Into the streets May First! Into the roaring Square! Shake the midtown towers! Shatter the downtown air! Come with a storm of banners, Come with an earthquake tread, Bells, hurl out of your belfries, Red flag, leap out your red! Out of the shops and factories, Up with the sickle and hammer, Comrades, these are our tools, A song and a banner! Roll song, from the sea of our hearts, Banner, leap and be free; Song and banner together, Down with the bourgeoisie! Sweep the big city, march forward, The day is a barricade; We hurl the bright bomb of the sun, The moon like a hand grenade. Pour forth like a second flood! Thunder the alps of the air! Subways are roaring our millions – Comrades, into the square!
Alfred Hayes (18 april 1911 – 14 augustus 1985) Brick Lane in Whitechapel, Londen, de geboorteplaats van Alfred Hayes
„Ich kannte Uwe aus New York, obwohl er eigentlich aus Ostberlin kam wie ich. Ich weiß nicht mehr genau, wann ich ihn zum ersten Mal sah, wahrscheinlich Anfang der Zweitausender auf einer Party bei Solveigh, die aus der Nähe von Dresden stammte, aber seit über dreißig Jahren in Brooklyn lebte. Ich hatte eine kleine ostdeutsche Gemeinde in New York Meine Frau natürlich, die in Berlin-Lichtenberg groß wurde, Solveigh, die kurz vor dem Mauerfall einen New Yorker Juden heiratete, der seine Sommerferien im Sozialismus verbracht hatte, Sabine, die aus einem Dorf bei Erfurt kam und Ende der Achtziger ausgereist war, ihren Freund Bert, der nach einem Fluchtversuch aus Ostberliner Haft freigekauft worden war, Kathleen aus Gera, die ein Jahr in unserem verrumpelten Büro arbeitete, obwohl sie aussah wie ein Filmstar, ein junges Thüringer Ärztepaar, das irgendwann nach New Mexico weiterzog, später dann auch Else, die eigentlich Sabine hieß, aus Eilenburg kam und einem Mönch in einen Tempel nach Manhattan gefolgt war. Uwe gehörte dazu. Keine Ahnung, wovor der weggelaufen, wem der gefolgt war. Er trat mir aus dem Gewirr der Riesenstadt entgegen. Er war schwul, glatzköpfig und besaß ein Haus in Spanish Harlem, das er in einer Art Stadtlotterie gewonnen hatte. Die Sommer verbrachte er auf Fire Island, wo auch wir ein Ferienhaus gemietet hatten. Er bewohnte mit zwei pensionierten Tänzern des Bolschoi-Balletts einen Bungalow in Cherry Grove, dem gay village der Insel. Unser Haus stand in Oakleyville, wo niemand war, außer uns, einem verschrobenen Verwalter namens Sam, der einst Affären mit Yoko Ono und Greta Garbo gehabt haben soll, sowie einem einheimischen Messie namens Chuck, der den Klimawandel anzweifelte, obwohl seine Insel langsam aber sicher im Atlantischen Ozean versank. Einmal im Sommer liefen wir durch die Hitze am Strand entlang und besuchten Uwe in Cherry Grove, wo er auf einer Terrasse im Schatten saß und schon auf uns zu warten schien. Wenn ich dort ankam, fühlte ich mich, als sei ich nur kurz weg gewesen. Uwe gehörte zu den Menschen, in deren Gegenwart ich sofort anfing zu berlinern. Ich habe nie einen Mann an Uwes Seite gesehen. Ich kannte nur Geschichten von seinen Partnern. Sie klangen meist tragisch.“
Alexander Osang (Berlijn, 30 april 1962)
De Duitse dichteres en schrijfster Ulla Hahn werd geboren op 30 april 1946 in Brachthausen. Zie ook alle tags voor Ulla Hahn op dit blog.
