Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren; De sappige applen glansen, rood en goud, En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud, Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren Doorstrepen ’t reine luchtblauw en vermeeren Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen, Leg blauwe druiven op die blanke schaal, Tusschen de trossen laat de perzik blozen Als avondrood, en loof als bloedkoraal Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen, Die symphonieën zoekt in kleurentaal.
Hélène Swarth (25 oktober 1859 – 20 juni 1941) Amsterdam, de geboorteplaats van Hélène Swarth
Op naar de zon, een mens móét recreëren! Vanaf Schiphol vertrekt weer vlucht na vlucht De kerosinedamp vervuilt de lucht En hoe gaan wij dit vliegen compenseren?
Standvastig doe ik mijn klimaatplicht hier: Braaf drink ik met een rietje van papier
De dichtgetijden
Hier peest en racet de postmoderne geest: we moeten dringend dit en instant dat, bij voorkeur weer wat anders dan men had; zelfs de Parnassus schoeit op snelle leest.
Geen tijd voor metrum, rijm, superbe vorm, poëten braken trendy losse flodders, veelzeggend als met verf gesmeten klodders; het stijlloos vrije vers brak uit, werd norm.
Een leger dichters lijdt zwaar aan de tijd want vrijheid remt de creativiteit en verkoop van hun bundels blijft stagneren.
Maar binnenkort zal deze trend wel keren, de ware muze kan niet zonder wetten: straks dweept de avant-garde met sonnetten!
Kunstmatige intelligentie
Da’s makkelijk, het lijkt me je van het! Die bot wordt al gebruikt op grote schaal En schrijft in ijltempo een lang verhaal Dus vraag ik hem een kloppend snelsonnet
Helaas, ‘kunst’matig heeft echt niets van kunst Ook ‘matig’ klinkt té positief: hij klunst
Inge Boulonois (23 september 1945 –3 december 2024)
De Zuid-Afrikaanse / Israëlische dichteres Olga Kirsch werd geboren in Koppies in de Oranje Vrijstaat op 23 september 1924. Zie ook alle tags voor Olga Kirsch op dit blog.
Aan de verhuizers
Draag ze voorzichtig, vrienden, want sierpotten en aardewerk, fijn porselein en teer glas herbergen een leven – met zijn dromen en verlangens – in zich;
Draag ze voorzichtig, mededragers, want het gewicht van een veren bed, tafels en een bureau drukt tegen het broze geraamte van de kist;
Draag ze voorzichtig, rechters, want het oordeel over mijn kleine bestaan ligt besloten in foto’s, boeken en een geliefde oude leunstoel;
Draag ze voorzichtig, goden, want het porselein van het hart is kwetsbaar en vatbaar voor diepe pijn en kwetsbaarheid: de kratten van een leven kunnen zo gemakkelijk breken.
Wij sloegen wegen in die met een sterke geur van mest en winter de middag tegemoet kwamen. Wij zagen de hemel zich kleuren met vossenrood toen de zon wegreed in zijn zegekar en het land achterliet aan vuursteen en hout. Wij slopen over de paden als soldaten op verkenning, droegen een riem om ons middel en het staal van een roestig mes op onze blote huid.
Wij verbrandden in de bossen alle dode leefregels, wij hurkten bij vuurtjes met de schutterigheid van pubers, wij waren jong als sap en sterker dan kabeltouw. Wij dachten niet meer aan
de ouderen, die uit een vitaal tekort, bij gebrek aan ruimte, alles uit de helderheid wegzetten, liefde en haat in dozen borgen, in donkere laden waar hun gevoel als een kapotte batterij stierf uit armoede.
Wij waren jong als sap en sterker dan kabeltouw. Wij hadden onze melktanden verloren en daarvoor in de plaats een mond vol rauwe woorden. Wij woonden niet meer als onze voorvaderen op de rand van het ijs maar in de kop van het vuur of de vuist van het duister en leefden een leven dat niet mocht, omdat het vochtig was als jong vel, en woonden op de verborgen zolder van de droom.
Klokken en niets dan tijd
Uit zilver en glas zijn de instrumenten gemaakt waarmee wij de tijd meten, maar kennen wij ook die tijd? Wij kennen onze angst, die sputtert als een oliepit en soms dooft, wij kennen geluk en wondpijn – de koorts van die wond al minder.
