De daken varen langzaam door de lucht met een teveel aan schoorstenen. Meeuwen willen er niet aan en ontlenen aan dat misverstaan de snellere beweging van hun vlucht.
Hoor de sirene.
II Nacht
Op zee is het zo niet donker en zijn de lichtjes hoger dan het geflonker hier onder de golven. En al vloog er zojuist nog een witte vogel, het water van de nacht heeft nu een leven bedolven dat huiverend schijnt
op antennes en de lijst van een huizenromp. Geen ster, geen sirene die de koers bepaalt. Ochtend kom voor de maan daalt.
III Grindpaden
Rondom de platte daken in de zon: weinig hebben ze te maken met het darmgerommel uit de stad, met het gegons veraf van de straten. Meeuwen weten dat, eksters en wat spreeuwen op een schoorsteen.
Wind waait straf over grindpaden tussen gazons van lucht, waait strak als tijd door een kalender.
Wind polijst het licht. Hier begint straks een wandeling naar steeds ontwender onderdak, weg van zicht op overzicht.
Vogels is het hierboven bekend. Toch laten ze achteloos ook zich vallen als was in de grond iets van hun gading en waren niet zij tot die bodem bestemd.
Die laatste zomer, toen alles bijna altijd vreselijk was, waadden we op een late namiddag de baai in, toen het tij bijna helemaal was teruggetrokken.
We gingen in het water zitten, tot aan onze middel. Ik dreef op zijn schoot, met mijn gezicht naar hem toe, mijn benen om hem heen. En we vrijden in stilte,
en bleven zo losjes met elkaar verbonden, zonder te bewegen, maar wel meegevoerd door het zacht zuigende en klotsende water, totdat het tij zijn einde bereikte en langzaam weer begon terug te stromen.
Enkele kinderen renden achter elkaar aan, gierend in het ondiepe water, dichtbij maar niet té dichtbij.
Ik liet mijn kin op zijn schouder rusten en keek naar de kust. Hij moet over mijn schouder hebben gekeken, naar waar het water dieper werd en de kleine bootjes aan hun ankers trokken.
Uit: Herinneringen van Hadrianus (Vertaald door Jenny Tuin)
“Beste Marcus, Vanmorgen ben ik bij mijn arts Hermogenes geweest, die net van een vrij lange reis door Azië in de Villa is teruggekeerd. Ik moest nuchter zijn voor het onderzoek; we hadden een afspraak gemaakt voor de eerste ochtenduren. Na me van mijn mantel en tunica te hebben ontdaan ben ik op een bed gaan liggen. Ik bespaar je allerlei bijzonderheden die voor jou even onaangenaam zouden zijn als voor mezelf, en ook de beschrijving van het lichaam van een ouder wordende man die op weg is te sterven aan waterzucht door hartzwakte. Laat ik alleen zeggen dat bewustzijn heb gehoest, gezucht en mijn adem heb ingehouden volgens de aanwijzingen van Hermogenes, die zijns ondanks verontrust was over de zo snelle voortschrijding van de kwaal en de schuld ervan probeerde af te schuiven op de jonge Lollas, die me tijdens zijn afwezigheid heeft behandeld. Het is moeilijk in het bijzijn van een arts keizer te blijven, moeilijk ook je menselijke waardigheid te behouden. Het oog van de medicus zag in mij niets anders dan een hoop lichaamssappen, triest mengsel van lymfe en bloed. Vanmorgen is voor het eerst de gedachte in me opgekomen dat mijn lichaam, die trouwe metgezel, die vriend, zekerder en mij beter bekend dan mijn ziel, ) veeleer een geniepig monster is dat op een gegeven moment zijn meester zal verslinden. Het zij zo… Ik houd van mijn lichaam; het heeft me goed gediend, in alle opzichten, en ik wil het de nodige zorgen niet ontzeggen. Maar ik reken niet meer, zoals Hermogenes nog voorwendt te doen, op de wonderdadige krachten van planten of de juiste dosering van minerale zouten die hij in het Oosten is gaan zoeken. Die anders toch zo fijnzinnige man heeft me ter bemoediging allerlei vage formules opgedist, te banaal om wie dan ook te bedotten; hij weet hoezeer ik dat soort bedrog haat, maar je kunt nu eenmaal niet ongestraft meer dan dertig jaar de geneeskunde beoefenen. Ik vergeef die goede dienaar deze poging om mijn dood voor me te verdoezelen. Hermogenes is bekwaam; hij is zelfs wijs; zijn integriteit staat ver boven die van een gewone hofarts. Ik zal het voorrecht genieten de best verzorgde aller zieken te zijn. Maar niemand kan de gestelde grenzen overschrijden; mijn gezwollen benen houden me tijdens de lange plechtigheden in Rome niet meer staande; ik snak naar adem, en ik ben zestig jaar.”
