I I see the boys of summer in their ruin Lay the gold tithings barren, Setting no store by harvest, freeze the soils; Theire in their heat the winter floods Of frozen loves they fetch their girls, And drown the cargoed apples in their tides.
These boys of light are curdlers in their folly, Sour the boiling honey; The jacks of frost they finger in the hives; There in the sun the frigid threads Of doubt and dark they feed their nerves; The signal moon is zero in their voids.
I see the summer children in their mothers Split up the brawned womb’s weathers, Divide the night and day with fairy thumbs; There in the deep with quartered shades Of sun and moon they paint their dams As sunlight paints the shelling of their heads.
I see that from these boys shall men of nothing Stature by seedy shifting, Or lame the air with leaping from its hearts; There from their hearts the dogdayed pulse Of love and light bursts in their throats. O see the pulse of summer in the ice.
Dylan Thomas (27 oktober 1914 – 9 november 1953) Swansea, de geboorteplaats van Dylan Thomas
is it the cut glass of their eyes looking up toward the new gnarled branch of the black man hanging from a tree?
is it the white milk pleated collar of the woman smiling toward the camera, her fingers loose around a christian cross drooping against her breast?
is it all of us captured by history into an accurate album? will we be required to view it together under a gathering sky?
Notes to Clark Kent
if i should
enter the house and speak with my own voice, at last, about its awful furnitutre, pulling apart the covering over the dusty bodies; the randy father, the husband holding ice in his hand like a blessing, the mother bleeding into herself and the small imploding girl, i say if i should walk into that web, who will come flying after me, leaping tall buildings? you?
Further note to Clark
do you now how hard it is for me? do you know what you’re asking?
what i can promise to be is water, water plain and direct as Niagara. unsparing of myself, unsparing of the cliff i batter, but also unsparing of you, tourist. the question for me is how long can i cling to this edge? the question for you is what have you ever traveled toward more than your own safety?
mijn droom over de wederkomst
mary is een oude vrouw zonder schoenen. ze gelooft het niet. niet wanneer haar buik begint te borrelen en de afdruk van een vinger achterlaat op een plek die geen man aanraakt. niet wanneer de sneeuw in haar haar wegsmelt. niet wanneer de vreemdeling op wie ze altijd wachtte verschijnt, gekleed in lichtjes, aan haar keukentafel. ze is een oude vrouw en gelooft het niet.
wanneer er op een nacht iets op haar tenen valt, noemt ze het een vos, maar ze geeft het te eten.
Zomer in de tuin,Znojmo door Theodor von Hörmann, ca. 1893
Sommerliche Nachmittagsstunde
Die Libellen über dem Bach Sind wie von schwingendem Glas umgeben. Die Schwalben schweben Dicht am Boden den taumelnden Fliegen nach.
Durch Busch und Baum Duftet schwerer die Heumahd herüber; Unmerklich trüber Wird der horizontene Saum.
Der flutende Schein Der Sonne will jähling verfließen In die fernen, flockigen Wiesen Fällt Donner ein.
Alfons Petzold (24 september 1882 – 25 januari 1923) Wenen, de geboorteplaats van Alfons Petzold. Het Donaukanaal is een populaire locatie op zomerse dagen.
Aanstonds, toen ik wakker werd, Scheen de zon mij in de ruiten En de vogeltjes daarbuiten, Van nabij en in de vert,
Sloegen, ’t bekje opgesperd, Aan het zingen en het fluiten, – Aanstonds, toen ik wakker werd – Dat de englen met hun luiten
Niet zo vrij en onbenerd, – Als de doden ’t oog ontsluiten – Hunne vreugde kunnen uiten In het hemelse concert, Als de vogeltjes daarbuiten Aanstonds, toen ik wakker werd.
Lichtgeflikker
De zon vroeg voor haar gouden schijn Doortocht door ’t grauwe wolkgordijn Om de aarde te gaan kleuren: De daken rood, groen het geboomt… O ’t licht, dat over de aarde stroomt Door de open wolkendeuren!
Ik wou, dat ik die weelde kon Verklanken, of verbeelden kon In verzen of in verven: De zilvren vreugd van ’t watervlak, Waar ’t zonlicht nederviel en brak In duizend vlammenscherven.
