Ich sah viel Städte als Flammenraub Und Greuel auf Greuel häufen die Zeiten, Und sah viel Völker verwesen zu Staub, Und alles in Vergessenheit gleiten.
Ich sah die Götter stürzen zur Nacht, Die heiligsten Harfen ohnmächtig zerschellen, Und aus Verwesung neu entfacht, Ein neues Leben zum Tage schwellen.
Zum Tage schwellen und wieder vergehn, Die ewig gleiche Tragödia, Die also wir spielen sonder Verstehn,
Und deren wahnsinnsnächtige Qual Der Schönheit sanfte Gloria Umkränzt als lächelndes Dornenall.
Amen
Verwestes gleitend durch die morsche Stube; Schatten an gelben Tapeten; in dunklen Spiegeln wölbt Sich unserer Hände elfenbeinerne Traurigkeit.
Braune Perlen rinnen durch die erstorbenen Finger. In der Stille Tun sich eines Engels blaue Mohnaugen auf.
Blau ist auch der Abend; Die Stunde unseres Absterbens, Azraels Schatten, Der ein braunes Gärtchen verdunkelt
Blutschuld
Es dräut die Nacht am Lager unsrer Küsse. Es flüstert wo: Wer nimmt von euch die Schuld? Noch bebend von verruchter Wollust Süße Wir beten: Verzeih uns, Maria, in deiner Huld!
Aus Blumenschalen steigen gierige Düfte, Umschmeicheln unsere Stirnen bleich von Schuld. Ermattend unterm Hauch der schwülen Lüfte Wir träumen: Verzeih uns, Maria, in deiner Huld!
Doch lauter rauscht der Brunnen der Sirenen Und dunkler ragt die Sphinx vor unsrer Schuld, Daß unsre Herzen sündiger wieder tönen, Wir schluchzen: Verzeih uns, Maria, in deiner Huld!
1 ja, het schalt, zingt in den hogen het geprezene, vult de tent met blauw, maar zingt het in slaap, als het maar het grote beklemtoont, als het in den hogen wijst, wijdte die nooit nadert en juist die volledig is.
2 zingt in den hogen, wat zich in lofprijzing verzamelt, is altijd slechts één, iedere daad heerlijk, draagt (op) en steekt (niet) omhoog, wat het verschil uitmaakt: de schepping, de macht (binnen hem).
3 zingt in den hogen, de mond niet alleen, alles wat dient, blik, letter, papier, snaar – bazuint, schrijft, citeert, klinkt voort, het.
4 zingt in den hogen, op trommel of mond, alles draait om zijn zij in het rond, fluit en slag.
5 zingt in den hogen, ook het donkerste staal, wordt licht, klinkt goed (bombamdebimbam).
6 zingt in den hogen, alles wat ademt, lang en houdt aan (hem), schalt, maar zingt het in slaap!
Uit: Ik stuur deze brief maar op goed geluk weg. Brieven 1939-1950, s
“Brief aan Haasses ouders en broer in Batavia, 11 september 1939
Lieve Allemaal, Moesten jullie veel porto betalen voor mijn vorige brief? Ik wist niet precies hoeveel er op moest voor de zeepost, ik dacht 6 cent, dat had Oma gezegd, en ik had geen tijd meer om ’t op ’t postkantoor te gaan vragen, omdat de brief nog diezelfde avond met de Oranje weg moest. Maar de volgende dag las ik in de krant dat de vliegdienst weer ingesteld was en dat de Nandoe dien morgen was vertrokken. Ik hoorde ook dat mijn brief te laat was geweest voor de Oranje, zodat ik denk dat hij nu met het vliegtuig is meegegaan. Hoe gaat het met jullie? Hier is alles weer gewoon, je let niet eens meer op mobilisatie of zandzakken en ander oorlogstuig. Ze zeggen dat de oorlog wel een jaar of drie zal duren. Ik hoop het niet! – Anneke en ik hebben van kamer geruild. Ik heb nu de grote voorkamer met 3 ramen op de gracht. Mijn meubels staan er prachtig in, het ziet er zo artistiek en gezellig uit. Douwe heeft een vriend die binnenshuis foto-opnamen kan maken, misschien kan die mijn kamer ook eens nemen. Er is weer van allerlei gebeurd. Douwe en ik hebben het zotste avontuur van ons leven meegemaakt. Enfin, nu moeten wij er voor boeten. Het is een tragikomische geschiedenis, getiteld: ‘Wij gaan op een middag om 6 uur de stad in om goedkoop te eten’. Luistert! Zondagmiddag’s eten D. en ik gewoonlijk in de ‘Petite Marmite’ dat is een kantoormensen eetgelegenheid waar je voor 80 cent soep, voorgerecht, groenten, aard. en vlees, toetje en koffie krijgt, meer dan genoeg en uitstekend klaargemaakt. D. heeft daar een abonnement. Gisteren zouden wij ’t ook weer doen. Wij waren wat laat, zodat er geen plaats meer te krijgen was (er kunnen n.l. maar ± 25 mensen in). Wij hadden echter veel te veel honger om te wachten en besloten ons heil elders te zoeken. Nu waren wij eens op een avond in een café in de Leidse straat geweest dat ‘Fleur’ heet. Het was een goedkope gelegenheid, zoiets als Heck, en een bedevaartsoord voor soldaten + meisje, en Zaterdagavond-dagjesmensen. Op de tafeltjes lagen kaarten die ’t bestaan vermeldden van een, blijkbaar bij ‘Fleur’ horend, eet-restaurant in de straat daarachter. Dit nu herinnerden wij ons gisteren ter onzaliger ure.”