Marguerite Yourcenar (8 juni 1903 – 17 december 1987)
De Sacramentsprocessie door Hipolit Lipiński, 1881
A Trio of Sonnets for Corpus Christi
2. Hide and Seek
Ready or not, you tell me, here I come! And so I know I’m hiding, and I know My hiding-place is useless. You will come And find me. You are searching high and low. Today I’m hiding low, down here, below, Below the sunlit surface others see. Oh find me quickly, quickly come to me. And here you come and here I come to you. I come to you because you come to me. You know my hiding places. I know you, I reach you through your hiding-places too; Touching the slender thread, but now I see – Even in darkness I can see you shine, Risen in bread, and revelling in wine.
Malcolm Guite (Ibadan, 12 november 1957) De Dominicaanse Kapel in Ibadan
Uit: De heer Cevdet en zonen (Vertaald door Veronica Divendal)
“Ochtend ‘Mijn pyjama, mijn rug… de hele klas… de lakens… o, mijn hele bed is doorweekt! Ja, alles is drijfnat en ik ben wakker!’ murmelde meneer Cevdet. Alles was inderdaad kletsnat, net als even tevoren in zijn droom. Hij draaide zich met een snurk om in zijn bed, herinnerde zich de droom en rilde. In zijn droom zat hij tegenover de meester in de klas op de jongensschool in Kula. Hij tilde zijn hoofd op van het natte kussen en kwam overeind. Ja, we zaten tegenover de meester. De hele school stond tot kniehoogte onder water,’ mompelde hij. ‘Hoe was dat ook weer gekomen? O ja, het dak van de school lekte. Het zoute water dat door het plafond kwam, stroomde over mijn gezicht en borst en langzaam liep de vloer van het lokaal vol. De meester wees voor de ogen van de hele klas met zijn stokje naar mij en zei: “Dat komt allemaal door die Cevdet.” ‘ Huiverend zag hij weer levendig voor zich hoe de meester naar hem had gewezen, hoe zijn klasgenoten zich en masse beschuldigend naar hem toe hadden gedraaid en hem met minachting hadden bekeken, het ergst van allemaal nog wel zijn twee jaar oudere broer. Maar de meester, die in staat was om zonder met de ogen te knipperen de hele klas bij elkaar tot lijfstraf te veroordelen en die je met een slag van zijn stok buiten westen kon slaan, kon zich er op de een of andere manier niet toe zetten hem te straffen voor het water dat van het plafond naar beneden kwam. Ik was anders dan alle anderen, ik was alleen en werd met minachting bekeken, herinnerde meneer Cevdet zich. Maar niemand durfde aan mij te komen, al liep op dat moment de hele school werkelijk vol water! Plotseling sloeg de vreselijke droom om in een leuke en aangename herinnering: ik was anders, een eenling, maar ze konden mij niet straffen. Terwijl hij uit bed stapte, herinnerde hij zich hoe hij op een keer op het dak van de school was geklommen en dakpannen had vernield. Ik had dakpannen kapotgegooid. Hoe oud zal ik zijn geweest? Zo’n jaar of zeven. Nu ben ik zevenendertig, verloofd en bijna getrouwd.”