Ai ziet, hoe langs de waterbaan De vlammetjes te branden staan, Door ’t zonnevuur getroffen! Hoe ’t spettert, spuit en openspat, Hoe overal op ’t waterpad De lichtjes staan te ploffen!
Hoe zegge ik dat? Hoe zoude ik u Mijn vreugde, immer woordenschuw, In woorden wedergeven? Hoe ook, met felle spikkeling van verf, die kleurenflikkering Op hout of doek doen leven?
Ga, waar de zon op ’t water breekt En ’t wondre vreugdevuur ontsteekt, Dat koel is in zijn blaken, Dat brandt, waar ’t zich in ’t water stort… Indien ge dan niet blijde wordt, Kan ik het u niet maken.
Bloeiende hei
Nu is de heide blij getint Met paarse bloemenkleur, Nu is de zoete heidewind Vol zoele honinggeur,
Nu gonst de aarde van ’t gebrom Der bijen wijd en zijd, Nu is de hoge lucht alom Eén blauwe zaligheid…
Maar, als de heide ’t schoonste wordt, Dan komt de winter aan, Want bloemenschoonheid duurt maar kort, En vreugd is gauw gedaan.
En ‘k zou mijn leven lang wel graag Zo lopen door de hei…. De vreugde, die ik voel vandaag, Is haast te groot voor mij.
Jacqueline van der Waals (26 juni 1868 – 29 april 1922)
Een nacht in juni in de tuin door Nikolai Astrup, 1909
Nuits de juin
L’été, lorsque le jour a fui, de fleurs couverte La plaine verse au loin un parfum enivrant ; Les yeux fermés, l’oreille aux rumeurs entrouverte, On ne dort qu’à demi d’un sommeil transparent.
Les astres sont plus purs, l’ombre paraît meilleure ; Un vague demi-jour teint le dôme éternel ; Et l’aube douce et pâle, en attendant son heure, Semble toute la nuit errer au bas du ciel.
Victor Hugo (26 februari 1802 – 22 mei 1885) Besançon, de geboorteplaats van Victor Hugo
“Szymek had nog wel even gezocht, maar had snel de moed opgegeven. Een klontertje was maar een klontertje, misschien lukte het de volgende keer wel. De wereld houdt niet op bij klonters, vooral niet op een dag als vandaag waarop zijn moeder had beloofd uit Warschau een nieuwe Asterix voor hem mee te nemen: wie zou op zo’n dag nog in het gras en tussen distels willen lopen graaien? Hij had nog een halve jampot oude munten. Hij haalde zijn schouders op en liep achter Budzik aan. Ze liepen langzaam terug, om beurten elkaar een vlak voorwerp met gerafelde randen overhandigend. Budzik beweerde dat hij ooit al zijn klonters uit zijn schuilplaats in het kippenhok zou meenemen en ze op een plank in de kamer zou leggen. Hij zou zich niets van zijn vader aantrekken. Dat ging hij een keer doen. Ze passeerden de oprit naar de Autobaan en Szymek vertraagde zijn pas in de hoop een blauwe Fiat Uno te ontwaren. Hij bleef even staan wachten, erop vertrouwend dat zijn ouders zo dadelijk de afslag van de hoofdweg zouden nemen. Ze namen geen afslag. Alleen Hołowczyc scheurde geheel in stijl de andere kant op, dicht langs de berm, machtig en angstaanjagend. Hij duwde de wielen met zijn dikke armen voort, iets in zijn volle baard mompelend. Szymek hoopte dat zijn ouders snel terug zouden zijn, zoals ze hadden beloofd, hoewel je het met de beloftes van ouders wel wist: je wist het maar nooit. Hij logeerde graag bij oma Tosia, maar vanavond was Het reuzenrad met Bugs Bunny op tv en hij moest nog zoveel doen. Als ze eenmaal thuis waren wachtte hem het saaie ritueel met de visjes: levend voer uit de vriezer, wat droogvoer uit een zakje, het schoonmaken van het verwarmingselement en het filter, water bijvullen. O, en het belangrijkste van alles: het kleuren van koeien. De koeien bracht zijn vader mee van zijn werk. Ze stonden op grote vellen papier, ingekaderd in de linkerbovenhoek. Twee flanken en van voren alleen een driehoekige kop. Geesten van koeien, dunne omlijningen zonder vlekken, want de vlekken moest je zelf invullen. Zijn vader tekende ze snel op zijn werk en gaf met een kruisje aan waar het zwart moest komen. Szymek ging dan aan zijn bureau zitten, deed de lamp met de rode metalen lampenkap aan en vulde zorgvuldig de vlekken in met viltstift.”