Hella Haasse (2 februari 1918 – 29 september 2011)
Van mij naar jou is er een seconde, een lach, er is een volle waslijn die uitkijkt over de zee. Na het gekkigheid bij It-Toqba z-Zghira* probeerde ik je te bereiken. En misschien omdat er geen licht is in dit huis, in de nog steeds echoënde gang, in de kamers boven en beneden, op de bodem van deze put die jouw onvruchtbare woorden kreunt en mompelt , vond ik niemand. Alleen in jouw keuken, knallen mijn uitgehongerde ingewanden over de jongen die geboren wilde worden en zichzelf hangend aantrof aan de uitgedroogde borst die ontsproot in de woestijn; bijna als een stad waaruit iedereen is weggevlucht.
En het is nutteloos om je te verschuilen achter oude muren, en blootsvoets te lopen over de wegen van je moeder, en trots de ruïnes van je schoonheid te bewonen; want je bent nooit moeder geweest, en je zult het ook nooit worden.
Uit de deur van je buurman kwam een meisje tevoorschijn, haar ogen, twee kanonskogels gekruist op de cornetto bij de kleine opening van haar mond. Ze staart je aan, ze probeert je niet te bereiken. Als een mijn op de zeebodem van de haven die nooit ontploft bekijkt ze je, de afbladderende verf, en lacht een moment, naar jou, en liegt dat je mooi bent.
Denim serie. Blauwe schaduwen van februari door Nadezda Stupina, 2018
Februari
De keuze, zegt hij, is niet groot, er is verdriet om bij te blijven, of kies je voor het leven. Zo makkelijk klinkt hij, lacht moeilijk en wenst geloof ik alle dingen nieuw. Achter het raam zit het huiselijk leven onder de lamp bij de hagelslag luistert slordig naar elkaar en de muziek; vier jaargetijden, eerste deel. Hoor de lente. Wat al ruikbaar is moet nog te voorschijn komen het kan eenvoudig toegevroren, februari, verijsde rietpluimen aan metalen water. Toch doet een reeds vergeten geur geloven dat het komen zal. De dolle pimpelmees weet er al van, net als de vlier aan het diepje dat zich een weg slingert door modderig gras.
Het is zo ver weg, wij zijn zo stram vertederd het huiverig oog stuit op de kerktoren in de verte tussen onzichtbaar bezige bomen. Gehoorzaam halen wij onze adem in en als koolzuur in de Spa zo onbedwingbaar groeit alles zich een weg naar boven feestelijk bereid tot bijna niets.
Marjoleine de Vos (Oosterbeek, 19 april 1957) Uitzicht op de Oude Kerk van Oosterbeek
Leben, Traum und Tod … Wie die Fackel loht! Wie die Erzquadrigen Über Brücken fliegen, Wie es drunten saust, An die Bäume braust, Die an steilen Ufern hängen, Schwarze Riesenwipfel aufwärts drängen …
Leben, Traum und Tod … Leise treibt das Boot … Grüne Uferbänke Feucht im Abendrot, Stiller Pferde Tränke, Herrenloser Pferde … Leise treibt das Boot …
Treibt am Park vorbei, Rote Blumen, Mai … In der Laube wer? Sag, wer schläft im Gras? Gelb Haar, Lippen rot? Leben, Traum und Tod.
Für mich…
Das längst Gewohnte, das alltäglich Gleiche, Mein Auge adelt mirs zum Zauberreiche: Es singt der Sturm sein grollend Lied für mich, Für mich erglüht die Rose, rauscht die Eiche. Die Sonne spielt auf goldnem Frauenhaar Für mich – und Mondlicht auf dem stillen Teiche. Die Seele les ich aus dem stummen Blick, Und zu mir spricht die Stirn, die schweigend bleiche. Zum Traume sag ich. »Bleib bei mir, sei wahr!« Und zu der Wirklichkeit: »Sei Traum, entweiche!« Das Wort, das Andern Scheidemünze ist, Mir ists der Bilderquell, der flimmernd reiche. Was ich erkenne. ist mein Eigentum, Und lieblich locket, was ich nicht erreiche. Der Rausch ist süß, den Geistertrank entflammt, Und süß ist die Erschlaffung auch, die weiche. So tiefe Welten tun sich oft mir auf, Daß ich drein glanzgeblendet, zögernd schleiche, Und einen goldnen Reigen schlingt um mich Das längst Gewohnte, das alltäglich Gleiche.
