Wat moet de geest geloven? – Hij bezit het hele lichaam; Ik, die aan liefde begin, Maak daar mijn studie van.
Wij zijn één en toch zijn we meer, Wordt mij verteld door wie het weten, – Soms gelukkig twee. Vandaag huppelde ik langs het water, Mijn blik hier noch daar, Mijn dunne armen op en neer, Een vogel mijn lichaam, Mijn vogelbloed klaar.
Uit: Op huizenjacht (Vertaald door Gerda Baardman)
“Het huis was totaal niet geschikt voor hen. Het was een met klimop begroeid Normandisch landhuis met een asymmetrische daklijn, een kort dik torentje met spits en op de begane grond ramen met kleine ruitjes, en het stond hoog op de noordwestelijke oever van Lake Washington, een paar straten ten oosten van het huis waar Christy was opgegroeid. De buurt was ten prooi aan regelmatige invallen van legers tuinlieden, landschapsarchitecten en mensen die echte Umbrisch granieten straatstenen kwamen leggen, maar toch was het huis overduidelijk opgetut voor de verkoop. De blauwe verf op de luiken zag er glanzend en nat uit, verse zwarte bloemenaarde kolkte rul rond de viooltjes langs de oprijlaan en het onmetelijke gazon aan de voorkant was opgepoetst tot het een harde glans vertoonde. Het bordje van de makelaar was een discreet rood-wit schildje op een zwart ijzeren paal, met alleen ‘Herman Silk’ en een telefoonnummer erop in een chic schreefloos lettertje. ‘Dit?’ vroeg Daniel Diamond en zijn hart maakte een sprongetje, met een duizelig makend getintel. Hoewel alle raampjes openstonden, hing er in de auto van meneer Hogue een verstikkende walm van aftershave, een scherp ruikend extract van wintergroenolie en pekel dat de makelaar heviger was gaan uitwasemen naarmate ze dichter bij het huis kwamen, als een soort angstzweet. Daardoor kreeg Daniel meer last van zijn allergie en hij wilde dat hij er die ochtend aan had gedacht een Claritin te nemen voordat hij de deur van de flat achter zich dichttrok. ‘Is dit het?’ ‘Dit is het,’ zei Hogue op vermoeide toon, alsof hij al de hele dag in zijn oeroude Mercedes met ze door de stad zeulde om hun een eindeloze hoeveelheid huizen te laten zien waar niets mis mee was en die ze niettemin om de willekeurigste, pietluttigste redenen stuk voor stuk afwezen. Maar het was pas tien uur ’s ochtends en dit was het eerste huis dat ze gingen bekijken. Bob Hogue was een gelooide man van onbestemde middelbare leeftijd met een groen polohemd, een beige broek en een geruite katoenen blazer in een kleurstelling die populair is bij fabrikanten van cellofaangras voor paasmandjes. Zijn rimpels als rechte lijnen, zijn stekeltjeshaar, zijn kin als twee knokkels en zijn neus met de minuscule rode kriebellettertjes gaven hem het aanzien van een aan lager wal geraakte straaljagerpiloot. ‘Wat is ermee? Is het je te min?”
De week na de dood van je vader, zie ik je na school naar huis lopen in je Wimpy Kid T-Shirt, en ik ken je niet eens, maar ik wil je roepen als een ontvoerder en je vertellen dat dit nog maar het begin is. Je hoofd zal altijd een brandende lucifer zijn, zoals de apostelen in het glas-in-loodraam toen Jezus terugkwam. Maar hij zal nooit terugkomen. Ik zeg dit omdat je het weet, maar toch zul je ervan dromen. Je zult dol zijn op boeken en tv-programma’s over tijdreizen. Zoals het blauwe politiehokje waar je in kunt stappen en terug kunt gaan naar de week ervoor. Of misschien vindt hij je wel, zoals hij doet op deze eerste ochtenden, voordat je het je herinnert. Hij zal altijd hetzelfde shirt dragen als hij je komt wakker maken, zoals mijn vader in zijn olijfgroene strepen, alsof hij nooit iets anders droeg.
De deur ging open en de bus reed binnen. Een hevig gebrom, iedereen sprakeloos niet in staat om het juiste te zeggen. Een bus? Zie je dat? Een bus.