Bewijssituatie
Had jij, had ik, zouden wij in het kielzog van het vacuüm steeds meer op leeftijd gekomen zijn geloof verzet misschien bergen maar nooit een conjunctief Niet eens een foto van alle hoop al het geduld
Wat een ongeluk dat, hoewel je bent geschapen voor de mooie en grote daden, je onrechtvaardig lot je altijd aanmoediging en succes onthoudt; dat zinloze gewoontes, kleinigheden en onbenulligheden je belemmeren. En wat is de dag verschrikkelijk waarop je bezwijkt (de dag waarop je je liet gaan en bezwijkt) en je je op reis begeeft naar Susa, en naar monarch Artaxerxes gaat, die je welwillend aanstelt aan zijn hof en je satrapieën en dergelijke aanbiedt. En jij neemt ze aan, in vertwijfeling, die zaken die je niet wenst. Je ziel zoekt naar iets anders, weent om iets anders: de lof van het Volk en van de Sofisten, het zo begeerde, onschatbare Bravo, de Agora, het Theater en de Kransen. Hoe zal Artaxerxes je dit kunnen geven, waar zul je dit vinden in de satrapie en wat voor leven zul je leiden zonder dit alles.
Philhelleen
Zorg er voor dat het graveren bekwaam gebeurt. De gelaatsuitdrukking ernstig en majesteitelijk. Het diadeem liefst wat smal: die brede van de Parthen zijn niet naar mijn smaak. Het opschrift zoals gebruikelijk in het Grieks; niet overdreven, niet hoogdravend – opdat de proconsul het niet misduiden kan, hij die alles bespiedt en doorgeeft naar Rome – maar vererend niettemin. Iets zeer uitgelezens op de keerzijde: een of andere mooie jonge discuswerper. Bovenal druk ik je op het hart, er op toe te zien (Sithaspes, bij god, laat het niet vergeten worden) dat na het Koning en het Redder, met sierlijke letters gegraveerd wordt: Philhelleen. En kom me nu niet aan met spitsvondigheden als ‘Waar zijn de Hellenen?’ en ‘Waar is het Grieks hier achter de Zagros en voorbij Phraäta’. Aangezien talloze anderen, barbaarser dan wij, het schrijven, zullen ook wij het schrijven. Vergeet tenslotte niet dat soms sofisten uit Syrië naar ons toe komen en verzenmakers en andere nietsnutten, zodat we niet zonder Griekse beschaving zijn, dunkt me.
Een van de goden
Wanneer een van hen, omstreeks het uur dat het avond wordt, over de agora van Seleukia ging, als een lange en volmaakt mooie jongeman, met de vreugde om onsterfelijkheid in de ogen, met zijn geparfumeerde zwarte haren, keken de voorbijgangers naar hem en men vroeg elkaar of men hem kende en of hij een Griek uit Syrië, dan wel een vreemde was. Maar sommigen die met meer aandacht naar hem keken begrepen, en maakten baan, en terwijl hij verdween onder de zuilengangen, in de schaduwen en in de lichten van de avond, op weg naar de buurt die alleen ’s nachts tot leven komt met orgieën en drinkgelagen en elke soort van roes en wellust, vroegen zij zich af wie van Hen dit misschien was en voor welk verdacht genot Hij afgedaald zou zijn naar de straten van Seleukia uit de Vereerde, Heilige Verblijven.
Horen jullie dat, zo honen honingprotocollen: je moet nu simpelweg niets doen. Alsof een doorwerkt (als een spons verzadigd) bewustzijn het voorwerk weigerde. Ik kan me niet verstaanbaar maken. Proberen we het zo: Je nodigt eters uit, om acht uur en er ligt rood vlees, een berg meel, smerige wortels en een dozijn eieren en je zegt: dit is de soufflé, zoals u wilt, of als het dat nu niet is maar over drie uur, of als ik iemand anders zou zijn, dan zou het precies dat zijn: de soufflé. Dan vragen de gasten meer bezorgd dan teleurgesteld: wat is er dan gebeurd? Wat hebt u dan gedaan toen u geen soufflé gemaakt hebt? Gejammer! De tristesse van de weigering die de verkwisting aan zichzelf en aan de verkwisters toeschrijft. Omdat de verkwisters hun zorgvuldigheid verkwisten, verkwisten ze? Zichzelf! Tot zover het vooranalytische laten rondslingeren, wat echter ook geen oplossing is. Het is of troebel of puur. Zoals je wilt. Of beter: afhankelijk van waar je op uit bent. Zo bekeken is ook het pure troebel, zeer troebel. Waarbij de troebelheid erbij blijft in het recht van het pure te zijn. Maar de gasten hebben het recht aan hun zijde als ze zeggen: een soufflé ziet er anders uit.