De jongeling in het landschap
De hoveniers legden hun perken bloot en overal liepen er bedelaars met zwart verbonden ogen en met krukken – maar ook met harpen en met nieuwe bloemen, de sterke geur van zwakke voorjaarsbloemen.
De naakte bomen lieten alles bloot: men keek stroomafwaarts en zag ginds de markt en kinderscharen spelend langs de vijvers. Hier in dit landschap ging hij langzaam voort, voelde de macht ervan en wist – dat zich op hem het lot der wereld had betrokken.
Hij naderde die vreemde kinderen en was bereid, daar in het onbekende een nieuw bestaan al dienend door te brengen. Het kwam niet in hem op zijn zielerijkdom, wegen van toen, herinneringen aan vervlochten vingers en verruilde zielen als méér te zien dan als nietig bezit.
Het geuren van de bloemen sprak hem slechts van vreemde schoonheid – en de nieuwe lucht ademde hij stil, maar zonder smachten: slechts dat hij dienen mocht, verheugde hem.
Vertaald door Victor Bulthuis
Hugo von Hofmannsthal (1 februari 1874 – 15 juli 1929)
Op een zonnige dag in september met een stelletje andere fietsers wachtend op de pont van Maassluis hoorde ik een vrouw met een vachtje van bonterig spul op haar zadel geflankeerd door een brandweersnor op een toon van let even goed op aan een stel dat het ook eens een keer op de tandem wilde proberen, vertellen dat zij wel de baas was in huis, maar dat hij, die daar naast haar, mooi altijd het laatste woord had.
Op Rozenburg, op de veerdam, ging de gewaarschuwde tandem – zij voorop; vier stampende benen – vol op het orgel. Binnen geen tijd kwamen ze los van de grond, stegen op, en waren uit zicht verdwenen.
Bij Warder
Bij gunstige stroming en voldoende zout ontstonden er schelpenbanken.
En nog steeds, op de strandjes bij Warder, tussen Hoorn en Edam, vind je schelpen, kokkels, strandgapers vooral, uit de tijd van de Zuiderzee die pas zijn losgewoeld, opgestuwd, aangespoeld.
Er staat me nog heel wat te wachten.
Den Haag Centraal
Wat laat u mij nu toch weer lijden, Heer! Weet u niet, hoe ik aan het tobben ben en tastend rondga? Waarom moet mijn blik zich dan nog hechten aan een apparaat met knoppen en met gleufjes en de tekst ‘Zoek uw bestemming en druk dan de knop in?’
Of de eerlijke Huronen de stijgende luchtdruk konden compenseren – ik heb hen nooit ontmoet. Ik denk aan gaven die veel verder gaan dan eerlijkheid. Terwijl die toch zou kunnen voldoen als troost, als ontroost, als weerobservatie, een souvenir van een reis en verlichting van het jichtige sterven.
Neem een vrouw. Neem haar niet in de woorden, vriend. In de wetenschap van een gedicht wordt niet bemind. Hooguit staat er berekend wat niet overbleef van een bestaan. Neem een hoofd en zoen het ver, ver weg van de taal. Verschroei een schoot en hoor, de zucht in je werkelijke oor. Ga dan naast haar liggen, al de lege eeuwen van je zinnen worden een zondagmiddag in haar waar.
Dwaling
Dagelijks hebben wij elkaar ontwaard, nooit hebben wij elkaar gevonden.
Nooit hebben wij elkaar geraakt, dagelijks hebben wij elkaar getroffen.
Dagelijks hebben wij elkaar gehoord, nooit heeft iets ons verstaan.
Nooit heeft iets ons verklaard dagelijks hebben wij elkaar gezien.
Nooit hebben wij elkaar ontweken, dagelijks hebben wij de omweg gedaan.
Nooit hebben wij elkaar verzwegen, dagelijks hebben wij elkaar verstomd.
Dagelijks hebben wij om elkaar bewogen, want wij wilden niet verdwalen.
Nooit hebben wij nader bewogen dan toen wij dwaalden om elkaar.
Verlies
Omdat ik me zo vaak verloren heb in dat zingen van de dingen, in de momenten van de mensen,
omdat het me het liefste was zo te verdwijnen, zo het lichtst en dichtst te zijn
bij de oorzaak van het gedicht
omdat ik me zo vaak vergeten ben in de klembeet van middagen immer de gapende schaduwen
omdat het mijn natuur was, mijn onmetelijk gewicht, mijn neiging tot daadwerkelijkheid,
was er niemand.