Fountains that frisk and sprinkle The moss they overspill; Pools that the breezes crinkle; The wheel beside the mill, With its wet, weedy frill; Wind-shadows in the wheat; A water-cart in the street; The fringe of foam that girds An islet’s ferneries; A green sky’s minor thirds – To live, I think of these!
Of ice and glass the tinkle, Pellucid, silver-shrill; Peaches without a wrinkle; Cherries and snow at will, From china bowls that fill The senses with a sweet Incuriousness of heat; A melon’s dripping sherds; Cream-clotted strawberries; Dusk dairies set with curds – To live, I think of these!
Vale-lily and periwinkle; Wet stone-crop on the sill; The look of leaves a-twinkle With windlets clear and still; The feel of a forest rill That wimples fresh and fleet About one’s naked feet; The muzzles of drinking herds; Lush flags and bulrushes; The chirp of rain-bound birds – To live, I think of these!
Envoy
Dark aisles, new packs of cards, Mermaidens’ tails, cool swards, Dawn dews and starlit seas, White marbles, whiter words – To live, I think of these!
William Henley (23 augustus 1849 – 11 juli 1903) Kings Square in Gloucester, de geboorteplaats van William Henley
Nog stiller hing hij in de vlieren om het oude huis – demoiselle schemering die hij zo graag onder haar rokken had gezien, verdween er in de kieren… des andren daags wierp hij, de wind, bij een ligusterhaag drie hypotheekpapieren neer op ’t grind.
Imitatio Christi
’t Is hier dichtbij, niet verder dan de spijker minziek naar uw hand, maar ik poseur ben eeuwig naar u onderweg, zwaar geblanket en met een distel achter ’t oor – ’t is zoet te scheuren en u aan te hangen, maar van ver.
Twee vazen
En voor zo kostbaar hield ik haar; in de schemering bloedde heur nek en de twee draken op heur bolle zij roerden zich niet.
en voor zo verfijnd hield zij mij – want bij lamplicht zagen zij zeldzaam scheel – en de twee draken roken elkaar onder de staart.
Ja, dat is het. Een schittering in de oude woorden. De opeenstapeling Van heel ons leven in de verte als een gelukzalige Zee, verhelderd door een wapen van levend water.
We hebben geen behoefte meer Aan hartverscheurende beelden om van te houden. Die boom daarginds is ons genoeg, die zich, door het licht, Van zichzelf losmaakt en nog slechts De bijna uitgesproken naam van een bijna vleesgeworden god weet.
En heel deze hoge streek die de zeer nabije Ene verbrandt,
En dit muurpleister dat de gewone tijd ontroert Met zijn handen zonder droefenis, en die de maat genomen hebben.
Der Sommermittag lastet auf den weißen Terrassen und den schlanken Marmortreppen die Gitter und die goldnen Kuppeln gleißen leis knirscht der Kies. Vom müden Garten schleppen
sich Rosendüfte her wo längs der Hecken der schlaffe Wind entschlief in roten Matten und geisternd strahlen zwischen Laubverstecken die Götterbilder über laue Schatten.
Die Efeulauben flimmern. Schwäne wiegen und spiegeln sich in grundlos grünen Weihern und große fremde Sonnenfalter fliegen traumhaft und schillernd zwischen Düfteschleiern.
Ernst Stadler (11 augustus 1883 – 30 oktober 1914) Colmar, de geboorteplaats van Ernst Stadler
Je moet geen duiven naar mij sturen, je moet geen bange brieven schrijven, de maartse wind niet laten waaien in mijn gezicht. Gisteren ben ik aangekomen in een groene gaarde waar ziel en lichaam mogen rusten in de schaduw van een populierenbos.
Van hier kan ik ons stadje zien: Paleis, wachthuisjes, legerplaatsen, boven het ijs de gele boog van de chinese brug. Je bent verkleumd van drie uur op mij wachten, je durft niet weg te gaan van de veranda en kijkt verbaasd naar al die nieuwe sterren.
Als een grauwe eekhoorn zal ik in de elzen springen, als een wezel schichtig draven langs het pad, als een zwaan zal ik je uit de verte roepen opdat mijn bruidegom geen angst zal hebben terwijl hij in de blauwe, dwarrelende sneeuw op het verschijnen van zijn dode bruidje wacht.
