Jongens in een Italiaanse kerk, Palmzondag door Kristian Zahrtmann, 1884
Palmsonntag
2.
Sanften, warmen Sonnenregen Bracht’ uns des Palmsonntags Morgen, Kinder ziehn auf allen Wegen, Die um grüne Palmen sorgen.
Reiche Palmen, Liebesspenden, Für den Friedensfürst, den hehren, Schwingen bald sie in den Händen, Und die Scharen stets sich mehren.
Hosianna! Hörst du’s klingen Silberhell aus Kindermunde? Frommen Gruß die Glocken bringen Lieblich drein vom Dorf im Grunde.
Nun so geh auch du entgegen Jubelnd deinem Herrn mit Psalmen, Bringt er Frühling doch und Segen; Laß Ihm grünen deine Palmen!
Nun, so thu’ Ihm auf die Pforte, Wenn er anklopft, einzukehren! Heil dem milden Himmelshorte Preis dem Könige der Ehren!
Franz Alfred Muth (13 juni 1839 – 3 november 1890) De Liebfrauenkirche in Hadamar, de geboorteplaats van Franz Alfred Muth
De Amerikaanse dichteres Ada Limón werd geboren op 28 maart 1976 in Sonoma, Californië. Zie ook alle tags voor Ada Limón op dit blog.
CO-OUDERSCHAP
Waarom besefte ik nooit wat het eigenlijk was: overvloed. Twee gezinnen, twee verschillende keukentafels, twee verzamelingen regels, twee kreken, twee hoofdwegen, twee stiefouders met hun aquaria of cassettebandjes of sigarettenrook of kennis van koken of talent voor lezen. Ik kan het niet omdraaien, de bekraste plaat blijft hangen op dat oorspronkelijke chaotische lied. Toch moet ik zeggen, op zondag werd ik heen en weer gebracht en dat was best lastig maar op beide plekken hadden ze me lief. Zodoende heb ik nu twee paar hersenen. Twee complete tegenpolen. Eén paar dat altijd mist waar ik niet ben, één dat opgelucht denkt: ik ben eindelijk thuis.
“Bomen dragen alle kleuren. Zijn moeder vertelt hem over dassen en vossen, herten, valken. ‘Als je weet waar je moet kijken, vind je ze, James.’ Na de zomer, de eerste keer naar school: de meester luidt zijn bel op het schoolplein, de lessen beginnen, Welmoed rent het groepje moeders in, dan toch overvallen door het afscheid, en slaat zijn armen om haar benen. Hij hoort een ingehouden gegniffel, en wanneer hij zijn ogen opent kijkt hij zijn moeder recht aan, twee meter verderop. Ook de andere moeders beginnen te lachen. Meteen al, nog met zijn armen om de verkeerde moederbenen, snapt hij de blunder. Hij snapt ook dat dit grappig is, snapt het allemaal, maar kan zich niet inhouden. Het verschil tussen hart en hoofd. Hij huilt en zijn moeder lacht, een scheur in de wereld, voor het eerst bestaat hij afgescheiden van baar, alleen. Op een middag in 1605 passeert koning James I — de zoon van de onthoofde Mary, Queen of Scots en op zijn beurt de vader van de later onthoofde Charles I — het slaperige dorpje Newmarket, in Suffolk, en hij fantaseert dat de uitgerekte, brede weide daar een prachtige baan voor paarden kan zijn. Fantasieën van koningen zijn realiteiten in afwachting. James, de koning die Schotland en Engeland met elkaar verenigde, de heksenvervolger, de Bij-belvertaler de mecenas van Shakespeare en John Donne, en dus ook de grondlegger van de paardenrennen. Hij annexeert Newmarket als persoonlijk grondgebied en in de eeuw erna groeit het gehucht uit tot een symbolische tweede hoofdstad. Heren en hertogen ontdekken in de volbloed een spiegel voor hun eigen rangenmaatschappij. Ze importeren Darley Arabian, Godolphin Bark en Byerly Turk, de drie hengsten waarvan het bloed als een schaduwdynastie door de eeuwen stroomt, elk toppaard is tot hen terug te leiden, een zuiverdere bloedlijn dan de meeste aristocraten voor zichzelf kunnen overleggen. Groot-Brittannië wordt een rijk van fokkers, kopers, investeerders, veilingmeesters, jockeys, coaches, bookmakers, gokverslaafden, staljongens, zadelmakers, hoefsmeden, producenten en verkopers van zwepen, borstels en oogkappen. Welmoed rent langs de velden, kijkt hoe ver hij van huis durft te gaan.”
