Guillaume van der Graft, Mary Jo Salter

De Nederlandse dichter Guillaume van der Graft (eig. Willem Barnard) werd op 15 augustus 1920 geboren in Rotterdam. Zie ook alle tags voor Guillaume van der Graft op dit blog.

 

Globaal gesproken

Het geloof dat de aarde rond is
heeft ernstig geleden,
er kwamen onvermoede hemelstreken
overdrijven en de Dom bleef onbedreigd
recht staan,

er waren oppervlakkigheden,
er was een zee van gelijk,
er woedde een storm van religie
maar de hemel bleef even ver
boven ons, waar wij ook waren.

Nee, de aarde is alleen rond
voor wie zichzelf tegenkomt,
waar hij ook heen gaat.

 

Overlijdensberichten

Het sterft om mij heen, ik blijf over
voorlopig. Ik reken niet meer
met lustra, decennia, al dat Latijn.

Dat ik nog leef is een feit
maar het begin van een leugen. Ik
zit als een klein

kind tussen zijn speelgoed
met al die heugenis
aan wat en waar en wie. Het is

een stage in stervelingschap.

 

Eenzamerij

Het spijt mij dat er zoveel leven is
dat niet mee mocht in mijn gedicht: bacillen
bijvoorbeeld, onwelwillende

kiemen, de zwanenzang
van hoestende longen, klieren
waaruit alleen maar tranen

geboren worden. Hun taal
verdraagt mijn woorden niet.

Dat dingen niet bestaan is geen bezwaar
getuige die denkwaardige
vissen die naar mij fluiten, vogels

die met nieuwsgierige kieuwen
toonladders oefenen, tak op tak af.
Ze schuilen hier, ze waren nergens welkom,

tenzij bij die eenzamerij van mij.

 

Guillaume van der Graft (15 augustus 1920 – 21 november 2010)


De Amerikaanse dichteres Mary Jo Salter werd geboren op 15 augustus 1954 in Grand Rapids, Michigan. Zie ook alle tags voor Mary Jo Salter op dit blog en ook mijn blog van 15 augustus 2010.

 

Een regenboog boven de Seine

Eerst geruisloos, een zweem
van mist in het gezicht, een briesje
vochtigheid dat nooit
een stortbui zou worden.

Totdat de doorweekte wolken
banken plotseling met een luide
klap in de Seine leeglopen,
gevolgd door een ovatie

voor de ondoordringbare
zon – die onze schoenen nog laat glanzen
terwijl ze zich vullen
als open bootjes en de zeilen

van onze krantenhoedjes
wapperen, en omdat
niemand eraan gedacht heeft
een paraplu mee te nemen,

als alternatief een regenboog plaatst.
Een regenboog boven de Seine,
perfect gevormd als een ophaalbrug
gedroomd door een kind

met kleurpotloden, en volgens de wet
van dromen kan de verbinding
eenmaal gelegd alleen maar verloren gaan;
Omdat we geen kinderen meer zijn

staan we boven het rooster
van de metro die we niet nemen,
met de donder onder onze voeten, en
nemen we in ons op wat we weten:

de triomf van deze arc-
en-ciel, de schittering
van dit monumentale
prisma doorsneden door motregen, is

dat het verdwijnt.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Mary Jo Salter (Grand Rapids, 15 augustus 1954)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 15e augustus ook mijn blog van 15 augustus 2020 en eveneens mijn blog van 15 augustus 2019 en ook mijn blog van 15 augustus 2016 en eveneens mijn blog van 15 augustus 2015 deel 2 en ook deel 3.

Guillaume van der Graft, Mary Jo Salter

De Nederlandse dichter Guillaume van der Graft (eig. Willem Barnard) werd op 15 augustus 1920 geboren in Rotterdam. Zie ook alle tags voor Guillaume van der Graft op dit blog.

 

Globaal gesproken

Het geloof dat de aarde rond is
heeft ernstig geleden,
er kwamen onvermoede hemelstreken
overdrijven en de Dom bleef onbedreigd
recht staan,

er waren oppervlakkigheden,
er was een zee van gelijk,
er woedde een storm van religie
maar de hemel bleef even ver
boven ons, waar wij ook waren.

Nee, de aarde is alleen rond
voor wie zichzelf tegenkomt,
waar hij ook heen gaat.

 

Overlijdensberichten

Het sterft om mij heen, ik blijf over
voorlopig. Ik reken niet meer
met lustra, decennia, al dat Latijn.

Dat ik nog leef is een feit
maar het begin van een leugen. Ik
zit als een klein

kind tussen zijn speelgoed
met al die heugenis
aan wat en waar en wie. Het is

een stage in stervelingschap.

 

Eenzamerij

Het spijt mij dat er zoveel leven is
dat niet mee mocht in mijn gedicht: bacillen
bijvoorbeeld, onwelwillende

kiemen, de zwanenzang
van hoestende longen, klieren
waaruit alleen maar tranen

geboren worden. Hun taal
verdraagt mijn woorden niet.

Dat dingen niet bestaan is geen bezwaar
getuige die denkwaardige
vissen die naar mij fluiten, vogels

die met nieuwsgierige kieuwen
toonladders oefenen, tak op tak af.
Ze schuilen hier, ze waren nergens welkom,

tenzij bij die eenzamerij van mij.

 

 

Guillaume van der Graft (15 augustus 1920 – 21 november 2010)

 

 

De Amerikaanse dichteres Mary Jo Salter werd geboren op 15 augustus 1954 in Grand Rapids, Michigan. Zie ook alle tags voor Mary Jo Salter op dit blog en ook mijn blog van 15 augustus 2010.

 

Een regenboog boven de Seine

Eerst geruisloos, een zweem
van mist in het gezicht, een briesje
vochtigheid dat nooit
een stortbui zou worden.