“Mijn moeder – geboren op 17 december 1934 – zegt best vaak: ‘Zo lang je eet, ga je niet dood.’ Meestal zegt ze dat als ze ziek of niet lekker is. Mijn vader hield op met eten en ging dus wél dood. Hij is, iets anders kan ik er niet van maken, overleden aan spit. Eind mei 2021 klom hij uit de droge sloot naast zijn huis met enorme rugpijn. Hij had daar onkruid staan trekken. Tegen de tijd dat hij stierf, dat was 14 augustus, had hij allang geen pijn meer. Die hele periode van dik tweeënhalve maand komt me nu onwerkelijk voor, en ook verwarrend en raadselachtig. Hoe kan iemand doodgaan aan spit? Waarom gaat iemand überhaupt dood? We hadden onlangs vrienden te eten en ik kreeg tussen neus en lippen te horen dat die en die dood was. ‘Waarom?’ vroeg ik. Niet ‘waaraan’, omdat de overleden man nog zo jong was. Nee, waarom? Alsof doodgaan een keuze is, iets waar je zelf de hand in hebt, iets wat je eventueel zelf zou kunnen regisseren. Ik werd uitgelachen om mijn vraag: wie vraagt er nu waarom in plaats van waaraan? En toch is het een vraag die me in het geval van mijn vader nogal bezighoudt. Hem mankeerde niets. Hij was tot het moment dat die pijn in zijn rug schoot een, zoals dat dan heet, ‘kranige oude man’. Hij was weliswaar in april 90 geworden, maar zijn vader werd 96, dus hij had nog zeker zes jaar te gaan. Tenminste: als je er een competitie van maakt. En dat is het natuurlijk niet; je kunt er namelijk niet zelf actief voor zorgen dat je zo oud mogelijk wordt, want kanker, hartverlammingen, een verkeersongeluk, een verdwaalde of gerichte kogel of een val van een keukentrapje verstoren die poging best regelmatig. De eerste weken zijn mij een beetje ontgaan. Omdat we in de Eifel zaten, zag ik hem niet. Ik hoorde door de telefoon hoe het ging. Meestal sprak ik dan met mijn moeder, maar omdat ze de telefoon altijd op de speaker zet, kon mijn vader op de achtergrond meeschreeuwen. Na een paar dagen hevige pijn heeft mijn broer hem naar de huisarts gereden. Hij kreeg pijnstillers. Maar hij kon nauwelijks omhoog of omlaag. Dat verstoorde de routine die mijn vader en moeder samen opgebouwd hadden: hij kon mijn moeder, die slecht ter been is en last heeft van een haperend hart, niet langer helpen de dingen te doen die hij altijd voor zijn rekening had genomen.”
Horen jullie dat, zo honen honingprotocollen, nu heeft de gevoeligheid zich uitgestrekt, nu heeft ze alle ruimtes overspannen en aangestoken. Aardse treurigheid, de berken werden grijs, de hond heeft een oog verloren. As, vlokkend talmen, boetedoening, vermoeidheid, verdriet misschien, toch is het je plicht erdoorheen te gaan, als ware het licht waarin de ellende staat met handen die jij gebonden acht. Dan zie je: het wordt minder, het begrijpen. Helderheid ontstaat alleen nog door de intensiteit van de schok. Een geluidloze knal. Je kunt het niet meer bevatten, bent ongedurig, en in een poging toch te begrijpen, kom je er aan de andere kant weer uit, reliëf dat niet bestaat, tremolo dat niet bestaat, als had je tevergeefs in de nevel gegrist, een nevelpaardje je erin geluisd (huuhot, die grijze stort zich op mij, ik val door hem heen) en bent diep beneden, gevoelig, onbegrepen, in afwachting van de schok. Maar plotseling, hier, alles geel, vol stro!