Joost de Vries (Alkmaar, 28 maart 1983)
De Amerikaanse dichteres Ada Limón werd geboren op 28 maart 1976 in Sonoma, Californië. Zie ook alle tags voor Ada Limón op dit blog.
LIEFDESGEDICHT MET EXCUSES VOOR HOE IK ERBIJ LOOP
Soms denk ik dat ik mijn slechtste kant voor jou bewaar. De slobberige dennengroene joggingbroek, de lange bh-loze dagen, haren geklit en verward, een voorhoofd vol schaduwen waarin duivelse gedachten hun hoefklepperdans doen op het brein. Liefst wil ik zeggen dat dit betekent dat ik van je houd, het T-shirt van vlekkerig wit katoen, de tranen, de pistachedopjes, de berg sinaasappelschillen op mijn bureau, maar zo zit het niet. Ik beweeg me in dit huis met jou, zoals ik me beweeg in mijn hoofd, niet verkrampt in de kooi van mooi zijn. Ik doe zoals ik doe in het hoge gras, meer dier-in-mij dan veel anders. Nee, het komt omdat ik van je houd, maar nog meer omdat wanneer jij het terugzegt, lichten uit, een koude wind door de gordijnen, ik het, misschien voor het eerst in mijn leven, geloof.
“Maart ’44 ben ik geboren, zeven jaar na onze Louis. De hele oorlog hadden ze geen nagel om aan hun gat te krabben, toch werd ik gemaakt. Ik heb dat lang niet begrepen. Was míjn eerste kind Louis, ik had meer dan genoeg. De gelukkigste mens op aarde zou ik zijn. Het schijnt dat ik bijna vanzelf ben gekomen. Ons vader was nog maar juist de kamer uit of hij mocht al terugkomen. Hij boog zich over de wieg en hij moet zo diep gezucht hebben dat ze hem aan de andere kant van het dorp konden horen. Geen schoner kind dan Juliette, moet hij gezegd hebben, dat híj zoiets kon maken, het was een wonder. Daarna trok hij zijn jas aan en hij verdween. Na drie dagen sloeg ons moeder een warme doek om mij heen, legde me in de wieg naast de kachel, stapte in haar schoenen en liep recht naar café ‘Onder Den Toren’, waar ze ons vader van de toog weg sleurde en hem niet meer losliet tot ze weer voor ons huis stond. Ze deed de voordeur open, schopte ons vader tegen zijn billen en wel zo hard dat hij knal met zijn gezicht tegen de vloer vloog, zijn voorste tanden brak en zijn neus ook. Ze deed de deur weer dicht, stapte over hem heen, nam mij uit de wieg, opende haar hemd en legde mij aan de borst. Een uur heeft hij op de grond gelegen. Toen deed hij zijn ogen open, sukkelde overeind, krabde het bloed van zijn lippen en wangen, van zijn neus en van de grond, draaide zich om en liep naar de voordeur. Ons moeder zat naast de kachel, ik lag nog altijd tegen haar aan. Wat hij van zin was, vroeg ze. Niks, zei ons vader, helemaal niks, waarop hij de voordeur opentrok. Ze kwam hem niet meer halen, zei ons moeder. Nooit meer. De voordeur ging weer dicht. Ons vader ging op de grond zitten, sloeg zijn handen voor zijn gezicht. Het schoonste kind van de wereld, zuchtte hij, en dat dat niet kon, hij moest zijn eigen kop nog maar bekijken of hij wist het al. Ons moeder glimlachte. En met die glimlach ging ze voor hem staan. Dat hij haar eens goed bekeek, zijn vrouw, de rapste, de slimste, de schoonste van uren in het rond. Zag ze eruit alsof ze haar hart zou geven aan de eerste de beste dwazerik? Het was hém die ze wilde, hem en geen ander.”