Het was wachten op andere voertuigen of dat de kamer eigenlijk een plaats was waar bomen onder invallende duisternis een spoorwegovergang aan het oog onttrekken.
Dan is het een vreemde gewaarwording in een fauteuil wakker te worden met het boek nog op je schoot, een studie
naar de waarde van zeldzaamheid in een taal die je niet beheerst maar je bent halverwege en je hebt begrepen wat de auteur bedoelt.
Hij heeft hier gezeten, dat weet je en naast hem een engel of god, boven alle tijd verheven maar nu door en door nat met een lelijke hoest en vlekken van de koorts
niet te weten wat te doen met deze bus en diezelfde ontreddering daarna in de woorden waarmee hij alle buspassagiers om een paar stuivers vraagt.
Het ruikt niet fris meer, de benzinedampen zijn het sterkst waar de bus een bocht moest maken om bij het raam te kunnen parkeren.
Iemand aarzelt om hier uit te stappen naast de bezette fauteuil in de wetenschap van die engel of god en wat hij verder van plan is.
Iemand wil niet in hetzelfde stappen om iedere dag te voelen dat de bus bestaat.
Dan rennen om de bus te halen en de bus te missen.
Passie
De slager werpt zich op zijn altaar Hij verspreidt zijn dienende bestaan door merg en been Zijn mes komt op het hakblok neer (en neer en neer)
Het mes snijdt door zijn klanten – Hoor maar Het gelouter gaat tekeer en klettert op zijn bloedverwanten Onbeperkt de hartelust waar deze schepping zich mee tooit
Men wordt in bloed zoveel gewaar Vooral in mens en dier geschreven gaat het mes tevreden heen Er is geen heiliger gebaar
Verbindingskunstenaar
Strepen kunnen wel, maar lusjes?
Een mens loopt al vaak kreupel voor het hart daartoe noopt, mooi woord.
Een verbindingskunstenaar heeft dan zijn touw paraat en knoopt, denkt na
pitriet, ach ja en raffia – de wereld buigt.
Hebben we de handjes netjes gevouwen? Heeft iedereen de opdracht van verleden week al af?
Koolwitje, zij. Een witte maan ontsluiert en verbergt de nacht. De lucht is haast onadembaar. Draadloos loopt ze door het onplezierig labyrint. Ze schudt als zoetemelk en dwaalt, en dwaalt.
Meekraplak rozen bloeien om de oude Prachtbau. In tempelgroene wingerd gaat het museum schuil. Rood Knossos lijkt wel Guggenheim. Eénzelfde parasol, bordeaux van kleur, beschaduwt Adolf, Plato, captain Kirk. Zo draait in elke zaal een tafereel dat steeds, bij nadering, wordt uitgewist.
Zo boos een firmament. Eerst zingt Marie, dan treedt hij op: de glimmend zwarte faëton in wie haar stem ontslaapt, na oorverdovend roepen.
Is het een slederit? De Spessart, onder verse sneeuw. Rondom een bergland oogwitwit. Sneeuw vlokt alleen om nooit omhoog te gaan. In angst: ‘Marie! Marie! Houd je goed vast!’ De stem houdt bij de lippen stil. Een diepte gaapt. Dan gaat het steil bergaf, opeens.
Aurora in de herfst
April niet, en geen vogel met gevorkte staart. Susette zit. Het slot roest dicht, het spoor bewijst haar niet. Geen dotterbloem of espeblad bevrijdt en bindt haar ook. Een geel juweel wordt ganz umsonst gepoetst. Om niets glimt het azuur.
Augustus niet. Geen leeuwerik die klimt en het voor haar begeeft. Ze schrijft, terwijl ze door de zeef van herfsten gaat. Afwezig werkt een spin aan zilverdraad. Haar ochtend gloort van nevel. Dood gaan voortdurend varens.
Ze schrijft. Haar letter vangt wat hij verliest, de pen herhaalt: Hier – weg! Hier – weg! Aurora is ze, zuster van de maan. Titonus werd (de man uit Bern) als stro door vuur verteerd. Vergrijsd dronk hij de ambrozijn, tot hij een sprinkhaan werd.