Ik heb een spin gedood Geen moordlustige bruine kluizenaarspin En zelfs geen zwarte weduwe En om je de waarheid te zeggen Was het maar een kleine Soort papierachtige spin Die had moeten wegrennen Toen ik het boek oppakte Maar dat deed ze niet En ze maakte me bang En ik heb haar doodgeslagen
„Ernstlich, man soll im September nach Torre di Venere gehen, wenn das Bad sich vom großen Publikum entleert hat, oder im Mai, bevor die Wärme des Meeres den Grad erreicht hat, der den Südländer dafür gewinnt, hineinzutauchen. Auch in der Vor- und Nachsaison ist es nicht leer dort, aber gedämpfter geht es dann zu und weniger national. Das Englische, Deutsche, Französische herrscht vor unter den Schattentüchern der Capannen und in den Speisesälen der Pensionen, während der Fremde noch im August wenigstens das Grand Hôtel, wo wir mangels persönlicher Adressen Zimmer belegt hatten, so sehr in den Händen der florentinischen und römischen Gesellschaft findet, dass er sich isoliert und augenblicksweise wie ein Gast zweiten Ranges vorkommen mag. Diese Erfahrung machten wir mit etwas Verdruss am Abend unserer Ankunft, als wir uns zum Diner im Speisesaal einfanden und uns von dem zuständigen Kellner einen Tisch anweisen ließen. Es war gegen diesen Tisch nichts einzuwenden, aber uns fesselte das Bild der anstoßenden, auf das Meer gehenden Glasveranda, die so stark wie der Saal, aber nicht restlos besetzt war, und auf deren Tischchen rotbeschirmte Lampen glühten. Die Kleinen zeigten sich entzückt von dieser Festlichkeit, und wir bekundeten einfach den Entschluss, unsere Mahlzeiten lieber in der Veranda einzunehmen – eine Äußerung der Unwissenheit, wie sich zeigte, denn uns wurde mit etwas verlegener Höflichkeit bedeutet, dass jener anheimelnde Aufenthalt »unserer Kundschaft«, »ai nostri clienti«, vorbehalten sei. Unseren Klienten? Aber das waren wir. Wir waren keine Passanten und Eintagsfliegen, sondern für drei oder vier Wochen Hauszugehörige, Pensionäre. Wir unterließen es übrigens, auf der Klarstellung des Unterschiedes zwischen unsersgleichen und jener Klientele, die bei rotglühenden Lämpchen speisen durfte, zu bestehen und nahmen das Pranzo an unserm allgemein und sachlich beleuchteten Saaltische – eine recht mittelmäßige Mahlzeit, charakterloses und wenig schmackhaftes Hotelschema; wir haben die Küche dann in der Pensione Eleonora, zehn Schritte landeinwärts, viel besser gefunden.“
Ik keek toe hoe mama Kookte Hoewel ik kookte Met oma
Met oma leerde ik Kippen plukken Wortels schillen Darmen binnenstebuiten keren Varkenspoten schrobben
Met mama keek ik toe hoe ze Restjes verwerkte voor stoofpot Of groentesoep Grote witte bonen Een mix van boerenkool, rapen en mosterdgroenten maakte Knoflookteentjes laurierblaadjes Prachtig groen Stevig en fris Met een snufje zout Niet alles tegelijk Altijd, maar toch altijd Alles bewaren
Ik maak mijn eigen Unoxsoep in een slow cooker Ik maak mijn eigen ijs met een snufje zout En al het andere Met knoflook Maar verse laurierblaadjes Gebruik ik alleen voor heel speciale Ossenstaarten
Wat zijn we goed voor elkaar, wandelend door een land van stilte en duisternis. Jij opent deuren voor me, ik neem de telefoon voor je op.
Ik draai harde junglemuziek. Jij leest met het licht aan. Prachtig. De ronding van je jukbeen, explosieve klinkers, precies het juiste gebruik van parfum.