Bernard Dewulf (30 januari 1960 – 23 december 2021)
Denk eraan, dat de mens de mens een wolf is, dat hij loert op een slachtoffer, denk er altijd aan, ook nu, op dit ogenblik, in april, onder deze betrokken lucht, terwijl het is of je heel zacht het koren kunt horen groeien, terwijl de meisjes het onkruid wieden en de leeuwerik jubelt, denk eraan, ook nu!
Als je van de wijn proeft in de kelders van Randersacker, als je sinaasappels eet in de tuinen van Alicante, als je inslaapt in hotel Miramar, vlakbij het strand van Taormina, als je op allerzielen een kaars offert op het kerkhof van Maastricht, als je vissend je net ophaalt boven de Doggersbank, als je in Detroit een schroef van de lopende band pakt, als je rijstplantjes poot op de sawah’s van Sumatra, als je per muildier over de Andes trekt – denk eraan!
Denk eraan als een hand je streelt, als je vrouw je omhelst, als je kind lacht!
Denk eraan dat als de katastrofe weer achter de rug is iedereen zijn onschuld zal weten te bewijzen! Denk eraan: niet op de kaart liggen Nieuw Guinea en Bikini, maar in je eigen hart. Denk eraan dat je schuld hebt aan al het verschrikkelijke dat ver van je bedreven wordt.
„Der Waldplatz ist nicht einmal Teil der Tour, dieser hinterste und schlechteste aller Fußballplätze, der keine Ban-den und keine Netze hat, in dessen Mitte ein einzelner Baum steht, der gleichzeitig aber auch der beste Platz ist, weil man sich nirgendwo sonst auf dem Schulgelände weiter von allem anderen entfernen kann und weil direkt dahinter, beim Theater Akzent, in Sichtweite der Nuntiatur, der päpstlichen Botschaft, die beste Stelle liegt, um über die Mauer zu klettern. Wenn die Kinder wieder nach Hause kommen und ihre Eindrücke mit den Eltern besprechen, das Marianum mit anderen Schulen vergleichen, Pro-und-Kontra-Listen anfertigen, um eine wohlüberlegte Entscheidung zu treffen, erwähnt kein Einziger von ihnen die Mauer. Auch Till nicht, ein kleiner rothaariger Junge, dem sie sehr wohl aufgefallen ist, der sie angeschaut, sie wahrgenommen hat, im Gegensatz zu vielen anderen Kindern, für die sie nicht mehr war als eine altmodische Theaterkulisse, ein in grauen Pastelltönen zum Horizont führender Übergang. Es wäre aber falsch, Tills abweichenden Eindruck mit einer besonderen Auffassungs- oder Beobachtungsgabe zu begründen, ihm die Hellsichtigkeit zu attestieren, jetzt schon zu erkennen, was den anderen erst mit 14 oder 15 wirklich ins Auge stechen wird, nämlich dass sie, anders als andere Jugendliche aus anderen Schulen, hier eingesperrt sind und dass die Mauer dabei eine sehr pragmatische Rolle spielt. Es liegt auch nicht daran, dass Till sich schon bei der Aufzählung der Fußballplätze, erst recht aber bei ihrer Besichtigung langweilt, keinen Elfmeter schießen will, noch weniger, als er dazu gedrängt wird, Probier es doch einmal! Trau dich!, so wie immer alle zum Fußball gedrängt werden, als gäbe es nichts anderes auf der Welt, bis er sich schließlich doch fügt, weil das Warten der anderen hinter ihm einen Druck erzeugt, den er von Sprungtürmen und Wasserrutschen im Schwimmbad kennt, wo umzudrehen und gedemütigt abzusteigen irgendwann gleich unmöglich ist, wie zu springen. Seine Beine werden beim Anlaufnehmen so lang, dass er Höhenangst bekommt, während das Tor immer weiter schrumpft und die Arme des Tormanns in die Breite wachsen, und er stolpert schließlich über seine eigenen Füße, ohne den Ball zu berühren. Till steht auf und denkt keine Sekunde darüber nach, ob das gerade peinlich war. Es ist Samstag, und als seine Mutter ihn mit einem «So, jetzt müssen wir aber wirklich los!” aus seinem Zimmer geholt und die paar Hundert Meter zu der Schule gebracht hatte, lagen schon drei Stunden Assassin’s Creed hinter ihm, weshalb er sich noch immer in diesem angenehmen, von der realen Welt losgelosten Zustand befindet, den das Eintauchen in andere Welten erzeugt.“
Verrotte paperassen (- intussen zijn de woordsplitsing en de spelling veranderd -) wij verzamelen alles –
telefoonnummers dwaze afspraken, vliegenpoten.
Hier wachten we op de monnik van Heisterbach, op zijn ronde gezicht, dat wij ooit hadden. ‘Ach, de balans!’ Hij komt buiten adem. Zijn wij het? Wij herkennen hem niet meer.