Maar de tijd blijft een dunne adem waaronder wij leven, vechten of popelen van liefde, de tijd is een geruisloze wind die verandering, als spionnen, onder zijn mantel meevoert.
En als hij kleur bekent zien wij het niet – of te laat. Met het oog op onszelf gericht zien wij wel het vuur binnen ons, blussen wij met koele bekers, maar zien te laat
de weg die onheilsboden nemen onder de zon. En later, wanneer het voorbij is, vragen we: wat was het? Een windstoot of wapengerucht? Een fel opstekend onweer?
Niemand weet het dan meer. Waarom werd Troje veroverd? De één zegt: om Helena. Een ander: om de ijzervoorraad te vermeerderen van de Grieken. Wat was het: een vrouw of erts, waarvoor legers hoog hielden de tekens van hun gevechtswaarde?
Jaap Harten (22 september 1930 – 2 december 2017) Portret door Ringo Mollinger, 1984
guust scheurt en knipt uit de foto wie vergeten is en zelfs meer. ook de jongen die als straf na school de sjaal moest zoeken die hij nochtans niet verstopt had, niet hij, deed de schoolpoort open en vertrok. ook de jongen die in vaders schuif tastte, raderen en veren en wijzers betastte, verdween finaal tussen de onderdelen voor vader zijn vingers kon pletten. ook de jongen die zijn schooleten plette, ook die knipt hij uit. en de jongen die ooit in de kleedkamer met zijn handdoek tegen guusts blote kont kletste, is al lang gesmolten. en de jongen die een krekel had gevangen, heeft ook de lente niet gehaald. en de jongen die wou lopen met een pet over zijn ogen maar al na drie meter viel en de enige lange broek scheurde die zijn ouders zich konden veroorloven, is ver van huis. en ik die het warm kreeg achter in mijn broek en de jongen die zijn mond vulde met crème glace in ruil voor zijn amandelen en de jongen die bij het kippenhok regenwater oplepelde, wij die ooit samen met guust rondhuppelden in de sneeuw, zien nu onze sporen uitgewist. knip. knip. knip. en dan prikt hij nog van haar bank de non die hem klappen gaf omdat hij te rommelig knutselde, waarna moeder hem klappen gaf omdat hij klappen had gekregen. en de plukjes hemel. en de bank als brandhout. en het gras. hij houdt slechts zichzelf over, houdt zelfs zichzelf niet over.
1956
de smurfen zien smurfen op smurf smurfen kijken op een smurf waarop zij smurfen kijken waarop smurfen die smurf kijken waarop nonkel bob en tante terry te zien zijn kom, kom toch kijken smurfin!
maar smurfin zit in een zetel, nog voor de dag begint in een zetel tussen twee teddysmurfen, nog niet aangekleed in een versleten, stoffen zetel met houten leuningen en zij, nog net niet versleten, nog voor het grauw van buitenwereld begint, hoort kom, kom toch kijken smurfin! en brilsmurf ijsbeert voor het scherm want grote smurf dit en grote smurf dat en als gargamel wat, maar als knutselsmurf zich ergert omdat alles hetzelfde blijft en moppersmurf omdat alles verandert, hangen ze samen brilsmurf met zijn muts aan een haak in de gang en gaan op een pleintje spelen; speelgoed is niet nodig, ze spelen smurfje en smurfen vakjes van een tot tien en gooien met een kiezel kom, kom toch kijken smurfin! en voor gargamel is het ja en inderdaad, alleen zijn. geen broer of zus. niet echt eenzaam, maar alleen. hij zit op regenachtige dagen smurfen te knutselen en bomen waarachter ze zich mogen verstoppen en waar hij ingenieuze valstrikken in bouwt. want smurfen wonen in een gezondheidskolonie in een bos van zon, dat heeft hij uitgeplozen, staan dicht bij bevroren bladeren en ijs. ze snuiven de geur en kou diep in hun blauwe longen, tot kom, kom toch kijken smurfin! klunssmurf uitglijdt op het meer. zijn buil zwelt en doet zeer. ze dragen hem snel naar grote smurf die net de drinkbeker aan het bijvullen is voor de slakken in hun vogelkooi.
Xavier Roelens (Rekkem, 21 september 1976)
De Canadese dichter, folk singer-songwriter en schrijver Leonard Cohen werd geboren op 21 september 1934 te Montréal. Zie ook alle tags voor Leonard Cohen op dit blog.
Hoeveel mensen in deze stad?