Waar denk je aan? vraag ik in een taal van aanraking die uniek is voor ons. Je tikt op mijn handpalm, niets bijzonders. Op stations wedijveren we met onze zintuigen, kijken we wat
het eerst komt – licht in de tunnel, een zweepslag op de rails. Ik schop tegen je schenen als we uit eten gaan. Jij dept mijn lippen. Ik betast die van jou als braille.
De Nederlandse dichteres Lieke Marsman is afgelopen woensdag, 3 juni, op 35-jarige leeftijd overleden. Lieke Marsman werd op 25 juli 1990 geboren in Den Bosch.
In mijn mand
Ik heb niet stilgezeten, ik heb Sartre gelezen en Kant en Kierkegaard. Als ik doodga hoop ik op een hemel om met hen in te kaarten (ik vraag me af of Marx voor geld zou spelen). Lachend zal ik vier azen op tafel gooien, twee jokers achter de hand. ‘Schenk mij bij!’ zal ik roepen naar een engel in een doorzichtig gewaad, maar de doden hebben geen stem. Natuurlijk hebben de doden wel een stem. Driekwart van de boeken die je leest zijn geschreven door een dode toen die dode nog leefde. En zo sijpelt het verleden de toekomst in
Dying is an art, schreef Sylvia Plath Doodgaan is weer kind zijn, denk ik Volledig overgeleverd aan de elementen, zonder dat je iets te zeggen hebt over de plekken waar het leven (een kinderwagen als het ware) je naartoe rijdt
Dit zal na mij zijn, wat voor mij is geweest – Seneca Wat een dwaasheid om verbaasd te zijn als op een dag gebeurt wat elke dag gebeuren kan. Ik ben een dwaas, maar dwazer is wie leeft alsof hij morgen sterft: wat een paniek pulseert er vandaag door je lijf! Nooit zul je meerdaagse plannen maken, nooit ‘s avonds laat door het Oosterpark lopen en verlangen naar de nazomer, nooit een stuk taart bewaren voor morgen, nooit kaartjes voor de biënnale kopen
Zachtjes zit ik in een kano in Frankrijk Hoopvol zit ik weer in de zonnige erker met bloemen Dit zijn geen jeugdherinneringen, maar geuren zoals alle jeugdherinneringen op een gegeven moment geuren worden. Proust, expert in deze vorm van melancholie, schreef: de kracht die de meeste keren om de aarde gaat in één seconde is niet elektriciteit, het is pijn.
…maar hij vergat het licht, dat het allersnelst is en altijd met dezelfde snelheid reist. Licht dat pijn kan doen verbleken. Want wanneer ik mij buk om de druiven die gevallen zijn op te rapen en pijn duwt mijn gezicht weer eens ineen als een harmonica maar ik kijk op en zie de zon weerkaatst in de nieuwe koelkast die van jou en mij samen is, wat betekent pijn dan nog?
Jij bent geboren in de grijze flat met plastic balustrades, ik zag mijn eerste nacht in het kleine huis met gekleurde kozijnen
Maar dit gedicht gaat over de dood. In mijn kist zal een donzen dekbed liggen, mijn lijf omringd door pluchen knuffels Ze noemden me kinderachtig, maar dat was toen Jonge honden waren we, voor het eerst in een park zonder riem, verbaasd bij alles wat ons lukte dankzij of ondanks onszelf en ons vermogen overal een competitie in te zien
‘De dood accepteert geen jokers,’ zegt Kant in alle ernst met zijn zwaarste stem en: ‘Schenk mij bij!’ tegen de engel, die geïrriteerd zijn breiwerk opzijlegt en antwoordt: in je mand (want is het zo onderhand niet evident dat mensen voor engelen zijn wat dieren voor mensen zijn?)
In mijn mand!