Vertaald door Jan Gielkens
Günter Eich (1 februari 1907 – 20 december 1972)
Onafhankelijk van geboortedata
De Oostenrijkse schrijfster Margit Mössmer werd geboren in 1982 in Hollabrunn. Mössmer studeerde theater-, film- en mediastudies, evenals Spaanse studies in Wenen. Ze was redacteur en afdelingshoofd bij het onafhankelijke tijdschrift FM5. Vanaf 2007 werkte ze bij quartier21 in het MuseumsQuartier Wenen, waar ze verantwoordelijk was voor communicatie en verspreiding .Ze is getrouwd met de schrijver Tonio Schachinger. Na talrijke literaire en journalistieke publicaties in diverse tijdschriften zoals EIKON, corpus, VICE, schau Kunstmagazin en betonblumen, verscheen in het voorjaar van 2015 Margit Mössmers debuutroman, *Die Sprachlosigkeit der Fische* (De sprakeloosheid van de vis). Fragmenten uit de roman hadden in 2010 al een prijs gewonnen bij de WÖRTER.See literaire wedstrijd van de Oostenrijkse radiozender Ö1 en werden uitgezonden op Ö1. De losjes met elkaar verbonden episodes draaien om de protagonist Gerda, die zich door tijd en ruimte beweegt. Zo werkt ze in de ene episode als au pair in Londen, terwijl ze in een andere episode haar pensioen doorbrengt in Ecuador. Ze wordt ook afgebeeld als burgemeester van een Siciliaanse stad en als de geliefde van een stierenvechter in Madrid. Irmi Wutscher omschreef de roman in een segment op de Oostenrijkse radiozender FM4 als “magisch realisme gemaakt in Oostenrijk”. In de zomer van 2015 verscheen de tweede editie van de roman, die een extra verhaal bevatte. Het boek is nu verkrijgbaar in een derde, uitgebreide editie. Margit Mössmer werd, samen met vier andere Duitstalige auteurs, genomineerd voor de Franz Tumler Literatuurprijs, die in september werd uitgereikt. In 2020 was Margit Mössmer fellow aan het Bundesländeratelier voor Schrijvers in Paliano bij Rome en fellow aan het Praagse Literatuurhuis.
Uit: Das Geheimnis meines Erfolgs
“Dag dag dag, tschewi tschewi dag! Mit dein Ruf der Am-sel musste ich einsehen, dass ich kein Bandit war. Ich er-hob mich von meinem Sessel, riss Henry Fonda von der Wand, schlüpfte aus der Hose, nahm endlich den Hut ab, zog die falschen Stiefel aus und kickte sie mit dem Fuß unter den Schreibtisch, wo der falsche Revolver lag. Ich spürte die Butterkeksbrösel unter meinen nackten Sohlen. Sie erinnerten mich daran, wie lange die Nacht gedauert, wie sehr sie aus Stunden, Minuten und Sekunden bestanden hatte. Butterkeksbrösel, wenn man nahe genug he-rangeht, sehen aus wie Himmelskörper. Sie können von Raum und Zeit berichten. Sie sind Zeugen von Vergangenheit und Gegenwart. Leben und Tod. Ich ging quer durchs Zimmer über die roten Spuren auf dem Boden. Sie sahen aus wie kleine Flugzeuge. Vor dem Fenster blieb ich stehen, zog das Hemd aus, machte einen großen Schritt auf den Stapel IKEA-Kataloge, lehnte mich mit dem Oberkörper hinaus und blickte zur Amsel in die Wiese hinunter, senkrecht. Es ist nicht weiter bemerkenswert, dass mein Fenster offen stand, auch wenn draußen der Schnee lag. Mir war heiß, heiß wie an jedem Tag. Die Amsel wendete ihren Kopf und sah zu mir nach oben. Sie beobachtete mich dabei, wie ich mich auf das Fensterbrett setzte, wie ein nackter Reiter auf sein Pferd. Wie ich schließlich auch mein linkes Bein über den Rücken des Pferdes schwang, sodass beide Beine in der Luft hingen. Die Amsel war eine gewöhnliche Amsel und hatte daher auf die angenehmste Weise nichts dazu zu sagen. Sie wippte dreimal mit ihrem Schwanz auf und ab und flog in den blätterlosen Holunderbusch. Ich blickte an meinen Zehen vorbei in die Tiefe. Der Schnee dort unten war Februarschnee, wässrig und von der frühen Morgensonne beschienen. Ich rutschte mit meinem Hintern einen Zentimeter nach vorn. Meine Fingerkuppen waren noch dagegen und hefteten sich ans Mauerwerk. Unten in der Küche war Nina schon mit dem Herrichten des Frühstücks beschäftigt. »Nina!«, rief ich. »Nina!« »Was?« »Kannst du mir helfen?« »Ich habe zu tun!« »Nina!« Sie ging endlich die Treppe hinauf. Unsere Treppe bestand aus zwölf knarzenden Holzstufen, also konnte ich ihren Weg nach oben mitzählen. Eins, zwei, drei, vier, bei fünf zitterten meine Arme vor Anstrengung, mein halber Kör-per hing schon in der Luft.”