Ik vraag me af hoeveel mensen in deze stad in gemeubileerde kamers wonen. Laat in de nacht, als ik naar de gebouwen kijk: ik zweer dat ik in elk raam een gezicht zie, dat naar me terugkijkt, en als ik me omdraai, vraag ik me af hoeveel er teruggaan naar hun bureau en dit opschrijven.
Vertaald door Frans Roumen
Leonard Cohen (21september 1934 – 7 november 2016)
To unbalance. To keel over, accidentally, or submit to the pressures of gravity. To plummet in worth, especially currency. To lose altitude. To take place at some pre-ordained time and date. To swallow tall tales at face value. To lag such a distance back along the trail as to disappear from view. To surrender, especially a country, to the enemy camped in its margins for all of two nights and three days. To vanish from the radar of grace. To have no qualms any longer when it comes to telling friends and foes alike precisely where to stick their olive branches. To be the kind of sap who lapses now and then into clandestine amorous crushes. To indulge a whole continent its own broadleaf syllable for autumn. To arrive back unexpectedly in the afternoon and happen upon yourself dancing a single-handed two-step on the landing to Bechet’s ‘As-tu le Cafard?’ To go, especially too far. To leave some unknown pal a shot behind the bar and teeter out upon the dawn, its parabola of stars, as wobbly on your pins as any newborn foal. To bolt awake on a balcony and see the horizon’s twinset of Med and azure in the Blinky Palermo abstract that has lain open in your lap. To realise the only part of flight you can handle is that moment after take-off into a blank of unmarked blue. when you feel like a kite getting nowhere fast or a balloon strung out on helium. To listen to sound effect CDs so often every track eventually returns to the common denominator called ‘wind in trees’. To think the hymns of Ulrich Zwingli funny. To praise a glass half full of homespun pear brandy that tastes of lighter fuel. Also, to dwell on the bruise of one dropped apple. Also, to descend and keep descending until it becomes a sort of modus vivendi, a buzz. Also, to stumble and nonetheless to continue, and always to be happy to go down in history as anybody’s fool, and somehow to believe in parachutes, and still to find it within you to forgive the leaves whatever it is leaves do.
Conor O’Callaghan (Newry, 20 september 1968)
De Engelse (Welshe) dichter, schrijver en presentator Owen Sheers werd geboren op 20 september 1974 in Suva op de Fiji eilanden. Zie ook alle tags voor Owen Sheers op dit blog.
Uit: Ik zag een man (Vertaald door Inge de Heer)
“Achter dit hek boog een treurwilg naar een van de zwemvijvers op de Heath. De afgelopen maand hadden die vijvers een laag kroos gekregen, dat verrassend helder van kleur was. Een paar minuten daarvoor had hij nog gehurkt zitten kijken naar een koet die zich er een weg doorheen kliefde, knikkend met haar nonnenkop, met haar kuikens zigzaggend in haar kielzog. Toen hij in de keuken stond luisterde hij nogmaals of hij iets hoorde. Het was niets voor Josh en Samantha om weg te gaan zonder hun huis af te sluiten. Hij wist dat Samantha het weekend op stap was met haar zus Martha. Maar hij dacht dat Josh en de meisjes thuis waren gebleven. Toch was het stil in huis. De enige geluiden die hij hoorde kwamen van de Heath achter hem: een blaffende hond, het gekwebbel van mensen die in de verte zaten te picknicken, de plons van een duiker in de zwemvijver voorbij het wandelpad. Dichterbij, in de tuin van een van de buren, hoorde hij een sproeier, die op de middag in begon te hakken. Het was zo stil in huis dat deze geluiden vanaf zijn plek in de keuken al het karakter hadden van herinneringen, alsof hij een drempel in de tijd over was gegaan in plaats van een drempel van een huis. Misschien had Josh een briefje achtergelaten. Hij liep naar de koelkast om te kijken of hij er een zag. Het was een breed, matstalen Amerikaans model, met een in de deur ingebouwde ijsmachine. Over het hele oppervlak van het apparaat hingen papieren – een hoeveelheid waarmee je een bureau kon vullen -vastgemaakt met koelkastmagneten met Rothko’s. Michael bekeek de afhaalmenu’s, boodschappenlijstjes en verzuim-briefjes voor school, maar die gaven hem geen van alle een aanwijzing waar Josh zou kunnen zijn. Hij wendde zich af van de koelkast en keek het vertrek rond, in de hoop iets te vinden wat zou kunnen verklaren waarom de achterdeur niet op slot zat terwijl er niemand thuis was. Net als de rest van hun huis was de keuken van Samantha en Josh degelijk en royaal. De gestreepte schaduw van een jaloezie viel op het kookeiland in het midden, met een oven, twee kookplaten en een professionele verzameling kookgerei. In de serre, aan de andere kant van de ontbijtbar, stonden een doorgezakte bank en twee leunstoelen met potplanten eromheen. Okerkleurige rolgordijnen waren langs de ramen neergelaten. Aan het uiteinde van de keuken stond een ovale eettafel, en daarboven hingen de Nelsons.”
