Wat zijn we goed voor elkaar, wandelend door een land van stilte en duisternis. Jij opent deuren voor me, ik neem de telefoon voor je op.
Ik draai harde junglemuziek. Jij leest met het licht aan. Prachtig. De ronding van je jukbeen, explosieve klinkers, precies het juiste gebruik van parfum.
Waar denk je aan? vraag ik in een taal van aanraking die uniek is voor ons. Je tikt op mijn handpalm, niets bijzonders. Op stations wedijveren we met onze zintuigen, kijken we wat
het eerst komt – licht in de tunnel, een zweepslag op de rails. Ik schop tegen je schenen als we uit eten gaan. Jij dept mijn lippen. Ik betast die van jou als braille.
De Nederlandse dichteres Lieke Marsman is afgelopen woensdag, 3 juni, op 35-jarige leeftijd overleden. Lieke Marsman werd op 25 juli 1990 geboren in Den Bosch.
In mijn mand
Ik heb niet stilgezeten, ik heb Sartre gelezen en Kant en Kierkegaard. Als ik doodga hoop ik op een hemel om met hen in te kaarten (ik vraag me af of Marx voor geld zou spelen). Lachend zal ik vier azen op tafel gooien, twee jokers achter de hand. ‘Schenk mij bij!’ zal ik roepen naar een engel in een doorzichtig gewaad, maar de doden hebben geen stem. Natuurlijk hebben de doden wel een stem. Driekwart van de boeken die je leest zijn geschreven door een dode toen die dode nog leefde. En zo sijpelt het verleden de toekomst in
Dying is an art, schreef Sylvia Plath Doodgaan is weer kind zijn, denk ik Volledig overgeleverd aan de elementen, zonder dat je iets te zeggen hebt over de plekken waar het leven (een kinderwagen als het ware) je naartoe rijdt
Dit zal na mij zijn, wat voor mij is geweest – Seneca Wat een dwaasheid om verbaasd te zijn als op een dag gebeurt wat elke dag gebeuren kan. Ik ben een dwaas, maar dwazer is wie leeft alsof hij morgen sterft: wat een paniek pulseert er vandaag door je lijf! Nooit zul je meerdaagse plannen maken, nooit ‘s avonds laat door het Oosterpark lopen en verlangen naar de nazomer, nooit een stuk taart bewaren voor morgen, nooit kaartjes voor de biënnale kopen
Zachtjes zit ik in een kano in Frankrijk Hoopvol zit ik weer in de zonnige erker met bloemen Dit zijn geen jeugdherinneringen, maar geuren zoals alle jeugdherinneringen op een gegeven moment geuren worden. Proust, expert in deze vorm van melancholie, schreef: de kracht die de meeste keren om de aarde gaat in één seconde is niet elektriciteit, het is pijn.
…maar hij vergat het licht, dat het allersnelst is en altijd met dezelfde snelheid reist. Licht dat pijn kan doen verbleken. Want wanneer ik mij buk om de druiven die gevallen zijn op te rapen en pijn duwt mijn gezicht weer eens ineen als een harmonica maar ik kijk op en zie de zon weerkaatst in de nieuwe koelkast die van jou en mij samen is, wat betekent pijn dan nog?
Jij bent geboren in de grijze flat met plastic balustrades, ik zag mijn eerste nacht in het kleine huis met gekleurde kozijnen
Maar dit gedicht gaat over de dood. In mijn kist zal een donzen dekbed liggen, mijn lijf omringd door pluchen knuffels Ze noemden me kinderachtig, maar dat was toen Jonge honden waren we, voor het eerst in een park zonder riem, verbaasd bij alles wat ons lukte dankzij of ondanks onszelf en ons vermogen overal een competitie in te zien
‘De dood accepteert geen jokers,’ zegt Kant in alle ernst met zijn zwaarste stem en: ‘Schenk mij bij!’ tegen de engel, die geïrriteerd zijn breiwerk opzijlegt en antwoordt: in je mand (want is het zo onderhand niet evident dat mensen voor engelen zijn wat dieren voor mensen zijn?)