Vertaald door Kees Verheul
Anna Achmatova ( 23 juni 1889 – 5 maart 1966) Portret door Alexander Osmerkin, 1939-40
De Nederlandse dichter, schrijver en theatermaker Jaap Robben werd geboren in Oosterhout op 22 juni 1984. Zie ook alle tags voor Jaap Robben op dit blog.
Jij was zoiets als kwijt
Niemand graaft om zand te vinden. We zochten jou omdat we je vergaten.
Alsof we op achtergelaten jassen klopten op zoek naar wat nog niemand was verloren.
En jij, stil en donker in de grond jij was zoiets als kwijt.
Al wist je misschien dat wij er waren door wat je boven je hoorde zoals iemand op zolder soms een doos verschuift.
Andermans ogen
Thuis hoor ik niet meer dat de kachel tikt en de kraan drupt.
Van mezelf zie ik enkel wat ik gewend ben te herkennen, wanneer ik in spiegels en winkelruiten kijk of naar foto’s en donkere tv’s.
Mij valt niets nieuws op, ik kijk naar wat ik al jaren zie omdat ik enkel mijn eigen ogen heb.
Maar samengevat in zesentwintig strepen merk ik pas hoe nieuw ik word, door andermans ogen en weet ik weer waar in het huis van mijn gelaat een traptree kraakt.
Wie plukt het laatste fruit?
Wie weet nog waar de paden waren? Dat onhandig vrijen het best in een Bongerd gaat waar je de witjes zonder handen van de bomen kon bijten?
Hier hangt de hemel hoger en is de bodem het beste voor bloemen.
Maar in nieuwe straten zijn de mensen groter dan de bomen.
En blijft mist wat langer hangen omdat niet alle wolken willen wennen dat hier voortaan geen veld meer is.
Jaap Robben (Oosterhout, 22 juni 1984)
De Canadese dichteres, essayiste en vertaalster Anne Carson werd geboren op 21 juni 1950 in Toronto. Zie ook alle tags voor Anne Carson op dit blog.
O Kleine Droevige Extase van de Liefde
Ik vind het fijn om de hele nacht met gesloten ogen bij je te zijn. Wat een geluk – daar kom je al aan langs de sterren!
Ik maakte een roadtrip door mijn gedachten en mijn hart en daar was je knielend langs de weg met je kleine gereedschapskistje iets aan het repareren.
Geef me een wereld, je hebt me de wereld afgenomen die ik was.
Summer Solstice – Crinan Canal door Fraser Maciver, 2019
Sonnenwende
Es fiel ein Blütenregen herab auf Wald und Feld, ein Netz von Sonnenstrahlen umspinnt die grüne Welt; das flammt und blüht und duftet und höhnt den Glockenschlag, als ging er nie zu Ende, der süße, goldene Tag …
O Tag der Sonnenwende, vollblühende Rosenzeit, du hast mir ins Herz geduftet berauschende Seligkeit! Das pocht und glüht und zittert und bebt im Vollgenuß, als ging er nie zu Ende, der süße, erste Kuß –
O Tag der Sonnenwende –
Clara Müller-Jahnke (5 februari 1860 – 4 november 1905) De Dorfstraße in Lenzen (Nu: Łęczno), de geboorteplaats van Clara Müller-Jahnke
De Canadese dichteres, essayiste en vertaalster Anne Carson werd geboren op 21 juni 1950 in Toronto. Zie ook alle tags voor Anne Carson op dit blog.
Chicago
Gekrijs (wit) en tinten (suède) van vuile kou. Ik liep Montrose af naar de oever van het meer. Voorbij een gesloten Park Bait Shop en een boot genaamd Temperance II, een boot genaamd Mr Bright Eye, modderige velden, een verroeste barbecue uit de middeleeuwen. Een hond springt somber rond op het strand. Het meer is zo lelijk als een motelkamer. Muren sluiten niet op elkaar aan. Vlekken zakken uit. Een engel gaapt in een geile hemel. Tegen de noordenwind worstel ik me terug naar de plek waar ik warm was toen ik wakker werd. Op de theepot een briefje van jou over ademhalen.