„Sie regierten im Tal der Iser, in Nordost-Böhmen, ohne daß man weiß, wie und wann sie zu ihrer Herrschaft gelangt waren: slawischer Uradel. Das Merkwürdige ist, daß sie im Ursprung dort regierten, wo 400 und 700 Jahre später noch die Besitzungen der Waldsteins lagen und daß wir von Gründungen der Markwartinger, wie zum Beispiel Stadt und Kloster Münchengrätz, noch hören werden. Im späten 13. Jahrhundert teilten sie sich in allerlei Familien, die eine gesonderte Identität zu pflegen begannen. Von Albrecht Wallenstein schrieb sein mährischer Schwager, Karl von Zierotin, den jungen Mann empfehlend: »Er ist hoch geboren (bien né) wie Sie wissen, und mit allen großen Häusern Böhmens verwandt.« Das traf zu. Nicht nur war einer seiner Ahnen Marschall am Hof des gewaltigen Tschechenkönigs, Georg von Podiebrad; er stammte auch selber von diesem Herrscher ab, und zwar so, daß eine seiner Urgroßmütter von Mutters Seite, eine schlesische Herzogin von Münsterberg, die Urenkelin des Königs war; dieser, zählen wir richtig, war Wallensteins Vorfahr in der siebten Generation. Was dann seine lebenden Verwandten betrifft, die Smiricky, Slawata, Wartenberg, Zierotin, Lobkowicz und andere gleich tönenden Namens, so wohnten sie ringsum in den Schlössern Böhmens und der Markgrafschaft Mähren; in Grenzburgen gegen Deutschland und Ungarn hin, uralten, den Felsen sich anschmiegenden Gemäuern, je nach Bedürfnis und Stil der Zeit erweitert mit Ecktürmen, Vorburgen und Ringmauern; in Schlössern neuen italienischen Stils, langen Fluchten steinerner Säle um Arkadenhöfe, reich geziert mit Holztäfelungen, vergoldetem Schnitzwerk, Wappen, kostbaren Stoffen, Fabelbildern und Ahnenbildern; am Marktplatz ihrer eigenen Städte, in den Gassen der Prager Kleinen Seite, oder zwischen waldumrauschten Höhen und dem Fluß im Tal – da wohnten sie; umgeben von Künstlern aus Welschland, die ihnen etwa gerade den Rittersaal mit Fresken auszumalen oder den Park mit Statuen und Brunnen zu schmücken hatten, von Leibärzten und Seelsorgern, von französischen, italienischen, deutschen Sekretären; bedient von Stall-, Jäger- und Haushofmeistern, von Ober- und Unterköchen, Pastetenmachern und Zuckerbäckern, von Kammerdienern, Lakaien, Haiducken, reitenden Boten; Souveräne so weit ihr Reich reichte, Herren über Leben und Tod ihrer Untertanen; Patrioten wohl auch, Hauptleute ihres Kreises, tätige Mitglieder des Landtages in Prag, Inhaber der obersten Landesämter, aber Patrioten auf ihre Art, so nämlich, daß sie des Landes Freiheit gleichsetzten mit ihren Freiheiten, welche in Jahrhunderten den Königen und Bürgern abgezwungene, ungeheuere Vorrechte waren.“
Ik steunde ’t hoofd op mijn ontladen jachtgeweer. Al mijmerend, verging de lust mij meer en meer nog zijn wolvin en welpen te vervolgen, die slechts node van hem scheidden, en, naar ik het zie, zou zeker ’t fiere wijfje, zonder haar twee jongen, in de ure des gevaars hem zijn te hulp gesprongen; maar zij had zich aan ’t redden van het kroost gewijd, moest hun nog leren, hoe men waardig honger lijdt, hoe men te allen tijde zich moet houden buiten ’t verdrag dat mensen met geknechte dieren sluiten, die jagen voor de mens, in ruil voor onderhoud, zij, voorheen zelf de meesters van gebergte en woud.
