De Nederlandse dichteres, vertaalster, recensente en popcritica Elly de Waard werd geboren in Bergen (NH) op 8 september 1940. Zie ook alle tags voor Elly de Waard op dit blog.
Juli en onverdraaglijk herfstig
Juli en onverdraaglijk herfstig is de lucht. Zoveel bladeren van het berkje dwarrelen nu al in de vroegte samen tegen de stenen traptreden. Hun geel vergaderen is verontrustend.
Een koude wind om de hoek valt van het huis, waar ik al bladerend in mijn geschriften in de ochtend zit en huiver en mij niet thuis voel, toch blijf weigeren naar elders te vluchten.
En mijn hart is moe en het hangt als een rood blad aan zijn aderen en zijn grote geruchten zijn geluwd, zijn in de koude wind weggeschuwd en het houdt zich klein en hurkt weg in voorzichtig zuchten.
De dagen houden niet over
De dagen houden niet over van zichzelf, ze zijn te heet en er wordt niets in mijn twee handen omgesmeed; pas onder de sterren
in de smidse van de nacht, die in een vonkenregen is verstard flonkert de maan, Hefaistos’ laatste werk, in de scherven op de muur
als vuurvliegen en vleermuizen fladderen af en aan, bedienden, de donkere vloer van het zwerk vegen zij aan en het stroompje
kabbelt er kalm de krullen uit, een koele bedrijvigheid, pas in aandachtigheid opgemerkt; ik voel mij helder nu en sterk.
En in een tijd, waarin een dichter
En in een tijd, waarin een dichter geworden is tot curiosum, tot marginaliteit, een tijd ook waarin talen (als de zijne) zich vermengen of verdwijnen
toch dichter te willen zijn van zo’n historisch rijk, maar klein en koppig taalgebied, dat van een eigenzinnigheid van zeggen is en in benoemen authentiek.
“Andere dolfijnen waren bezig meteen eeuwige sprong door de lucht. Wat mij aan die fontein stoorde, was dat hij een oog moest voorstellen. Mogelijk wilde de architect met zijn bouwwerk het verdriet der dolfijnen aantonen, anders kan ik niet verklaren dat dat water niet uit het spuitgat maar uit het oog van de dolfijn poot. Van de 767 appartementen werden er slechts negen bewoond. Met hoge verwachtingen gebouwd, maar net op het verkeerde moment. Ik denk nog wel eens aan de investeerders. In weerwil van de vrolijkheid die dolfijnen vaak wordt toegedicht, waren die paar bewoners niet bepaald levensgenieters. Ze waren allemaal alleenstaand en de meesten hadden een, baan die hen verplichtte zo vroeg mogelijk, op kantoor te verschijnen om het pas te verlaten als er geen daglicht meer te bekennen was. Ook in de zomer lukte het ie vaak om in het donker thuis te komen. Mijn eigen appartement bevond zich ongeveer op de plek waar het spuitgat van de dolfijn had moeten zitten. De eerste maanden dat ik er woonde, was ik net als de anderen alleen thuis in het weekend en ’s nachts, wanneer ik profiteerde van de vijf uur slaap die mijn werkgever me gunde. Ik wist toen nog niet eens <lat er maar zo weinig appartementen bewoond waren. Maar toen ik eenmaal ontslagen was en als werkloos jurist mijn dagen moest zien te slijten met behulp van alle mooie spulletjes die ik voor mezelf had gekocht, begon ik me voor mijn medebewoners te interesseren. De meeste mensen hebben alleen belangstelling voor anderen wanneer die iets voor ze kunnen betekenen. Maar ook verveling kan een drijfveer zijn. Op mijn eigen etage woonde verder niemand. Op de twee verdiepingen daarboven ook niet. Als je overdag door de gangen liep en je ging helemaal aan de westpunt van de gang staan, dan kon je te weten komen hoe lang geluid erover doet om driehonderd meter af te leggen. Ik riep iets, bijvoorbeeld ‘ik ben ziel-loo-oos!’, en boorde vervolgens hoe die woorden alle lege kamers langsgingen om te botsen tegen precies zo’n glazen plaat als waartegen ik stond aangeleund. Ook stelde ik me voor dat je er uitstekend kon voetballen, ware het niet dat ik maar één werkloze vriend had, wat betekende dat we alleen landerig een bal naar elkaar konden gaan overschieten. En dat had ik in mijn jeugd al vaak genoeg gedaan.”