Nearly nine and still the sun’s not slunk into its nightly digs. The burnt meat smell of mid-week cookouts and wet grass hangs in the air like loose familiar summer garb. Standing by the magnolia tree, I think if I were to live as long as she did, I’d have eleven more years. And if I were to live as long as him, I’d have forty-nine. As long as him, I’d be dead already. As long as her, this would be my final year. There’s a strange contentment to this countdown, a nodding to this time, where I get to stand under the waxy leaves of the ancient genus, a tree that appeared before even the bees, and watch as fireflies land on the tough tepals until each broad flower glows like a torch-lit mausoleum. They call the beetle’s conspicuous bioluminescence “a cold light,” but why then, do I still feel so much fire?
Ada Limón (Sonoma, 28 maart 1976) Sonoma
De Ierse dichter en schrijver Paul Muldoon werd geboren in Portadown, County Armagh, in Noord-Ierland op 20 juni 1951, Zie ook alle tags voor Paul Muldoon op dit blog.
Brock
Small wonder he’s not been sighted all winter; this old brock’s been to Normandy and back
through the tunnels and trenches of his subconscious. His father fell victim to mustard-gas at the Somme;
one of his sons lost a paw to a gin-trap at Lisbellaw: another drills on the Antrim hills’
still-molten lava in a moth-eaten Balaclava. An elaborate system of foxholes and duckboards
leads to the terminal moraine of an ex-linen baron’s croquet-lawn where he’s part-time groundsman.
I would find it somewhat infra dig to dismiss him simply as a pig or heed Gerald of Wales’ tall tales
of badgers keeping badger-slaves. For when he shuffles across the esker I glimpse my grandfather’s whiskers
stained with tobacco-pollen. When he piddles against a bullaun I know he carries bovine TB but what I see
is my father in his Sunday suit’s bespoke lime and lignite, patrolling his now-diminished estate and taking stock of this and that.
Anseo
When the Master was calling the roll At the primary school in Collegelands, You were meant to call back Anseo And raise your hand As your name occurred. Anseo, meaning here, here and now, All present and correct, Was the first word of Irish I spoke. The last name on the ledger Belonged to Joseph Mary Plunkett Ward And was followed, as often as not, By silence, knowing looks, A nod and a wink, the Master’s droll ‘And where’s our little Ward-of-court?’
I remember the first time he came back The Master had sent him out Along the hedges To weigh up for himself and cut A stick with which he would be beaten. After a while, nothing was spoken; He would arrive as a matter of course With an ash-plant, a salley-rod. Or, finally, the hazel-wand He had whittled down to a whip-lash, Its twist of red and yellow lacquers Sanded and polished, And altogether so delicately wrought That he had engraved his initials on it.
I last met Joseph Mary Plunkett Ward In a pub just over the Irish border. He was living in the open, In a secret camp On the other side of the mountain. He was fighting for Ireland, Making things happen. And he told me, Joe Ward, Of how he had risen through the ranks To Quartermaster, Commandant: How every morning at parade His volunteers would call back Anseo And raise their hands As their names occurred.
Ode to Corvette Summer door Timothy Adry Emmanuel, 2022
40 Ounce
Summer has salted our neighborhood to thirst; tar that patches the wounds of roofs heats to sluggish bubbles; sun obligates paint on car hoods to blotch.
Emphasized by the light inside corner-store beer coolers, your malt lusters.
You’re cold gold down throat.
Lush like storm-brim wind.
Foam-skinned as any cleansing.
Within thick glass, you swish oceanic as we share you palm to palm.
You have helped this dice game clank alive, paper-wager and victory-rake, players with obsidian eyes.
Through an uncurtained pane, a music video is visible; women’s shimmer slurs like jewelry worn on a passerby.
Neighbors here and there snore, hallway walls tacked with flea-market art, closets dehydrated by moth repellent. They leave us to you. They could plead tomorrow in churches whose pipes ramble behind brittle plaster.
We drink you to the pale bottom, we drink until night sinks into skin like silk, until graveyard cops circle our block like a clock arm, until blood slides like alloy through veins, until words hammer from the anvil of the brain, until America’s continental wheel unbolts and everybody can see we gleam like greased bearings.