Vertaald door Martinus Nijhoff
Alfred de Vigny (27 maart 1797 – 17 september 1863) Standbeeld van Alfred De Vigny in zijn geboorteplaats Loches, departement Indre-et-Loire
We see so little, stayed on surfaces, We calculate the outsides of all things, Preoccupied with our own purposes We miss the shimmer of the angels’ wings,
They coruscate around us in their joy A swirl of wheels and eyes and wings unfurled, They guard the good we purpose to destroy, A hidden blaze of glory in God’s world.
But on this day a young girl stopped to see With open eyes and heart. She heard the voice; The promise of His glory yet to be,
As time stood still for her to make a choice; Gabriel knelt and not a feather stirred, The Word himself was waiting on her word.
Malcolm Guite (Ibadan, 12 november 1957) De St. Petruskathedraal in Aremo, Ibadan, Nigeria, de geboorteplaats van Malcolm Guite
“De galeriehoudster, vermaard om haar collectie wajangs, chinees aardewerk, een dikbuikige Boeddha en sinds kort, een ‘gedurfde verzameling moderne kunst’ (de plaatselijke pers) wist de kinderen tactisch van haar oosterse snuisterijen te weren. Ze stelde, mits ze goed naar hun onderwijzer luisterden, een kartonnetje in het vooruitzicht, waaruit ze hun eigen wajang konden prikken voor boven hun bed. Haar broze garnituur was maar schijn. Toen enkele belhamels te dicht in de buurt van haar porseleinkast kwamen, werden ze domweg terug geduwd. Hun onderwijzer zond ze een krisscherpe blik. De vorm van de bronzen dwong tot uitleg. Waarom geen armen maar stompjes? Waarom hadden de hoofden geen ogen, maar de borsten wel tepels? De jongens betrokken hem knipogend in een complot tegen de meisjes. Ze waren pas tien, maar hadden nu al van hun vaders geleerd over dit soort zaken vrijpostig te zwijgen. De onderwijzer had op zijn opleiding het een en ander over de kunst van het weglaten geleerd. Men kan, ook al is men pas tien, een ontwikkeling die inzette bij de Venus van Milo toch zomaar niet weghonen? Een keur van argumenten had hem kunnen wapenen tegen de spotlust van deze kinderen. Er waren manifesten geschreven, epaterende pamfletten vaak, die het mes zetten in de realistische verbeelding; niet een was er gericht tegen kinderen. Sprak er uit al die geschriften niet hetzelfde respect voor de onbezoedelde kinderblik, als een nostalgisch a priori? Hadden die pamfiettenschrijvers dan geen kinderen? Hij had te kiezen uit twee even uitzichtloze conclusies. Of de kinderblik was wel degelijk bezoedeld, vooringenomen en benepen en die van de moderne kunstenaar dus niet minder. Of de kinderlijke schamperheid gold een bij uitstek volwassen aangelegenheid, waarover zij niet oordelen konden, en waarvan men de drijfveren uit kiesheid verzweeg of met een zekere sprookjesachtigheid omgaf. Ook dan was deze excursie tijdverlies, verspilde moeite. Hij zocht houvast bij een paar meisjes, altijd dezelfde, die zich aan hun onderwijzer hadden gehecht. Ze knikten trouwhartig op alles wat hij hakkelend te berde bracht. Maar toen hij die befloerste oogjes zag, sloeg even de vlam in zijn betoog, dat oplaaide als de arabesk van gepolijst koper waar hij met zijn bespreking net aan toe was. ‘Dit’, riep hij uit, ‘is als het vuur dat nu nog smeult in jullie hartjes en in de kinderlijke grilligheid vergeefs een uitweg zoekt’.”
Paul Meeuws (Roermond, 25 maart 1947)
De Amerikaanse dichteres, schrijfster en hoogleraar transgender-wetenschappen Joy Ladin werd geboren in Rochester, New York, op 24 maart 1961. Zie ook alle tags voor Joy Ladin op dit blog.