(Steeds kwelt Susette een onbestemde dorst. De bekers zijn met goud gevuld. Haar hand beklemt een ruit van blauw, onbreekbaar glas.)
Een dag op het land
(Dit is geweest. Een koets ontvoert haar uit ‘Het witte hert’. Een wolk van stof waait op en gaat terneer. Gontard, de stad getrouw, telt reukloos geld en buigt voor lakenhandelaars.)
Susette woont op de Pinksterwei, en lijkt wel uit de doden opgestaan. Weer etst ze zich een Eden aan de Main. Opent de rozen om het huis, legt mist in de kastanjelaar. Slurpt mensenschuwe rust. En eet een laat ontbijt met hem, in het jasmijnprieel.
Damast, waarbij de glans van zilver hoort. Een blik, versteend bij haar entree. Maar zij ontwijkt het oog en loopt vertraagd de kamer in. De crinoline weegt als zink, terwijl ze ziet: een lauw, doorzond prieel, gordijnen open op een gletsjerblauwe dag. Op tafel rinkelt vliesdun Meissner-porselein. Dan zit ze, schept drie lepels suiker in haar thee. Wat zoet is lijkt, per definitie, goed voor haar.
‘U schrijft, mijnheer?’ Bloedjong is hij in Frankfurts middenstand, een dichter met het marmeren lijf en wezen van een Phidias. (Een rode mist trekt daarom voor haar ogen.) Toch schijnt hij bang, en zonder moed op haar.
Maar onderhoudend wel. Geen Klopstock, Schiller doet het hem ooit na. Boven de sterren zwijgt de golfslag van de strijd. Al eeuwen had hij haar van ver gekend. Voor hem is zij Urania. En dit gesprek: de Rijn die uit zijn bedding breekt. Nou goed, dat klinkt alvast niet gek.
“Gisteren is het gebeurd. We kunnen het nog steeds niet geloven, vader en ikzelf. Vader dat is mijn man. We noemen elkaar vader en moeder, omdat we vinden dat zoiets ons des te inniger tot een gezin aaneensmeedt en op den duur zijn vruchten af zal werpen. Vaderlijke autoriteit en moederschap – zoiets ga je toch niet ondergraven door een willekeurige voornaam te gebruiken. Als je een kind er op tijd van doordringt: dit is moeder, en niets anders dan moeder en niet zekere Lucy, Margot, Elsbeth, of noem maar op, dan zal dat vast en zeker invloed hebben op het instinct en zo; tenminste zo denken wij erover. Wij zijn waarachtig niet het soort mensen dat bij de dag leeft. Hoeveel families zie je niet om je heen, waarin de bejaarde ouders het moeten stellen zonder de alleszins gerechtvaardigde dankbaarheid van hun kinderen. Anders uitgedrukt: in tehuizen of in andere oorden zie je ze terugvallen op de hulp van derden. Is het gek dat vader en ik vinden dat die beklagenswaardige mensen – dat wel – hun lot per slot van rekening aan zichzelf hebben te wijten. Je moet je kind vanaf de eerste dag – ik zou haast zeggen: zó uit de moederschoot – opvoeden tot dankbaarheid. Tenslotte schenk je hun toch maar het leven, anders gezegd: een geschenk, waarvan je maar moet afwachten hoe het uitpakt. De liefde voor vader en moeder kun je nog het beste vergelijken met de terugbetaling van een schuld, maar van een prachtschuld, ik zou haast willen zeggen van de mooiste schuld die er bestaat. Gisteren is het dus allemaal gebeurd. Ik begrijp er nog steeds niets van. Vader, die ik trouwens erg bewonder, komt er klaarblijkelijk eerder overheen – tenminste dat denk ik, want dat hij nu alweer aan de gang is gegaan met nieuwe ideeën voor grootmoeders testament, diep erover heen gebogen, op kladjes krabbelend en belust op veranderingen, dat hij dat doet en op die manier ons gezinsleven verrijkt met het uitzicht op een erfenis, daarop heeft zijn verdriet, terwijl hij toch Koens vader is, kennelijk geen invloed. Als het nu maar bij verdriet bleef; behalve dat zijn we allemaal ook erg verbolgen, heel erg verbolgen. Verschrikkelijk gewoon. Alles liep tot nu toe zo gesmeerd. Speciaal sinds ons dochtertje Gitti, werd geboren, de beloning voor vier zoontjes. Gittekind is werkelijk nog schattiger dan we hadden durven dromen. En bovendien gewoonweg ideale peetouders.”