Men stroopt zeebodems af of jaagt naar sterren en, moeder, maniakken lichten elke tegel of openen graven voor dat sterrenlicht. Sommigen willen álles openen.
Harvey, de bloedsomloop en Freud, de omloop van onze dromen, speurden eervol, worden daarom geëerd, als alle onderzoekers. Mensen die mensen zouden openen.
En dan die anderen, met ziekten, moeder, naar hen genoemd als grote straten: Hodgkin, Addison, Parkinson – artsen die snel, als eersten, bij elk wrang sterfbed komen.
Ik ben hun slome collega, half bevreesd, ongeïnteresseerd. Als jongen al: je weet dat mijn kleine hand een wekker nooit aan stukken gepeuterd of een dode muis geflenst heeft.
Net zo mijn grote hand. Uit een witte mouw strekt hij zich, moeder, houdt voor ’t glanzend scherm jouw röntgenfoto op. Mijn ogen kijken maar willen niet; ik wil nog steeds niet weten.
Vertaald door W. Hogendoorn
Dannie Abse (22 september 1923 – 28 september 2014)
“Mams, Voor ik contact met je maakte wilde ik even met mezelf in balans komen en nu ik bijna een week van huis ben na mijn abrupt vertrek, is de storm in mij enigszins geluwd en adem ik de vredige kalmte om mij heen gretig in. De kamer waarin ik mijn intrek heb genomen kijkt uit op een kinderspeelplaats, vanmiddag zaten daar twee jongens op een wip en een meisje met een rode strik in het haar vermaakte zich op de schommel. Op een bank dichtbij zat een vrouw, waarschijnlijk de moeder van de spelende kinderen, met een boek in haar schoot. Het zou natuurlijk makkelijk geweest zijn naar de telefoon te stappen om met je te praten, maar ik heb bewust gekozen voor een brief. Een van de weinige dingen in het leven, waar de mogelijkheid tot kiezen ontbreekt is het bepalen van je ouders, die krijg je toegewezen. Heus mams, ik ben de kosmos of welke instantie dan ook, die verantwoordelijk is voor de keuze van jou als mijn moeder, heel erg dankbaar. Had ik zelf mogen kiezen, misschien had ik misgegrepen. Bij de relatie van paps en mij ligt dat wel enigszins anders. Toen ik van de middelbare school kwam en aan tafel vertelde dat ik journalistiek wilde doen, beschouwde hij dat als volkomen onzin, evenals al mijn andere verlangens. Weet je nog hoe schamper hij had gelachen? Jij, had hij gezegd, terwijl hij zijn bord van zich afschoof, jij had op je elfde jaar ook al van die wilde fantasieën, je zou schrijfster worden. Gelukkig heb ik je dat uit het hoofd kunnen praten, een Derde Wereldschrijver is op een enkele uitzondering na een elitaire hongerlijder! Toen hij opstond, was dat resoluut zoals altijd wanneer hij voor jou of voor mij een beslissing neemt. Ik weet dat zijn verbittering voortspruit uit het feit dat zijn enig kind een dochter is en geen zoon. Zover ik mij kan heugen heeft hij vrouwen altijd bezien zoals een oosterling dat doet. Hij houdt van zijn vrouw en dochter precies zoals hij gesteld is op zijn Mercedes en zijn gouden horloge, bezit zonder recht op eigen emoties en dromen. Met zijn enorme kennis en reputatie die hij heeft opgebouwd als een van de meest vooraanstaande economen van het land en hoog aangeschreven financieel adviseur van opeenvolgende regeringen, heeft hij het voorrecht en misschien ook het recht om voor anderen over veel te beslissen. Daar valt mijn beroepskeuze echter niet onder!”