Psalm
[III]
De voetstappen van de Heer in de tuin. Ik weet wat me te doen staat, trek mijn huid aan
en doe een poging tot mens, wetend dat jij allang weet wat er scheelt tussen het schepsel dat ik ben
en het schepsel waarvan jij dacht dat je jezelf er naar binnen zou blazen op de avond van de zesde dag. Ik weet,
je zal mijn naaktheid teder bedekken, maar ook ontgoocheld dat ik mij iets moet voelen
anders dan naakt, want naaktheid is het beeld waarin ik ben geschapen, het beeld
te kijk door je doorkijkvoile van verlegen jonge sterren die heel stilletjes zingen
om maar niet te smoren wat jouw beeld binnenin hen zingt. Je wilt dat ik jou zie,
hoe je je weg plukt daar door de tuin binnen mijn huid. Je doet zo je best
te worden gezien. Ik doe zo mijn best niet iets te zijn waar je op hoopt als ik hongerig tussen de blaadjes door spied.
Niet tegen je praten kan ik niet maar je kunt op de vingers narekenen van de hand die je niet hebt
hoe vaak je hebt geantwoord. Soms misschien verblind je mij met al je staatsie. Eén zweem,
en het geruststellend levensooglid knijpt zich weer op je toe. Nu
lijd ik geen enkel leven over het grimmig continent van je verlangen naar een staren
naar jouw staren naakt en onbeschaamd, een beeld van jou dat niet wegkijkt
De Amerikaanse dichteres, schrijfster en hoogleraar transgender-wetenschappen Joy Ladin werd geboren in Rochester, New York, op 24 maart 1961. Zie ook alle tags voor Joy Ladin op dit blog.
In the Beginning
There was love. And out of love Came graves and mountains, Clefts in rocks, footsteps in gardens, Warm-blooded creatures Taking shape in darkness, Peppermills and grocery lists, Squirrels scrabbling on copper roofs, The smalls of backs, the backs of necks, Tea lights and tapers, Badly sewn curtains, Sobs in the night, policemen on lawns, IVs and ambulances, Skies full of stars Waiting for eyes To see them as constellations.
The World at Your Feet
What is man that you are mindful of him… laying the world at his feet? — Psalm 8
Eden eyes you from afar. Waterbirds Flick their white-tipped wings
Shyly as they skim The paradise ashiver
In the river’s ripples: palm and eucalyptus, Animals eager to receive their names,
Sheep and oxen, wild beasts, all the birds of heaven. The Garden that’s longed for you
From the instant longing split you Colors like a jilted lover, flashing
The iridescent eyes of peacocks, brushing your brow With willow fingertips,
While you, who long to lose yourself In the world that longs to take you
Where God is imperative to blossom And thirst for the knowledge of sorrow
Becomes the sorrow of the knowledge There was no need to thirst,
Find yourself With the world at your feet
Choosing again To betray her.
Making Love
I reach for God and brush your breast,
reach for you and brush God
dangling and tipped, gathered over years
of concealment and revelation into this teardrop of flesh
spilling toward my lips. I don’t know
what is entering me. I don’t know what I’ve entered,
or when God became a shudder of pleasure,
compressing the universe’s exploding center into this triangle of desire
so that touching you is touching God
swaddled in arms and legs, shy as a new-made planet
you and I, breath-filled clay, were created to inhabit.
Een klein stukje oceaan
Kinderen hurken op een luchtbed midden in het water. Het halfvolwassen hert verdwijnt
in een bosje jeneverbes en riet. We weten dat schelpen ooit leefden, maar het is moeilijk voor te stellen
wat stenen ooit hebben meegemaakt. Moeilijk om een aards wezen te zijn in een wereld bedekt met water. Ik maak me geen zorgen
over gelukkig zijn. Ik wilde voelen: Missie volbracht.
Ik wilde de schaduw die ik wierp erkennen, meer licht dan schaduw werpen. Mijn dochter en ik
bereiken de boeien die het touw drijvende houden. Onder ons, duisternis, die oprukt.