In mijn mand!
Is het mijn sterfdag? Ik maak mij geen zorgen Alle gelukkige momenten herhalen zich Eerst als tragedie en dan als klucht en daarna als elegie Er zullen opnieuw tieners wild na sluitingstijd een snackbar in rennen Er zullen opnieuw geliefden in de wijnbar zitten waar wij elkaar voor het eerst kusten Zelfs jij zal opnieuw een geliefde in een wijnbar zijn en opnieuw gelukkig zijn ook al is je oude geliefde dood Maar voor nu ben je boos dat ik dit opschrijf Veel te vroeg zoals ik altijd overal veel te vroeg ben Maar juist daarom hou ik van je omdat mijn ziekte soms voor jou een bron van boosheid is
Is het mijn sterfdag? De lucht is stil, als lucht op een kalender Is het mijn sterfdag? Vergeet klokken die luiden De lucht is stil, als lucht Is het mijn sterfdag? Vergeet engelen en psalmen Ik wil de vanille van een oud boek Ik wil een koud flesje bier en ik wil jou, nog één keer Vergeet vogels die zingen Ik wil mijn hond horen drinken
„Ein Lötkolben wurde in Gang gesetzt. Die Stichflamme fuhr langsam das Rohr hoch. – Fackel die Wand nich’ ab, Willi! Willi machte eisern weiter. Es war hundekalt. Überall froren die Leitungen zu, und sie kamen gar nicht nach. Es war sogar zu kalt, um Bier zu trinken. Und während Willi diese betrüblichen Gedanken noch in seinem Hirn wälzte, wobei seine Hand fachmännisch den Brenner führte, hörte er, wie aus seinem Munde die Worte kamen: – Alex soll mal drei Flaschen Bier holen gehen! – Bei der Kälte? fragte Schierkalla mahnend erstaunt. Doch der Altgeselle antwortete nicht mehr. Kalle Schierkalla war Geselle bei der alteingesessenen Klempnerei Gutbrodt & Söhne. Kalle hatte sich gestern ein prächtiges Veilchen gefangen. Irgend so’n Idiot kommt im »Sportlertreff« auf ihn zu und macht ihn an, von wegen dein Chef stottert ja und so. Eh, du Idiot, der stottert nich’, der hat nur’n Sprachfehler, du Ochse! Und knackwumm. Er hatte ziemlich schlechte Laune heute morgen Und das war ihm anzuhören, als er sich über das Treppengeländer beugte und aus dem dritten Stock nach Alex grölte, dem Lehrling, der natürlich wieder auf seinen Ohren saß. Die nach unten gerichteten Schallwellen schlugen auf dem gekachelten Treppenhausboden auf wie ein Tennisball und kamen mit Foffo wieder hoch, flogen an Schierkalla vorbei, ein halbes Stockwerk höher, um dort durch die Wohnungstür zu dringen und einen Mann aus dem Schlaf zu reißen, der in traumschwerem Morgenschlummer lag. – Fackel die Wand nich’ ab, Willi! Es ist unmöglich zu schildern, wie diese Worte und in welcher Maske sie durch seine Schlafhaut gedrungen waren, als letzte abschließende Rede einer Situation, auf die er zugeträumt hatte. Und jetzt Alex, der Arsch mit Ohren. Der Mann versuchte, sich an die Eintragungen in seinem Personalausweis zu erinnern. Dann wußte er wieder, wo er war. Die Bude war eiskalt. Und die wollten Bier.“
Vrijdagavondkoorts
Een koude maartse regen midden in de zomer, het is alweer eind juni. 5 uur ’s middags, vrijdagavond. De drukte van de stad neemt af, het geraas zal weldra voorbij zijn. Het weekend staat voor de deur. Vanavond gaan we er flink tegenaan! Absoluut! We gaan naar onze stamkroeg – en dan gaan we helemaal uit de bol! Je moet jezelf af en toe verwennen. – En ernaast: Kom op, laten we naar de “Roxy” gaan. Ik vind de “Camera” leuker. Maakt mij niets uit? Mij wel. Oké, “Camera”. En als er niets te beleven is? Dan doen we wel iets anders. Niet weer!