Op een dag wist je eindelijk wat jij had te doen, en begon,
hoewel de stemmen rond je hun slechte advies bleven schreeuwen,
hoewel het hele huis begon te schudden
en hoewel je de oude trek aan je enkels voelde.
“Heel mijn leven” riep elke stem. Maar je stopte niet Jij wist wat jij had te doen
Ondanks dat de wind met haar stijve vingers Peuterde aan de fundamenten en Die anderen verschrikkelijk zwaarmoedigheid klonken.
Het was al laat genoeg, een wilde nacht En de weg vol met gevallen takken en stenen.
Maar beetje bij beetje Met hun stemmen achter je Begonnen de sterren te branden door het wolkendek en er was een nieuwe stem Die je langzaam begon te herkennen als de jouwe Die je gezelschap hield terwijl je dieper en dieper de wereld in trok.
Vastbesloten Het ene ding te doen dat je kon doen, vastbesloten het enige leven te redden dat je kan redden
“To be fair, Jerry was surprised that it had taken quite this long for one of the braying posh boys to accuse the weirdo from Dreghorn of being a thief. From the moment he first rocked up at the halls of residence, he had felt like he didn’t belong, and little that had happened since had disabused him of this notion. It would have been reassuring to learn that everybody felt the same way, being new to uni, new to living away, new to the city, but he felt like he was an absolute beginner surrounded by veterans. Which would have made some sense had they all been second- or third-year students, but so many of his fellow freshers seemed so much more comfortable in their new environment. It was like they had all been on an induction course. Maybe it was a final-year option at posh schools. He had come back from his morning lecture and was walking through the common area when he detected an energy change in the room. He didn’t need to believe in a sixth sense or any of that pish to know that his presence was the thing that changed it. He immediately felt scrutinized. Had to be that prick Danby. Who the hell had that for a first name? Him and his mates acted like they owned the place, probably because they knew that given enough time, they probably would. Or Daddy would, at least, but when he signed it over to them, they’d tell themselves they had earned it. Born three-nothing up and convinced they’d scored a hat trick. Danby had been talking to the warden when Jerry walked in. He suspected that wasn’t good. ‘There he is,’ he heard Danby say, before calling out: ‘Hey, you, Rob Zombie, I want a word.’ Jerry had spent years growing his hair into dreads like Chris Barnes, Rob Flynn or indeed Rob Zombie, but he doubted Danby would have recognized any of them. The guy had called him that purely because of what it said on the T-shirt he was wearing. Jerry just kept walking to his room, where he slung his backpack and his battle jacket on the bed and closed the door. Less than ten seconds later, there was an insistent hammering on it. Even the cadence screamed entitlement. Part of him wanted to let the fucker stand there, just lock the door and stick on his headphones, but he knew he would only be postponing a problem. Jerry opened his door, and there, of course, was Danby, with his two wingmen hovering behind, and that lassie Philippa, who was always staring at him like he was a sideshow freak.”
Christopher Brookmyre (Glasgow, 6 september 1968)
De Afro-Amerikaanse dichter Adrian Matejka werd geboren in Neurenberg, Duitsland, op 5 september 1971 en groeide op in Californië en Indiana. Zie ook alle tags voor Adrian Matejka op dit blog.
Nog een lange weg te gaan
—naar St. Joe Louis Omringd door Slangen (1982), Jean-Michel Basquiat
In de paarse omhelzing tussen avond en nog meer avond rookten jongens sigaretten tot aan hun muntachtige uiteinde en praatten over billen als gekke hammen en heupen
als een dreun, hun monden krulden van gretige bewondering en hun levendige handen vormden de lucht—handpalmen naar beneden en handpalmen naar boven in halve cirkels van verbijstering. De C-vorm die de tabak
nog gloeiend tussen de vingers maakt, is het dichtst dat een van deze jongens vandaag bij de heup van een meisje zal komen. Daarom kapten deze jongens, in dunne hemdjes en hopeloze
shirts, gesprekken gemakkelijk af van ‘Kijk eens hoe ik haar pak’ tot ‘Kom op, sukkel’, waarbij ze schouders en vuisten naar elkaar wierpen als kleine superhelden zonder schurken
om tegen te vechten. Geen capes, met blote vuisten. Geen redding van de buurt ook, want bij elke worp breekt er iets.