“Mijn moeder groeide op waar de Rijn ons land binnenkomt, in Tolkamer. Haar autoritaire vader was douanier, haar moeder had een zwak hart en lag vaak op de bank. Het onstuimige karakter van mijn moeder zorgde in haar jeugd al voor conflicten. Als tiener werd ze daarom naar een instelling voor gemankeerde jongens gestuurd, waar ze zonder noemenswaardige opleiding groepsleidster werd. Het was een manier om haar het huis uit te werken. Door mijn vader te trouwen, kon ze ontsnappen aan die omstandigheden. Ik weet niet of het echt liefde was, ze waren voor elkaar misschien eerder een paspoort naar een ander leven. Mijn vader wist niet wat hem overkwam: hij was onzeker en brildragend en had opeens zo’n flamboyante meid aan de haak. Twee jaar nadat ik werd geboren, emigreerden ze naar Aruba. Mijn vader ging daar lesgeven, mijn moeder leidde er het leven van een expatvrouw. Die jaren hebben onlangs met terugwerkende kracht kleur gekregen dankzij de brieven van mijn moeder, die ik op haar uitvaart van een vriend van haar kreeg. Een doos vol dichtbeschreven luchtpost, die ze hem destijds stuurde. Het was een ontremde toestand, daar op Aruba: mensen gingen er getrouwd heen en kwamen bijna zonder uitzondering gescheiden terug. In haar brieven beschrijft mijn moeder de losbandige feesten. Mijn vader deed nog aan huwelijkse trouw, maar mijn moeder nam het ervan. Ze is altijd roekeloos geweest, niet alleen op seksueel vlak. Ze reed steevast veel te hard en verspeelde kapitalen door te investeren in krankzinnige, idealistische projecten. Als moeder van mijn zus, mij en ons uit Colombia geadopteerde zusje was ze grillig. Haar temperament kon vlug verschieten van enorme woede naar grote liefheid. Ze was geen traditionele moeder, van een echte opvoeding was eigenlijk niet zozeer sprake. Meer een laisser-faire. Op mijn negende keerden we terug naar Nederland – ik had mijn heup gebroken en die kon alleen hier worden gerepareerd. Twee jaar daarna scheidden mijn ouders. Aanvankelijk nam mijn moeder niet alleen alle kinderen maar ook de volledige inboedel mee, mijn vader hield het huis. Zij trok in de woning van haar nieuwe man. Ik vond het daar unheimlich, had geen zin in het nieuwe bestaan dat me werd opgedrongen, en besloot bij mijn vader te gaan wonen.”
“Overal waar ik kijk, zie ik sporen van een gevecht. De post ligt verspreid over de keukenvloer; de stoelen zijn omgevallen. De telefoon is uit zijn houder geslagen en de batterijen bungelen aan een navelstreng van draden. Er is slechts één vage voetafdruk te zien op de drempel naar de woonkamer en die wijst naar het dode lichaam van mijn zoon, Jacob. Hij ligt als een zeester uitgespreid voor de open haard. Zijn slapen en handen zijn overdekt met bloed. Ik kan even niet meer bewegen, niet meer ademhalen. Plotseling komt hij in zittende houding overeind. ‘Mam,’ zegt Jacob, ‘je probéért het niet eens.’ Dit is niet echt, houd ik mezelf voor, en ik kijk hoe hij weer in precies dezelfde houding gaat liggen – op zijn rug, zijn benen naar links gedraaid. ‘Eh, er is gevochten,’ zeg ik. Jacobs mond beweegt nauwelijks. ‘En…?’ ‘Je bent op je hoofd geslagen.’ Ik zak op mijn knieën, zoals hij me al honderd keer gezegd heeft te doen, en zie nu de elektrische klok die normaal gesproken op de schoorsteenmantel staat en nu half onder de bank uitsteekt. Ik raap hem snel op en zie bloed op een hoek. Ik raak met mijn pink de vloeistof aan en proef ervan. ‘O, Jacob, je gaat me toch niet vertellen dat je weer al mijn stroop hebt opgemaakt…’ ‘Mam! Concentreer je!’ Ik laat me op de bank zakken en houd de klok in mijn handen. ‘Er kwamen dieven binnen en jij hebt ze verjaagd.’ Jacob gaat met een zucht zitten. De stroop heeft zijn donkere haar mat gemaakt. Zijn ogen glinsteren, hoewel ze mij niet echt aankijken. ‘Denk je nu echt dat ik twee keer dezelfde plaats delict zou opzetten?’ Hij doet zijn vuist open en ik zie nu voor het eerst de pluk strokleurig, zijdezacht haar. Jacobs vader is een vlaskop, althans, dat was hij toen hij vijftien jaar geleden wegliep en mij achterliet met Jacob en Theo, zijn gloednieuwe, blonde broertje.”