Orlando Emanuels (19 september 1927 – 13 maart 2018)
De Duitse dichter en schrijver Crauss werd geboren in Siegen op 19 september 1971. Zie ook alle tags voor Crauss op dit blog.
Beuel Rheinaue
De wereld wankelt, voor onze ogen beeft ze opnieuw, terwijl wij, op een schommelende brug, een zonsondergang in Bonn tegemoet deinen. a slight glimpse of a hand holding, dan luiden de klokken ons terug naar de vertrouwde smalle steegjes. De tafel is gedekt, gegeten wordt op blote voeten en met weemoedig gehemelte: de wijn drinken we nu, de druiven bewaren we voor ’s nachts.
Ik wandelde vandaag een doodstuin in. Oktober. Bomen bliezen uit. Er hing nog rilling om de kruinen, binnenin leek alles opgeruimd. Zo oogt herinnering.
Ik zag een pop, een huis, een grabbelton, wat scherven. Als had een kind het daar pas uitgestrooid. En het speelde. Het verzon een beter woord voor alles wat hier was.
En alles kreeg zijn plaats, de lege bomen, het wachten op de vogels, die er niet meer waren, wat geen naam had, en wie niet.
Mijn wachten ook, op wat voorbij was gegaan als ik er niet was geweest, niet stil had gestaan bij het weinige dat ons beweegt.
2
Dus gingen we maar. Tot waar de stenen steeds geduldig zijn. Samen. Zoals nooit voorheen. Er hing een zon die zonder omzien scheen en wij leken een vlek, gaandeweg, eindweegs.
Achter een hek, in een belendende weide stond een schimmel, op zijn dooie gemak, naar dat geschuifel, waar het toe leidde. Als een lakei, oog op oneindig, lak.
Herfst kwam hem de neusgaten uit. Geen blad liet los van een tak, en wij schoven trager aan de gedachte voorbij dat ook dat
voorlopig was. Iemand wendde het hoofd af toen een gehinnik het gelui overstemde. Verder was het een dag waar niemand om gaf.
Het doodsbed
Kantelend licht. De avond is een kaars die over haar gezicht een eiland legt. Landschappen varen voorbij en zij is het laken waarop nu alles wordt gezegd.
December. Bloemen klampen ramen aan, broodkruim lijnt de perken af, verstikt hun zucht. Het huis stokt in de kelen staan de klinkers amper overeind. En ik vlucht
naar haar hals waarop een archipel bloedt, ingebrand snoer van smaragd. Wie hangt haar op, de ets die ik van haar bewaren moet,
het vergezicht dat stolt op haar huid, de schreeuw die uitrolt op mijn hand? Zij zwijgt, zij weigert elk geluid. In haar is alles uit.
Koen Stassijns (Ninove, 18 september 1953)
De Engelse (Welshe) dichter, schrijver en presentator Owen Sheers werd geboren op 20 september 1974 in Suva op de Fiji eilanden. Zie ook alle tags voor Owen Sheers op dit blog.
Erfenis
Naar R.S. Thomas
Van mijn vader gestotter als een stok in de spaken van mijn spreken. Een vermoeid knipperen, een behoefte om mijn botten bij de kale steen van de heuvel te hebben. Een voorliefde voor de orde van kaarten en de chaos van slecht weer.
Van mijn moeder een gevoeligheid voor de pijn in het genot. Het blauwe erts van de blik, stille momenten naast een nat paard dat opdroogt in een stal vol regenrumoer. De draaibank van een schrijnwerker die feit in fabel verandert.
En van hen beiden — een verlangen naar wat zij smeedden in hun gedeelde leven; het beproevend onder de harde hamer van de jaren, gloeiend heet in de kern, donker afgekoeld aan de zijden.
Hartelijk lachend zit je In de verkeerde raadhuizen En zachtjes huilend zit je In de verkeerde raadhuizen
Verkeerde raadhuizen, zijn Alleen maar verkeerde raad- Huizen; ook goede raadhuizen Zijn de verkeerde raadhuizen
Alleen je eigen bleue hals Draagt het goede raadhuis dat Misschien het verkeerde maar Toch het enige raadhuis is
Het klavertjevier
Daar staat hij, het klavertjevier, uit de tent huilt de Diamond Dogs en ook het kleine klavertje huilt want geen hond wou hij zijn, nee, ook niet dat roestige blikje, nee, van zijn plaatsje wou hij weggaan,
wilde zijn worteltje oppakken en wandelen naar waar het licht was, daar waar geen blikjes rammelden en doodziek roestbruin bloed ophoestten naar hem, het arme klavertjevier. ‘Ach, kwam ik maar van de Antillen!’