Ik wil gaan joggen! Je moet wachten tot morgen. Nee, nu! Kijk eens naar buiten. Een koude maartse regen valt. Ik vind alles saai, behalve joggen. Kom op, laten we seks hebben. Nee, niet nu!
„Wer spricht, kann loben, lügen, plaudern, drohen, flehen, fluchen, bitten, beten, betteln, zetern, zürnen, danken, plänkeln, streiten, schmeicheln, lästern, widersprechen, warnen, kritisieren. Grüßen und granteln. Wer schreibt, hat nicht selten ein Problem mit gesprochener Sprache, behaupte ich. Ein geschriebenes Wort, das gedruckt wird, kann und muss ich sorgsam wählen, gegebenenfalls löschen, ersetzen. Ein gesprochenes Wort, einmal geäußert, wirkt unmittelbarer. Eine Stimme trifft auf einen Körper. Einmal gesagt, ist es in der Welt. Man kann es nicht zurücknehmen. Es war meine Mutter, die mir eine große Vorsicht, nein, Umsicht mit Worten vorgelebt hat, in ihrem Versuch, sich stets so genau wie möglich auszudrücken. Als Zugezogene und Kind schlesiendeutscher Eltern glaubte sie, sich keinen Fehler erlauben zu dürfen. Nicht zuletzt ihrem Bewusstsein für Sprache verdanke ich wohl meine Liebe zum geschriebenen Wort — aber eben auch mein Drama mit dem Sprechen. Auf den ersten Blick scheint nichts natürlicher. Das Sprechen gehört zum Menschen wie das Atmen. Für mich barg es recht früh Fallstricke, Fragezeichen. Ich staunte — und staune noch heute —, wie mühelos und leichtfertig viele Menschen Worte im Munde führen. Wie unbekümmert sie davon ausgehen, andere zu verstehen und selbst verstanden zu werden. Schon als Kind empfand ich Sprache als etwas Faszinierendes, aber auch als etwas Zerbrechliches und, ja, Gefährliches, mit dem man Schaden anrichten, sich einem Urteil ausliefern konnte. Jedenfalls nicht als ein schlichtes Mittel der Verständigung. Auch deshalb habe ich wohl gleich mehrere Male in meinem Leben fast vollständig aufgehört zu sprechen. Das Verstehen und Verstandenwerden ist in der Tat keineswegs selbstverständlich. Es stellt im Gegenteil sogar die Ausnahme dar, nicht die Regel. Erstmals begegnete ich dieser Überlegung als Zwanzigjährige, in einem Seminar zur Sprachphilosophie.“
Uit: „Immer noch freundlich, aber kaum noch geduldig“: Tagebücher 1980-2021
„10. Juni 1980
Beckermann hat angerufen und gesagt, es sei alles in Ordnung. Ich schreibe weiter an dem Stück. Im Augenblick strömen alle kleinen Nebenflüsse wieder in den Hauptfluß, und es hat den Anschein, als wollten sich die Dinge wenigstens vorübergehend zu einem Ganzen fügen. Und eigenartig: Meine erste Reaktion ist Angst, daß so viel Gutes auf einmal nicht kommen kann, ohne die Katastrophe hinter sich herzuziehen. Und dann denke ich wieder: Mein Mißtrauen provoziert das Unglück. In solchen erfolgreichen Augenblicken komme ich mir immer vor wie ein Hochstapler. Ich weiß so wenig. Und ich schaffe es nicht, mehr zu wissen. Ich habe den Eindruck, immer wenn ich etwas Neues begreife, vergesse ich etwas, was ich vorher wußte. Vor allen Dingen kann ich mir nicht merken, was ich gelesen habe.