De Nederlandse dichter, schrijver en acteur Ramsey Nasr werd geboren in Rotterdam op 28 januari 1974. Zie ook alle tags voor Ramsey Nasr op dit blog.
DE DAG KAN KOMEN
De dag kan komen en ik wens hem niet waarop het hart, gevuld met spechten lol op de pof, gedane liefjes of de scherven van een slordig onbeheerd verdriet kortom waarop elk rammelhart plots kalm wordt als een koffer.
Een vers is maar een regel lang één letter diep en elk gedicht, elk boek herbergt een piepklein afgelijnd gevang dat je voor even laat ontsnappen. Op ons papier woedt oorlog veilig rijmt massagraf op poëzie.
Maar de dag kwam, en hij kan weer komen waarop uw woorden eetbaar worden kaal en schaars, levend onder aarde. Inkt weegt er zwaarder. Papier ontvouwt. Je werd toen vermoord om een drukpers in de kamer. Rauwe mens, van zijn beeldspraak ontdaan.
Iemand schrijft ‘De mensen stierven staande’. Je denkt bij wijze van. Leest het opnieuw beseft: ze vielen pas neer bij het uitladen. Als deze dag nadert, niet zo exact, maar gewoon als letterlijkheid aan uw hart komt knagen wees dan ongenood – en treed binnen.
Hang eerst uw doodsangst in de gang. Leg familie, vrienden op de bestemde plank. Veeg voeten, handen, eigenschappen. Trek uw beroep uit. Laat alles gaan. Staat u mij toe de laatste metaforen en versiersels van u af te slaan.
Ik moet u, als in vroeger dagen vragen het ras voorzichtig los te pellen. Afkomst verwijderen, kleur ontkennen. Wandel nu rond, bleek-doorschijnend door de bezige kamers van het huis waar we eetbaar zijn. En o ja: zeg jij tegen mij.
We zijn nu bijna zonder opsmuk. Ontkleed je. Ga tot op de huid. Kijken we samen naar je buik. Je rug. Tien vingers, één navel. Het vet in je zij. Alle botten, wervels en kiezen verzameld. Alle trilharen, smetten, rafels: dat ben jij.
En in deze schaamte zijn wij vrij. Ik denk vandaag aan onze naaktheid in de hoop dat niemand ooit het grote gelijk in je ontdekt onze longen bezet, opvult met honger of zijn geloof in je plant als een schep.
Als het komt – zet je schrap tegen mij. Alleen hier, in weerloosheid zijn wij vrij.
DE ONDERMENS EN ZIJN HABITAT
welkom in het land van melk en honing hier groeien vijgamandelabrikozen zonder beeldspraak aan gewillige bomen eet ervan word mijn gast vandaag ik betaal je taxi naar de eerste blokkade
mijn vader staat achter de tweede blokkade wees van de nacht ook zijn eregast met olie brood oregano sesam bij hem liggen sterren stil op plat dak slaap bij hem breng groeten van nadir
de dag naar mijn vader is minder maar moet probeer een jochie met handkar te vinden neem ezels of klim te voet langs de rotsen volg anderen en spreek met jezelf af nu zijn we dieren dit mag
daar stuiteren rolstoelen door het stof terug van de stad waar men zieken geneest met kanker suiker in volle zon veel bejaarden veel zieken veel zwetende dieren maar zo is dat ook bedoeld geweest
overdag zijn wij zwetende klimdieren omdat het zo bedoeld is geweest ze slaan en schoppen de dieren met reden ooit zullen wij melk en honing geven ontstaat uit mensenhand mannaregen
indien je dit krankzinnig vindt habibi bedenk dan kilometers verderop zitten echte meisjes en jongens angstvallig als daad van verzet op terrassen van starbuck luidkeels te vrezen voor het leven
Een leeg Grieks restaurant. Er lopen mensen langs, Duitsers, Schwaben en wat niet al, er wordt geen muziek gespeeld. Het restaurant heet MYTHOS.
Een Griek brengt het eten. Fijngesneden reepjes vlees, knapperig varkensvlees, salade en rode rijst. Ik kijk uit het raam, eet, werp een blik op mijn bord en
zie plotseling: Griekse letters. Gyros. Poleites. Mesogaios. Helos. Op elk reepje vlees staat een naam. Natuurlijk, dat zijn de mannen van Odysseus,
die Circe in varkens had veranderd. Nu is hun vel uiteindelijk ook bij mij aangekomen. De Griek komt, glimlacht, geeft de orchidee water uit een kan, PHALAENOPSIS. MYTHOS.