‘Hing ik als wijnrank in een tuin in Frankrijk! Had ik de Duitse hoed van de Hanekam, wortels net als de eik!’ Geloof mij, al wat bos en veld stof- feert met vaak bezongen bladerpracht, dat snikt soms droef de Internationale mee.
Daar staat hij dan, het klavertjevier. Op de asfaltweg bromt de bus van 20 u 7. Ja, de zeven die zal er niet bij zijn; kom nou! Uit de blauwe tent kwam zij toen, het meisje, zo mooi dat het groene bloed van eik en grassen stilstond in de vaten.
In de zoete zomeravond van juni of juli, jullie marskramers weten wat ik bedoel, heeft zij vrolijk geplukt t klavertjevier, het aan haar borst gedrukt, en rennende naar de halte waar de bus optrok, stof, stof, terwijl zij niets zag dan t klavertjevier, stof, stof! rent t klavertje naar de sterren.
Dennebos
Het uithangbord van ons gilde is de onbeschilderde denappel, ei
van de dennen. Ongeverfde negorijen doemen op waar de denappel uithangt.
t Plaveisel zand, de rede sagen. Het zand knerst waar de dennen waaien.
Ouderdom is een zwerm kleine tjilpende vogels scherend langs kale bomen boven verijsde sneeuw. Stijgend en vallend wordt het ze lastig gemaakt door een donkere wind – Maar kijk! Op harde ruigtehalmen is de troep neergestreken, de sneeuw ligt vol geschilferd kaf en de wind wordt getemperd door een hoop schril gepiep.
Vertaald door Huub Beurskens
William Carlos Williams (17 september 1883 – 4 maart 1963) Zelfportret, 1914
Je staat te glunderen, alsof je al gewonnen hebt. Of wil je de menukaart zien? Lieveling, er trok vandaag een optocht door de straat, er was confetti, er waren voorzorgsmaatregelen, er was genoeg voor iedereen. De dag stond bol van nijverheid.
Dit is geen gezeur, dit is de kolder in m’n kop, secondewerk. En dit hier liep ik in de oorlog op, ik was een scherpschutter, ik schoot met scherp, waande mij een voorvader, mijn bleke snufferd in alle soorten en maten. Zo ging dat in die tijd van
voor de nieuwsberichten, wie niet deugde kon bij het grofvuil. Ik moest tot inkeer komen, kwam tot inkeer en toen wilde ik naar huis – tussen de flats laat jij je hondje uit, het kinderspel,
de graffiti, het gekef, alles in nostalgisch zwart en wit. Luister, brult de meester. Eendracht, klaagt de meester. Wie de schoen past, begint de meester. Maar wat het ook was, het is verleden.
Het persoonlijk magnetisme
Kijk eens naar rechts en vertel me wat je ziet. De constante verandering, nu al onderdeel van onze dagelijkse routine.
Dit is de grote dag, de dag van het titelgevecht en het spontane compliment. In de drukte zoek je naar het gat in een gesprek en als op een teken lijkt de aandacht te verschuiven naar geluiden buiten. Het blijft vragen naar de bekende weg, een vloeiende beweging van aantrekken en afstoten.
Onze speelsheid een nieuwe vorm van liefdewerk: de kortstondige toewijding, het verrassend perspectief.
Zo te horen is het vrijgezellenfeest hiernaast een groot succes. Maar laat je niet afleiden, hier gelden andere wetten.
De dageraad stokt in zichtbaarheid
Hij ligt op zijn buik naast de bank, het televisielicht werpt een zenuwachtig schijnsel op alles wat hier achterbleef. Dit is nog net geen verhaal. Zijn ogen staan verbaasd, zweet druipt van zijn voorhoofd, de mond klapt open en dicht.
Het is zaterdag of zondag, onbewolkt, een prachtige gelegenheid voor een wandeling in het park, een bezoek aan de kermis. De klok slaat zes: al die uren waarin hij zich heeft leeggeschreeuwd, zich probeerde los te rukken, oorzaak en gevolg verwarde.