Totdat de doorweekte wolken
banken plotseling met een luide
klap in de Seine leeglopen,
gevolgd door een ovatie

voor de ondoordringbare
zon – die onze schoenen nog laat glanzen
terwijl ze zich vullen
als open bootjes en de zeilen

van onze krantenhoedjes
wapperen, en omdat
niemand eraan gedacht heeft
een paraplu mee te nemen,

als alternatief een regenboog plaatst.
Een regenboog boven de Seine,
perfect gevormd als een ophaalbrug
gedroomd door een kind

met kleurpotloden, en volgens de wet
van dromen kan de verbinding
eenmaal gelegd alleen maar verloren gaan;
Omdat we geen kinderen meer zijn

staan we boven het rooster
van de metro die we niet nemen,
met de donder onder onze voeten, en
nemen we in ons op wat we weten:

de triomf van deze arc-
en-ciel, de schittering
van dit monumentale
prisma doorsneden door motregen, is

dat het verdwijnt.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

 

 

 

 

 

Mary Jo Salter (Grand Rapids, 15 augustus 1954)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 15e augustus ook mijn blog van 15 augustus 2020 en eveneens mijn blog van 15 augustus 2019 en ook mijn blog van 15 augustus 2016 en eveneens mijn blog van 15 augustus 2015 deel 2 en ook deel 3.

 

August Sun (Robert Duncan), Wolf Wondratschek

 

 

August Sun door Peter Batchelder, 2023

 

August Sun

God of the idle heat, in this glaring road
you dominate all.
And over the green fields wilted down
under your blaze, these
thirsty unruly plants grow a jungle domesticity
to protect their fruit.
Of all hidden things, I sing, waiting
for evening’s grace.

 

Robert Duncan (7 januari 1919 – 3 februari 1988)
Oakland (Californië), de geboorteplaats van Robert Duncan

 

De Duitse dichter en schrijver Wolf Wondratschek werd geboren op 14 augustus 1943 in Rudolstadt. Zie ook alle tags voor Wolf Wondratscheck op dit blog.

Uit: Selbstbild mit russischem Klavier

„Im Kaffeehaus. Alle Tische besetzt. Alle Witze erzählt. Alle Zeitungen gelesen. Fremde und einheimische. Die Kellner tanzen. Die Luft eine brennende Zigarre. An meinem Tisch ein Russe, ein Klavierspieler in jungen Jahren, eine vergessene Berühmtheit. Er hat sich abgefunden. Moskau, London, Wien. Alle Entfernungen zusammengefasst in der Zeile eines Gedichts, alle Räume eingeschmolzen in Rätsel. Ich habe es versucht, Verklärung bei klarem Verstand, bin aber gescheitert. Am Ende sind es Hotelzimmer, an die man sich erinnert, mehr als an Konzerte. Ein zu fester Händedruck. Schöne Frauen, die anklopfen und sich, weil sie sich getäuscht haben, entschuldigen. Ein Koffer mit kaputtem Schloss. Der Eiffelturm im Nebel, da war zwei Tage lang nichts zu sehen. Und natürlich hat man es gewusst: Die Kunst kann nichts dafür, dass sie nichts kann. Unbegreiflich, wie nutzlos ein Mensch werden kann, ein Mensch wie ich, der am Ende in eine Gedächtnislücke passt, ohne Schuhe, ohne Traum. Seine rechte Hand, seine Pranke einst, spielt mit einer Zigarette, die zu rauchen ihm von den Ärzten unter-sagt ist. Das Herz. Er hat es schriftlich. Sie werden sterben. Das ist es, antwortet er, was ich mir wünsche. Und keine Musik, keine Note. Kirchenglocken, ja, wie sie geklungen haben in den Dörfern meiner Heimat, der meiner Großeltern, meiner Tanten und Onkel. Sommerferien, ich erinnere mich, lange kurze Wochen. Höhlen, in die ich mich keinen Schritt hineintraute. Hühner, die in den Händen ausblute-ten. Das Warten auf Gewitter. Zweige sammeln für ein Feuer, was natürlich verboten war, den Mann, der vorbeigeritten kam, aber nicht störte; er war ganz in das Lied, das er sang, vertieft. Man musste nicht brav sein, durfte lange aufbleiben und den Geschichten zuhören, die sich Erwachsene erzählten. Irgendwer trug einen, wenn man, den Geschmack süßer Wald-beeren noch auf der Zunge, eingeschlafen war, ins Bett. Leben im Glück! Barfuß im Schlamm stehen. Von Bäumen ins Weiche fallen. Und wieder hoch-klettern. Noch einmal und noch einmal, nicht auf-hören! Da waren Frauen, junge, kräftige Frauen bei der Arbeit auf den Feldern, die anzuschauen ich mich schämte. Wie alt war ich, dass ich Gedanken bekam, die nicht die eines Kindes waren? Ach ja, schon riefen mich andere, freche, rotbackige Mädchen, die sich versteckt hatten! Ich sammelte, was ich fand, warf es wieder weg, trottete weiter. Herden von Schafen. Wagenspuren im Sand.“

 

Vluchtelingen zijn we

“Een ongelijk paar, beiden
koud genoeg voor het koudste onheil
tegenstanders die geen tweede kans afwachten

zulke tegenstanders doen nooit een stap terug
en blijven toch onbereikbaar voor elkaar, zelfs in hun zwijgen
waarin wat ooit vuur was en liefdesgeluk
uitgloeit tot as

En zoals op gezichten van doden
zie je hun laatste verwondering koud worden
vluchtelingen zijn we, die zich vastklampen

reizigers door lege kamers
Onverschillig snikken de violen nog altijd
Stervenden smeken om dollarbiljetten”

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Wolf Wondratschek (Rudolstadt, 14 augustus 1943)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 14e augustus ook mijn blog van 14 augustus 2020 en eveneens mijn blog van 14 augustus 2018 en ook mijn blog van 14 augustus 2016 deel 1 en ook deel 2.

