Verloochening van Petrus door Nicolaes Knüpfer, 1750
Petrus
Hij naderde schoorvoetend aan het vuur, Waar de soldaten met een schor misbaar Zijn Heer beschimpten en vernam ’t onguur Geding en wankelde en voorzag gevaar.
‘De heiland had ook dezen knecht in huur’, Krijste een vrouw, doch hij bedreigde haar En vloekte doodsbleek en verkocht zich duur. ‘Ik zag hem nooit, nooit zag ik hem voorwaar’.
Maar aan zijn slapen duizelde het bloed; Want bij het rode schijnsel van het vuur Zag hij den Meester, en zijn stommen groet
En zijn gebukte schaduw aan den muur. En toen hij vluchtte, het duister tegemoet Kraaide de haan reeds in het bleeke uur.
Anthonie Donker (8 september 1902 – 26 december 1965) De Laurenskerk in Rotterdam, de geboorteplaats van Anthonie Donker
Dood is dwangvorst, gescepterd met ijzer, De zee mint hem innig en trouw; Bij hun liefdetaal grammer en grijzer Worstelt branding in jammer en rouw; En zijn siersel zweeft zwaar over ’t kustoord Waar zij ’t stormschuim geplengd heeft voor hem; Eén in doemzucht, in roofgier en lustmoord, Vermengt zich hun stem.
Van zijn rijksroem geniet zij bezeten, En haar luister maakt hem woest en trots; Door haar duister weerdaavren zijn kreten, Bij zijn adem juicht hoog haar geklots; -‘Zo uw almacht voor immer mij stom sloeg Waar mijn heiligste hunkring voldaan!’ – -‘’t Waar mijn leen, wat ik eindlijk weerom vroeg, Mijn liefste oceaan!’ –
Jaar op jaar ontwaakte ten leven, Eeuw op eeuw zeeg neer in de dood, En geen prooi, tot verzwelging gegeven, Blust of lest ooit haar dorstende nood; En de roep harer hongrende reeuwsheid En zijn schreeuw naar verdelging en moord, Of ’t gehuil van een wolf door de sneeuw schreit, Brult rusteloos voort.
Vertaald door Victor E. van Vriesland
Algernon Swinburne (5 april 1837 – 10 april 1909) Cover van een wetenschappelijke uitgave van een omvangrijke selectie uit het werk van Algernon Swinburne uit 2016
Christus wast de voeten van de apostelen door Peter Paul Rubens, 1632
The Feet of Judas
Christ washed the feet of Judas! The dark and evil passions of his soul, His secret plot, and sordidness complete, His hate, his purposing, Christ knew the whole. And still in love he stooped and washed his feet.
Christ washed the feet of Judas! Yet all his lurking sin was bare to him, His bargain with the priest, and more than this, In Olivet, beneath the moonlight dim, Aforehand knew and felt his treacherous kiss.
Christ washed the feet of Judas! And so ineffable his love ’twas meet, That pity fill his great forgiving heart, And tenderly to wash the traitor’s feet, Who in his Lord had basely sold his part.
Christ washed the feet of Judas! And thus a girded servant, self-abased, Taught that no wrong this side the gate of heaven Was ever too great to wholly be effaced, And though unasked, in spirit be forgiven.
And so if we have ever felt the wrong Of Trampled rights, of caste, it matters not, What e’er the soul has felt or suffered long, Oh, heart! this one thing should not be forgot: Christ washed the feet of Judas.
George Marion McClellan (29 september 1860 – 17 mei 1934) De Fisk University in Nashville, waar George Marion McClellan aan studeerde
Ik had een officiële functie, het paste slecht bij mij. Jammer genoeg was ik de enige die er zo over dacht. Mijn man was trots op me, maar wist aan het eind van de dag niet goed wat hij moest vragen. Voor de kinderen was het zoiets als Waterloo.
Medailles bloesemden op mijn uniform. Langzaam maar zeker verslapten mijn contouren onder invloed van het zittende bestaan. Ik maakte overuren met de lelieblanke secretaris, hij begreep ten minste wat incasseren betekende.