Een zeehond, blind of gewond, kruipt als vanzelf terug naar het vrieskoude water, hoe ver ook, onder het ijs voorvoelt hij de eerste sensaties van diepte als de uitkomst van een belofte. Een dik rood spoor verklaart zijn tocht in minuten of dagen.
– And this very moment, this very world will be Eden – Enderby
kijk neer in de donkere spiegel kameraad hoe jagen de palmen de wind achterna kijk naar de zon, ergens in jou schuilt de onvervoegde kracht het roodborstje breekt ritmisch zijn kristallen pijn in vermiljoenen vocalen ergens in jou puilt de onvervoegde kracht en de onverzadigbare engel teert in jouw stilte vreet aan de zon al geringer wordt het niks om het woord ringen, ringen, ringen wrijf je lippen aan het donker af aan het lijk van de zon en kijk hoe de stilte stralend over je kust breekt tot het onvernietigbare sterk en blind zo glanzend stinkt: de rictus, kameraad
Vertaald door Adriaan van Dis
Breyten Breytenbach (16 september 1936 – 24 november 2024)
Uit: Dream count (Vertaald door Adiëlle Westercappel)
“Ik heb er altijd naar verlangd om te worden gezien voor wie ik ben, om écht te worden gezien door een ander mens. Soms leven we jarenlang met verlangens die we niet kunnen verwoorden. Tot er een scheurtje in de lucht ontstaat en de hemd openbreekt en zichzelf aan ons openbaart, zoals met de pandemie, want het was tijdens de lockdown dat ik mijn leven begon uit te pluizen en woorden schonk aan zaken die lang niet in woorden konden worden uitgedrukt. Mijn oorspronkelijke bedoeling was om optimaal gebruik te maken van deze collectieve afzondering; als ik toch alleen maar binnen mocht blijven, zou ik elke dag mijn broze edges insmeren met olie, acht grote glazen water drinken, op de loopband rennen, overdadig lang slapen en dure serums op mijn huid deppen. Ik zou nieuwe reisverhalen schrijven op basis van ongebruikte kladjes die lagen te verstollen en als de lockdown lang genoeg zou duren, zou dat misschien eindelijk dat duwtje zijn dat ik nog nodig had voor een heel boek. Maar al in de eerste week belandde ik in een neerwaartse spiraal, verdween ik almaar dieper in een eindeloze tunnel. Woorden en waarschuwingen walsten om me heen en het voelde alsof alle vooruitgang die we als mensheid hadden geboekt omsloeg naar een eeuwenoude staat van verwarring die nu al lang en breed voorbijgestreefd had moeten zijn. Raak je gezicht niet aan, was je handen, ga niet naar buiten, gebruik ontsmettingsmiddel, was je handen, ga niet naar buiten, raak je gezicht niet aan. Wanneer ik mijn gezicht waste, telde het dan als aanraken? Ik gebruikte altijd een washandje, maar op een ochtend streek ik per ongeluk met mijn blote hand langs mijn wang en verstijfde ik terwijl het water uit de kraan bleef lopen. Het deed er niet toe, vast niet, ik was immers nooit naar buiten geweest, maar wat betekende ‘raak je gezicht niet aan’ en ‘was je handen’ wanneer niemand wist hoe dit was begonnen en wanneer het zou eindigen of zelfs maar wat het eigenlijk was? Ik werd elke dag in doodsangst wakker met een hart dat onwillekeurig in mijn borstkas bonkte en soms drukte ik mijn hand ertegenaan en hield hem daar even. Ik zat alleen in mijn huis in Maryland, in de kleinsteedse kalmte, met benauwende wegen begrensd door bomen die zelf leken geluwd door de stilte. Er reden geen auto’s. Ik keek naar buiten en zag een kudde herten voorbij schrijden over het veld dat mijn voortuin was. Een stuk of tien herten, misschien wel vijftien, heel wat anders dan de eenling die ik af en toe schichtig in het gras zag grazen. Ik werd bang van ze, van hun ongebruikelijke bravoure, alsof mijn wereld op het punt stond te worden overgenomen, niet alleen door herten maar door andere wezens die op de loer lagen en waarvan ik me geen voorstelling kon maken.”
Chimamanda Ngozi Adichie (Enugu, 15 september 1977)
Je zit alleen in de tuin met een zakboek, een broodje, je fles en je pijp. Het is nacht maar zo kalm dat de kaars zonder flikkering brandt, een weerschijn over de ruw-planken tafel verspreidt en glinstert in fles en glas.