August (Annette Wynne), Taije Silverman

 

 

Broer en zus rustend op een bospad in de zomer door N. C. Hansen, 1895

 

August

August days are hot and still,
Not a breath on house or hill,
Not a breath on height or plain,
Weary travelers cry for rain;
But the children quickly find
A shady place quite to their mind;
And there all quietly they stay,
Until the sun has gone away,—
August is too hot for play!

 

Annette Wynne (1889-1952)
Brooklyn, New York, de geboorteplaats van Annette Wynne

 

De Amerikaanse dichteres, vertaalster en hoogleraar Taije Silverman werd geboren in San Francisco op 13 augustus 1974. Zie ook alle tags voor Taije Silverman op dit blog.

 

It Was a Good Day

When we imagine someone asking us,
the answer is sadness. But what I think first
is this nightgown, the dark red silk
and my washed hair, that slow lull of space
before sleeping. My mother’s rash
is not the first thought. It spreads and loosens,
climbs her face, the bumps blur and I tell her
that it’s leaving. It is leaving.
Fear slicks down to size so that time takes over:
beef tenderloin with sugar snaps,
the lemon’s aftertaste. This, my father says,
pointing to the potatoes, this is really good.
My sister pulls three kinds of cookies
out of the freezer and my father asks
Didn’t we choose not to have cookies anymore?
Yes, my sister says, and I chose not to hear that.
The cookies are halved, passed around,
we claim favorites and tell my sister to take
the cookies away, then not to take them away,
we are laughing. I say to my father
as he eats, I love you, and he says, I love you all,
the three of us he is able to watch at the counter
in our sweaters and hair, bending and talking as if skin
were a grace. I take a bath. My mother reads in bed
and reads on the toilet, looking up when I look at her
and smiling. The rash will pass. It was a good day.
My father coughing now. Yawning.

 

Variorum

All the pretty girls.
Parsley, sage, salt, glue.
And you’re a big help to him
says my husband’s father
when I share his news of promotion.
Hey, hey, buckle my shoe,
No sing me a new song mama
says my son before bed.
All the pretty girls.
No a new song.
Lost my partner what’ll I do,
lost my partner what’ll I do.
Skip to my lou my darling.
No another song.
Hey little girl is your daddy home
did he go and leave you all alone
I got a bad desire.
Where am I going with this
I’m thinking while he watches
his pillow to picture the words.
All the pretty girls.
He fucked the shit out of her explained
my father about the plot of a movie he’d seen.
The pretty girls.
Do you have to say that to me?
Mama another one. Mama a new one.
Well I’m sorry but that’s what he did.
You’re a big help to him.
All the pretty girls.

 

De Domme Botten

Gisteravond vroeg ik een man van wie ik hou om me snel te vernietigen.
Ik wilde dat hij niets achterliet, alleen verbrijzelde botten,

krijt waarvan ze de sporen niet meer kunnen traceren.
Wat, vroeg hij, zonder het te begrijpen.

De man is een god. De god is een man. Hij knielt voor me neer.
Hij drukt mijn wang tegen het witte gips, gebogen.

Hij tilt mijn rok op en ik schud mijn hoofd nee, in een poging
een instinct te herinneren.

Hij knikt en ik wil voor hem gaan liggen.
Maak me tot krijt. Laat me eindigen.

Is het gewoon liefde, dit verdriet in mij dat afbrokkelt?
Gewoon liefde, tenslotte, gewoon liefde. Slapen. Proberen te slapen.

Ik heb nooit geweten hoe ik het geluk van mijn moeder moest koesteren.
Hoe ze vanavond naar haar gasten glimlachte in dat zachte kaarslicht

rond de tafel. Zij was het middelpunt, en was bedoeld
om het middelpunt te zijn, en dankbaar. Dit is alles wat ik heb gewild.

Toen gleed zijn ene hand in me. Zijn aandringen.
Opnieuw geloof ik in beloftes.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Taije Silverman (San Francisco, 13 augustus 1974)

 

Zie voor de schrijvers van de 13e augustus ook mijn blog van 13 augustus 2020 en eveneens mijn blog van 13 augustus 2019 en ook mijn blog van 13 augustus 2016 en ook mijn blog van 13 augustus 2011 deel 2.

Rouke van der Hoek, Thomas Mann, Hans-Ulrich Treichel

De Nederlandse dichter Rouke van der Hoek werd op 12 augustus 1952 in Eindhoven geboren. Zie ook alle tags voor Rouke van der Hoek op dit blog.

 

Cent van 1828

Als maan rijzend uit een aardkluit
steekt de bronzen cent boven de geploegde akker,
het kroontje op de W keurig rechtop.

Wie van onze voorgangers
in de buurtschap Weert aan de oude steenweg
zo onvoorzichtig dan wel spilzuchtig?

Of…

Het is bekend dat ze hier langs reden
op weg naar Maastricht.
Willem I strooide centen met zijn wapen rond,
aardigheidje voor de onderdanen.
Willem II. altijd mot met zijn vader, kon de kroon
van de oude niet in zijn portemonnee dulden
en wierp hem verre van zich
(uit brieven aan de Romanovs te Moskou
met wilde letters en uitroeptekens
blijkt zijn permanente overspannenheid).
Willem III (bezocht de papierfabriek te Weert-Meerssen)
deed royaal afstand van munten
waarop hijzelf niet prijkte.

Drie karavanen met munten gooiende vorsten
in die gistende voorvorige eeuw
inclusief volk, dekking zoekend voor rondvliegend brons
en de explosieve motieven erachter

voor de prijs van 1 cent.

 

Spreeuwen van Maastricht

Samen hebben wij meningen, een wervelende zwerm
die kans loopt uit elkaar te spatten. Wie neemt dan de rol
van tegenspeler van de middelpuntvliedende kracht?
Welk gezag zorgt dat het draait en blijft lijken op een bol?

 

Tuinbonen

Groene vlinders op de koude grond.
Steevast opstijgend in de formatie
van je eigen plantersfantasie,
lachend om de grollen van
nachtvorst en natte sneeuw.
Geheide groeiers, tuinders trots.
Tot de hoogtegrens van 50 centimeter
wordt overschreden, de zone van
de zwarte bonenluis wordt betreden.
(Zo is het vaker in het leven,
ga je ergens heen, valt het tegen.)