Uit: De laatste kinderen van Tokyo (Vertaald door Luk Van Haute)
“Mumei, nog steeds in zijn blauwe zijden pyjama, zat met zijn achterste tegen de tatami geplakt. Dat hij wat aan een kuiken deed denken, kwam misschien doordat zijn hoofd zo groot was in verhouding tot zijn lange, smalle hals. Zijn haar, zo dun als zijdedraad, was nat van het zweet en kleefde in klitten aan zijn huid. Hij hield zijn oogleden bijna gesloten en bewoog zijn hoofd om met zijn oren de ruimte af te tasten, en zo het geknars van de zware voetstappen buiten op het grindpad met zijn trommelvliezen op te vangen. Het geluid klonk steeds harder en hield toen plotseling op. De schuifdeur begon te ratelen als een goederentrein en Mumei deed zijn ogen open, waarop het zonlicht kwam binnengestroomd, geel als gesmolten paardenbloemen. Mumei trok zijn schouders krachtig naar achteren, stak zijn borst vooruit en hief zijn gespreide armen de hoogte in, alsof hij zijn vleugels uitsloeg. Yoshiro kwam hijgend in zijn richting. Een glimlach trok diepe rimpels in zijn ooghoeken. Zodra hij een been optilde en omlaagkeek om zijn schoen uit te trekken, druppelde het zweet van zijn voorhoofd. Yoshiro huurde elke ochtend een hond bij de ‘hondenverhuurder’ aan het kruispunt voor de dijk. Met de hond aan zijn zij rende hij dan een halfuur op die dijk. De rivier was als een bundel zilveren linten. Als het waterpeil door schaarste heel laag stond, stroomde hij verrassend ver van de oever vandaan. Op die manier zomaar zonder reden hardlopen op de weg noemden de mensen vroeger ‘joggen’, maar met het verdwijnen van de leenwoorden werd het vanaf een bepaald moment ‘weglopen’ genoemd. Eerst was het een modewoord dat voor de grap werd gebruikt, in de zin van: ‘Als je hard loopt, gaat je hoge bloeddruk weg’, maar na een poosje was het ingeburgerd. Mumeis generatie had er nooit bij stilgestaan dat ‘weglopen’ vroeger ook een romantische connotatie kon hebben. Ook al werden leenwoorden dan niet langer gebruikt, bij de hondenverhuurder waren de fonetische tekens waarin de namen van de buitenlandse rassen werden geschreven nog overvloedig aanwezig. Toen Yoshiro begon als ‘wegloper’, had hij weinig vertrouwen in de snelheid die hij aankon, en dus ging hij ervan uit dat hij het best een zo klein mogelijk hondje kon kiezen.”
Ik sta op de bovenste sport en de ladder trilt; boven me hangen de winterperen net buiten bereik, schoon en zwaar aan de takken geregen en wiegend als de schorten van mijn grootmoeder die aan de waslijn hangen te drogen. Ik laat er een vallen in de tas die ze onder me openhoudt. Ze glimlacht, en ik word meegetrokken in de omhelzing van haar blik – naar beneden, naar handenvol aarde, seizoenen, de lege beker van een verloren dochter, een verloren borst. Ik ben verweven in kilometers aan quilts, gordijnen, tafelkleden, zomen van broeken, rokken. Ik zit aan haar vast als een knoopje aan een borstzak, en ik ruik zeep, tomaten, kippensoep, Portugees zoet brood, geitenkaas, peren… en ik laat me zakken langs de knoestige tak, de ladder af om de volle zak met fruit te pakken waar ik zo van houd, warm van de zon en gevlekt als haar handen.
What scene would I want to be enveloped in more than this one, an ordinary night at the kitchen table, floral wallpaper pressing in, white cabinets full of glass, the telephone silent, a pen tilted back in my hand?
It gives me time to think about all that is going on outside– leaves gathering in corners, lichen greening the high grey rocks, while over the dunes the world sails on, huge, ocean-going, history bubbling in its wake.
But beyond this table there is nothing that I need, not even a job that would allow me to row to work, or a coffee-colored Aston Martin DB4 with cracked green leather seats.
No, it’s all here, the clear ovals of a glass of water, a small crate of oranges, a book on Stalin, not to mention the odd snarling fish in a frame on the wall, and the way these three candles– each a different height—
are singing in perfect harmony.
So forgive me if I lower my head now and listen to the short bass candle as he takes a solo while my heart thrums under my shirt– frog at the edge of a pond– and my thoughts fly off to a province made of one enormous sky and about a million empty branches.