“Het was een warme zomer, de warmste warme zomer van de eeuw. Negentienzevenenvijftig. Mamma zat in de kelder, tussen de planken met ingelegde komkommers en weckflessen met snijbonen en vaten met zuurkool en flessen gemberbier en lege aardappelzakken en klonten in vetvrij papier verpakte boter en halve kazen en kranen met zuipt-bollen, en ze had een buik als de wereld zelf. Nog nooit was iemand zo dik geweest. Als wij trapten was het alsof er iemand onder haar kleren zat die een poppenspel speelde met haar jurk. Pappa schreef zijn scriptie, de Spoetnik werd gelanceerd, opa had al kanker, maar wist het nog niet, oma zou vijf jaar later sterven, toen John Glenn om de aarde draaide. Negentienzevenenvijftig. Augustus. De warmste augustus in de geschiedenis van de mensheid.’ ‘Dit is mijn herinnering aan ons,’ zei Lisa. ‘Dit zijn wij: jij, Raph en ik, op weg naar buis. Het is een warme namiddag, in de verte worden sloten schoongebrand. Wij lopen naar huis en ik denk: dit komt nooit meer terug. Terwijl wij lopen, denk ik: dit komt nooit meer terug, en ik zie ons als drie vrolijk gekleurde vlekjes in het groen van de laan. Dit is mijn herinnering, maar ik denk ook aan wat later gebeurde, aan het begin van deze laan, toen ik op mijn rug onder een eik lag, badend in schaduwvlekjes, het hoofd in het hoge gras en hij over mij heen. Achterover in het gras, de grote boom boven mij en het zingen van de stilte en mijn lichaam dat gevuld wordt en tegelijkertijd niet. Ik wilde dat hij drie was, die middag, drie keer hij. Ik wilde hem overal. Ze branden de sloten schoon en de schaduw van de boomkruinen glijdt over mijn hoofd en we lopen door de laan en ik denk: dit is mijn herinnering aan ons, aan jou en Raph en mij, en ik weet dat alles verdwijnt, de rook, de avond die gaat vallen, het gras waarin wij hebben gelegen, dat zich weer zal oprichten. Ik kijk naar jullie gezichten, ik ruik de geur van brandend hooi en ik denk: dit is mijn herinnering aan ons.’ Maar er waren geen brandende sloten, Raph was hier ook niet, en hoewel de avond viel zagen wij de zon niet achter de einder zinken. Dit was de plek waar ik woonde, een in steen uitgehakte schoenendoos, anderhalve verdieping pakhuis met kale stenen muren en grijze planken vloeren en afgezaagde stukken pijp die uit de muren steken. Ik was een paar uur geleden met mijn tas vol boodschappen naar boven geklommen, de kale trappen op, in het licht van de met algen begroeide koepel in het dak, en toen ik de deur opende zag ik haar, ineengedoken op de rand van het bed, de benen over elkaar geslagen, in de ene hand een schoteltje met peuken, in de andere een sigaret. Ik stond in de deuropening en keek naar mijn zuster, helemaal aan het andere eind van de kamer, bijna twintig meter van mij vandaan. Ik dacht: wat is ze klein.”
Marcel Möring (Enschede, 5 september 1957)
De Afro-Amerikaanse dichter Adrian Matejka werd geboren in Neurenberg, Duitsland, op 5 september 1971 en groeide op in Californië en Indiana. Zie ook alle tags voor Adrian Matejka op dit blog.
Liefdesbriefjes
Houd je van vage beloftes? Houd je van slecht nieuws in melancholieke vorm? Helemaal of half, tatoeages die pronken op
samengevoegde ribbenkasten? Vink dit vakje aan en, als een ademhaling, voel je je grotendeels vervlogen.