„Im Übrigen schreibt Beyle, es sei selbst da, wo man über lebensnähere Erinnerungsbilder verfüge, auf diese nur wenig Verlaß. Nicht anders als die großartige Erscheinung des Generals Marmont in Martigny, vor Beginn des Aufstiegs, habe, unmittelbar nach der Überwindung der schwersten Strecke des Wegs, der Abstieg von der Paßhöhe und das gegen die Morgensonne sich öffnende St. Bernhardstal einen in seiner Schönheit unauslöschlichen Eindruck auf ihn gemacht. Er sei damals aus dem Schauen überhaupt nicht mehr herausgekommen, und fortwährend seien ihm dabei die ersten italienischen Worte — quante miglia ci sono da qui a Ivrea und donna cattiva — durch den Kopf gegangen, die ihm tags zuvor ein Pfarrer, bei dem er einquartiert war, beigebracht hatte. Beyle schreibt, er habe lange Zeit in dem Glauben gelebt, sich an diesen Ritt in allen Einzelheiten erinnern zu können, insbesondere an das Bild, in dem sich, bei schon abnehmendem Licht, die Stadt Ivrea aus einer Entfernung von etwa einer dreiviertel Meile ihm zum ersten Mal dargeboten habe. Wo es aus dem breiter werdenden Tal langsam in die Ebene hinausgeht, lag sie, etwas zur Rechten, während links, in die Tiefe der Entfernung hinein, sich die Berge erhoben, der Resegone di Lecco, der ihm später noch soviel bedeuten sollte, und ganz im Hintergrund wohl der Monte Rosa. Es sei, schreibt Beyle, für ihn eine schwere Enttäuschung gewesen, als er vor einigen Jahren bei der Durchsicht alter Papiere auf eine Prospetto d’Ivrea untertitelte Gravure gestoßen sei und sich habe eingestehen müssen, daß sein Erinnerungsbild von der im Abendschein liegenden Stadt nichts anderes vorstellte als eine Kopie von ebendieser Gravure. Man sollte darum, so rät Beyle, keine Gravuren von schönen Aus- und Ansichten kaufen, die man auf Reisen sehe. Denn eine Gravure besetze bald schon den ganzen Platz der Erinnerung, die wir von etwas hätten, ja, man könne sogar sagen, sie zerstöre diese. An die wundervolle Madonna von San Sisto beispielsweise, die er in Dresden gesehen habe, könne er sich bei aller Anstrengung nicht mehr erinnern, weil sie von der Gravure, die Müller von ihr gemacht habe, überdeckt worden sei, wohingegen er nach wie vor die miserablen Pastelle von Mengs aus derselben Galerie, von denen ihm nie und nirgends eine Nachzeichnung untergekommen sei, auf das deutlichste vor Augen habe.”
W.G. Sebald(18 mei 1944 – 14 december 2001)
De Perzische dichter Omar Khayyám, of zoals zijn arabische naam luidt, al-Imâm Abu Hafs ‘Omar ebn Ebrâhim al-Khayyâmi, werd geboren op 18 mei 1048 te Nishapur. Zie ook alle tags voor Omar Khayyám op dit blog.