Is het mijn sterfdag? Ik maak mij geen zorgen Alle gelukkige momenten herhalen zich Eerst als tragedie en dan als klucht en daarna als elegie Er zullen opnieuw tieners wild na sluitingstijd een snackbar in rennen Er zullen opnieuw geliefden in de wijnbar zitten waar wij elkaar voor het eerst kusten Zelfs jij zal opnieuw een geliefde in een wijnbar zijn en opnieuw gelukkig zijn ook al is je oude geliefde dood Maar voor nu ben je boos dat ik dit opschrijf Veel te vroeg zoals ik altijd overal veel te vroeg ben Maar juist daarom hou ik van je omdat mijn ziekte soms voor jou een bron van boosheid is
Is het mijn sterfdag? De lucht is stil, als lucht op een kalender Is het mijn sterfdag? Vergeet klokken die luiden De lucht is stil, als lucht Is het mijn sterfdag? Vergeet engelen en psalmen Ik wil de vanille van een oud boek Ik wil een koud flesje bier en ik wil jou, nog één keer Vergeet vogels die zingen Ik wil mijn hond horen drinken
„Ein Lötkolben wurde in Gang gesetzt. Die Stichflamme fuhr langsam das Rohr hoch. – Fackel die Wand nich’ ab, Willi! Willi machte eisern weiter. Es war hundekalt. Überall froren die Leitungen zu, und sie kamen gar nicht nach. Es war sogar zu kalt, um Bier zu trinken. Und während Willi diese betrüblichen Gedanken noch in seinem Hirn wälzte, wobei seine Hand fachmännisch den Brenner führte, hörte er, wie aus seinem Munde die Worte kamen: – Alex soll mal drei Flaschen Bier holen gehen! – Bei der Kälte? fragte Schierkalla mahnend erstaunt. Doch der Altgeselle antwortete nicht mehr. Kalle Schierkalla war Geselle bei der alteingesessenen Klempnerei Gutbrodt & Söhne. Kalle hatte sich gestern ein prächtiges Veilchen gefangen. Irgend so’n Idiot kommt im »Sportlertreff« auf ihn zu und macht ihn an, von wegen dein Chef stottert ja und so. Eh, du Idiot, der stottert nich’, der hat nur’n Sprachfehler, du Ochse! Und knackwumm. Er hatte ziemlich schlechte Laune heute morgen Und das war ihm anzuhören, als er sich über das Treppengeländer beugte und aus dem dritten Stock nach Alex grölte, dem Lehrling, der natürlich wieder auf seinen Ohren saß. Die nach unten gerichteten Schallwellen schlugen auf dem gekachelten Treppenhausboden auf wie ein Tennisball und kamen mit Foffo wieder hoch, flogen an Schierkalla vorbei, ein halbes Stockwerk höher, um dort durch die Wohnungstür zu dringen und einen Mann aus dem Schlaf zu reißen, der in traumschwerem Morgenschlummer lag. – Fackel die Wand nich’ ab, Willi! Es ist unmöglich zu schildern, wie diese Worte und in welcher Maske sie durch seine Schlafhaut gedrungen waren, als letzte abschließende Rede einer Situation, auf die er zugeträumt hatte. Und jetzt Alex, der Arsch mit Ohren. Der Mann versuchte, sich an die Eintragungen in seinem Personalausweis zu erinnern. Dann wußte er wieder, wo er war. Die Bude war eiskalt. Und die wollten Bier.“
Vrijdagavondkoorts
Een koude maartse regen midden in de zomer, het is alweer eind juni. 5 uur ’s middags, vrijdagavond. De drukte van de stad neemt af, het geraas zal weldra voorbij zijn. Het weekend staat voor de deur. Vanavond gaan we er flink tegenaan! Absoluut! We gaan naar onze stamkroeg – en dan gaan we helemaal uit de bol! Je moet jezelf af en toe verwennen. – En ernaast: Kom op, laten we naar de “Roxy” gaan. Ik vind de “Camera” leuker. Maakt mij niets uit? Mij wel. Oké, “Camera”. En als er niets te beleven is? Dan doen we wel iets anders. Niet weer!