Net als een van die vroege opnames, zul je krakerig en ontmythologiseerd klinken. Onbeschrijfelijk bekentenisachtig, tot de laatste kwartnoot
een processiehymne wordt. Het komt helemaal goed met jou, omgedraaid naar de B-kant van het referendum
met de nadruk op dit briefje. Prachtig en geheel binnen het addendum, als een diepe uitademing door het slimme deel van een vraagteken.
“Ze ziet hem eerder dan hij haar. Hij staat in een groepje jongens, iets voorbij de lindes die alweer helemaal geel zijn, en leunt tegen het rek met de schommels. Als ze met haar boodschappentas het plein op stapt, draaien zijn smalle schouders van haar weg – of is het haar overgevoeligheid? In elk geval, hij wil niet mee naar huis. ‘Ik kom.’ Een gemompelde groet, geen knuffel. Haar zoon. Sinds een jaar of wat heeft hij haar het liefst ergens aan de rand van zijn wereld. Vanaf daar mag ze hem een bord eten toeschuiven, een stapel schone T-shirts, een glas cola. De hele dag zit hij op zijn kamer. Als ze er naar binnen wil, moet ze eerst kloppen. Maar af en toe, niet al te vaak, deelt hij een grappig filmpje met haar, rond een uur of tien. Wanneer ze op het punt staat om naar bed te gaan, zakt hij naast haar op de bank, en dan moet ze eindeloos kijken naar dansende koeien, een gezin dat in de keuken perfect synchroon dansjes uitvoert, Obama als YouTuber met een koptelefoon op, een kip die een kipnugget van een bord pikt. Om de jongens heen liggen stukken hout verspreid, resten van pallets die ze uit de containers trokken. Ondanks corona gaat de renovatie van hun buurt gewoon door. Van afvalhout bouwden kinderen een hut tegen het klimrek. Op het plein achter hun huis is Mano groot geworden. Ze hoefde maar uit het raam naar beneden te kijken en dan zag ze hem, voetballend, slepend met takken, zich een weg banend door de bosjes in het plantsoen. Tot zijn achtste liep ze met hem mee om de tegels te inspecteren op glasscherven of ander afval dat hem in gevaar kon brengen: halflege bierblikken, zakjes met restjes wiet. ‘Zorg dat ik je kan zien,’ zei ze, zeker tot zijn twaalfde. ‘Ik wil het weten als je met een vriendje mee naar huis gaat.’ Nog altijd houdt ze een oogje in het zeil. Er wonen veel mensen met problemen in deze buurt. Zoals die oudere man op de hoek aan de andere kant van het plein, een tanige Surinamer die haar aan haar vader doet denken. Sommige kinderen pesten hem. Haar zoon niet, voor zover ze weet. Ze gooien steentjes tegen de ramen. Als ze lang genoeg doorgaan, trekt de man de deur open en stormt naar buiten. ‘Hij heeft een kapmes, hij heeft een mes,’ de kinderen stuiven uiteen.”
Sanneke van Hassel (Rotterdam, 4 september 1971)
De Afro-Amerikaanse dichter Adrian Matejka werd geboren in Neurenberg, Duitsland, op 5 september 1971 en groeide op in Californië en Indiana. Zie ook alle tags voor Adrian Matejka op dit blog.
De Schaduw Weet Het
Vanaf dag één streven we ernaar meer te zijn dan de gemiddelde
Neger. Geen van die yassah baas en watermeloenschil
glimlach voor ons. We willen kwartels gebakken in boter. We willen
goud waar die spleet tussen onze tanden hoort te zitten. Duidelijkheid voor de Neger
karikatuur. We willen stijlvolle kleding, gouden ringen
aan onze vingers als Griekse architectuur en gouden zak
horloges in onze vestzakken. Meer vrouwen dan jassen. Witte vrouwen
overal in onze architectuur. We willen bijzondere en instinctieve
bevredigingen. We willen de hoofdattractie van het boksen zijn:
de wereldkampioen zwaargewicht. Als wij opstaan,
staat het hele zwarte ras op met ons. Als we de top bereiken,
zijn alleen wij het. Geen behoefte aan negers dan, niet eens aan onszelf.