De Nederlandse dichter, schrijver en literatuurcriticus Robert Anker werd geboren in Oostwoud op 27 april 1946. Zie ook alle tags voor Robert Anker op dit blog.
Vergeetkist
Ik vond in de beroemde boekenkist op zolder Een telefoonboek waar jouw naam nog in stond Snel dichtgeklapt maar zoals de snelle stofjes Die ontsnapten aan het zonlicht zo kolkten Mijn gedachten om je stralende naam en om Je gapende gestalte waar die zijn kon In de tijd en natuurlijk heb ik toch nog Snel je nummer ingetoetst en een kind nam op En of het door dat kind kwam dat ik plotseling
Trok ik uit dezelfde boekenkist te voorschijn Het busboekje van toen mijn moeder nog haar tijd Geheel bewonen moest en die ze moest bereizen Met de bus die langs dorpsweg en binnendijk Trillen doverhellend stoppend voor een geit Leer en dieselolie hoofdpijn verspreidend – O al die tijden en daartussen al die lijnen Alles wat beschreven was en dan verdwijnt
De zon daalt, wij hebben ons verinnerlijkt in ons bootje
De zon daalt, wij hebben ons verinnerlijkt in ons bootje en varen zoet vereenzaamd in een landschap waarbij ik roei en jij met elegante handslag het water in het water schept opdat wij zinkende niet zinken in het water waar zo pas zie ik omkijkend land was en ver voor mij op de kant was de kindertijd en wuift nog o god wat hou ik toch van de knieën uit je rok!
Heimwee naar Carmiggelt
De man zat met moe haar op een bank in de herfs zei hij dof zei hij eenvoudig. Ik ben niet ostentatief ongelukkig ik draag mijn zelfspot als een zijden harnas riep hij hield hij vol. Ach je knoeit wat je rommelt wat en je hebt je rust je levensavond. Anna heette ze wist ik nu gehuld in een mooie gave neurose een fineer van droefenis over haar stem een lichtbruin korstje op haar stem bloemen gezellig voor als je ontevreden bent of sad. Ik op een paaltje? Ik was lid van het Concertgebouw nu rielèks ik rielèksen daar gaat het om dat wel natuurlijk zei de kastelein laf een wat schemerige man een heerachtige verschijning een losse jongen men schreef een goudbruine namiddag in december. Daarom heeft die verongelijkte uitdrukking zich metterwoon op mijn gezicht gevestigd zei hij filosofisch heeft u ooit intensief samengehangen met schertsartikelen vroeg hij getoucheerd vroeg hij vriendelijk verweesd nee maar dat vind ik nou leuk sprak de kastelein moedeloos en loosde onafgebroken levensbloesem.
Wat is een demon? Bestudeer mijn leven. Wat is een berg? Ga er nu op uit. Wat is vuur? Het is voor eeuwig. Wat is mijn leven? Een val, een roep. Wat is de diepte? Ga er nu op uit. Wat is donder? Jouw kracht neemt af. Wat is de film? Hij draait, hij vertelt. Wat is de film? Onder de watervallen. Waar is het theater? Onder de heuvel. Waar is de demon? Hij wandelt over de heuvels. Waar is de overwinning? Op de hoge toppen. Waar is het vuur? Ver in de diepte. Waar is de diepte? Bestudeer de demon. Waar is de berg? Ga er nu op uit. Bestudeer mijn leven en ga er nu op uit.