Tegen het eind van de oorlog bleek dat die rat gewoon hetero was. Ik ontsloeg iedereen: de secretaris, de ministers, mijn man, de kinderen en de golden retriever. Ik heb ze nooit meer teruggezien.
Ik ging weer sporten. De volkstribunalen kregen hoegenaamd geen vat op mij. Sinds ik een nieuwe markt van pensioengerechtigde vrouwen uit de westerse middenklasse heb aangeboord, kent mijn succes geen grenzen meer. Pensioengerechtigde vrouwen uit de westerse middenklasse lezen van allemaal misschien nog wel de meeste poëzie.
Heel erg hetzelfde
In veel opzichten ben je dus toch wel heel erg hetzelfde. Ik wrijf mijn vaders grauwe ogen uit, knijp in mijn moeders appelwang.
Ik richt me tot de man: ‘Het was de bedoeling dat ik iets anders werd, iets volkomen nieuws en onomwonden levensvatbaars. Zie je voor je hoe ze erbij stonden toen ze een tweedehandsje leverden, voorjaar 1979, op de oprit, onder de pergola, in hun schortjes, braaf braaf braaf, ontgoocheld, beteuterd, voor het blok gezet?’
De man knikt en streelt de borsten van mijn oma. Hij weet allang dat de beste dingen verre van democratisch zijn.
Anneke Claus (Doetinchem, 2 april 1979)
De Amerikaanse schrijver, dichter en essayist Jay Parini werd geboren in Pittston op 2 april 1948. Zie ook alle tags voor Jay Parini op dit blog.
Voorgevoel
Ik volg hem, de slak van de gedachte Ik verlaat het spoor, sla af van dit pad Ik hurk in de schaduw, onder varens Ik weiger elke vogel te antwoorden Ik zie de vloeistof glinsteren in zijn huis Ik proef de wind Ik ruik de rook van het vuur in het bos Ik hoor het geknetter van duizend doornen Ik voel de temperatuur stijgen Ik beschouw elke optie als geldig Ik doorloop elke fase Ik verkruimel in natte, zwarte grond Ik raak mijn plek kwijt in zand en grind Ik luister naar het gekletter van onkruid Ik vraag me af waar de slak vandaag heen zal gaan
Uit: Zwarte september (Vertaald door Welmoet Hillen)
“Voordat ik jullie dit verhaal ga vertellen, moet ik het hebben over mijn ouders. In die tijd waren zij de bewakers van mijn gemoedsrust, wat betekent dat ze goede ouders waren. Ik was twaalf jaar oud en niets in mijn leven kwam ook maar in de buurt bij hoe belangrijk zij waren. Als je kunt stellen dat mijn kindertijd een veilige haven was en dat ik een gelukkig kind was, dan is dat hun verdienste. Daarom hebben de gebeurtenissen waarover ik ga vertellen me zo diep geschokt: omdat mijn ouders me voor het eerst niet konden beschermen, integendeel: zij waren een van de oorzaken van de ontwrichtingen die mij hebben getroffen. Voor het eerst raakte de wereld me direct, zonder filter – en de wereld brandt, het is open vuur, en ik wist dat niet omdat mijn ouders zich er tot dat moment dus altijd mee hadden bemoeid. Maar dit keer waren zij zelf de wereld die tekeerging, dus als je kunt stellen dat ik vanaf een bepaalde dag níet meer gelukkig was – althans niet op die manier –, dan is dat door hun toedoen. Mijn vader was strafrechtadvocaat. In feite was hij de enige strafrechtadvocaat in het dorp waar we woonden, en als ik de naam van dat dorp nu noem, denken jullie allemaal hetzelfde: Vinci. Maar Leonardo heeft met dit verhaal niets te maken. Ik herinner me liever iets anders dat met mijn dorp is verbonden, iets wat voor mij veel belangrijker is, al herinnert niemand zich dat ooit: het instorten van de brug over de Arno op 17 november 1966, een paar dagen na de overstroming die Florence en de hele regio eromheen had getroffen. Die instorting, meer nog dan de overstroming zelf, was het eerste trauma van mijn leven: de brug stortte in de rivier en mijn dorp, samen met andere dorpen in de buurt, raakte van de wereld afgesloten. Dat isolement duurde enkele dagen. Geen school, geen catechismus, gezinnen waren van elkaar gescheiden, en wie voor zijn werk per se naar Florence moest, zoals mijn vader, moest een lange omweg maken over gevaarlijk geworden bergwegen. Ik hoorde vertellen dat het instorten van de brug heel erg was omdat de brug pas twaalf jaar oud was. Ik was nog maar half zo oud en twaalf jaar leek me nu niet echt weinig, maar toen het zes jaar later mijn beurt was om in te storten, besefte ik dat twaalf jaar inderdaad niet veel is. Daarom kan ik me die periode van de overstroming en het instorten van die brug zo goed herinneren: die brug en ik waren even oud toen we werden getroffen, hij door de natuur, ik door mensen. Het is een leeftijd waarop bepaalde dingen niet zouden mogen gebeuren, niet met bruggen en niet met mensen. Het is te vroeg.”