Uit: Beneden in het dal (Vertaald door Yond Boeke en Patty Krone)
“Dat had het teefje nog nooit een hond zien doen. Ze voelde een nieuw soort opwinding toen ze zag dat de grijze zijn kaken op elkaar geklemd hield en de keel van de spartelende herder niet losliet. Net zolang totdat ook zijn maten, die rusteloos om hen heen draaiden, zagen dat het lichaam van hun leider verslapte, dat er bloed uit zijn nek gutste en dat de grond ervan doordrenkt raakte. Nu leek ook hij op een oude autoband, en even later waren de twee in de velden verdwenen. Op de provinciale weg reed een tankwagen voorbij; op het dak lag een vingerdikke laag rijp die door een windvlaag werd weggeblazen. November. Het teefje sprong van de autostoel af en kwispelde naar de reu, die op haar toeliep. Zijn razernij van even tevoren was al geluwd, hij besnuffelde haar goedmoedig, liet zich besnuffelen. De geur die ze rook was die van bos, aarde, bladeren, van het bloed van de hond die hij zojuist had gedood. Ze kreeg zin om hem te likken, en likte hem. Daarna nam hij haar en zo kwam er voorgoed een einde aan haar jeugd. Ze volgden de rivier die dag stroomopwaarts, uitgelaten hollend omdat ze elkaar hadden ontmoet, over de grindbanken, de eilandjes en de verlaten stukken grond in de benedenloop van het dal. Op de bergkammen in de verte was maagdelijke sneeuw te zien, maar langs de rivier stonden cement- en meubelfabrieken, groothandels in landbouwmaterialen en bouwmarkten. Ze zagen ratten in de afvoerkanalen en kraaien op de stortplaatsen, roken de geur van over de velden uitgestrooide mest, en toen ze op mensen stuitten, in een bestelbusje op de oever, begreep zij, die niet bang was voor mensen, dat hij die juist uit de weg ging, want ze waadden de rivier door om hun weg aan de andere kant te vervolgen. Ze liepen langs een omheining en niet veel later eindigde hun tocht bij een engte waar de rivier was versperd en waar pijpleidingen begonnen. Ze konden het wegverkeer daarvandaan horen, ergens aan de andere kant van de hoge oever. Het begon te schemeren, maar hij wilde pas tevoorschijn komen als het helemaal donker was. Terwijl ze wachtten kreeg ze honger, ze had al urenlang niets gegeten en maakte het hem duidelijk zoals puppy’s dat doen, door hem te likken en zachtjes in zijn snuit te bijten, alsof hij haar vader was en haar van eten moest voorzien. Hij kon die kwelling ergens wel waarderen.’
Op mijn bureau liggen de rekeningen van de levenden en in mijn slaap liggen de rekeningen van de doden.
“Leegte is de moeder der uitvindingen,” zegt mijn gelukskoekje. 23 juli 2010. Brooklyn. Ik loop in de zachte regen, nog nooit zo voldaan, nog nooit zo gelukkig.
Waarom zou ik twijfelen aan de zin van de wereld als ik zelfs in mezelf mysterieuze doelen zie?
Een kraai daalt even neer, zwart, in rabbijnse kleding, en krast Kaddisj.
Uit: Der Mann hinter dem Nebel (Vertaald door Peter Groth)
„Prolog Ich hatte nicht gedacht, dass ich jemals so eine Angewohnheit entwickeln würde, doch vor ein paar Jahren, als das Apartment, in dem wir wohnten, von Grund auf renoviert wurde und wir mehr als einen Monat in einem anderen wohnen mussten, bemerkte ich, dass in der ganzen muffig riechenden Wohnung voller Kakerlaken die Badewanne der einzige Ort war, an dem ich mich halbwegs gut fiihl-te, und zwar deshalb, weil sie — aus einem dieser seltsamen Zufälle, die einen nachdenk-lich machten —, identisch mit jener war, die wir hatten, also in der alten Wohnung hatten, die nun renoviert wurde. Ohne mir groß be-wusst zu machen, was ich tat, verbrachte ich immer mehr Zeit in der Wanne. Wie in einem gusseisernen Sarkophag streckte ich mich darin aus, legte mir ein Handtuch unter den Kopf und begann zu lesen, ohne Wasser einlaufen zu lassen. Das Deckenlicht machte ich nie an; manchmal musste ich nicht einmal die Kerze anzünden, die ich mitbrachte, denn es genügte, das Fenster zu öffnen, sodass sich der Goldschimmer des Mondes über die Buchseiten ausbreitete, ein sanfter und schmaler Strahl, wie eine Laterne, die nur das beleuchtete, was beleuchtet werden musste, und die übrigen Dinge im Schatten ließ. So verbrachte ich während jener anderthalb Mo-nate fast jede Nacht, wie ein nachtaktives Tier, das seine Beute in den Büchern suchte und am