Ik scheidde; onverstand was allerwegen, van al mijn parels werd niet één geregen. De dwazen! honderd dingen, nooit beseft en nooit bereikt, zijn in mij doodgezwegen.”
Vertaald door J. H. Leopold
Omar Khayyam (18 mei 1048 – 4 december 1131) Standbeeld in het Laleh Park in Teheran
Hier heerste de stille gladheid die door één enkele slag van een roeispaan verstoord kon worden. Jaargetijde dat langzaam afkoelt. Het geluid van een ketting die losgemaakt wordt en op de bodem van een roeiboot gelegd. En uit angst om die heel bijzondere uitgestrekte rust van de waterspiegel te schaden hield ik mijn roeispaan zwevend in de lucht.
VOORN
Was het ongebruikelijke woord waarnaar ik zocht in mijn droom en dat ik met geen mogelijkheid kon vinden.
Ik werd wakker uit een droom over een vis met rode ogen
eenvoudig te vangen met wat fijngekauwd brood aan een gebogen speld. Een voorn, doodsoorzaak van
Yvonne, Prinses van Bourgondië, en zo veel trager dan de elegante marenen, deze danseressen van het warme kustwater.
Ja, deze droom was vervuld van schoonheid en dans. En niemand ter wereld wist
dat de voorn voorn heet.
HET PARADIJS
Het moeras, verboden te betreden Gevaarlijk diep met kattenstaart en waterplanten. De salamanders die wij vingen en ‘waterhagedissen’ noemden.
Ze zouden wratten op je vingers veroorzaken. Omdat ze zelf vol wratten zaten.
Vast en zeker uitgestorven nu. Wie kan het wat schelen? Plotseling was het joch twintig jaar.
Voor hem lag het lange leven. Als de Kurlandse vlakte.
De beek. De salamanders. Wij waren het die alles wegnamen
Vaak ben ik onzichtbaar, en jij weet niet wat het betekent om aan de sneeuwwolken eer te bewijzen. Ze zijn druk met het balsemen van de velden in de weer. Linnen lakens zijn in hun bezit. Mijn huid raakt bij elke gelegenheid ijskristallen aan en wordt gemakkelijk glad. Waar handen bevriezen, blijft donker weefsel achter, dat in het binnenste van gletsjers verdwijnt. Mijn wapens zijn bot, de vacht op mijn rug is weggesleten. Je kunt uit de houding van mijn armen iets onverschilligs afleiden en uit de taal van de straalstromen mijn autobiografie. Ik ben de stille getuige van mijn aanwezigheid. Je vindt me vaak bij de rotstuinen boven de weilanden.
Schemerig tussen de bomen het beeld van wat zich hier heeft voltrokken: een kracht voorbij alles perste, perste, perste – dit monument moest en zou uit de aarde!
Wat ooit wel begrepen zal zijn, want heel licht trilt van binnen nog iets als herinnering aan de dagen, waarop aan haar voet overdadig gefeest werd.
Zoemend de middag, sjirpend de avond; wanneer de stem van dit oeroude land goed wordt verstaan, dan
valt samen met steen avontuur te beleven. Van zang. Dans. Ranke enkeltjes. Zaad in het gras.
Avallon
Waar karakter begint. Huizen langzaam tegen een helling ontstaan. Steeds dichter aaneengegroeid, terras voor terras naar boven geklommen in
buurten zichzelf overschaduwend tot vlak aan de vesting. Daar, in de stilte van de eenzaamste slaap, kraakt zonlicht in grind.
Smeult onder de platanen altijd nog angst voor beleg en snelt schor een klokslag voorbij om meteen
in het zwarte gat van een steeg te verdwijnen. Karakter begint waar de wereld zich opdringt.
Huwelijk
Wij proberen nu de tijd tussen twee ringen in te klemmen, met bloed het kind besmeurd, uitgewoond het grote huis, een spinneweb door ons opnieuw
gespannen en voorzien van wingerd op het zuiden. Een lange zomeravond doorkruist hier de seizoenen, wij leven binnen, buiten, door elkaar.
Haast is dan ook verre van geboden, al glijden de dingen weg uit ons bestaan: het kind allang gewassen
en op reis, terwijl wij achterblijven met de vraag aan welke hand de ene ring zich even bij de andere voegt.