das fault sich schnell im mutterleib & aast dahin, das kalb verdreht, blockiert. des muttertiers ziegelrote augenschlitze. ein guter mann pflanzt seine faust ins fleisch, setzt kalt
die säge an & sägt dem milchvieh durch die aufgeschäumte ritze die leibfrucht klein: ein vorderbein & noch ein bein & noch – dem guten mann steckt in der hirnhaut eine mörderhitze –
ein letztes bein! in scheiben heckt der rumpf durchs loch! die färse presst die fehlgeburt, als wär sie nicht in stücken! der gute mann am kettenglied, zieht – jede schläfe pocht –
den kopf wie einen stöpsel raus: aufgetürmter rücken die wirbel: messerstecherei, das fleckvieh stöhnt entschimmelt. in der wanne liegt nun alles, stirn an steiß, die fliegen zücken
das geschlecht: gebrumme. auf den puzzleteilen: gewimmel. ein lichtstrahl fällt ins zink & wirft sich dort aufs rot & schwarz. die mutter glotzt, im fleisch verschnürt, in eine pfütze himmel.
der gute mann befiehlt: „das aus dem blick geschafft!“
anatolische stunde
er hatte die hellblauen augen auf mir ich vergaß, wer ich war & aß wie sein hund versunken in brot, trunken vor butter.
wir sprachen ein deutsch hinterm haus an den hängen, gebrochene sätze von städten da wo man federn lässt & kinder.
wir gingen rauchend, die jacken voll nüsse zwischen den bäumen die blicke der kühe sanft sämig ihren geschmack noch am gaumen.
wir kamen auf feinde zu sprechen, verwundete stellen im feld, sein gesicht wie ein stein, denn nachts steigt das wild aus den zedern & scharrt.
wir tranken den cocktail in die körper wie schlaf wir schliefen am tisch langsam ein, nur der hund blieb breitköpfig schwer auf den beinen.
lied
& ziehe & ziehe immer am zimmer, am kopf im spiegel, wie hässlich das wird, wie klaffend hässlich das wird, dein zimmer im spiegel im kopf herausziehen wollen! liebestrunkenen kopf alle die schätze wie splitter wie klinge wie pfeil herausziehen wollen! wie klaffend das wird wie spaltholz, gaumenspalte, wolfsrachen! jetzt die finger ausdrehen, ganz still stehen im zimmer, im spiegel, nachschwingen sehen die weißen kissen auf den schwarzen felsen dein schwarzes haar & wie es still wird nie dies leichte zittern noch bei jeder fahrt unter uns die schnellen linien. lilien. weiße kissen. ganz still stehen im zimmer. ganz still stehen im zimmer. vermissen. königskind, psst.
het verschil
het verschil tussen een steen en een hond lijkt voor mensen enorm te zijn. beweging en groei voortplanting en ontwikkeling stofwisseling en prikkelbaarheid de kenmerken van alle levende wezens: de onwrikbare zes op elke school ter wereld worden ze onderwezen. ze volledig benoemen en uitleggen waarom een kaarsvlam niet leeft ook al flikkert hij in de wind wordt altijd beloond. 10-jarigen stoppen met praten tegen stenen, tegen hun knuffels en stokken. hun hersenen veranderen, onmerkbaar, van complexere, vertakkende sterrenstelsels in simpele datasnelwegen die alleen nog maar in cirkels lopen. uiterlijk groeien onze schedels inclusief hun gegroefde vulling, maar het zijn alleen de rustplaatsen die groeien, niet de wegen. alleen de rustplaatsen groeien uit tot steeds grotere gaten om daarin duizenden te verzamelen. alle rustplaatsen van alle hersenen zijn volledig overbevolkt. Op elke vierkante millimeter dwalen reizigers rond, miljoenen volwassen, vermoeide, gedaantes van kinderkamers dromende invaliden.
Door roodbruin ijzerhouden zijn bodem verhullend raast het meters lager dan de weerszijdse paden, geïntensiveerde dovenetel overwoekert de taluds.