The Lanyard
The other day as I was ricocheting slowly off the blue walls of this room bouncing from typewriter to piano from bookshelf to an envelope lying on the floor, I found myself in the ‘L’ section of the dictionary where my eyes fell upon the word, Lanyard. No cookie nibbled by a French novelist could send one more suddenly into the past. A past where I sat at a workbench at a camp by a deep Adirondack lake learning how to braid thin plastic strips into a lanyard. A gift for my mother. I had never seen anyone use a lanyard. Or wear one, if that’s what you did with them. But that did not keep me from crossing strand over strand again and again until I had made a boxy, red and white lanyard for my mother. She gave me life and milk from her breasts, and I gave her a lanyard She nursed me in many a sick room, lifted teaspoons of medicine to my lips, set cold facecloths on my forehead then led me out into the airy light and taught me to walk and swim and I in turn presented her with a lanyard. ‘Here are thousands of meals’ she said, ‘and here is clothing and a good education.’ ‘And here is your lanyard,’ I replied, ‘which I made with a little help from a counselor.’ ‘Here is a breathing body and a beating heart, strong legs, bones and teeth and two clear eyes to read the world.’ she whispered. ‘And here,’ I said, ‘is the lanyard I made at camp.’ ‘And here,’ I wish to say to her now, ‘is a smaller gift. Not the archaic truth, that you can never repay your mother, but the rueful admission that when she took the two-toned lanyard from my hands, I was as sure as a boy could be that this useless worthless thing I wove out of boredom would be enough to make us even.’
LIEFDE
De jongen aan het andere eind van de treinwagon bleef over zijn schouder kijken alsof hij bang was of iemand verwachtte
en toen verscheen zij in de glazen deur van de voorste wagon en hij stond op en opende de deur en liet haar binnen
en ze betrad de wagon met een grote zwarte kist met de onmiskenbare vorm van een cello.
Ze oogde als een engel met een hoog voorhoofd en donkere ogen, haren in haar nek bijeengebonden met een zwarte strik.
En vanwege dit alles scheen hij een beetje onhandig in zijn geluk om haar te zien,
terwijl zij er gewoon was, volmaakt schepsel met een zacht gezicht , dat cello speelde
En de reden dat ik dit schrijf op de achterkant van een manilla envelop nu zij de trein samen hebben verlaten.
is dat ik je wil vertellen dat – toen zij zich omdraaide om de grote, kwetsbare cello in het bagagerek te tillen-
ik zag dat hij opkeek naar haar en wat ze deed, zoals de ogen van heiligen zijn geschilderd
als zij opkijken naar God als hij iets wonderbaarlijks verricht, iets dat hem tot God maakt.
Dit Romenu Blog bestaat vandaag precies twintig jaar! Dank weer aan alle oude en nieuwe bezoekers voor hun interesse en reacties van het afgelopen jaar. De eerste bijdrage in 2006 ging over de dichter en schrijver Willem de Mérode. Traditiegetrouw, omdat hij aan de wieg stond van dit blog, ook nu weer een gedicht van hem. Zie ook alle tags voor Willem de Mérode op dit blog en Romenu’s eerste lustrumpagina.
De vrienden
Bij ’t portret van Jaap en Okke Hun houding drukt hun diepste wezen uit De grootste zit, in wakkren droom verloren, Op ’t rijzen van de stem des bloeds te hooren, De nachtegaal die in harts meinacht fluit.
Hij wond zijn arm los om zijn makker heen In groote goedheid, niet om steun te ontvangen. Wie luistert naar zijn innigste verlangen, Hij vindt zijn vastheid in zichzelf alleen.
De jongste staat, zijn oogen moedig open, Gereed om met zijn onbevlekte kracht Het schoone leven naar zijn wil te dwingen.
Gelukkigen! Zij hebben wat zij hopen: De reine houdt de wereld in zijn macht, En die gelooft, bezit reeds alle dingen.