Marcus Jackson (Toledo, Ohio, 9 september 1990) Toledo, Ohio
Uit: Middernachtskinderen (Vertaald door Max Schuchart)
“Ik ben geboren in de stad Bombay… eens op een dag. Nee, dat kan niet, aan de datum valt niet te ontkomen: ik ben geboren op 15 augustus 1947 in Dokter Narlikars kraamkliniek… En de tijd? De tijd komt er ook op aan. Goed dan: ’s avonds. Nee, het is van belang… Klokslag middernacht om precies te zijn. Wijzers van klokken vouwden zich als handen samen in een eerbiedige begroeting toen ik arriveerde. 0, verklaar je nader, verklaar je nader: precies op hetzelfde tijdstip dat India onafhankelijk werd, buitelde ik de wereld in. Er was het geluid van snikken. En, buiten het raam, van vuurwerk en menigten. Een paar seconden later brak mijn vader zijn grote teen, maar zijn ongeluk was een kleinigheid vergeleken met wat mij op dat nachtelijke ogenblik was overkomen, want dank zij de occulte tirannieën van die minzaam groetende klokken was ik op een geheimzinnige manier in de handboeien van de geschiedenis geslagen, mijn lot onlosmakelijk aan dat van mijn land geketend. De volgende drie decennia zou er geen ontsnapping mogelijk zijn. Waarzeggers hadden mij voorspeld, dagbladen mijn komst gevierd, politici mijn authenticiteit bekrachtigd. Ikzelf had er helemaal niets in tc zeggen. lk, Saleem Sinai — later afwisselend Snotneus, Vlekporum, Knalkop, Snotteraar, Boeddha en zelfs Stuk-van-de-Maan genoemd, was zwaar verwikkeld geraakt in het Noodlot — in het gunstigste geval een gevaarlijk soort betrokkenheid. En ik kon op dat tijdstip niet eens mijn eigen neus afvegen. Nu evenwel begint de tijd (waarvoor ik verder van geen nut ben) op te raken. Ik word binnenkort eenendertig. Misschien. Als mijn aftakelende, misbruikte lichaam dat toestaat. Maar ik heb niet de hoop dat ik mijn leven kan redden, en ik kan er zelfs niet op rekenen dat ik nog duizend-en-één nacht heb. Ik moet snel werken, sneller dan Sheherazade, als ik uiteindelijk iets wil betekenen — ja, betekenen. lk geef toe: ik ben bovenal bang om belachelijk te zijn. En er zijn zoveel verhalen te vertellen, te veel, zo’n overvloed aan verweven levens gebeurtenissen wonderen plaatsen geruchten, zo’n compacte vermenging van het onwaarschijnlijke met het wereldse! Ik ben een slokop van levens geweest, en om mij te kennen, alleen maar die ene ik, zul je de rest ook helemaal moeten slikken. Verorberde menigten zijn in me aan het dringen en duwen; en alleen geleid door de herinnering aan een groot wit beddelaken met een min of meer rond gat met een diameter van zo’n vijftien centimeter in het midden uitge-knipt, me vastklampend aan de droom van die toegetakelde rechthoek van linnen met een gat die mijn talisman, mijn sesam-open-u is, moet ik beginnen mijn leven te reconstrueren van het punt af waar het werkelijk begon, zo’n tweeëndertig jaar voor iets zo onmiskenbaars, zo aanwezigs als mijn door de klok beheerste, door misdaad bezoedel-de geboorte. (Het laken is, tussen twee haakjes, ook bevlekt met drie droppels van iets ouds, verbleekts, roods. Zoals de koran ons voorhoudt: Zeg, in de naam van de Heer, uw Schepper, die de Mens schiep uit klonters bloed.)”
Salman Rushdie (Bombay, 19 juni 1947)
De Canadese dichteres, essayiste en vertaalster Anne Carson werd geboren op 21 juni 1950 in Toronto. Zie ook alle tags voor Anne Carson op dit blog.
Autobiografie van rood
10 Seksvraag
Is het een vraag!