Sandro Veronesi (Florence, 1 april 1959)
De Amerikaanse schrijver, dichter en essayist Jay Parini werd geboren in Pittston op 2 april 1948. Zie ook alle tags voor Jay Parini op dit blog.
Zijn ochtendmeditaties
Mijn vader in deze eenzame gebedskamer luistert bij het raam in het kleine huisje van zijn eigen dromen.
Hij heeft een lange reis gemaakt, alleen maar om te luisteren, voorbij zeeën en verdriet, door de smalle poort van zijn verlossing.
En hij verblijft hier nu, voorbij het dal en de schaduw, in stilte verzameld door de dageraad.
Het is gekomen tot deze zoete afzondering in het oog van God, de vroegste ochtend in zijn besloten schedel, deze vorst van gedachten.
Het klopt en trekt in de nacht. Vrieskou en stucco darmkolieken. Het loopt over de spanten Naar de nokbalk en terug.
Springt in het hoofd, Trilt daar twee bouten los, Zodat de incubus naar binnen valt.
Het raast door millimeters in de droom, Doet daar aan kinderjaren denken, Maar smaakt wat later toch naar lood.
Wie wakker ligt hoort hoe het gaat. Van kwaad naar mij, die uitverkoren Werd tot niets dan horen.
Ik ben de droesem in de goot Die op het eerste teken Van het virus wacht.
Icarus in het bos. Geen tak die kraakt. Een god is los.
Betovering door sneeuw
Zo onaanraakbaar valt het op ons in. Kleine schokkende dingen zijn het, Gestolde wolk die in het tegenlicht Gaat dampen op een bokkenvacht.
Door op je huid te jagen Hervindt herinnering zichzelf. Ik zie je voor het eerst.
Helder valt je lichaam open, Gaat met mijn ogen aan de haal.
Je vingers ijler dan Rookpluimen in de verte. Als ik je bijtend kus Gloeit je doorschijnend bloed.
Rood is je ademende keel. Je warmt de ochtend en het bos.
Nu ik mijn handen Aan je lippen openhaal Begrijp ik wie je bent.
Het is te laat.
Ik hoor je kleine hakbijl hakken In de vijvers van mijn hoofd.
Ik stop mijn oren dicht. Het sneeuwen houdt niet op.
Faust on tape
De boeken staan in ochtendlicht. Hun buitenaards geluk straalt Van hun stofbeslagen flanken af.
Alles wat ons werd bijgebracht – De mateloosheid en de tucht – Bedekken ze, ijdele omslachtigheid, Als vleugels om een ronde rug.
Ik heb het beste van mezelf Aan hen gegeven – (hij citeert). Wat ik ervoor terugkreeg, Betaalde ik met leven En de minachting van mensen Die reeds alles weten.
Ik hoor, door ramen die lang Openstaan, hoe oud de wereld Is geworden die ik zo lang Jong had willen houden.
Maar het licht neemt nog niet af – Het glinstert in stilaan ver Ziende, bleke ogen.
Op tafel ligt het uurwerk Dat mijn waarheid Heeft gelogen.