 

Rouke van der Hoek (Eindhoven, 12 augustus 1952)

 

Op 12 augustus 1955 overleed de Duitse Duitse schrijver Thomas Mann. Zie ook alle tags voor Thomas Mann op dit blog.

Uit: Tonio Kröger

„Hans und Tonio hatten Zeit, nach der Schule spazierenzugehen, weil sie beide Häusern angehörten, in denen erst um vier Uhr zu Mittag gegessen wurde. Ihre Väter waren große Kaufleute, die öffentliche Ämter bekleideten und mächtig waren in der Stadt. Den Hansens gehörten schon seit manchem Menschenalter die weitläufigen Holzlagerplätze drunten am Fluß, wo gewaltige Sägemaschinen unter Fauchen und Zischen die Stämme zerlegten. Aber Tonio war Konsul Krögers Sohn, dessen Getreidesäcke mit dem breiten schwarzen Firmendruck man Tag für Tag durch die Straßen kutschieren sah; und seiner Vorfahren großes altes Haus war das herrschaftlichste der ganzen Stadt … Beständig mußten die Freunde, der vielen Bekannten wegen, die Mützen herunternehmen, ja, von manchen Leuten wurden die Vierzehnjährigen zuerst gegrüßt …
Beide hatten die Schulmappen über die Schultern gehängt, und beide waren sie gut und warm gekleidet; Hans in eine kurze Seemannsüberjacke, über welcher auf Schultern und Rücken der breite, blaue Kragen seines Marineanzuges lag, und Tonio in einen grauen Gurt-Paletot. Hans trug eine dänische Matrosenmütze mit kurzen Bändern, unter der ein Schopf seines bastblonden Haares hervorquoll. Er war außerordentlich hübsch und wohlgestaltet, breit in den Schultern und schmal in den Hüften, mit freiliegenden und scharfblickenden stahlblauen Augen. Aber unter Tonio’s runder Pelzmütze blickten aus einem brünetten und ganz südlich scharfgeschnittenen Gesicht dunkle und zart umschattete Augen mit zu schweren Lidern träumerisch und ein wenig zaghaft hervor … Mund und Kinn waren ihm ungewöhnlich weich gebildet. Er ging nachlässig und ungleichmäßig, während Hansens schlanke Beine in den schwarzen Strümpfen so elastisch und taktfest einherschritten …

 

Het huis van Thomas Mann in Kilchberg, Zwitserland, waar hij de laatste jaren van zijn leven woonde.

 

Tonio sprach nicht. Er empfand Schmerz. Indem er seine etwas schräg stehenden Brauen zusammenzog und die Lippen zum Pfeifen gerundet hielt, blickte er seitwärts geneigten Kopfes ins Weite. Diese Haltung und Miene war ihm eigentümlich.
Plötzlich schob Hans seinen Arm unter den Tonio’s und sah ihn dabei von der Seite an, denn er begriff sehr wohl, um was es sich handelte. Und obgleich Tonio auch bei den nächsten Schritten noch schwieg, so ward er doch auf einmal sehr weich gestimmt.
»Ich hatte es nämlich nicht vergessen, Tonio«, sagte Hans und blickte vor sich nieder auf das Trottoir, »sondern ich dachte nur, daß heute doch wohl nichts daraus werden könnte, weil es ja so naß und windig ist. Aber mir macht das gar nichts, und ich finde es famos, daß du trotzdem auf mich gewartet hast. Ich glaubte schon, du seist nach Hause gegangen, und ärgerte mich …«

 

Thomas Mann (6 juni 1875 – 12 augustus 1955)
De schrijver in zijn werkkamer in Kilchberg

 

De Duitse dichter en schrijver en germanist Hans-Ulrich Treichel werd geboren op 12 augustus 1952 in Versmold. Zie ook alle tags voor Hans-Ulrich Treichel op dit blog.

 

Wat moet ik zeggen?

Wat moet ik zeggen:
dat ik elke dag op de
bus stap, over oude pleinen
wandel en grote paleizen
bezoek, net als iedereen.

Eet, mij was
wanneer ik wil en
krijtstof in mijn haar
mee naar huis draag.

Ja, ooit zong
een blauwige dame
over een zwarte piano. Daarna nam ik
een taxi tot de late film begon.
Maar wat moet ik zeggen:

Dat ik nog altijd
je brieven in de brievenbus
vind, waarin je naar
mijn dagen zoekt.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Hans-Ulrich Treichel (Versmold, 12 augustus 1952)

 

Zie voor de schrijvers van de 12e augustus ook mijn blog van 12 augustus 2019 en ook mijn blog van 12 augustus 2018 en mijn blog van 12 augustus 2015 en mijn blog van 12 augustus 2011 deel 1 en eveneens deel 2.

Ernst Stadler, Wolf Wondratschek

De Duitse dichter Ernst Stadler werd geboren op 11 augustus 1883 in Colmar (Kolmar). Zie ook alle tags voor Ernst Stadler op dit blog.

 

Glück

Nun sind vor meines Glückes Stimme
alle Sehnsuchtsvögel weggeflogen.

Ich schaue still den Wolken zu,
die über meinem Fenster in die Bläue jagen –
Sie locken nicht mehr,
mich zu fernen Küsten fortzutragen,
Wie einst, da Sterne, Wind und Sonne
wehrlos mich ins Weite zogen.

In deine Liebe bin ich
wie in einen Mantel eingeschlagen.

Ich fühle deines Herzens Schlag,
der über meinem Herzen zuckt.

Ich steige selig
in die Kammer meines Glückes nieder,
Ganz tief in mir, so wie ein Vogel,
der ins flaumige Gefieder
Zu sommerdunklem Traum
das Köpfchen niederduckt.