Freitag, 13. Juni 1980
Ich habe die ganze Nacht in einem wunderbaren Zustand verbracht. Ich war ich und doch eine andere. Mein Gefühl von mir war oval wie ein Ei, aber ich war kein Ei. Um mich und in mir waren Musik, Blumen und Licht, mit denen ich mich eins fühlte, ohne daß ich das gewesen wäre. Ich wußte im Traum, welches Gefühl ich immer gesucht hatte. Ich wußte, daß ich ein Geheimnis wußte, das mir bis dahin immer verschlossen gewesen war. Ich war eine andere, und ich war ich. Das Gefühl blieb als Erinnerung, aber ich konnte es nicht wieder herstellen, nachdem ich einmal aufgewacht war. In solchem Augenblick bin ich bereit, an alles Über-irdische zu glauben. Woher kommen solche Empfindungen, wenn man im Leben keine Gelegenheit hat, sie zu erfahren? Woher weiß ich etwas, was ich nicht erfahren konnte? Oder unsere Phantasie und unsere Wünsche sind so stark, daß sie uns für kurze Zeit eine andere Wirklichkeit schaffen können. So ähnlich muß die Günderrode empfunden haben, als sie ihr apokalyptisches Fragment schrieb. Sie starb kurz darauf.”
De volledige lichaamstatoeage zien, althans alles wat zichtbaar was, als een duveltje uit een doosje springt het vooroordeel er meteen uit: motorvrouw De vrouw achter de kassa, onverschillig, trekt de streepjescodes over het licht. Learning by buying, geluk hebben, bijna altijd bij haar kassa staan. Anders heeft het winkelen geen zin. Vriendelijk persoon, evenwichtig en humoristisch, veel meegemaakt, ze verkoopt geen kletspraat, maar haar droge humor legt haar voor iedereen die zij mag een geestige opmerking op de tong; je begint de dag met een vrolijk gevoel.
„Wie beginnt das Reisen? Wer mit Fernseher und Internet aufgewachsen ist, wurde, anders als die meisten Reisenden im 20. Jahrhundert, bereits mit einem überbordenden Repertoire an bewegten Bildern von den letzten Enden der Welt ausgestattet. Wir keimen jeden Winkel der Erde als Foto, als Film oder aus dem World Wide Web, via Google Earth oder GPS, und haben eine Elementartugend verloren: die Fähigkeit, uns auf etwas einzulassen und ein Gefühl der Überraschung zu erfahren. Wer so ins Leben geht, hat vor welchem Aufbruch wohin auch immer zunächst vor allem eins zu tun: Löschen. Vergessen. Den Zähler wieder auf null stellen. Nur so entgeht man der Versuchung, es sich leicht zu machen und in ungesättigtem Strukturhunger nur das aus dem Kopf Vertraute vorzufinden. Wenn wir Key West hören, haben wir sofort Hemingway vor Augen. Bereits Max Frisch konnte nicht umhin, sich selbst von den entferntesten Landschaften stets an seine Heimat, die Schweiz erinnern zu lassen. In seinem immer noch verblüffend zeitgenössischen Roman Homo Faber beschreibt er in der Figur des technisch-rationalen Walter Faber den modernen Menschen schlechthin. Nur das Versagen des Systems, im Buch bezeichnenderweise ein Flugzeugabsturz, vermittelt den Einbruch des Schicksalhaften in ein Leben, das auf Reisen seither einen kaum überbietbaren Grad an Perfektion erreicht hat Wir besitzen knitterfreie Reisehosen von Prada, ein Overnight Kit gegen den Jetlag, Melatonin zur Anpassung an das absurdeste Durchqueren von Zeitzonen. Wenn wir einchecken, dann in speziell abgetrennten Zonen für BusinessFirst wie auf dem apart in Glas und Stahl glänzenden Terminal 2 des Münchener Flughafens. Von dort aus gleiten wir durch ein hypermodern aseptisches Einkaufszentrum in die Lederfauteuils der Wohnlounges, um den Abflug zu erwarten. Drinks, Snacks, Speisen. Zeitungen, Magazine, Videobildschirme. Getönte Scheiben, Teppiche, Ruheliegen. Arbeitszellen mit Computer, Fax und Internet – alles ist dazu entworfen, von dem Umstand abzulenken, dass wir uns in einem Transitzustand befinden, der in sich das größte Abenteuer birgt: eine Abfahrt mit stets offenem Ausgang, ein Risiko.“
Iedereen ging ervan uit: dat hij met zijn grappen en uitspraken al snel de populairste man in het verzorgingstehuis zou worden – de koning van de rookkamer. Vernederd en verbitterd zit hij op het bed in een kale kamer, met niet eens een kruisbeeld aan de muur. De gekke vrouw van boven komt ’s nachts in haar rolstoel binnen en steelt zijn ondergoed.