Zwaar verval. Een ophaalbrug. Smaller, blauwer, roerloos wordt het na een kilometer – vastgestoken met riet. Waarna ik het zie: schitterend, ongemerkt
eindigen tegen een betonnen rand, met links daarachter open grasland en een terrein waar men blokhutten te koop aanbiedt en achtkantige priëlen.
Onder kandelabers
O dat prachtigst lachen! Nauwelijks. Eerste stralen van een zinderende dag? Welwater? Welzand? Onder kandelabers waar de dames onbewaakt het malle paard berijden, heren van liefde klappen lijk een gebroken spa – jaren zocht ik het zo nergens dat het zich hier vinden laat.
Kastanienallee, Berlijn
Kinderkoppen nog altijd nat als voor de wende, woonpakhuizen
even grauw en volgekalkt, met dure retro-etalages ook al (‘Sgt. Peppers’)
en ik daar toen als enige domweg gelukkig hoogstwaarschijnlijk
met mijn nieuwe herinneringen van Remco C. op zak en alle tijd
voor lantarenpalen vol trance party’s waar ik geen mens zou kennen.
Het leek alsof het roze vaatwerk dat ze voor speciaal bezoek bewaarde altijd koud was, van de plank gehaald in rinkelende stapels, de borden als de ijsschotsen die ze uit de wateremmer brak, op winterochtenden, de wijde kopjes als tulpen die te vroeg opengingen en door de vorst werden gebeten. Daarin werd de koffie koud, hoe snel je hem ook dronk, terwijl een zware alledaagse mok een scheutje het grootste deel van een gesprek warm zou houden. Het was moeilijk om jouw deel aan de roddel bij te dragen met koude koffie, maar het was desalniettemin een bijzondere gelegenheid, om aan haar keukentafel te zitten en te nippen aan het bittere filtraat van de roddels van de afgelopen week uit kopjes die ze in een jaar tijd had verzameld in de supermarkt, met één gratis kopje voor elke tweeënhalve kilo bloem.
“Zou ik er wel van spreken? Over een paar dagen zal het schrijnen der herinnering, die smartelijke schrik bij het plotseling herdenken immers weer voorbij zijn. Dan heeft de dagestroom ons al ver weg gevoerd en is het levensaspect weer nieuw, zoodat wij enkel nog maar weten van het verdriet, doch niet meer voelen. Zoo zou ik dan kunnen zwijgen, bedenkend de geringheid van het feit en hoe spoedig het nagevoel over is. De dood van een hondje! Het is niet veel in ’t wereldgebeuren en kan gauw vergeten zijn. Maar ik wil niet gauw vergeten. Ik wil nog vasthouden, wat ik eens beleefde en wat mij sterk vervuld heeft: het zachte, verteederde neigen tot dat kleine leven, en de smartelijke leegte van gemis bij zijn dood. Dit beleefde ik eens en het was niet zoo weinig. Dan wil ik er nu ook niet haastig en schuw aan voorbijgaan, in kleinmoedige angst voor een pijn, die wellicht het allerbeste beteekent, dat het lage leven ons te bieden heeft. Laat ik dan eerst mij duidelijk bezinnen hoe hij was. In ’t begin, negen jaar geleden, en later. Toen wij hem bij den hondekoopman kochten, keek hij schril en spichtig uit zijn hooge hokje neer: een bekoorlijk levendig smouskopje met verwarde zijig blonde haren voor twee groote glanzende oogen. Hij kostte niet duur en wij hadden het gevoel dat hij misschien wel gestolen kon zijn. Immers zóó piep jong was hij niet, trots zijn ongelooflijk levendig en driftig aardje en hij bleek zijn menschen en wereld al bijzonder goed te kennen, veel te goed voor een hondje, dat pas uit het nest komt. Aan het touwtje, waarmee wij hem thuis brachten, liep hij zonder eenige bevreemding of schroom mede, het scheen zelfs of hij het was, die ons met zijn driftige, fijne trippelpootjes leidde naar een hem bekend doel. En eenmaal in huis en losgemaakt, holde hij licht en vlug alle trappen op en weer af, snuffelde de kamers en gangen door op een grappig zakelijke en zeer positieve manier, alsof zijn blijven er van afhing, dat hij alle dingen naar zijn smaak bevond. Zoo was zijn eerste entree en zoo bleef hij bij ons: volkomen op zijn gemak, maar voorloopig nog maar matig vriendelijk. Hij had het aanvankelijk ook te druk, was tezeer geïnteresseerd in alles, om voor ons nog veel aandacht te hebben. Hij kende ons ook maar zoo kort en gedacht misschien zijn vorig gezin, dat hem gewis nog betreurde.”