 

Der Aufbruch

Einmal schon haben Fanfaren mein ungeduldiges Herz blutig gerissen,
Dass es, aufsteigend wie ein Pferd, sich wütend ins Gezäum verbissen.
Damals schlug Tamburmarsch den Sturm auf allen Wegen,
Und herrlichste Musik der Erde hieß uns Kugelregen.

Dann, plötzlich, stand Leben stille. Wege führten zwischen alten Bäumen.
Gemächer lockten. Es war süß, zu weilen und sich versäumen,
Von Wirklichkeit den Leib so wie von staubiger Rüstung zu entketten,
Wollüstig sich in Daunen weicher Traumstunden einzubetten.

Aber eines Morgens rollte durch Nebelluft das Echo von Signalen,
Hart, scharf, wie Schwerthieb pfeifend. Es war wie wenn im Dunkel plötzlich Lichter aufstrahlen.
Es war wie wenn durch Biwakfrühe Trompetenstöße klirren,
Die Schlafenden aufspringen und die Zelte abschlagen und die Pferde schirren.

Ich war in Reihen eingeschient, die in den Morgen stießen, Feuer über Helm und Bügel,
Vorwärts, in Blick und Blut die Schlacht, mit vorgehaltnem Zügel.
Vielleicht würden uns am Abend Siegesmärsche umstreichen,
Vielleicht lägen wir irgendwo ausgestreckt unter Leichen.

Aber vor dem Erraffen und vor dem Versinken
Würden unsre Augen sich an Welt und Sonne satt und glühend trinken.

 

Ernst Stadler (11 augustus 1883 – 30 oktober 1914)
Portret door Heinrich Beecke, 1910

 

De Duitse dichter en schrijver Wolf Wondratschek werd geboren op 14 augustus 1943 in Rudolstadt. Zie ook alle tags voor Wolf Wondratscheck op dit blog.

 

Een droom

In een boom zitten.
Uitkijken over de prairie.
Niet hoeven liefhebben.

De horizon opent zich
in de vorm van een vrouw,
die nooit dichterbij komt.

Niet hoeven liefhebben,
dan zou het gemakkelijk zijn
om lief te hebben.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Wolf Wondratschek (Rudolstadt, 14 augustus 1943)

 

Zie voor nog meer schrijvers ook mijn blog van 11 augustus 2025 en ook mijn blog van 11 augustus 2023 en ook mijn blog van 11 augustus 2019 en eveneens mijn blog van 11 augustus 2016 en ook mijn blog van 11 augustus 2011 deel 2.

Kees van Kooten, Mark Doty

De Nederlandse schrijver en cabaretier Kees van Kooten werd geboren op 10 augustus 1941 in Den Haag. Zie ook alle tags voor Kees van Kooten op dit blog.

Uit: Hedonia

“Kees van Kooten stond voor het raam, denk ik hardop; hij stond voor het raam, keek in de nacht en is dronken. Hij had een groot huis, twee gezonde kinderen, vier dito dieren en een knappe vrouw. Het huis is stil, de kinderen slapen en de vrouw is weg. — Maar daarom niet getreurd, bromt hij door het raam naar zijn spiegelend buitenbeeld, vaak kan even weg zijn heel verfrissend werken! Nu geen letargisch lanterfanten — laat ik liever leuke dingen doen! Hij draait zich om en ziet zijn riante kamers rond. De schuifdeuren staan open, waardoor je een geheel krijgt. Ongelooflijk luxe, leuke en moderne dingen laten zich doen, in dit geheel. Ze hebben hier radio, grammofoon, vijfhonderd platen, vier maal zoveel boeken, televisie, video en piano. Door het hele huis hangen leuke schilderijen, litho’s, etsen, tekeningen en zeefdrukken te kijken. Toch weet Kees van Kooten niet wat hij nu voor leuks zou willen doen en dit al voor de derde avond sinds zij weg is! Het leukste wat hij durft bedenken is nu de deur uitgaan, naar Amsterdam, en verder maar zien hoe het loopt. Maar ja, de kinderen. Hij zet zich aan de piano en probeert iets vrolijks te spelen. Dit lukt niet, want ik kan geen piano spelen. Als ik het wel kon, sloop toch in ieder loopje de larmoyante blue note. Ik zet My Favourite Classics op de klep — een muziekboek met Sixty Level One Easy Keyboard Masterworks, bedoeld voor kinderen van twee tot zeven jaar. Ik open met Melody van Friedrich Baumfelder, vervolg met The Fair van Carl Czerny en speel als uitsmijter de Russian Folk Song van niemand minder dan Ludwig van Beethoven. In de anderhalf jaar die ik Van Kooten nu pianoles geef, hebben mens en dier deze drie stukjes al zo vaak gehoord dat ze er dwars doorheen slapen, maar niet zodra begin ik te improviseren of de tent schrikt wakker. Dus dek ik de toetsen toe en druk de radio aan. Ik krijg een wanne oorvijg van een gemaskerde vrouwenstem die zingt: you can do what you want, you can tell me lies, but hold me tight tonight. Carly Simon, schat ik. Ik klap de klep weer open en stuur mijn rechterwijsvinger om de juiste noten. Niet van de melodie, maar die van de veiliger tegenstem. Zo loop ik, als ik niet oppas, bij excursies altijd een paar meter voor mijn gezin uit en wanneer ik meet ik met een muziekje is dat op de vrijblijvende afterbeat Ik ben het wijsje bijna op het spoor wanneer de plaat afloopt en de presentatrice met haar zwaar geschminkte nachtstem zegt: Hè, heerlijk moet dat zijn, om je zo helemaal uit te kunnen spreken en vooral uit te kunnen zingen. Wat een vrouw, die Emmylou Harris! En wie hebben wij daar? Elton John.”

 

Kees van Kooten (Den Haag, 10 augustus 1941)

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Mark Doty werd geboren op 10 augustus 1953 in Maryville, Tennessee. Zie ook alle tags voor Mark Doty op dit blog.