De Nederlandse dichter, schrijver en literatuurcriticus Jacq Firmin Vogelaar (pseudoniem van Franciscus Wilhelmus Maria (Frans) Broers) werd geboren in Tilburg op 3 september 1944. Zie ook alle tags voorJacq Firmin Vogelaar op dit blog.
Uit: Flaubert overschrijven
“Wil de ware Flaubert opstaan – waarschijnlik zou de schrijver van die naam indertijd met een grijns zijn blijven liggen. En wat een genoegen zou hij hebben beleefd (hij die over literatuur meer dacht in termen van prokreatie dan van kreatie) bij het zien van de talloze mutanten van hemzelf die in de eeuw na zijn verscheiden zijn ontworpen: even zovele Flauberts als er lezingen van zijn werk bestaan. In Nederland staat Flaubert, zoals bijvoorbeeld uit de vertalingen valt op te maken, vooral te boek als schrijver van het klassieke prototype van de realistiese roman, Madame Bovary en Leerschool der Liefde. Voorkeuren worden vaak bepaald door een globale scheiding tussen enerzijds Flaubert de barokke stilist die in woorden zwelgt temidden van zijn overladen (historiese) dekors en anderzijds de slijper van zinnen, de kronikeur van het kleinburgerdom. Voorzover Flaubert in Nederland al gelezen en besproken wordt, gaat het vrijwel uitsluitend om de ‘realist’, de schrijver van het boek over Emma. Hoe men Madame Bovary ook waardeert – en vaak is Flaubert op die roman vastgepind als een geniale gelukstreffer in een verder min of meer mislukt oeuvre -, men mag niet uit het oog verliezen dat die roman voor Flaubert zelf nooit meer dan een stijloefening is geweest, huiswerk hem opgegeven door zijn twee vrienden, Maxime du Camp en Louis Bouilhet, die nadat hij vier dagen achtereen met veel verve de eerste Tentation de Saint Antoine had voorgelezen zijn jeugdig vuur blusten met hun advies, het manuskript maar liever in de kachel te gooien en er nooit meer een woord aan vuil te maken. Minder bekend is dan ook dat Flaubert, vrijwel ter zelfder tijd als hij door naturalisten werd gekonfiskeerd, een van de eersten is geweest die drasties brak met de ‘regels’ van de realistiese roman. La Tentation (De Verzoeking) is daarvan het sprekend bewijs, ook Salammbô, maar zeker Bouvard et Pécuchet dat als plan, in niet mindere mate dan de versies van De Verzoeking, een onmatige droom is geweest die zijn schrijven veertig jaar heeft geobsedeerd. Een verdeling van Flauberts werk in symboliese en realistiese teksten verduistert de ambivalenties die belangrijke drijfveren zijn in het werk: de twee bewegingen die steeds tegelijkertijd in het spel zijn – de inkrimping, het wegstrepen, de schoonheid van de leegte en het niets, het verlangen naar de passiviteit van de materie, maar ook de overdrijving, de uitbreiding, de gewelddadige en buitensporige inlijvingsdrang: een permanente aandrang.”
Jacq Firmin Vogelaar (3 september 1944 — 9 december 2013)
De Afro-Amerikaanse dichter Adrian Matejka werd geboren in Neurenberg, Duitsland, op 5 september 1971 en groeide op in Californië en Indiana. Zie ook alle tags voor Adrian Matejka op dit blog.
Als je moe bent, doe dan een dutje
Ik heb bruggen of politieagenten nooit gemogen, en er zijn er meer van allebei in de buitenwijken, heersend over mogelijkheden als struikelblokken
over trappen. Het blauwwitte paar naast de kleine gymzaal na het eerste lesuur, schoenveter verstrikt onder de voet van een nieuwe pestkop. Hij zou
beroofd zijn in Carriage House, maar niet door mij. Moet kalmeren, anders wordt het erger: in blauwe pyjama’s & van de gladde zomerrand
geduwd, lange val in het privézwembad, opgedeeld in drie afzonderlijke strofen: het gespetter en gegiechel van de meisjes, de uitroep van de zongebruinde badmeester,
en het opspattende water dat aanzwelt, en zich splitst in twee, gechloreerde luchten.