Om mij heen is alles luidkeels in leven de boer op zijn maaier, blatende schapen in de esdoorn een zwartkop die roept om een vrouwtje, uit bloemkelken klinkt het geronk van een bij.
En ik leef ook maar moet dat zelf zeggen want niets van al wat ik waarneem noemt mij. Zoals je met vrienden wel praat over vroeger: We waren aan zee, in een tent, heel gelukkig – vraagt iemand: was jij daarbij?
Dus ben ik alleen in de tuin in de wereld en om mij heen ademt alles en in huis zit een man. Dit is het leven, schrijft hij, deze ochtend in juni, de zwartkop zingt en in de tuin zit zij.
Marjoleine de Vos (Oosterbeek, 19 april 1957) De Oude Kerk in Oosterbeek
De Nederlandse dichter, schrijver en letterkundige Wiel Kusters werd geboren in Spekholzerheide op 1 juni 1947. Zie ook alle tags voor Wiel Kusters op dit blog.
Langzame Wals
Wij dansten, moeder, door de keuken je had mij lachend opgetild
vier jaar was ik ‘daar bij die molen die mooie molen’ van de radio
geboren, losgeschild je kleine vrucht, een zoet bestaan
een appel die zo rood moest glimmen dat je ogen ervan glansden
opgenomen in een wals tussen tafel stoelen pannen
dat het kleine wandkleed moeder dat je in de keuken hing
geborduurd met wolken schaapjes bomen en een molentje plus een boertje met een pet
dat dat helder linnen kleedje met zijn spichtige figuurtjes draaiend mij voor ogen bleef in de warmte van de keuken langs de wanden van mijn geest
zozeer dat ik het ging zingen en mijn ogen moest bedwingen toen je stierf en ik je zag
jij mij zag ik wilde tillen wat er van ons overbleef op een stoel en in een bed
en wij zwierden en wij walsten tot je grond verzonken was
Vlag
Een vlaggenmast houdt vlaggen vast. Een windvlaag vindt dat ongepast.
Maar als de vlag gestreken wordt, is er geen windvlaag meer die mort.
Dan wappert fier en vrij de wind: er is geen vlag die hem nog bindt.
Maal
Van iedere hap eet ik nog maar de helft. En lucifers die breek ik door. Voor thee dient mij het zakje van de dag tevoor. De tandpasta moet vier keer langer mee.
Ik zou gierig moeten zijn nu ik je mis. Ik moet niet zo ademen, de rest is dan voor jou. En minder slapen, minder waken. Veel minder alles waar ik vol van ben.
Ik zie je door de kamer gaan en voel hoe je een arm mij om de schouders slaat. Je lacht, je legt je benen op de bank.