Tage ruhte, um neue Kraft zu schöp-fen. Als wir dann in die alte, doch auf gewisse Weise auch neue Wohnung zurückkehrten, verzichtete ich zunächst auf diese Angewohn-heit, da ich nun keinen Grund mehr dazu hat-te, doch nach einer Weile, und ich weiß nicht warum, verspürte ich das Bedürfnis, wieder damit anzufangen. So kam es, dass ich in einer jener späten Nächte, als der Rest des Hauses schlief und ich diesmal im heißen Wasser in der Wanne lag und beim flackernden Kerzenlicht ein Buch las, in eine Art Traum sank. Ich hafte den Eindruck, nicht mehr in jenem Buch zu lesen, einem Roman, den ich bereits vor einer Weile angefangen hatte und nicht zu Ende be-kam, sondern mein eigenes Buch, ein Buch, das ich nicht einmal zu schreiben begonnen hatte.“
Toen ik ging vroeg ik ze om mee te komen Ik hield de deur open en mijn ogen neergeslagen zodat ze eruit konden, vrij werden In het nieuwe huis woonde zij bij het woonkamerraam Hij in de werkkamer bij de deur Ze zagen hoe ik worstelde En hun armen lagen om mijn schouders zonder gewicht of gevolg Mijn gedachten mijn hart en toen ik weggeroepen werd pakte ik alles, verscheepte, verzond nam afscheid en werd minder op deze plek en ik vergat ze te vragen mee te gaan naar mijn oude leven dat ze uit den treure kenden en volgens mij woonden ze nog steeds in het huis dat ik verliet Tegen een vriendin zeg ik: ben mijn geesten vergeten en zij weet te zeggen : die komen na
Vertaald door Elbert Besaris
Nora Gomringer (Neunkirchen an der Saar, 26 januari 1980)
“Lieve Jilles, Toen mijn moeder, Marie, jong was, legde je om de zoveel tijd scheepskaarten op de woonkamertafel om de veranderde vaargeulen van de rivieren bij te tekenen. Je legde de kaarten op een houten bord en ging te werk met een passer, een speciale liniaal en een potlood. Eb, vloed, de diepte van de rivier, stroming, de plaatsing van betonningen; de elementen veranderden constant, jij hield het precies bij. Je was loods, jij zorgde dat schepen goed van haven naar haven kwamen. Je had totale controle over wat er voor je lag. Jij wist de weg, als enige. De tientallen scheepskaarten lagen opgerold in je werkkamer, netjes opgeborgen. Zo kende ik je ook als kind: strikt en opgeruimd. Je verzamelde postzegels, munten en telefoonkaarten, je hield van mathematische spelletjes, sport, klaverjassen en schaken. Je was streng maar rechtvaardig. ‘Je moet zorgen dat je alles altijd op dezelfde plek neerlegt. Je moet blindelings alles kunnen vinden,’ zei je ooit tegen je dochter Anna, mijn tante. ‘Dat had hij van zijn marinetijd,’ vertelt ze me, ‘je moet weten waar alles ligt in je hut.’ Ik sta altijd wantrouwig tegenover totaal geordende ruimtes, opa, daar klopt iets niet, ik krijg er jeuk van. Wie al zijn bezittingen steriel en overzichtelijk neerlegt, heeft meestal ergens een kast of een kist of een doos waar allerlei onverwachte dingen uit kunnen donderen. Wie het oppervlak beheerst, verbergt het meest: stille wateren hebben diepe gronden. Opa, je lag al jaren in de totaal ongeordende la (sorry) van mijn kleine schrijfbureau te wachten. Je zat in een houten bakje vol zwart-wit, kleur en sepia kiekjes van onze familie. Altijd als ik door dat bakje ging om in een verhaal te duiken, hield ik twee zwart-witfoto’s van jou vaak wat langer in de lucht: een uit de winter van ’44 en een uit de zomer van ’43. Ik noemde ze ‘de Zweedse hout-hak-foto’s’. In de winter van ’44 sta je met je handen op je rug op een besneeuwd pad.”
Ik ben een kleine wereld, knap gemaakt Van elementen en een engelenhart, Maar eeuwige nacht brengt nu mijn zondezwart Aan mijn twee delen, en hun einde naakt. U, die voorbij de hoogste hemel raakt Aan nieuwe sterren, nieuw land, zeer apart, Giet zeeën in mijn oog, zodat mijn smart Tranen spoelt en berouw mijn wereld kraakt; Of was haar schoon, verdronken was zij al; Maar zij moet branden; neen, reeds woedde het vuur Van afgunst, en bracht haar tot verval En gorigheid; maak hun vlam kort van duur En brand in mij een vurigheid voor Uw beeld En voor Uw huis, Heer, die verterend heelt.
Vertaald door Jan Jonk
John Donne (24 januari 1572 – 31 maart 1631) Portret van John Donne, gedateerd 1591, Engelse School. Frontispice van ‘The Poems of John Donne’, gepubliceerd in 1942 (detail)