Ik wil gaan joggen! Je moet wachten tot morgen. Nee, nu! Kijk eens naar buiten. Een koude maartse regen valt. Ik vind alles saai, behalve joggen. Kom op, laten we seks hebben. Nee, niet nu!
„Wer spricht, kann loben, lügen, plaudern, drohen, flehen, fluchen, bitten, beten, betteln, zetern, zürnen, danken, plänkeln, streiten, schmeicheln, lästern, widersprechen, warnen, kritisieren. Grüßen und granteln. Wer schreibt, hat nicht selten ein Problem mit gesprochener Sprache, behaupte ich. Ein geschriebenes Wort, das gedruckt wird, kann und muss ich sorgsam wählen, gegebenenfalls löschen, ersetzen. Ein gesprochenes Wort, einmal geäußert, wirkt unmittelbarer. Eine Stimme trifft auf einen Körper. Einmal gesagt, ist es in der Welt. Man kann es nicht zurücknehmen. Es war meine Mutter, die mir eine große Vorsicht, nein, Umsicht mit Worten vorgelebt hat, in ihrem Versuch, sich stets so genau wie möglich auszudrücken. Als Zugezogene und Kind schlesiendeutscher Eltern glaubte sie, sich keinen Fehler erlauben zu dürfen. Nicht zuletzt ihrem Bewusstsein für Sprache verdanke ich wohl meine Liebe zum geschriebenen Wort — aber eben auch mein Drama mit dem Sprechen. Auf den ersten Blick scheint nichts natürlicher. Das Sprechen gehört zum Menschen wie das Atmen. Für mich barg es recht früh Fallstricke, Fragezeichen. Ich staunte — und staune noch heute —, wie mühelos und leichtfertig viele Menschen Worte im Munde führen. Wie unbekümmert sie davon ausgehen, andere zu verstehen und selbst verstanden zu werden. Schon als Kind empfand ich Sprache als etwas Faszinierendes, aber auch als etwas Zerbrechliches und, ja, Gefährliches, mit dem man Schaden anrichten, sich einem Urteil ausliefern konnte. Jedenfalls nicht als ein schlichtes Mittel der Verständigung. Auch deshalb habe ich wohl gleich mehrere Male in meinem Leben fast vollständig aufgehört zu sprechen. Das Verstehen und Verstandenwerden ist in der Tat keineswegs selbstverständlich. Es stellt im Gegenteil sogar die Ausnahme dar, nicht die Regel. Erstmals begegnete ich dieser Überlegung als Zwanzigjährige, in einem Seminar zur Sprachphilosophie.“
Uit: „Immer noch freundlich, aber kaum noch geduldig“: Tagebücher 1980-2021
„10. Juni 1980
Beckermann hat angerufen und gesagt, es sei alles in Ordnung. Ich schreibe weiter an dem Stück. Im Augenblick strömen alle kleinen Nebenflüsse wieder in den Hauptfluß, und es hat den Anschein, als wollten sich die Dinge wenigstens vorübergehend zu einem Ganzen fügen. Und eigenartig: Meine erste Reaktion ist Angst, daß so viel Gutes auf einmal nicht kommen kann, ohne die Katastrophe hinter sich herzuziehen. Und dann denke ich wieder: Mein Mißtrauen provoziert das Unglück. In solchen erfolgreichen Augenblicken komme ich mir immer vor wie ein Hochstapler. Ich weiß so wenig. Und ich schaffe es nicht, mehr zu wissen. Ich habe den Eindruck, immer wenn ich etwas Neues begreife, vergesse ich etwas, was ich vorher wußte. Vor allen Dingen kann ich mir nicht merken, was ich gelesen habe.