Deze zee is bedekt met adolescenten die leren lopen op de golven, rechtop, soms hun armen laten rusten op de stroming, soms grijpen naar een felle zonnestraal. Ik lig op het brede strand, een hoekige vorm, perfect uitgesneden, en ik sla ze gade als reizigers die aan land komen. Een oneindige vloot van zeilbootjes. Ik wacht op een misstap, of op zijn minst een aanraking van de bodem tot aan hun knieën in de doorschijnende deining onder hun afgemeten voortgang, terwijl ze de diepte in duiken. Maar ze zijn slank en kalm – en ook hebben ze geleerd om op de golven te lopen – en te staan.
Vertaald door Frans Roumen
Nichita Stănescu (31 maart 1933 – 13 december 1983)
De Nederlandse dichter, schrijver, criticus, polemist en toneelschrijver Gerrit Komrij werd geboren op 30 maart 1944 in Winterswijk. Zie ook alle tags voor Gerrit Komrij op dit blog.
Achter de coulissen
I
Zizi Maelstrom was een grote vedette. Ze trok ook altijd volle zalen. Lammen, blinden, doven, die de recette Aangezien ze niet hoefden te betalen,
Niet bijster hoog de lucht injoegen. Ze speelde elke avond hetzelfde Stuk: ‘Geheel naar uw genoegen Of de Perikelen van Karel de Elfde.’
Na afloop receptie. Zizi, bekaf, Gaf toch iedereen minzaam een hand. Haar rode pruik stak welluidend af Bij ’t groen van haar glaasje crème de menthe.
II
Ze had hem ’s morgens vroeg al om En kon dus nooit iets memoreren Wat op een nieuw stuk leek. Maelstrom Was wat je noemt te oud om te leren.
Toch vond ze zich, ondanks poreuze Borsten en wangen, ondanks haar schorre Stem, haar waggelende tred, een reuze Talent, en geen desastreuze lorre.
Haar mond stonk als een ondersteek. Ze was niettemin zo trots als een pauw en Dacht dat ze op Eleonora Duse leek. Je kan ook nergens meer op bouwen.
Agave
Oh agave, plant van mijn later jaren… Je ringeloort me als ik je tegenkom. Mijn magere hand streelt langs je haren, Al daag je ook mij uit, en niet andersom.
Wat zag je al niet voor mijn levensavend, Toen repelsteeltje en haar bruidegom Hun ouders een flinke stofbeurt gaven Als straf voor hun miezerig liaison?
Ik heb niettemin meer spijt dan haren. Hoe diep, zeg me, moet ik nog zinken om ‘Oh pijnboom, boom van mijn oude jaren’ Te gaan mummelen tegen een paardeblom?
Gerrit Komrij (30 maart 1944 – 5 juli 2012) Portret door Theo Daamen, 1986
Jongens in een Italiaanse kerk, Palmzondag door Kristian Zahrtmann, 1884
Palmsonntag
2.
Sanften, warmen Sonnenregen Bracht’ uns des Palmsonntags Morgen, Kinder ziehn auf allen Wegen, Die um grüne Palmen sorgen.
Reiche Palmen, Liebesspenden, Für den Friedensfürst, den hehren, Schwingen bald sie in den Händen, Und die Scharen stets sich mehren.
Hosianna! Hörst du’s klingen Silberhell aus Kindermunde? Frommen Gruß die Glocken bringen Lieblich drein vom Dorf im Grunde.
Nun so geh auch du entgegen Jubelnd deinem Herrn mit Psalmen, Bringt er Frühling doch und Segen; Laß Ihm grünen deine Palmen!
Nun, so thu’ Ihm auf die Pforte, Wenn er anklopft, einzukehren! Heil dem milden Himmelshorte Preis dem Könige der Ehren!
Franz Alfred Muth (13 juni 1839 – 3 november 1890) De Liebfrauenkirche in Hadamar, de geboorteplaats van Franz Alfred Muth
De Amerikaanse dichteres Ada Limón werd geboren op 28 maart 1976 in Sonoma, Californië. Zie ook alle tags voor Ada Limón op dit blog.