We woonden nog op het kasteel en vader stapte binnen met wat voor ons de eerste teletijdmachine was een commodore een plastic bak met vensterglas waarachter ik de nieuwe wereld zag met broertjes vocht ik om de aandacht van het ding de gunst van de betovering – het spel met de Perzische prins
—
We belden later later eenzaam in als onverbonden wezen weifelend zocht de modem vertraging van het verlangen contact
—
Maar we leefden net zolang tot elk van ons zichzelf in de ban van het ding volledig omringde met schijn met de glans van de ring met het schijnsel van schermen online scheen alles onmiddellijk nabij
—
Op een kleine planeet groeide toen het idee dat je in deze wereld helemaal je hele zelf kan zijn astronaut in het diepst van je gedachten ongebonden tijdloos tollend om je eigen as planeet zonder zon
—
Alleen je blijkt niet alleen zo alleen in de ruimte woekert oneindig de braamstruik ik zie het aan en breid mijn databundel uit schrijf en schrijf om er te zijn
—
We tasten, we zweven soms lijkt iets dichtbij maar weet jij of weet ik veel want wat is er waar dit hier jij daar zonder nabijheid is alles verhaal
Reeds is het statig eiber-paar gekomen, ’t geduldig rijs wringt stil de knoppen los, de zoele lente luwt door ’t zonnig bosch en wiegt mijn geest in weemoeds-zoete droomen.
Violengeur stijgt op uit vochtig mos, een bronzen gloed verjongt de dorre boomen, en primula’s en dotterbloemen zoomen de groene wei met gouden voorjaarsdos.
Wat heb ik, milde! naar uw komst gesmacht! wat scheen uw toeven lang! — is ’t niet mijn leven dat door uw donzen adem wordt gewekt?
Eens zult ge niet meer keeren, als ge trekt, des weerziens zaligheid mij niet meer geven en grimmig grijnst dan d’eindelooze nacht.
Frederik van Eeden (3 april 1860 – 16 juni 1932) Haarlem, de geboortestad van Frederik van Eeden in de lente
“Timo stapte uit bed, misschien voor de laatste keer als scholier. Alleen het woord al, scholier: pokdalig en mager, onhandig en verlegen. Straks was hij misschien student in de stad, student biotechniek. De film 2001: A Space Odyssey van Stanley Kubrick had hem op het idee gebracht om iets in die richting te gaan doen. Tijdens een filmavond op school gebeurde het. Hij zat helemaal achter in de aula, waar de Abtrünnigen en einzelgängers zaten, toen een sprookjesachtig verlangen met een schokje in hem wakker werd. Op het witte doek gebruikte een mensaap een langwerpig bot voor het eerst als werktuig en sloeg er een andere mensaap mee dood, om het wapen vervolgens met een brul de lucht in te gooien. De camera volgde de vlucht — en in de volgende scène was het gereedschap veranderd in een ruimteschip dat door het heelal reist. Hoe de mens eens het universum ontdekken zal, als intergalactisch, bijna onsterfelijk wezen in het gewichtloze oneindige; de filmmuziek deed hem op een prettige manier huiveren, de ‘Sonnenaufgang’ vooral, uit het symfonische gedicht van Richard Strauss, opus 3o. Het oergeluid van de pauken, die hele compositie, zo indrukwekkend als het besef van de geboorte van het universum zelf. Thuisgekomen die avond, deed hij op zijn computer onderzoek naar de film — en zo kwam hij via Kubrick en Strauss al snel bij Nietzsche uit. Hij las over de dood van God, gestorven aan medelijden om de mensen, en over de afwezigheid van moraal en waarheid, over de ondergang en overgang die de mens tegelijkertijd is. In de maanden daarna leerde hij citaten uit zijn hoofd en wanneer iets menselijks hem niet beviel dan dacht hij: der Mensch ist ein Seil, geknüpft zwischen Tier und Obermensch — ein Seil über einem Abgrunde. Aangenaam, Timo Vinck, student Bachelor of Science richting Biotechniek — zo stelde hij zich in zijn fantasieën soms al voor. Zo gepassioneerd als de docenten tijdens de open dagen over hun vak spraken, over de mogelijkheden die de mens nog te wachten staat, hoe aanstekelijk hun visioenen waren, de snelheid van de ontwikkelingen; een paar decennia geleden een mensenoor op de rug van een muis, zo’n schelp van kraakbeen die bij dat beestje zijn ruggengraat uit groeit, en inmiddels nanogereedschap om genetisch materiaal mee open te knippen en aan te passen. Om de mens te mogen helpen, al is het maar een klein stapje hoger op de aardse houtje-touwtje ladder! Was hij maar eerder ergens zo enthousiast over geweest.”