Dit is hem zoete zelfzucht van de liefde: Dat hij zijn daden om een ander doet (En gaarne zich het noodige ontriefde, Want elk ontberen is begeerd en zoet),
En weet zichzelven meer en meer beminde, En voelt rondom zich als het koel geruisch, Dat, durend en weldadig, de oude linde Omschaduwd schenkt aan ’t zongezengde huis.
En ziet de effen heemlen van zijn droomen Van smeltend goud en kwijnend avondrood. En voelt een wijden avond om zich komen, En in hem is de avondvrede groot.
Dan vliegt een donkre vogel (zijn begeeren, Nog wonder vreemd en vaag zonder naam) En daalt op strak gespannen glanzen veeren. Hij ziet, en wacht met ingehouden aêm.
Pharao
Volkeren hebben zich ontzet gebogen. Ik nam hun vleesch en bloed, hun moeilijk weenen, Om aan mijn naam den donkren glans te leenen Die sloeg uit hun gebroken woedende oogen.
Mijn groote dood werd langzaam opgetogen Door hun klein sterven, als muurvaste steenen Stapelde ik hun angsten om mij henen, En stierf als zij, maar sterk en onbewogen.
Schennende handen van hun vuige zonen Braken het graf der heilge pharaonen, Scheurden de wa van hun verdorde leest.
Niets kan de glorie van mijn mummie storen. Zij staat zoo stil en zeker als te voren Onder den zwaren bouw van mijnen geest.
De ijsbloem
Het vriest, de nevels moeten wijken. Men stookt in hut en in paleis. En ’s morgens op de ramen prijken De wonderbloemen van het ijs.
O flonkertak, o ranke varen, O tooverspel van vocht en wind, Uw schitteren, waar wij naar staren, Wijkt voor den adem van een kind.
Het glas is helder als voor dezen. Heeft kinderadem zulk een kracht, Hoe machtig moet Uw Adem wezen, Heer, die ons reinigen volbracht!
Willem de Mérode (2 september 1887 – 22 mei 1939)
De Afro-Amerikaanse dichter Adrian Matejka werd geboren in Neurenberg, Duitsland, op 5 september 1971 en groeide op in Californië en Indiana. Zie ook alle tags voor Adrian Matejka op dit blog.
16 -maten poëtica
Zo makkelijk als een exquise lijk geparafraseerd zo gelexicografeerd als een betweter
opgewekt door de dreun van bus 146— deze 16 zijn voor jullie. Roep
naar de stadszangers die in schuine lettergrepen schreeuwen op lanen poreus
van slecht gebouwde ornamenten en paardrijdende monumenten. Deze 16 zijn voor jullie:
regelbrekers en foeteraars, meerlettergrepige praatjesmakers klaar voor moeders spaghetti
hun enige kans. Ondertussen ondermijnt het dak tegenover ons
de zonsondergangsskyline en wordt bekroond door twee metrische ketters gekleed
als kraaien. Een andere koppige dichter met een Bulls-pet op zijn hoofd rust met zijn ellebogen
op de rugleuning van de bank en vraagt zich af of het zijn hese verzen zijn of de bleke
straatverlichting die een ellips vormt van de waarachtige bomen en de onvermijdelijke briesjes.