CO-OUDERSCHAP
Waarom besefte ik nooit wat het eigenlijk was: overvloed. Twee gezinnen, twee verschillende keukentafels, twee verzamelingen regels, twee kreken, twee hoofdwegen, twee stiefouders met hun aquaria of cassettebandjes of sigarettenrook of kennis van koken of talent voor lezen. Ik kan het niet omdraaien, de bekraste plaat blijft hangen op dat oorspronkelijke chaotische lied. Toch moet ik zeggen, op zondag werd ik heen en weer gebracht en dat was best lastig maar op beide plekken hadden ze me lief. Zodoende heb ik nu twee paar hersenen. Twee complete tegenpolen. Eén paar dat altijd mist waar ik niet ben, één dat opgelucht denkt: ik ben eindelijk thuis.
“Bomen dragen alle kleuren. Zijn moeder vertelt hem over dassen en vossen, herten, valken. ‘Als je weet waar je moet kijken, vind je ze, James.’ Na de zomer, de eerste keer naar school: de meester luidt zijn bel op het schoolplein, de lessen beginnen, Welmoed rent het groepje moeders in, dan toch overvallen door het afscheid, en slaat zijn armen om haar benen. Hij hoort een ingehouden gegniffel, en wanneer hij zijn ogen opent kijkt hij zijn moeder recht aan, twee meter verderop. Ook de andere moeders beginnen te lachen. Meteen al, nog met zijn armen om de verkeerde moederbenen, snapt hij de blunder. Hij snapt ook dat dit grappig is, snapt het allemaal, maar kan zich niet inhouden. Het verschil tussen hart en hoofd. Hij huilt en zijn moeder lacht, een scheur in de wereld, voor het eerst bestaat hij afgescheiden van baar, alleen. Op een middag in 1605 passeert koning James I — de zoon van de onthoofde Mary, Queen of Scots en op zijn beurt de vader van de later onthoofde Charles I — het slaperige dorpje Newmarket, in Suffolk, en hij fantaseert dat de uitgerekte, brede weide daar een prachtige baan voor paarden kan zijn. Fantasieën van koningen zijn realiteiten in afwachting. James, de koning die Schotland en Engeland met elkaar verenigde, de heksenvervolger, de Bij-belvertaler de mecenas van Shakespeare en John Donne, en dus ook de grondlegger van de paardenrennen. Hij annexeert Newmarket als persoonlijk grondgebied en in de eeuw erna groeit het gehucht uit tot een symbolische tweede hoofdstad. Heren en hertogen ontdekken in de volbloed een spiegel voor hun eigen rangenmaatschappij. Ze importeren Darley Arabian, Godolphin Bark en Byerly Turk, de drie hengsten waarvan het bloed als een schaduwdynastie door de eeuwen stroomt, elk toppaard is tot hen terug te leiden, een zuiverdere bloedlijn dan de meeste aristocraten voor zichzelf kunnen overleggen. Groot-Brittannië wordt een rijk van fokkers, kopers, investeerders, veilingmeesters, jockeys, coaches, bookmakers, gokverslaafden, staljongens, zadelmakers, hoefsmeden, producenten en verkopers van zwepen, borstels en oogkappen. Welmoed rent langs de velden, kijkt hoe ver hij van huis durft te gaan.”
Joost de Vries (Alkmaar, 28 maart 1983)
De Amerikaanse dichteres Ada Limón werd geboren op 28 maart 1976 in Sonoma, Californië. Zie ook alle tags voor Ada Limón op dit blog.
LIEFDESGEDICHT MET EXCUSES VOOR HOE IK ERBIJ LOOP
Soms denk ik dat ik mijn slechtste kant voor jou bewaar. De slobberige dennengroene joggingbroek, de lange bh-loze dagen, haren geklit en verward, een voorhoofd vol schaduwen waarin duivelse gedachten hun hoefklepperdans doen op het brein. Liefst wil ik zeggen dat dit betekent dat ik van je houd, het T-shirt van vlekkerig wit katoen, de tranen, de pistachedopjes, de berg sinaasappelschillen op mijn bureau, maar zo zit het niet. Ik beweeg me in dit huis met jou, zoals ik me beweeg in mijn hoofd, niet verkrampt in de kooi van mooi zijn. Ik doe zoals ik doe in het hoge gras, meer dier-in-mij dan veel anders. Nee, het komt omdat ik van je houd, maar nog meer omdat wanneer jij het terugzegt, lichten uit, een koude wind door de gordijnen, ik het, misschien voor het eerst in mijn leven, geloof.
