond, wat voor hond het was. “Dat is geen hond, dat is een rat,” zei hij.”Misschien is het een poedel,’ zei ik.”
Alex Boogers (Vlaardingen, 14 juni 1970) Alex Boogers en Leon Verdonschot
In mijn tweede kamer sliep heel schattig een kerkhof toen ik ’s avonds terugkwam De meubels zijn bleek en al lang tamelijk koud Ze verspreiden nog steeds een vleugje lavendelgeur
Ik besteed al lang geen aandacht meer aan de crisissen in mijn kamer Kamers doen constant alsof ze dood zijn ze willen niet eens mijn bomen terug naar het raam transporteren ze weigeren hardnekkig mij meer te bieden
dan de winterromantiek van de kasten een appartement vol ijskoude kleren geplooide gordijnen en massa’s motten uitgerekend deze insecten
Ik moet me tevredenstellen met hun kleine moorden in het weefsel van de tijd
kan zolang kussens en poppen je voodoo-gezicht geven
af en toe een mot doodslaan die zich in de stof vreet
Ik zal ’s morgens met mijn tweede kamer
ontwaken om me heen kijken, me eenzaam voelen en weer in slaap vallen
„Mit Zuverlässigkeit und Pedanterie verwaltete er die eigene Lebenszeit. Alles Gelebte zu den Papieren. Er archivierte. Er sammelte und pflegte mit Feingefühl. Ordnete, stapelte, bündelte, legte ab und bewahrte auf. Erinnerte, sichtete, reinigte und hielt zusammen. Spinneneifer setzte die Daten seiner Biographie zueinander in Beziehung und nahm sie zum Anlaß für die beständige Frage, was vor sieben Jahren gewesen sei und was in wiederum sieben Jahren sein würde. Die Kopfschmerzen dieses Tages und Adalbert Stifters Geburtstag; das Weinglas dieses Abends und eine Zecherei in Blansingen vor zehn Jahren. Gleichermaßen konkret und irrational wurde dem Tageskalender Vergangenes als Folie unterlegt, wurde tote Zeit mit lebendiger Zeit verflochten. Seine Witterung für Vergangenes war untrüglich. Melancholische Verlebendigung. Er sammelte Zeitungsausschnitte, Familienfotos, Rechnungen und Durchschläge aller Art. Er bündelte die Briefe seiner Familie, seiner Freunde und Bekannten, Gratulationen, Danksagungen, Rundschreiben und obskure Drucksachen. Über die nötige Aktenordnung hinaus sammelte er selbstverfaßte Artikel und die Rezensionen anderer, seine Themen betreffend. Er hortete Hölzer, Steine und Trambahnbillette, sammelte die ersten oder letzten Ahornblätter des Jahres und ließ sie als Lesezeichen in Büchern zurück, versehen mit Datum und Ortsangabe. Er sammelte Bilder von Malern seiner Landschaft (Bizer, Scherer, Dinkelsbühler), Konzerteinladungen, Plakate und Ahnentafeln sowie Dokumente aller Art über Großväter, Tanten, Kusinen und ferne Verwandte. Er notierte die Todestage, Hochzeitstage, Geburtstage und Namenstage seiner Freunde, ihre Unfälle, Glücksfälle, Krankheiten und Telefonanrufe. Er verzeichnete die Todesursachen aller vom Hörensagen bekannten Leute und die Tode von Filmschauspielern, die er vor dreißig Jahren bewundert hatte. Schubladen voll gebräunter Papierpakete. Er notierte Träume, Begegnungen mit Bekannten, die beiläufigen und die erfüllten Gespräche, Ergebnisse von Tennisspielen, Schießübungen und Blutsenkungen. Er notierte Vollmondnächte und Sternfall, sammelte die Locken seiner Kinder, verzeichnete die Zahl getrunkener Schoppen und das tägliche Wetter: Hochdruck, Tiefdruck und Körperreaktion; Regen und Föhn und die entsprechende Stimmung. Wetterkataloge, gesammelter neige d’antan aus vier Jahrzehnten. Speisezettel, Waschzettel, Flugscheine, Hotelrechnungen und Kinoprogramme.“
Ruimte
Sinds hij ademhaalde, zijn naam kende, haalde hij goden naar zich toe op aarde, plaatste hij lokvogellichamen op rotsen en aan de kust, ………………beelden, aas van steen, onbeweeglijk, stemloos, die oneindigheid ontvingen …………………………….in het ruisen van wind en branding, en geen mens wist of er ooit een god was gekomen, onontdekt bleef of een schaduw in het licht wierp.
De woede en de berusting van degenen op aarde lopen uit op niets. Maar ze varen naar de beelden toe, die aan de kust uit elkaar vallen, verwachten van de godheid niets, en herkennen de zeevogel, altijd dezelfde, zijn roep in de wind zonder uitleg.