“Am Rand des dunklen Waldes lag noch der Schnee des verendeten Jahrhunderts, als Lajos von Lázár, das durchsichtige Kind mit den wasserblauen Augen, zum ersten Mal den Mann erblickt, den es bis über seinen Tod hinaus für seinen Vater halten wird. Es war der Tag der drei Könige – der Wald schluckte das letzte trübblaue Licht. Das Zimmer, in dem der Junge geboren wurde, lag im Westflügel des Waldschlosses, gleich neben dem blaugestrichenen, das nie jemand betrat. Während die Hebamme in seinem Rücken das Kind wusch, stand Sándor von Lázár am Fenster und suchte das Unterholz ab. Es war ihm, als hätte er etwas im Dickicht verschwinden sehen. Er stand dort, spürte die Kälte des Glases und tastete mit seinem Blick den Waldrand entlang, ließ ihn über die Rinde der Stämme gleiten und von Baum zu Baum huschen, als sich plötzlich ein Riss in ihm auftat. Sofort fühlte er die altbekannte Angst, die vertraute Panik in seinen Körper strömen und alles überschwemmen – da blinzelte er, und der Riss schloss sich wieder. Erleichtert atmete er auf. Er war nicht wie sein Bruder, nicht wie seine Mutter, nur etwas unruhig war er, was niemanden verwundern durfte, schließlich hatte seine Frau gerade ein Kind geboren, unter dessen transparenter Haut man die kleinen Organe sehen konnte. Das Abendessen nahm der Baron nur in Gesellschaft seiner sechsjährigen Tochter ein, die sich ganz und gar nicht über die Geburt ihres Bruders freute. Als Ida, das deutsche Kindermädchen, Ilona ins Zimmer geführt hatte, hatte diese das schrumpelige, bläulichblasse und völlig verquollene Geschöpf mit ernstem Ausdruck angesehen, die braunen Augen zusammengekniffen und trocken gesagt: «Es ist sehr hässlich.»
“Zij had een lieve, zachte stem en praatte een zo sterk verbasterd Nederlands, dat het alleen met moeite van Duits kon worden onderscheiden. Werktuigelijk had hij zijn hoed afgenomen toen hij de koffer neergezet had. Het was een hoed, zoals ze nu in Nederland bijna niet meer gedragen worden, een echte Borsalino met een brede slappe rand, zowel van voren als van achteren neergeslagen en om de bol een zeer breed lint. Zijn chocoladebruine regenjas zag eruit of hij van peau de suède was gemaakt, maar je hoefde er niet eens zo dicht bij te komen om te ruiken dat het rubber was. Van de vier kribben waren er drie met tassen en kleren belegd. Zij zwaaide haar mantel op een bovenbed, de enige krib die nog vrij bleek te zijn van het stel dat het verst bij de patrijspoort vandaan was, de minst comfortabele dus. Dit ontsnapte niet aan Alberegt’s aandacht, maar hij zei er niets over. Ik las zijn gedachten, ik kon het weten. Hij liep naar een kleine, geheel met mahoniehout ombouwde vaste wastafel, eigenlijk eerder een fonteintje en draaide een van de twee nog maar gedeeltelijk vernikkelde kranen, die vol opgedroogde zeepspatten zat, open. Het lijkt wel of die kraan de pokken heeft, dacht hij. Er kwam een weinig krachtige waterstraal uit. Dood, vermolmd water. De stroom hield onmiddellijk op, toen hij de kraan, die zich automatisch sloot door een in de knop verborgen veer, losliet. Smerig water, maar het is het enige drinkwater dat ze hebben aan boord van een schip en je dient er zuinig mee te zijn. Hardop: ‘Moet je hier nu veertien dagen zitten met drie andere wijven…’ Zij legt haar hand op zijn schouder en geeft hem een kusje op zijn hals dat niet nadrukkelijker geweest kan zijn dan de zwakke ademstoot uit haar lippen. Antwoord op zijn woorden, zijn machteloze woorden, waarvan de inhoud geen enkele overeenkomst vertoonde met wat hij werkelijk dacht, maar niet meer kon, laat staan wilde zeggen: je zou helemaal niet op dit schip moeten zijn. Je had niet moeten weggaan. Je had bij mij moeten blijven… Verlaat mij niet.”
De Nederlandse schrijver Sander Kok (ook bekend fotomodel) werd geboren in Arnhem op 31 augustus 1981. Zie ook alle tags voor Sander Kok op dit blog.