“Maart ’44 ben ik geboren, zeven jaar na onze Louis. De hele oorlog hadden ze geen nagel om aan hun gat te krabben, toch werd ik gemaakt. Ik heb dat lang niet begrepen. Was míjn eerste kind Louis, ik had meer dan genoeg. De gelukkigste mens op aarde zou ik zijn. Het schijnt dat ik bijna vanzelf ben gekomen. Ons vader was nog maar juist de kamer uit of hij mocht al terugkomen. Hij boog zich over de wieg en hij moet zo diep gezucht hebben dat ze hem aan de andere kant van het dorp konden horen. Geen schoner kind dan Juliette, moet hij gezegd hebben, dat híj zoiets kon maken, het was een wonder. Daarna trok hij zijn jas aan en hij verdween. Na drie dagen sloeg ons moeder een warme doek om mij heen, legde me in de wieg naast de kachel, stapte in haar schoenen en liep recht naar café ‘Onder Den Toren’, waar ze ons vader van de toog weg sleurde en hem niet meer losliet tot ze weer voor ons huis stond. Ze deed de voordeur open, schopte ons vader tegen zijn billen en wel zo hard dat hij knal met zijn gezicht tegen de vloer vloog, zijn voorste tanden brak en zijn neus ook. Ze deed de deur weer dicht, stapte over hem heen, nam mij uit de wieg, opende haar hemd en legde mij aan de borst. Een uur heeft hij op de grond gelegen. Toen deed hij zijn ogen open, sukkelde overeind, krabde het bloed van zijn lippen en wangen, van zijn neus en van de grond, draaide zich om en liep naar de voordeur. Ons moeder zat naast de kachel, ik lag nog altijd tegen haar aan. Wat hij van zin was, vroeg ze. Niks, zei ons vader, helemaal niks, waarop hij de voordeur opentrok. Ze kwam hem niet meer halen, zei ons moeder. Nooit meer. De voordeur ging weer dicht. Ons vader ging op de grond zitten, sloeg zijn handen voor zijn gezicht. Het schoonste kind van de wereld, zuchtte hij, en dat dat niet kon, hij moest zijn eigen kop nog maar bekijken of hij wist het al. Ons moeder glimlachte. En met die glimlach ging ze voor hem staan. Dat hij haar eens goed bekeek, zijn vrouw, de rapste, de slimste, de schoonste van uren in het rond. Zag ze eruit alsof ze haar hart zou geven aan de eerste de beste dwazerik? Het was hém die ze wilde, hem en geen ander.”