 

ARARAT

In goudfolie gewikkeld, in de zoektocht
en het gejuich van Paaszondag,
was het de bal van de prinses,
was het het lichaam van de farao
slapend in zijn gouden kist.
Aan de voet van de schutting,
in het gras dat slap was van de ochtendregen,
was het een prijs van de zondagsschool,
zilver voor de tweede plaats, goud
voor de triomfantelijke kleine koepel
van Ararat, en mijn zus
nam me bij de hand en leidde me
naar buiten, het brede, natte gazon op,
en liet me zien hoe ik moest bukken in de dichte nesten
van gras, in het donkerste groen.
Later moest ik het teruggeven,
in ruil voor een prijs,
hoewel ik het ei liever had gehouden.
Wat zou er binnenin gekruld hebben —
krokussen strak op hun klokveren?
Een vogel die zichzelf tot een engel zou zingen
in de hoogste regionen van de tuin,
de vlammende pijl van de ochtend?
Elk klein ding kan je redden.
Omdat het gouden ei ooit in mijn mandje
glinsterde, ook al werd mijn kindertijd
een immense, donker wordende laag water
was ik Noach, en ik was zijn ark,
en er waren twee van elk dier in mij.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Mark Doty (Maryville, 10 augustus 1953)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 10e augustus ook mijn blog van 10 augustus 2019 en eveneens mijn blog van 10 augustus 2017 en ook mijn blog van 10 augustus 2014 deel 2 en eveneens deel 3.

August (Lizette Woodworth Reese), Luuk Gruwez, Philip Larkin

 

 

Reflections of August door Emil Atanasov, 2022

 

August

No wind, no bird. The river flames like brass.
On either side, smitten as with a spell
Of silence, brood the fields. In the deep grass,
Edging the dusty roads, lie as they fell
Handfuls of shriveled leaves from tree and bush.
But ’long the orchard fence and at the gate,
Thrusting their saffron torches through the hush,
Wild lilies blaze, and bees hum soon and late.
Rust-colored the tall straggling briar, not one
Rose left. The spider sets its loom up there
Close to the roots, and spins out in the sun
A silken web from twig to twig. The air
Is full of hot rank scents. Upon the hill
Drifts the noon’s single cloud, white, glaring, still.

 

Lizette Woodworth Reese (9 januari 1856 – 17 december 1935)
Waverly, Baltimore, de geboorteplaats van Lizette Woodworth Reese

 

De Vlaamse dichter, prozaïst en essayist Luuk Gruwez werd geboren op 9 augustus 1953 te Kortrijk. Zie ook alle tags voor Luuk Gruwez op dit blog.

 

Kapper

Hij weet niet wie er woont onder mijn schedel,
maar zorgt met schaar en scheermes en tondeuse
dat het er onherbergzaam wordt en ieder mij
verlaat en op de vlucht slaat naar de verre plek

waar men maar beter zonder mij kan wonen.
Mijn kapper zwijgt zo traag dat hij zich peinzen
hoort en vraag na vraag welt pijnlijk in hem op.
O, alle vragen die hij mij niet stelt.

Maar sta ik uit zijn kapstoel op, voel ik mij
niettemin beroofd en kaal en leeggevraagd.
Daar waait mijn laatste engel uit mij weg: zie hoe
die zich te pletter vliegt tegen het spiegelglas.

 

Solo e pensoso

Ben ik een zanger of een godje uit een shoarmatent,
een mankementige charmeur, een potentaat?
Ik slenter op een vrijdagochtend in april
met opgezette kraag langs de kapellen

van de wellust in de Aarschotstraat. Ik gluurde en loer
als was ik op een jachtrevier waar ik die lepe rotnatuur
incognito betrappen wil op – zonder meer –
haar mooiste wild. En dat het hier niet Brussel is,

ondermaans en vies en met een lucht van pis,
maar een welriekend hemel dal bij Avignon
in dertienhonderd zevenentwintig, heel precies:
dit alles leert mij, domme dichter, mijn lectuur.

Toch wenkt er mij van tijd tot tijd een draadloze pausin
met gsm die achter glas daareven nog te breien zat
en die in Blue Lagoon of in Bar Edelweiss
een kusmond zet (als van een goudvis in een kom)

en naar mij glimlacht met haar hedendaagse kont.
Maar het is Lore niet die naar mij lonkt.
Mijn Lore ging compleet voor mij verloren
vanaf het ogenblik dat ik haar vond.

 

Zuster maan

Mijn zus hield in haar nachtkastje een regenboog
gevangen. Een regenboog en een dood paard.
Tussen tampons en maandverband.
Ik kon, ik wilde haar maar niet geloven.

Zo kwam het dat ik minder van haar hield.
Een regenboog en een dood paard. In haar nachtkastje!
Gevangen! Zij had het sleuteltje aan een halssnoer gehangen,
pal tussen pas begonnen borsten, veelbelovend,

die zij bewaarde en liet groeien voor een latere.
Geen mens heeft ooit zo’n zus gehad als ik,
zo een die wapperde met haar gedachten
of borsten kweekte voor de allerbeste

en kwispelstaartte met haar liefdesverdriet.
Tot zij hoogzwanger in de hitte van augustus
in een madammenjurk van Pierre Cardin
onder de intercity tussen Gent en Kortrijk liep.

 

Luuk Gruwez (Kortrijk, 9 augustus 1953)

 

De Engelse dichter Philip Larkin werd op 9 augustus 1922 geboren in Coventry. Zie ook alle tags voor Philip Larkin op dit blog.