“My name is Peter Leverett. I am white, Protestant, Anglo-Saxon, Virginia-bred, just past thirty, in’ good health, tolerable enough looking though possessing no romantic glint or cast, given to orderly habits, more than commonly inquisitive, and strongly sexed—though this is a conceit peculiar to all normal young men. I have lived and worked for the past few years in New York. It is with neither pride nor distress that I confess that—in the idiom of our time—I am something of a square. By profession I am a law-yer. I am ambitious enough to wish to succeed at my trade, but I am no go-getter and, being constitutionally unable to scrabble and connive, I suspect that I shall remain at that decent, mediocre level of attainment common to all my ancestors, on both branches of the tree. This is not, on the one hand, cynicism, nor is it, on the other, self-abasement. I am a realist, and I wish to tell you on good authority that the law—even in my drab province, where only torts, wills, and contracts are at stake—demands as much simple deviousness, as much shouldering-aside of good friends, as any other business. No, I am not up to it. I am stuck, so to speak, with my destiny and I am making the pleasant best of it. While maybe not as satisfying as the role of the composer I once had an idea I might try to play, it is more than several times as lucrative; besides, in America no one listens to composers, while the law, in a way that is at once subtle and majestic and fascinating, still works its own mu-sic upon the minds of men. Or at least I hope to think so. A few years ago, when I came back from Italy and Sambuco and took a job in a New York firm (somewhat second-rate, I must admit, and not on Wall Street yet laggardly nearby, which caused our office wits to suggest the slogan “Walk a block and save”)—several years ago I found myself in a really rather bad state. The death of a friend—especially under the circumstances that befell Mason Flagg, even more especially when one has been on the scene, witnessed the blood and the tumult and the shambles—is not something that can be shaken off easily at all. And this applies even when, as in my case, I had thought myself alienated from Mason and all that he stood for. I will come to Mason’s ending presently, and it will be described, I hope, in all its necessary truth; for the moment let me say only that it left me quite desperately stunned.”
Dat je haar hebt gekust, met haar langs de kust hebt gewandeld en de maan was er— Dat je jurken voor haar hebt gekocht,, rokken en lijfjes sieraden en gouden prullaria zoals de mijne, en zomerhoeden, wijn uit de heuvels en lepels zilver—
En dat je haar een naam hebt geschonken, nachtdruppel van mijn ziel, vogelblauw— dat je met haar onderweg was in de heldere maand juni, onvindbaar in de herfst, in aards onkruid —
Maar dat je met haar hebt gefluisterd in de nacht, de kaars brandde, de uil riep— Het is het gefluister. Het is het gefluister.
“Op een late zomermorgen hoor ik op de radio een pianostuk dat geschreven is door een componist van Poolse origine en de titel ‘De tuinen van Buitenzorg’ draagt. Een wonderbaarlijk mooi stuk van een minuut of vijf dat ik onmiddellijk associeer met het ruisen van palmen, een specifiek geluid dat, schreef mijn moeder ooit in een brief, aan harken doet denken, aan geduldig bladeren harken. Ik zet de radio harder en ben in één keer terug in de Kebun Raya Bogor, de majestueuze hortus botanicus van Bogor. Tot 1949, het jaar van de Indonesische onafhankelijkheid, heette het ’s Lands Plantentuin te Buitenzorg. Ik hoorde mijn ouders er verscheidene malen over praten, ofschoon met grote tussenpozen, om niet toe te geven aan het onmogelijke verlangen naar wat voorbij was. Aan het begin van hun veertienjarig verblijf in Indië brachten ze afwisselend vijf maanden in Batavia en zes weken in Buitenzorg door. Dankzij de ligging op driehonderd meter hoogte was Buitenzorg merkbaar koeler dan Batavia, ook al regende en onweerde het er erg vaak voelde de lucht klam aan. De natuur was van een overweldigende pracht. Terwijl mijn vader ‘nastudeerde’ aan de Hogere Theologische School in Buitenzorg, wandelde mijn moeder – nu ja, de jonge vrouw die mijn moeder zou worden – alle dagen in de tuinen. Of speelde dicht bij ’s Lands Plantentuin haar eerste potjes badminton, een sport die toen net populair aan het worden was in Azië en door zowel vrouwen als mannen werd beoefend, al dan niet in gemengd dubbel, wat huiveringwekkend modern was in die jaren. Badminton wordt meestal binnen gespeeld vanwege de windgevoeligheid van de shuttle, maar in de nabijheid van zoveel palmen en bamboehagen in Buitenzorg deed mijn moeder het buiten. Olga was in 1935 een vrouw – ik zou bijna schrijven: een meisje – van drieëntwintig voor wie het leven plotseling vaart en diepgang begon te krijgen en voor wie de ene na de andere wereld openging, in een bijna duizelingwekkend tempo. Vierenveertig jaar later, toen ik op het punt stond naar Indonesië te vertrekken, vertelde ze me dat ze in de tuinen van Buitenzorg op slag verliefd was geraakt op de tropen, niet alleen gevoelsmatig maar ook zintuiglijk door alle peuren. De omvang van de hortus botanicus was enorm, zevenentachtig hectare, en ’s Lands Plantentuin liep over in de paleistuin van de Gouverneur-Generaal, waardoor het geheel nog veel groter oogde. Wandelend langs vijvers, met waterlelies zo groot en fel van kleur dat ze als vuurwerk uit het water leken te schieten, begon ze iets van de uitzinnigheid van de tropen te begrijpen.”