Freitag, 13. Juni 1980
Ich habe die ganze Nacht in einem wunderbaren Zustand verbracht. Ich war ich und doch eine andere. Mein Gefühl von mir war oval wie ein Ei, aber ich war kein Ei. Um mich und in mir waren Musik, Blumen und Licht, mit denen ich mich eins fühlte, ohne daß ich das gewesen wäre. Ich wußte im Traum, welches Gefühl ich immer gesucht hatte. Ich wußte, daß ich ein Geheimnis wußte, das mir bis dahin immer verschlossen gewesen war. Ich war eine andere, und ich war ich. Das Gefühl blieb als Erinnerung, aber ich konnte es nicht wieder herstellen, nachdem ich einmal aufgewacht war. In solchem Augenblick bin ich bereit, an alles Über-irdische zu glauben. Woher kommen solche Empfindungen, wenn man im Leben keine Gelegenheit hat, sie zu erfahren? Woher weiß ich etwas, was ich nicht erfahren konnte? Oder unsere Phantasie und unsere Wünsche sind so stark, daß sie uns für kurze Zeit eine andere Wirklichkeit schaffen können. So ähnlich muß die Günderrode empfunden haben, als sie ihr apokalyptisches Fragment schrieb. Sie starb kurz darauf.”
De volledige lichaamstatoeage zien, althans alles wat zichtbaar was, als een duveltje uit een doosje springt het vooroordeel er meteen uit: motorvrouw De vrouw achter de kassa, onverschillig, trekt de streepjescodes over het licht. Learning by buying, geluk hebben, bijna altijd bij haar kassa staan. Anders heeft het winkelen geen zin. Vriendelijk persoon, evenwichtig en humoristisch, veel meegemaakt, ze verkoopt geen kletspraat, maar haar droge humor legt haar voor iedereen die zij mag een geestige opmerking op de tong; je begint de dag met een vrolijk gevoel.
„Wie beginnt das Reisen? Wer mit Fernseher und Internet aufgewachsen ist, wurde, anders als die meisten Reisenden im 20. Jahrhundert, bereits mit einem überbordenden Repertoire an bewegten Bildern von den letzten Enden der Welt ausgestattet. Wir keimen jeden Winkel der Erde als Foto, als Film oder aus dem World Wide Web, via Google Earth oder GPS, und haben eine Elementartugend verloren: die Fähigkeit, uns auf etwas einzulassen und ein Gefühl der Überraschung zu erfahren. Wer so ins Leben geht, hat vor welchem Aufbruch wohin auch immer zunächst vor allem eins zu tun: Löschen. Vergessen. Den Zähler wieder auf null stellen. Nur so entgeht man der Versuchung, es sich leicht zu machen und in ungesättigtem Strukturhunger nur das aus dem Kopf Vertraute vorzufinden. Wenn wir Key West hören, haben wir sofort Hemingway vor Augen. Bereits Max Frisch konnte nicht umhin, sich selbst von den entferntesten Landschaften stets an seine Heimat, die Schweiz erinnern zu lassen. In seinem immer noch verblüffend zeitgenössischen Roman Homo Faber beschreibt er in der Figur des technisch-rationalen Walter Faber den modernen Menschen schlechthin. Nur das Versagen des Systems, im Buch bezeichnenderweise ein Flugzeugabsturz, vermittelt den Einbruch des Schicksalhaften in ein Leben, das auf Reisen seither einen kaum überbietbaren Grad an Perfektion erreicht hat Wir besitzen knitterfreie Reisehosen von Prada, ein Overnight Kit gegen den Jetlag, Melatonin zur Anpassung an das absurdeste Durchqueren von Zeitzonen. Wenn wir einchecken, dann in speziell abgetrennten Zonen für BusinessFirst wie auf dem apart in Glas und Stahl glänzenden Terminal 2 des Münchener Flughafens. Von dort aus gleiten wir durch ein hypermodern aseptisches Einkaufszentrum in die Lederfauteuils der Wohnlounges, um den Abflug zu erwarten. Drinks, Snacks, Speisen. Zeitungen, Magazine, Videobildschirme. Getönte Scheiben, Teppiche, Ruheliegen. Arbeitszellen mit Computer, Fax und Internet – alles ist dazu entworfen, von dem Umstand abzulenken, dass wir uns in einem Transitzustand befinden, der in sich das größte Abenteuer birgt: eine Abfahrt mit stets offenem Ausgang, ein Risiko.“
Iedereen ging ervan uit: dat hij met zijn grappen en uitspraken al snel de populairste man in het verzorgingstehuis zou worden – de koning van de rookkamer. Vernederd en verbitterd zit hij op het bed in een kale kamer, met niet eens een kruisbeeld aan de muur. De gekke vrouw van boven komt ’s nachts in haar rolstoel binnen en steelt zijn ondergoed.