We praten, eten, slapen – dubbel dus en zij aan zij. Daar schuilt het missen in, zolang ons missen gretig wordt betwist.
en dan is het er weer, komt van ver weg dichterbij NL-D na 15 minuten nog 0-0 in het nieuws komt het voort uit een zijspoor en vergiftigt het mijn gemoed Europa kan zich niet uit de crisis sparen de markt heeft nieuw geld nodig de banken worden niet genationaliseerd en dan met de lotnummers 1 5 2 5 6 7 8 9 overvalt me een voorgevoel, een angstaanjagend beeld verschijnt als een silhouet in het venster van de ziel richting de straat in de deuropening de zieke moeder rookt het kind slaapt naakt op de stoep
Ik kom met luide muziek, met trompetten en trommen, Ik speel niet enkel de marschen ter eere van de overwinnaars die ieder toejuicht, ik speel ook de marschen voor overwonnenen en verslagenen. Heeft men U gezegd, dat het goed was het pleit te winnen? Dan zeg ik U daarbij, dat ’t goed is de nederlaag te lijden: veldslagen worden in denzelfden geest verloren als zij worden gewonnen.
Ik trommel en trompet voor den dood, Mijn luidste en blijdste muziek is voor de dooden.
Vivats voor hen die verloren hebben! En voor hen wier oorlogsschepen in de zee zijn ondergegaan! En voor hen-zelf die in zee zijn ondergegaan! En voor alle veldheeren wier leger verslagen werd en voor alle overwonnen helden! {15} En vivats voor de tallooze onbekende helden, zoo luid als voor de grootste helden wier naam beroemd is.
5.
Denkt gij, dat ik eenig diep verborgen doel hebbe? Nu dan, ik heb dat doel, want de zaaiers der Vierde-maand hebben dat doel en het mica aan de rotshellingen heeft het ook.
Houdt gij ’t er voor, dat ik verwonderen wil? Wil het daglicht verwonderen? Wil het roodborstje, dat vroeg in den morgen kwinkeleert, het doen? Wil ik ’t dan doen eenigermate meer dan zij? Dit uur wil ik U in vertrouwen iets meedeelen. Ik zou ’t niet gaarne iedereen vertellen, maar U wil ik ’t vertellen.
Feet on fire, a bath filled with cold water, I sit on the edge to cool my ankles And insomnia, and in the small hours I read Ivor Gurney, and I understand His obscurity and muddle, poems That know more than he knows, more than I know: A Severnside hedge-pool’s cloud-reflections, Face-dissolving blood-ponds of Passchendaele. He washes my feet the way Jesus would.
Michael Longley (27 juli 1939 – 22 januari 2025) Albert Memorial Clock Tower in Belfast, de geboorteplaats van Michael Longley
“Aetas parentum pejor avis tulit nos nequiores, mox daturos progeniem vitiosiorem.’ De tijd der ouders, slechter dan de grootouders, heeft ons, die weer slechter zijn dan zij, voortgebracht, en wij zullen spoedig een nog bedorvener nakomelingschap verwekken. Dit zei Horatius in zijn Carmina, dit schreef mijn grootvader tweeduizend jaar later over in zijn schrift waarop hij in krulletters ‘gevleugelde woorden had geschreven. Hoe slecht moest ik mij nu als kleinzoon, nog bedorvener immers dan hij, die op zijn beurt al zo ontzettend slecht was, wel niet voelen? Met de gedachte dat een nog slechter nageslacht mij zou opvolgen kon ik mijzelf misschien nog geruststellen. lk besloot dat Horatius erg zwaar op de hand was en beslist geen groot profeet. Ik vond het schrift toen ik een jaar of acht was tussen oude vergeelde boeken in het souterrain van het huis van mijn grootmoeder, terwijl ik boven de mensen van het veilinghuis de grote kussenkasten hoorde wegslepen en mijn vader geëmotioneerd tegen zijn schoonzusters hoorde roepen dat vader nog maar een dag begraven was. Door de tralietjes van het souterrain zag ik mijn moeder huilend in haar auto zitten bij een geopend portier, een sigaret in haar hand, haar benen buiten boord. Het schrift nam ik mee naar huis en ik bewaarde het zorgvuldig in mijn bureaula. In de loop der jaren ontdekte ik langzaam de betekenis van deze woorden. Amantes amentes. Minnenden zijn hun verstand kwijt. De liefde maakt blind. Amantium irae amoris integratio est. De boosheid der minnenden is een hernieuwing der liefde. Amare et sapere vix deo conceditur. Beminnen en zijn verstand bewaren staat nauwelijks in de macht van een god. Ik begreep dat liefde en minnen gevaarlijke bezigheden waren waarbij het onvermijdelijk was dat je het bewustzijn verloor. Mijn grootmoeder en grootvader, die kort na elkaar waren gestorven, waren waarschijnlijk bezweken aan de fatale liefde en ik was opgelucht toen mijn moeder aan mij vertelde dat ze nooit van mijn vader had gehouden. Een paar jaar na het vinden van het schrift van mijn grootvader ontdekte ik in het nachtkastje van mijn vader een rood boek met de titel Seksualiteit en de mens. Het was een boek uit 1950. Wat ik me herinner is een grafiek waarin tegen de x- en y-as de orgasmen van een man en een vrouw waren getekend en opvallend was dat deze zeer ongelijk verliepen, het leek hogere wiskunde.”