De ogen van de gezonden zien de wereld tot aan de rand van de Atlantische Oceaan, de ogen van de zieken zien dwars door de wereld heen tot aan het punt waar de schittering van de noorderlichtflitsen ophoudt.
De blikken van de doden overzien de hele aarde en herkennen zelfs de ouder wordende engelen die zich, achter de sleutelgaten, stilletjes verdringen om een blik in mijn verbijsterde ogen te werpen.
De daken varen langzaam door de lucht met een teveel aan schoorstenen. Meeuwen willen er niet aan en ontlenen aan dat misverstaan de snellere beweging van hun vlucht.
Hoor de sirene.
II Nacht
Op zee is het zo niet donker en zijn de lichtjes hoger dan het geflonker hier onder de golven. En al vloog er zojuist nog een witte vogel, het water van de nacht heeft nu een leven bedolven dat huiverend schijnt
op antennes en de lijst van een huizenromp. Geen ster, geen sirene die de koers bepaalt. Ochtend kom voor de maan daalt.
III Grindpaden
Rondom de platte daken in de zon: weinig hebben ze te maken met het darmgerommel uit de stad, met het gegons veraf van de straten. Meeuwen weten dat, eksters en wat spreeuwen op een schoorsteen.
Wind waait straf over grindpaden tussen gazons van lucht, waait strak als tijd door een kalender.
Wind polijst het licht. Hier begint straks een wandeling naar steeds ontwender onderdak, weg van zicht op overzicht.
Vogels is het hierboven bekend. Toch laten ze achteloos ook zich vallen als was in de grond iets van hun gading en waren niet zij tot die bodem bestemd.
Die laatste zomer, toen alles bijna altijd vreselijk was, waadden we op een late namiddag de baai in, toen het tij bijna helemaal was teruggetrokken.
We gingen in het water zitten, tot aan onze middel. Ik dreef op zijn schoot, met mijn gezicht naar hem toe, mijn benen om hem heen. En we vrijden in stilte,
en bleven zo losjes met elkaar verbonden, zonder te bewegen, maar wel meegevoerd door het zacht zuigende en klotsende water, totdat het tij zijn einde bereikte en langzaam weer begon terug te stromen.
Enkele kinderen renden achter elkaar aan, gierend in het ondiepe water, dichtbij maar niet té dichtbij.
Ik liet mijn kin op zijn schouder rusten en keek naar de kust. Hij moet over mijn schouder hebben gekeken, naar waar het water dieper werd en de kleine bootjes aan hun ankers trokken.
Uit: Herinneringen van Hadrianus (Vertaald door Jenny Tuin)
“Beste Marcus, Vanmorgen ben ik bij mijn arts Hermogenes geweest, die net van een vrij lange reis door Azië in de Villa is teruggekeerd. Ik moest nuchter zijn voor het onderzoek; we hadden een afspraak gemaakt voor de eerste ochtenduren. Na me van mijn mantel en tunica te hebben ontdaan ben ik op een bed gaan liggen. Ik bespaar je allerlei bijzonderheden die voor jou even onaangenaam zouden zijn als voor mezelf, en ook de beschrijving van het lichaam van een ouder wordende man die op weg is te sterven aan waterzucht door hartzwakte. Laat ik alleen zeggen dat bewustzijn heb gehoest, gezucht en mijn adem heb ingehouden volgens de aanwijzingen van Hermogenes, die zijns ondanks verontrust was over de zo snelle voortschrijding van de kwaal en de schuld ervan probeerde af te schuiven op de jonge Lollas, die me tijdens zijn afwezigheid heeft behandeld. Het is moeilijk in het bijzijn van een arts keizer te blijven, moeilijk ook je menselijke waardigheid te behouden. Het oog van de medicus zag in mij niets anders dan een hoop lichaamssappen, triest mengsel van lymfe en bloed. Vanmorgen is voor het eerst de gedachte in me opgekomen dat mijn lichaam, die trouwe metgezel, die vriend, zekerder en mij beter bekend dan mijn ziel, ) veeleer een geniepig monster is dat op een gegeven moment zijn meester zal verslinden. Het zij zo… Ik houd van mijn lichaam; het heeft me goed gediend, in alle opzichten, en ik wil het de nodige zorgen niet ontzeggen. Maar ik reken niet meer, zoals Hermogenes nog voorwendt te doen, op de wonderdadige krachten van planten of de juiste dosering van minerale zouten die hij in het Oosten is gaan zoeken. Die anders toch zo fijnzinnige man heeft me ter bemoediging allerlei vage formules opgedist, te banaal om wie dan ook te bedotten; hij weet hoezeer ik dat soort bedrog haat, maar je kunt nu eenmaal niet ongestraft meer dan dertig jaar de geneeskunde beoefenen. Ik vergeef die goede dienaar deze poging om mijn dood voor me te verdoezelen. Hermogenes is bekwaam; hij is zelfs wijs; zijn integriteit staat ver boven die van een gewone hofarts. Ik zal het voorrecht genieten de best verzorgde aller zieken te zijn. Maar niemand kan de gestelde grenzen overschrijden; mijn gezwollen benen houden me tijdens de lange plechtigheden in Rome niet meer staande; ik snak naar adem, en ik ben zestig jaar.”