Ik moet eens naar huis. Oké. Ze bleven zitten. Ze stonden ver van de stad geparkeerd langs de weg. Koudenachtgeur kwam door de raampjes. De maansikkel zweefde wit als een rib langs de rand van de lucht. Ik ben geloof ik iemand die geen bevrediging kent, zei Herakles. Geryon voelde hoe alle zenuwen in hem zich naar zijn huid verplaatsten. Hoe bedoel je bevrediging? Gewoon – bevrediging. Ik weet niet. Op de snelweg een eind verderop klonk het schrapen van vishaken over de bodem van de wereld. Bevrediging. Je weet wel. Geryon dacht diep na. Vuren kronkelden zich door hem heen. Hij kwam voorzichtig tot de seksvraag. Waarom is het een vraag? Hij begreep dat mensen behoefte hebben aan elkaars daden van aandacht, doet het er dan toe welke daden dat zijn? Hij was veertien. Seks is een manier om een ander te leren kennen, had Herakles gezegd. Hij was zestien. Brandende ongeordende delen van de vraag likten op uit elke barst in Geryons lijf. Hij sloeg ernaar terwijl hij nerveus en onwillekeurig moest lachen. Herakles keek. Plotseling stil. ’t Zit wel goed, zei Herakles. Zijn stem spoelde Geryon open. Moet je horen, zei Geryon en hij wilde hem vragen: zitten mensen die dol zijn op seks ook met een seksvraag? maar de woorden kwamen er anders uit – denk je echt elke dag aan seks? Herakles’ lichaam verstarde. Dat is geen vraag dat is een aanklacht. Iets zwarts en zwaars als de geur van fluweel viel tussen hen in. Herakles startte de auto en ze sprongen vooruit op de rug van de nacht. Elkaar niet rakend maar verenigd in verbazing zoals twee sneden evenwijdig lopen over dezelfde huid.
“Deel III – Brieven aan de condor We rijden naar Ch’iyara, de baai van het Laramameer. We eten een eenvoudige maaltijd bij vrienden van mijn man. Het zijn grove lieden die in de mijnen werken en naar mijn borsten staren. Madre mia wat een wolven! Ze doen het alleen als mijn man niet kijkt. Ik vind hen niet aardig, wil snel weer weg, een van hen, met een soort fonkeling in zijn ogen, geeft me een hoofdknik maar ik keur hen geen blik waardig. Na de maaltijd rijden we naar het meer. De baby leggen we op een deken naast het water. Haar bewegingen zijn opgewonden, het uitstapje doet haar zienderogen goed, we zingen liedjes voor haar en gooien druppeltjes water in haar gezicht en uiteindelijk valt ze in slaap. Mijn man bouwt een dam van stenen om haar heen zodat ze niet in het water kan rollen. Slaat met een stokje alle insecten weg. Ik kleed me uit om te zwemmen, ik zie mijn man kijken hoe ik alle kleren afleg, ik ben zo bloot als een vis, schud mijn krullende haren los en breek het roerloze oppervlak met mijn duik. Als een mes snijd ik door het koude water, er zijn talloze vissen als zilveren ringen. Onder water is het troebel, ik zie het wier als knoperig touw bewegen en raak de steentjes op de bodem met mijn vingers. Ik schrik van een grotere vis die tegen me opbotst en hapt in mijn middel, gil overeind om te zien dat het mijn man is, we vrijen als leeuwen een beetje hard en onstuimig en bovendien na enkele golven weer klaar. We waden terug naar de baby die nog steeds ligt te slapen. In de struiken zie ik een gestalte, sluike zwarte veren van een ineengedoken man, strakke ogen, het liefst wil ik me ergens verbergen en bedekken maar er is niets van hulsel, de enige andere mogelijkheid is dus mijn tepels te priemen richting de wolken. Soms lieve condor, amigo de alas negras, valt het leven als mens me zwaar, het is schraal van betekenis, het ontbreekt ons aan iets en het doet ons zo’n pijn. We rollen maar door in het veld van niet weten. We drinken niet, al zijn we dorstig maar we drinken niet, we zijn hongerig maar eten niet, werkelijk drinken bedoel ik en werkelijk eten met iets wat onze dorst echt kan lessen, onze honger kan stillen, ons verlangen dat zo brandend is, we zijn bevangen door een grote drang om zo snel mogelijk ergens een rand te bereiken.”
We spraken over kale bomen bij 30 graden, over de heldere kruimels die gram voor gram verdwenen in de subroutine, we gooiden koekjes uit onze mouwen en spraken over armoede alsof het geen deel uitmaakte van ons bezit.
Ook dit gesprek verliep in geluidloze meeteenheden, we lieten elkaar de stigmata van onze honden zien, terwijl Mem vertelde hoe vroeger zogenaamde vliegende insecten op elk autoraam crepeerden. Over de correlatie, over hoe… des te…spraken we niet.