Frans Coenen (24 april 1866 – 23 juni 1936) Portret door Ferdinand Hart Nibbrig, 1894
De Amerikaanse dichter George Oppen (eig. George Oppenheimer) werd geboren op 24 april 1908 in New Rochelle, New York. Zie ook alle tags voor George Oppen op dit blog.
Wereld, wereld —
Mislukking, nog ergere mislukking, niets gezien Vanuit de uitkijkpost, Te veel gezien in de greppel.
Zij die niet willen kijken Hoewel ze het op hun huid voelen Worden niet doorboord;
Men kan ze niet tellen Hoewel ze aanwezig zijn.
Het is volkomen wild, het wildst Waar verkeer is En bevolking.
‘Gedachten springen op ons af’ omdat we hier zijn. Dat is de waarheid. Zelfonderzoek, deze voorschriften,
Zijn een medische modegril, een poging om te ontsnappen, Om zichzelf te verliezen in het zelf.
Het zelf is geen mysterie, het mysterie is Dat er iets is waarop we kunnen staan.
We willen hier zijn.
De daad van het zijn, de daad van het zijn Meer dan jezelf.
Vertaald door Frans Roumen
George Oppen (24 april 1908 – 7 juli 1984) Met echtgenote Mary
Tel ik de klok, de slagen van de tijd, Zie ik de dag in grauwe nacht verzinken, Viooltjes, al hun lentepracht reeds kwijt, Het zwart van lokken door vergrijzing slinken, Of hoge bomen, van hun blad ontdaan, Waar eertijds kudden in de schaduw lagen, En zomergroen, geschoofd bijeen gedaan, Met witte baard op baren weggedragen – Dan dient jouw schoonheid zich als kwestie aan: De tijd zal je verwoesten en verknoeien, Want schoonheid gaat van schoonheid ooit vandaan, Versterft zo snel als ze de rest ziet groeien. Geen man of macht kan maaier Tijd weerstaan, Jouw kind alleen zal hem het veld uit slaan.
Sonnet 14
Begrip pluk ik níet bij planeten weg, Al ben ik toch een sterrenwichelaar. Níet dat ik spreek van blind geluk of pech, Van plagen, schaarste of de loop van ’t jaar. Wat komt kan ik níet per minuut voorspellen, Of minutieus het weer prognosticeren, Of prinsen wat gebeuren gaat vertellen Uit dat wat mij de hemeltekens leren. Jouw kijkers kunnen mij wél instrueren: Die vaste sterren zeggen hun student Dat pracht en waarheid samen weer floreren Als jij een ander dan jezelf bekent. Zo niet, verklaar ik jou dat op termijn Jouw dood en doel hun beider afloop zijn.
Sonnet 16
Waarom gebruik je niet het grof geschut Om wrede heerser tijd mee te bestoken? Verval vereist de vruchtbaarheid als stut, De vrucht waarvan mijn verzen zijn verstoken. De vuurkracht van je jeugd kan veel volbrengen, En menig ongezaaid jongmeisjesbed Zou graag met deugd jouw spruit ter wereld brengen, Gelijkender dan jouw geverfd portret. Neem daarom levenslijnen als patroon: Geen pen, penseel of vers kan ook maar even Qua eigenschappen of qua lichaamsschoon Jouw zelf in mensenogen doen herleven. Jouw zelf behouden door eerst vuur te geven, Die schutterskunst is jou op ’t lijf geschreven.