Marguerite Yourcenar (8 juni 1903 – 17 december 1987)
De Sacramentsprocessie door Hipolit Lipiński, 1881
A Trio of Sonnets for Corpus Christi
2. Hide and Seek
Ready or not, you tell me, here I come! And so I know I’m hiding, and I know My hiding-place is useless. You will come And find me. You are searching high and low. Today I’m hiding low, down here, below, Below the sunlit surface others see. Oh find me quickly, quickly come to me. And here you come and here I come to you. I come to you because you come to me. You know my hiding places. I know you, I reach you through your hiding-places too; Touching the slender thread, but now I see – Even in darkness I can see you shine, Risen in bread, and revelling in wine.
Malcolm Guite (Ibadan, 12 november 1957) De Dominicaanse Kapel in Ibadan
Uit: De heer Cevdet en zonen (Vertaald door Veronica Divendal)
“Ochtend ‘Mijn pyjama, mijn rug… de hele klas… de lakens… o, mijn hele bed is doorweekt! Ja, alles is drijfnat en ik ben wakker!’ murmelde meneer Cevdet. Alles was inderdaad kletsnat, net als even tevoren in zijn droom. Hij draaide zich met een snurk om in zijn bed, herinnerde zich de droom en rilde. In zijn droom zat hij tegenover de meester in de klas op de jongensschool in Kula. Hij tilde zijn hoofd op van het natte kussen en kwam overeind. Ja, we zaten tegenover de meester. De hele school stond tot kniehoogte onder water,’ mompelde hij. ‘Hoe was dat ook weer gekomen? O ja, het dak van de school lekte. Het zoute water dat door het plafond kwam, stroomde over mijn gezicht en borst en langzaam liep de vloer van het lokaal vol. De meester wees voor de ogen van de hele klas met zijn stokje naar mij en zei: “Dat komt allemaal door die Cevdet.” ‘ Huiverend zag hij weer levendig voor zich hoe de meester naar hem had gewezen, hoe zijn klasgenoten zich en masse beschuldigend naar hem toe hadden gedraaid en hem met minachting hadden bekeken, het ergst van allemaal nog wel zijn twee jaar oudere broer. Maar de meester, die in staat was om zonder met de ogen te knipperen de hele klas bij elkaar tot lijfstraf te veroordelen en die je met een slag van zijn stok buiten westen kon slaan, kon zich er op de een of andere manier niet toe zetten hem te straffen voor het water dat van het plafond naar beneden kwam. Ik was anders dan alle anderen, ik was alleen en werd met minachting bekeken, herinnerde meneer Cevdet zich. Maar niemand durfde aan mij te komen, al liep op dat moment de hele school werkelijk vol water! Plotseling sloeg de vreselijke droom om in een leuke en aangename herinnering: ik was anders, een eenling, maar ze konden mij niet straffen. Terwijl hij uit bed stapte, herinnerde hij zich hoe hij op een keer op het dak van de school was geklommen en dakpannen had vernield. Ik had dakpannen kapotgegooid. Hoe oud zal ik zijn geweest? Zo’n jaar of zeven. Nu ben ik zevenendertig, verloofd en bijna getrouwd.”
Ik heb een spin gedood Geen moordlustige bruine kluizenaarspin En zelfs geen zwarte weduwe En om je de waarheid te zeggen Was het maar een kleine Soort papierachtige spin Die had moeten wegrennen Toen ik het boek oppakte Maar dat deed ze niet En ze maakte me bang En ik heb haar doodgeslagen