 

Naar de kerk

Zodra ik zeker weet, dat ik alleen ben
stap ik hier binnen, trek de deur achter me dicht.
Alweer zo’n kerk met rijen banken, oude steen,
overal boekjes; bloemen, afgeknipt
voor zondag, nu verkleurd; glimmende dingen,
daar, waar het heilige gebeurt; een orgeltje;
een oude stilte, vol tastbare spanning
die, God weet al hoe lang, hier hangt. Ik heb geen hoed
maar haal beleefd de fietsklem van mijn broek

en loop naar voren, strijk over het doopvont.
Het dak ziet er, van onderaf gezien, goed uit.
gerestaureerd? Geverfd? Ik weet het niet, hoe het komt.
Ik ga de preekstoel op. Ik declameer
een paar loodzware verzen, en besluit
met tot zover. Ik klink toch harder dan ik dacht.
De echo doet me na, en ik loop naar de uitgang,
teken het boek, doneer een klein bedrag,
ik weet niet goed meer waar ik hier voor kwam

en toch kwam ik hier weer. Zoals in feite vaak
en altijd weer zonder idee, uiteindelijk,
niet wetend waar te kijken, met de vraag,
als kerken ooit volledig uit de tijd zijn,
wat wij met die gebouwen doen, houden we dan
sommige kathedralen open voor publiek,
met al dat heiligs mooi tentoongesteld,
en sloopt de regen en het vee de andere –
wil niemand dan nog op die onheilsplaatsen komen?

Of komen in de nacht dan vreemde vrouwen
hun kinderen een steen aan laten raken
om zo van kanker te genezen; zouden ze
een dode rond zien lopen, ’s avonds laat?
Iets van de kracht zal wel blijven bestaan
in spelletjes en schijnbaar onlogische namen;
maar bijgeloof, net als geloof, dat blijft niet duren,
wat blijft, als ook het ongeloof voorbijgegaan is?
Gras, onkruid op de tegels, een paar muurtjes, lucht

en elke week iets minder van de vorm,
een minder duidelijke functie. Wie,
vraag ik me af, is dan de laatste die hier komt,
voor wat dit was. Iemand, misschien, die
wat op het hout klopt, weet dat dit het koor heet?
Een zuiplap, zoekend naar antiek,
een kerstliefhebber, die nog hoopt
op het geluid van orgels en de lucht van wierook?
Of iemand namens mij, meer zoals ik,

die hier verveeld en ondeskundig komt, maar weet
wat het gehalte geest is op dit kruispunt, deze grond,
die hier, gemengd met stadsstof, zuinig is geweest,
die heeft bewaard wat nu alleen nog voorkomt
in afscheid, trouwerijen en geboortes,
in dood en denken aan de dood – omdat daarvoor
dit ding gebouwd is? Ik heb geen idee
wat deze opgetuigde klamme huls nog waard is,
ik sta hier graag in stilte, en alleen.

Een serieus gebouw op serieuze grond,
hier hangt de lucht van al onze obsessies
die hier, als noodlot aangekleed, tot rust komen.
En dat is dan toch iets dat niet verdwijnt,
want steeds is er weer iemand die zichzelf verrast
met de behoefte voortaan serieus te zijn,
zijn aandacht zal op deze grond worden gericht:
hij hoorde, dat dit goede grond voor wijsheid was,
alleen al door de vele doden die hier liggen.

 

Vertaald door Menno van der Beek

 

Philip Larkin (9 augustus 1922 – 2 december 1985)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 9e augustus ook mijn blog van 9 augustus 2020 en eveneens mijn blog van 9 augustus 2019 en ook mijn blog van 9 augustus 2017 en ook mijn blog van 9 augustus 2015 deel 2.

Klaus Ebner, Philip Larkin

De Oostenrijkse dichter, schrijver en vertaler Klaus Ebner werd geboren op 8 augustus 1964 in Wenen. Zie ook alle tags voor Klaus Ebner op dit blog.

Uit: Glut: Legende vom Woher und Wohin

„Am Anfang war das Wort: »Geh!«, einfach nur .geh!.. Wehmütig blickte er zurück, auf die moosbewachsenen Ausläufer des Gebirges, über die Baumwipfel, bis hinab in die große Ebene, wo er, unterhalb der Höhlen, die Windschilde der Sippe wusste. Dort hatten sie gespielt und von der Gefährlichkeit des Feuers er-fahren, dort hatten sie die Spuren des Wildes lesen gelernt und oftmals Gazellen gejagt. Mewonn erschrak. Hinter der Felskette zu seiner Linken stieg Rauch in den Himmel, und das Gedröhn erkannte er als den schaurigen Lärm aus Kindheitstagen. Damals war alles noch in der Ferne gelegen: dunkel und drohend, aber trotzdem allgegenwärtig in den Erzählungen der alten Frau. Mewonn ahnte die Nähe des Feuers, und trotz des Windes glaubte er seine Hitze zu spüren —war es das, wovon die Alten stets gesprochen hatten? Am Gürtel fühlte er den glatten Stein der Axt. Nicht einmal zu essen hatten sie ihm geben wollen, kein Fell und kein Werkzeug. Die Mitnahme der Axt war nur Gresonn zu danken. Er hatte die andern zurückgehalten. Ihn vermisste Mewonn als Einzigen, und der Gedanke, ihn für immer verloren zu haben, schmerzte. Mewonn und Gresonn hatten dieselbe Mutter. Alaala war als Mädchen aus den Wäldern gekommen, um ihre Söhne in der Tiefebene großzuziehen. Jeden Tag waren sie zusammen gewesen, und auf der Jagd konnte der eine sich auf den andern verlassen. Nun fühlte er zum ersten Mal, dass niemand hinter ihm stand, dass niemand ihm helfen würde, wenn ein Raubtier angriff. Vielleicht aber gab es hier keine Raubtiere, denn das Feuer schien alles Lebende zu vertreiben. Mewonn atmete tief ein und erklomm einen der Felsen, die am Ausläufer des Berges wie verlorene, rein zufällig hingestreute Gesteinsbrocken wirkten. Sie waren jedoch so gewaltig, dass die gesamte Sippe mit vereinten Kräften nicht einen einzigen hätte bewegen können. Oben angekommen, erblickte er weitläufige Wiesen, die näher zu den Gebirgshöhen führten. Grünes Gras beruhigte ihn und gab ein Gefühl von Sicherheit, doch merkte er wohl, dass die Grasbüschel spärlicher wurden und ihre Farbe änderten. Während die Ebene ein Gutteil des Jahres ihr sattes Grün darbot, wirkten die Halme hier oben dünn und schwach. Die grüne Farbe wurde dunkler, und vereinzelt kippte sie ins Braun. Mewonn setzte sich, mit Blick zur Ebene, auf den Boden.“

 

Klaus Ebner (Wenen, 8 augustus 1964)

 

De Engelse dichter Philip Larkin werd op 9 augustus 1922 geboren in Coventry. Zie ook alle tags voor Philip Larkin op dit blog.