Vertaald door Erik Honders
Sonnet 12
Omdat de klok mijn tijd in stukken bijt, De dag verzwolgen wordt door zwarte nacht, De bloem vergeefs tegen verwelking strijdt En zwart haar zwicht voor grijze overmacht, De bomen zijn beroofd van ’t bladerdak Waaronder vee voorheen verkoeling zocht, Het graan in schoven staat geschaard die straks Bebaard beginnen aan hun laatste tocht – Dáárom vrees ik de dag dat jij zal sterven, Dat sloper Tijd jouw pracht teniet komt doen. Daar al wat zoet en mooi is moet bederven En elk bruin blad steeds plaatsmaakt voor nieuw groen. De tand des tijds wordt door geen hand gekeerd – Tenzij je een kind maakt en hem zo trotseert.
Vertaald door Frank Lekens
William Shakespeare (23 april 1564 – 23 april 1616) Standbeeld van William Shakespeare ten zuiden van de kathedraal van Southwark
“Kafka’s families can be fatal traps. In The Metamorphosis, it is the beloved sister who passes the fatal sentence on the now-vermin Gregor Samsa (on whose vermin-form the family can no longer financially depend); the Letter to His Father, an accusation of abusive parenting, written but never delivered, abounds with traumatic details (for instance when Hermann Kafka left young Franz alone on the balcony in his nightshirt, because he « kept on whimpering for water »); and in The Man Who Disappeared, Karl Roßmann is sent away by his parents because a maid has seduced him (a typically Kafkian inversion of the logic of punishment: it’s the victim who gets banished). The family can certainly be « a haven in a heartless world », as Christopher Lasch put it; it can also be a prison or a regime. Kafka knew it: less known are his ideas about what a sensible and truly devoted childhood education should be. These are offered in a long-distance epistolary exchange with his sister Elli in 1921 that can be read in the Letters to Family, Friends, and Editors collection.1 The facts are quickly told. Elli is uncertain whether to send her ten-year-old son Felix to a progressive school in Hellerau, near Dresden; Kafka, on the other hand, has no doubts. Send the boy to school! He invokes the pedagogy of Jonathan Swift’s admirable Lilliputians — « parents are the last of all others to be trusted with the education of their own children, » we read in Gulliver’s Travels — but twists the thesis to a new extreme. Every family, he notes, is first and foremost an animal bond, even a single organism, though extremely unbalanced. « The selfishness of parents — the authentic parental emotion — knows no bounds » in that zero-sum animal polity: « tyranny or slavery, borne of selfishness, are the two educational methods of parents. » And if the kids don’t live up to the standards set by their parents, they are not expelled — how could they be, in such a binding organism? — but devoured. Kronos, who fed on his offspring, is thus « the most honest of fathers »: at least he does not pretend.”
Iets duikt onwelkom in de wereld op en roept wanorde, wanorde –
als je me zo van harte haat doe dan geen moeite mij een naam te geven: wil je nog een smet in je taal, nog een manier om één ras overal de schuld van te geven –
zoals wij beiden weten: wie één god aanbidt heeft maar één vijand nodig –
ik ben die vijand niet. Slechts iets om je ogen mee te sluiten voor wat je hier ziet plaatsvinden in dit bed, een klein brevet van onvermogen. Vrijwel dagelijks sterft hier een van je dierbare bloemen en jij hebt geen vrede voor je de oorzaak bestrijdt, dat wil zeggen wat er toevallig nog staat, wat er toevallig sterker blijkt dan jouw persoonlijke passie –
die was in de werkelijke wereld niet bedoeld voor de eeuwigheid. Maar waarom zou je dat toegeven, als je door kunt gaan met wat je altijd al deed, treuren en beschuldigen, altijd die twee.
Ik heb jouw lof niet nodig om te overleven. Ik was hier eerst, voor jij er was, voor jij ooit een tuin begon. En ik zal er zijn als slechts de zon en de maan er nog zijn, en de zee, en het weidse veld.