„Sie regierten im Tal der Iser, in Nordost-Böhmen, ohne daß man weiß, wie und wann sie zu ihrer Herrschaft gelangt waren: slawischer Uradel. Das Merkwürdige ist, daß sie im Ursprung dort regierten, wo 400 und 700 Jahre später noch die Besitzungen der Waldsteins lagen und daß wir von Gründungen der Markwartinger, wie zum Beispiel Stadt und Kloster Münchengrätz, noch hören werden. Im späten 13. Jahrhundert teilten sie sich in allerlei Familien, die eine gesonderte Identität zu pflegen begannen. Von Albrecht Wallenstein schrieb sein mährischer Schwager, Karl von Zierotin, den jungen Mann empfehlend: »Er ist hoch geboren (bien né) wie Sie wissen, und mit allen großen Häusern Böhmens verwandt.« Das traf zu. Nicht nur war einer seiner Ahnen Marschall am Hof des gewaltigen Tschechenkönigs, Georg von Podiebrad; er stammte auch selber von diesem Herrscher ab, und zwar so, daß eine seiner Urgroßmütter von Mutters Seite, eine schlesische Herzogin von Münsterberg, die Urenkelin des Königs war; dieser, zählen wir richtig, war Wallensteins Vorfahr in der siebten Generation. Was dann seine lebenden Verwandten betrifft, die Smiricky, Slawata, Wartenberg, Zierotin, Lobkowicz und andere gleich tönenden Namens, so wohnten sie ringsum in den Schlössern Böhmens und der Markgrafschaft Mähren; in Grenzburgen gegen Deutschland und Ungarn hin, uralten, den Felsen sich anschmiegenden Gemäuern, je nach Bedürfnis und Stil der Zeit erweitert mit Ecktürmen, Vorburgen und Ringmauern; in Schlössern neuen italienischen Stils, langen Fluchten steinerner Säle um Arkadenhöfe, reich geziert mit Holztäfelungen, vergoldetem Schnitzwerk, Wappen, kostbaren Stoffen, Fabelbildern und Ahnenbildern; am Marktplatz ihrer eigenen Städte, in den Gassen der Prager Kleinen Seite, oder zwischen waldumrauschten Höhen und dem Fluß im Tal – da wohnten sie; umgeben von Künstlern aus Welschland, die ihnen etwa gerade den Rittersaal mit Fresken auszumalen oder den Park mit Statuen und Brunnen zu schmücken hatten, von Leibärzten und Seelsorgern, von französischen, italienischen, deutschen Sekretären; bedient von Stall-, Jäger- und Haushofmeistern, von Ober- und Unterköchen, Pastetenmachern und Zuckerbäckern, von Kammerdienern, Lakaien, Haiducken, reitenden Boten; Souveräne so weit ihr Reich reichte, Herren über Leben und Tod ihrer Untertanen; Patrioten wohl auch, Hauptleute ihres Kreises, tätige Mitglieder des Landtages in Prag, Inhaber der obersten Landesämter, aber Patrioten auf ihre Art, so nämlich, daß sie des Landes Freiheit gleichsetzten mit ihren Freiheiten, welche in Jahrhunderten den Königen und Bürgern abgezwungene, ungeheuere Vorrechte waren.“
Ik steunde ’t hoofd op mijn ontladen jachtgeweer. Al mijmerend, verging de lust mij meer en meer nog zijn wolvin en welpen te vervolgen, die slechts node van hem scheidden, en, naar ik het zie, zou zeker ’t fiere wijfje, zonder haar twee jongen, in de ure des gevaars hem zijn te hulp gesprongen; maar zij had zich aan ’t redden van het kroost gewijd, moest hun nog leren, hoe men waardig honger lijdt, hoe men te allen tijde zich moet houden buiten ’t verdrag dat mensen met geknechte dieren sluiten, die jagen voor de mens, in ruil voor onderhoud, zij, voorheen zelf de meesters van gebergte en woud.
Vertaald door Martinus Nijhoff
Alfred de Vigny (27 maart 1797 – 17 september 1863) Standbeeld van Alfred De Vigny in zijn geboorteplaats Loches, departement Indre-et-Loire
We see so little, stayed on surfaces, We calculate the outsides of all things, Preoccupied with our own purposes We miss the shimmer of the angels’ wings,
They coruscate around us in their joy A swirl of wheels and eyes and wings unfurled, They guard the good we purpose to destroy, A hidden blaze of glory in God’s world.
But on this day a young girl stopped to see With open eyes and heart. She heard the voice; The promise of His glory yet to be,
As time stood still for her to make a choice; Gabriel knelt and not a feather stirred, The Word himself was waiting on her word.