Uit: Oorlog zonder vrede (Over Lodewijk van Deyssel)
“Het onaniedagboek is een pijnlijk werk, het verslag van een strijd, een kroniek van een serie verloren slagen, een belijdenis van een geloof dat zich niet laat doven. Van Deyssels hoop dat hij ooit door strenge zelfdisciplinering het beest van de onanie zal doden is onaantastbaar als dat van iemand wiens leven zonder het geloof door angst kapot zou gaan. Angst – waarvoor? De amateurpsycholoog in mij zegt: voor mislukking. Zijn ambities waren te groot voor één mens. Een in het zwart geklede man die met gespreide armen over een bureau met daarop een wereldkaart ligt, dat is Van Deyssel, als je zijn lijst met doelen, op twintigjarige leeftijd opgesteld, erbij pakt. Tientallen boeken zou hij schrijven. President zou hij worden. Zijn kuisheid, zijn strijd, staan die niet vooral in dienst van de zelfsabotage? Als de kunstenaar, het taalgenie, onverhoopt faalde bij het benaderen van zijn bovenmenselijke doelen, kwam dat doordat hij zich onzedelijk betast had, niet door gebrek aan talent. Daardoor kon hij doorgaan met die andere strijd, die van het schrijven. Van Deyssel is een mislukkingskunstenaar (zoals W.F. Hermans door zijn biograaf Willem Otterspeer werd genoemd). Hij verbeterde zich en sterkte zich en stutte zijn fragiele bouwwerk met de bespijkerde kokers die hij elke avond om zijn polsen bond. Goed. Maar waarom er een dagboek over bijhouden? En waarom het bewaren? Waarom heeft hij die vierhonderd bladen niet verscheurd of verbrand, voor de dood op zijn deur klopte? Niet uit nonchalance of verstrooidheid, daar was hij de man niet naar. Van Deyssel had zijn literaire nalatenschap al ruim voor zijn dood geregeld met zijn toen pas zeventienjarige biograaf, Harry G.M. Prick. Het onaniedagboek zat in een scheepskist met het weerdagboek, het slaapdagboek en talloze andere dagboeken. Waarom heeft de bejaarde, trotse Van Deyssel dat ene, schandelijke werkje in de scheepskist laten zitten? Om onze spektakelzucht te stillen? Van Deyssel was wel een beetje een provocateur. Maar toch. Hij was ook trots.”
grijze, grijze, grijze wanorde vanwaar geen trein vertrekt, waar een gigantische raaf zwart tussen de rails gaat zitten treinstation, dat is de koudste plek van allemaal, ’s nachts slaapt niemand
zie onze gezichten door zonde verscheurd en wanneer het station vertrekt, zie ons drinken gevangenschap drinken uit vuile glazen drinken tot de duivel komt, spreken tegen niemand en, ouder wordend, ons nog steeds verbazen over de gedachten van warrig haar
zomer, winter, eeuwen komen voorbij, ons raken ze niet, zie ons verblijven in de rook van de razende wachtkamers, een keer huilen, een paar keer lachen en luisteren wanneer buiten het raam een dronkaard als een gek een naam schreeuwt.
“Shall I go there?” “As you like— it will not matter; you are not at all important.” The words stuck to me like burrs. The path was hidden under the fallen leaves; and here and there the stream was choked. Where it forced a way the ripples flashed a second. She spoke unkindly but it was the truth: I shared the sunshine like a leaf, a ripple;
thinking of this, sunned myself and, for the moment, was content.
XII
There is nobody in the street of those who crowded about David to watch me as I dance before the Lord: alone in my unimportance to do as I like.
XIII
Your angry words—each false name sinks into me, and is added to the heap beneath. I am still the same: they are no part of me, which I keep; but the way I go, and over which I flow.
XIV The Bridge
In a cloud bones of steel.
XV God and Messenger
This pavement barren as the mountain on which God spoke to Moses— suddenly in the street shining against my legs the bumper of a motor car.
XVI
A beggar stretches out his hand to touch a fur collar, and strokes it unseen, stealing its warmth for his finger tips.
Charles Reznikoff (30 augustus 1894 – 22 januari 1976) Cover van een bundel essays over de poëzie van Charles Reznikoff
laat me een beetje nog sterven laat me in de stoel zitten met mijn hoofd achterover leunen mijn mond, mijn ogen wijd openen slap mijn armen laten hangen in mijn ogen laten vallen het licht van de lamp dan uitdoven
laat me een ogenblik nog sterven snel voordat jullie eeuwig leven, eindeloos licht in de wereld wekken een heel kort ogenblik nog laat me sterven, ach, gun me dat ik niet vergeet –