Je neemt een slok, een hap, je stopt je pijp en steekt hem aan. Je schrijft een paar regels en overpeinst een ogenblik de veeg van avondrood op weg naar morgenrood, de zee van wilde kervel, groenwit schuimend in de schemer van de zomernacht, geen vlinder om de kaars maar muggenkoren in de eik, de bladeren verstild in de lucht… En de esp die in windstilte ritselt: De hele natuur krachtig in liefde en dood om je heen.
Als was het de laatste avond voor een lange, lange reis: Je hebt het biljet in je zak en eindelijk alles gepakt. En je kunt de nabijheid van verre landen voelen, hoe alles in alles begrepen is, begin en eind tegelijk, hoe hier en nu je vertrek en je thuiskomst zijn, hoe dood en leven krachtig als wijn in je werken!
Ja, één zijn met de nacht, één met mijzelf, met de kaarsvlam die mij stil in de ogen ziet, ondoorgrondelijk en stil, één met de esp die beeft en fluistert, één met de bloemschermen die uit de duisternis leunen en luisteren naar wat op de punt van mijn tong lag maar nooit werd gezegd, iets dat ik niet zou verraden zelfs als het kon. En dat het zuiverste geluk mij doorstroomt!
En de vlam klimt… Alsof de bloemen steeds dichterbij kwamen, dichter en dichter, in iriserende glans, bij het licht. Een huivering speelt door de esp, het avondrood krimpt en alles wat onuitsprekelijk en ver was is onuitsprekelijk nabij.
“Mijn overgrootvader, gezagvoerder Ranald Murdo MacIntyre van het City of Aberdeen Auxiliary Squadron 612 van de Royal Air Force, was niet zo groot. De meeste mensen vermoedden dat hij daarom zo’n fel mannetje was. Hij was wel stevig, met een compact hoofd en een blik die je bijna uitdaagde om tegen hem in te gaan, als je de consequenties tenminste aandurfde. Hij was een van die mannen voor wie de oorlog een geweldige tijd was geweest, een groot avontuur dat zijn smalle kijk op de wereld vanuit een klein stadje aan de Schotse noordkust openbrak. Hij ging meteen in dienst, bij de luchtmacht, in een tijd dat de levensverwachting voor RAF-jongens een maand of zes was. De eerste keer dat hij opsteeg in een Spitfire was hij meteen verkocht. Hij vloog zonder een spoor van angst alles en iedereen tegemoet bij de verdediging van de Firth of Forth en scheerde vaker dan strikt noodzakelijk gevaarlijk dicht langs zijn aartsvijanden – niet de Luftwaffe, grappig genoeg, maar 602, het Glasgow Auxiliary Squadron, hun rivalen van de westkust. Vlak voordat zijn zes maanden erop zaten en de statistiek hem te pakken kreeg – niet dat Ranald MacIntyre daar veel mee ophad – zette de RAF hem in Leuchars aan de grond om de volgende lichting op te leiden, en de volgende, een taak die hij uitvoerde met hetzelfde felle enthousiasme waarmee hij het hemelruim had bestormd. En toen de oorlog voorbij was, was de kans dat hij weer aan het werk zou gaan op het keuterboerderijtje van zijn familie definitief verkeken. Hij vond een vliegtuigje, een Cessna die hij ergens op de kop had getikt – volgens de verhalen zou het heel goed kunnen dat de RAF hem dat ding gegeven had, gewoon om van hem af te zijn, aangezien zijn lessen in suïcidale heldenmoed voor piloten na de oorlog een iets minder populair onderdeel waren dan voorheen – en begon meteen een luchtvaartdienst in de archipel, de majestueuze keten van eilanden die boven de noordkust van Schotland uitwaaiert en die tot dan toe alleen met het vasteland was verbonden via niet al te regelmatige veerpontverbindingen, of vaak gewoon met zeil- en roeibootjes. De eilanden vonden dat ze het prima in hun eentje redden, dank u hartelijk, en dat ze deze goddeloze, lawaaiige, naar olie stinkende verstoring in hun jaarritme niet nodig hadden, tot ze het steeds handiger begonnen te vinden om een krant in handen te krijgen die maar één dag oud was, of dat ze naar de dokter konden, of zelfs een dagje uit konden plannen in de verleidelijke grote steden Oban en Inverness, met hun flonkerende lichtjes.”