Malcolm Guite (Ibadan, 12 november 1957) De St. Petruskathedraal in Aremo, Ibadan, Nigeria, de geboorteplaats van Malcolm Guite
“De galeriehoudster, vermaard om haar collectie wajangs, chinees aardewerk, een dikbuikige Boeddha en sinds kort, een ‘gedurfde verzameling moderne kunst’ (de plaatselijke pers) wist de kinderen tactisch van haar oosterse snuisterijen te weren. Ze stelde, mits ze goed naar hun onderwijzer luisterden, een kartonnetje in het vooruitzicht, waaruit ze hun eigen wajang konden prikken voor boven hun bed. Haar broze garnituur was maar schijn. Toen enkele belhamels te dicht in de buurt van haar porseleinkast kwamen, werden ze domweg terug geduwd. Hun onderwijzer zond ze een krisscherpe blik. De vorm van de bronzen dwong tot uitleg. Waarom geen armen maar stompjes? Waarom hadden de hoofden geen ogen, maar de borsten wel tepels? De jongens betrokken hem knipogend in een complot tegen de meisjes. Ze waren pas tien, maar hadden nu al van hun vaders geleerd over dit soort zaken vrijpostig te zwijgen. De onderwijzer had op zijn opleiding het een en ander over de kunst van het weglaten geleerd. Men kan, ook al is men pas tien, een ontwikkeling die inzette bij de Venus van Milo toch zomaar niet weghonen? Een keur van argumenten had hem kunnen wapenen tegen de spotlust van deze kinderen. Er waren manifesten geschreven, epaterende pamfletten vaak, die het mes zetten in de realistische verbeelding; niet een was er gericht tegen kinderen. Sprak er uit al die geschriften niet hetzelfde respect voor de onbezoedelde kinderblik, als een nostalgisch a priori? Hadden die pamfiettenschrijvers dan geen kinderen? Hij had te kiezen uit twee even uitzichtloze conclusies. Of de kinderblik was wel degelijk bezoedeld, vooringenomen en benepen en die van de moderne kunstenaar dus niet minder. Of de kinderlijke schamperheid gold een bij uitstek volwassen aangelegenheid, waarover zij niet oordelen konden, en waarvan men de drijfveren uit kiesheid verzweeg of met een zekere sprookjesachtigheid omgaf. Ook dan was deze excursie tijdverlies, verspilde moeite. Hij zocht houvast bij een paar meisjes, altijd dezelfde, die zich aan hun onderwijzer hadden gehecht. Ze knikten trouwhartig op alles wat hij hakkelend te berde bracht. Maar toen hij die befloerste oogjes zag, sloeg even de vlam in zijn betoog, dat oplaaide als de arabesk van gepolijst koper waar hij met zijn bespreking net aan toe was. ‘Dit’, riep hij uit, ‘is als het vuur dat nu nog smeult in jullie hartjes en in de kinderlijke grilligheid vergeefs een uitweg zoekt’.”
Paul Meeuws (Roermond, 25 maart 1947)
De Amerikaanse dichteres, schrijfster en hoogleraar transgender-wetenschappen Joy Ladin werd geboren in Rochester, New York, op 24 maart 1961. Zie ook alle tags voor Joy Ladin op dit blog.
Psalm
[III]
De voetstappen van de Heer in de tuin. Ik weet wat me te doen staat, trek mijn huid aan
en doe een poging tot mens, wetend dat jij allang weet wat er scheelt tussen het schepsel dat ik ben
en het schepsel waarvan jij dacht dat je jezelf er naar binnen zou blazen op de avond van de zesde dag. Ik weet,
je zal mijn naaktheid teder bedekken, maar ook ontgoocheld dat ik mij iets moet voelen
anders dan naakt, want naaktheid is het beeld waarin ik ben geschapen, het beeld
te kijk door je doorkijkvoile van verlegen jonge sterren die heel stilletjes zingen
om maar niet te smoren wat jouw beeld binnenin hen zingt. Je wilt dat ik jou zie,
hoe je je weg plukt daar door de tuin binnen mijn huid. Je doet zo je best
te worden gezien. Ik doe zo mijn best niet iets te zijn waar je op hoopt als ik hongerig tussen de blaadjes door spied.
Niet tegen je praten kan ik niet maar je kunt op de vingers narekenen van de hand die je niet hebt
hoe vaak je hebt geantwoord. Soms misschien verblind je mij met al je staatsie. Eén zweem,
en het geruststellend levensooglid knijpt zich weer op je toe. Nu
lijd ik geen enkel leven over het grimmig continent van je verlangen naar een staren
naar jouw staren naakt en onbeschaamd, een beeld van jou dat niet wegkijkt