Om mij heen is alles luidkeels in leven de boer op zijn maaier, blatende schapen in de esdoorn een zwartkop die roept om een vrouwtje, uit bloemkelken klinkt het geronk van een bij.
En ik leef ook maar moet dat zelf zeggen want niets van al wat ik waarneem noemt mij. Zoals je met vrienden wel praat over vroeger: We waren aan zee, in een tent, heel gelukkig – vraagt iemand: was jij daarbij?
Dus ben ik alleen in de tuin in de wereld en om mij heen ademt alles en in huis zit een man. Dit is het leven, schrijft hij, deze ochtend in juni, de zwartkop zingt en in de tuin zit zij.
Marjoleine de Vos (Oosterbeek, 19 april 1957) De Oude Kerk in Oosterbeek
De Nederlandse dichter, schrijver en letterkundige Wiel Kusters werd geboren in Spekholzerheide op 1 juni 1947. Zie ook alle tags voor Wiel Kusters op dit blog.
Langzame Wals
Wij dansten, moeder, door de keuken je had mij lachend opgetild
vier jaar was ik ‘daar bij die molen die mooie molen’ van de radio
geboren, losgeschild je kleine vrucht, een zoet bestaan
een appel die zo rood moest glimmen dat je ogen ervan glansden
opgenomen in een wals tussen tafel stoelen pannen
dat het kleine wandkleed moeder dat je in de keuken hing
geborduurd met wolken schaapjes bomen en een molentje plus een boertje met een pet
dat dat helder linnen kleedje met zijn spichtige figuurtjes draaiend mij voor ogen bleef in de warmte van de keuken langs de wanden van mijn geest
zozeer dat ik het ging zingen en mijn ogen moest bedwingen toen je stierf en ik je zag
jij mij zag ik wilde tillen wat er van ons overbleef op een stoel en in een bed
en wij zwierden en wij walsten tot je grond verzonken was
Vlag
Een vlaggenmast houdt vlaggen vast. Een windvlaag vindt dat ongepast.
Maar als de vlag gestreken wordt, is er geen windvlaag meer die mort.
Dan wappert fier en vrij de wind: er is geen vlag die hem nog bindt.
Maal
Van iedere hap eet ik nog maar de helft. En lucifers die breek ik door. Voor thee dient mij het zakje van de dag tevoor. De tandpasta moet vier keer langer mee.
Ik zou gierig moeten zijn nu ik je mis. Ik moet niet zo ademen, de rest is dan voor jou. En minder slapen, minder waken. Veel minder alles waar ik vol van ben.
Ik zie je door de kamer gaan en voel hoe je een arm mij om de schouders slaat. Je lacht, je legt je benen op de bank.
We praten, eten, slapen – dubbel dus en zij aan zij. Daar schuilt het missen in, zolang ons missen gretig wordt betwist.
en dan is het er weer, komt van ver weg dichterbij NL-D na 15 minuten nog 0-0 in het nieuws komt het voort uit een zijspoor en vergiftigt het mijn gemoed Europa kan zich niet uit de crisis sparen de markt heeft nieuw geld nodig de banken worden niet genationaliseerd en dan met de lotnummers 1 5 2 5 6 7 8 9 overvalt me een voorgevoel, een angstaanjagend beeld verschijnt als een silhouet in het venster van de ziel richting de straat in de deuropening de zieke moeder rookt het kind slaapt naakt op de stoep