Naar de foto kijken is op de een of andere manier niet ondraaglijk: Mijn vrienden, twee dood, een met een laag T-celniveau, zijn witte T-shirt een röntgen- foto van het virus, dat ik me voorstel als een enkel, zwemmend paisleypatroon, een sardine met gekartelde vinnen en een neonruggengraat.
Ik zit in de trein en denk aan mijn vrienden en kijk naar twee vrouwen die in gebarentaal praten. Ik voel de energie en de zwaarte die hun woorden genereren, het gewicht van hun woorden in de lucht hetzelfde gewicht als jullie aanwezigheid op deze foto, jongens, de hoeveelheid nazomerlucht op het strand.
Namen jullie die dag deel aan een thé dansant? hebben jullie gedichten in het zonlicht geschreven? Geflirt met vreemden? Er is zon onder jullie huid als het goud van Sula onder ’t zwart van Ajax. Ik kalibreer het gewicht van jullie prachtige botten, het gewicht van jouw elleboog, Melvin, op Darrells bruine schouder.
je had geen hand meer over om een hand te geven en om een houding aan te nemen zei je dat je me straks nog zag waar wist ik niet ik heb niet lang gewacht
soms proef ik de restanten van paté soms vallen schalen uit een hand in gruis soms hoor ik stemmen bezig bij de vaat maar die van jou breng ik daar niet uit thuis
Herfst in het hoofd
Alsof ik blijvend bloos, zo gloeit mijn hoofd. Geknield heb ik vandaag verstek gezaagd, de nieuwe vloer geplint, terwijl het goot.
Het is november; onder vrienden sprak je dan van hoe je dacht dat straks je dood zou komen – als een druppel.
Nu niet. Nu wordt de herfst benut om aan het werk een gladde rand te geven. Het hoofd voorziet zich nog wel van gedachten, maar door de mond komt geen ervan tot leven.
Vandaar die rode kleur? Of word ik oud? De dag loopt af. Wij drinken op het plint als op een kist met goudbeslag. ’t Werd tijd. ‘Altijd november,’ denk ik, ‘altijd regen.’ Zo’n regel loopt, en raakt mij nooit meer kwijt.
Winterlandschap
Vergeefs sla ik gesloten ogen op; daarmee sluit mij het landschap in zich op dat mij voor dag en dauw en kou voor ogen stond:
een man fietste voor ’t laatst de polder in op zoek naar stilte als een vruchtbegin, en wolkjes adem condenseerden bij zijn mond.
Winter als op een Hollands schilderij. Maar waar de mensen waren? Misschien bij de kachel thuis, of op de achtergrond in mist.
Vooroorlogse ontroering gaf deze verbeelding mij, als had ik mij, nu nevels dichter werden, in de tijd vergist.
Wat moest ik met de mensen? Gedachten vielen als een vormloos pak in zachte sneeuw – een witte vlek betekende: een man die afstapt.
Vergeefs sla ik gesloten ogen op; daarmee sluit zich de man in mijn geheugen op tot dit in fijne sneeuw verdwijnt. Wat blijft is landschap.