 

’t Huis is zo droef

’t Huis is zo droef, het blijft verlaten staan
Gemaakt voor het gemak van iemand, hij ging heen,
En kwam hij nu maar terug. – Zo dus, ontdaan
Van de bewoners, valt het huis uiteen
En haalt, berooid, nergens de kracht vandaan

Om zo te blijven als het vroeger was:
Een montere opmaat, feestelijk ingezet
Waar niets op volgde; volg dit droef relaas,
Kijk naar de etsen, het servies, het kabinet,
Muziek, een open vleugelklep. Die vaas

 

Vertaald door Marko Fondse

 

Philip Larkin (9 augustus 1922 – 2 december 1985)
Standbeeld in Hull (Detail)

 

Zie voor meer schrijvers van de 8e augustus ook mijn blog van 8 augustus 2020 en eveneens mijn blog van 8 augustus 2019 en ook mijn blog van 8 augustus 2017 en ook mijn blog van 8 augustus 2015 deel 2.

Robert Seethaler, Philip Larkin

De Oostenrijkse schrijver en acteur Robert Seethaler werd geboren op 7 augustus 1966 in Wenen. Zie ook alle tags voor Robert Seethaler op dit blog.

Uit: Die Straße

„Der Junge spannt das Gummiband. Sein Oberkörper ragt zur Hälfte aus der Luke, er trägt ein hellblaues Pyjamahemd, seine Haare hängen ihm wirr und feucht in die Stirn. Er kneift ein Auge zu und schiebt seine kleine rosige Zunge zwischen die Zähne. Weit unten knallt ein Fenster zu und die Tauben auf dem Dachfirst schrecken auf, Geflatter im gelben Morgen-licht. Rote runde Augen, dürre Beine, spitze Krallen, violetter, moosgrüner, schwarzer Schimmer. Panisch ziehen sie hoch, ehe sie sich fallen lassen und in die Straße abtauchen. Für Sekunden sind die staubigen Flügelschläge zu hören, dann ist es wieder still. Das Licht der aufgehenden Sonne lässt die Fenster in den oberen Stockwerken aufleuchten, blitzt in der Flügelspitze eines Flugzeuges, lässt Rauchschwaden erglühen, die aus den Schornsteinen steigen und vom Wind niedergedrückt in Schlieren und Spiralen über Dächer und Mansarden kriechen, ehe sie in die Re-genrinnen sinken und sich auflösen. Der Junge blinzelt. Er lässt die Schleuder sinken, wischt sich mit dem Handrücken eine Strähne aus der Stirn und starrt auf die Stelle, wo eben noch die aneinander-geschmiegten Körper der schlafenden Tauben waren.
Carl sagt, wir sind über hundert, aber was weiß der schon. Letzte Woche haben sie ihm den Bauch aus-geräumt. Eine Niere und den größten Teil vom Darm. So etwas steckt keiner einfach so weg. Ich weiß genau, wie viele wir sind, weil ich mit der Küche rede. Auf Schwestern und Pfleger ist kein Verlass, die müssen nicht wirtschaften. In der Küche wird mit spitzem Stift gerechnet, bei den Preisen für Kaffee und Gemüse zählt jede Portion. Gestern waren wir noch siebenneunzig, und heute ist Greta Bläulein gestorben. Sie haben sie rausgetragen und das Na-mensschild von der Tür geschraubt, flüsternd wie Diebe in der Nacht.
In diesem Jahr gibt es mehr Tote. Keine Ahnung, warum. Vielleicht hat es mit dem Wetter zu tun. Die Alten beklagen sich, dass die Fenster undicht sind, dabei weiß doch jeder, dass unter perfekt abgedichteten Fenstern der Schimmel blüht. Heute Nacht ist es ruhig. Manchmal spricht einer im Schlaf, aber wenn hier im Schwesternzimmer das Radio läuft, ist selbst das Husten kaum zu hören. Am liebsten ist mir die Zeit zwischen drei und vier. In den Gängen ist es dunkel und still, nur über der Nummer 14 leuchtet das Notlicht. Frau Szevkovic meint, sie könne nur schlafen, wenn sie weiß, dass das Lämpchen brennt. Mir ist es recht. Da liegen sie in ihren Betten und treiben dahin wie in kleinen Booten, jeder für sich ganz allein auf dem tiefen, schwarzen Meer aus Benzodiazepinen.“

 

Robert Seethaler (Wenen, 7 augustus 1966)

 

De Engelse dichter Philip Larkin werd op 9 augustus 1922 geboren in Coventry. Zie ook alle tags voor Philip Larkin op dit blog.

 

Water

Als ik erbij geroepen werd
om een religie op te zetten
zou ik daar water voor gebruiken.

Om bij de kerk te komen
zou men door water moeten waden
naar droge, nieuwe kleren.

Mijn liturgie zou beelden
van onderdompeling bevatten,
een woest en vroom doordrenken,

en ik zou in het oosten
een glaasje water heffen
waar licht uit alle hoeken
tesaam zou komen, eindeloos.

 

Vertaald door Jan Eijkelboom

 

Philip Larkin (9 augustus 1922 – 2 december 1985)
Philip Larkin en zijn partner Monica Jones

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 7e augustus ook mijn blog van 7 augustus 2019 en eveneens mijn blog van 7 augustus 2017 en ook mijn blog van 7 augustus 2011 deel 1 en ook deel 2.