frisse ochtend het inlichtingenbureau in het diepst van je affecten je hebt geen herinneringen aan je jeugd of aan belangrijke delen van je verleden postglaciaal verschuivende gevoelens je hoort van vrienden en familie je bent jezelf niet meer
een walk-in is een ziel die de gebruikelijke manier om een menselijk lichaam te verwerven – geboren worden, naar de basisschool gaan, etc. -omzeilt
Uitbreiding
De bader draagt zijn kleren. Wie is hij? Sla de maat. verlam. Of doe het daadwerkelijk.
De Internationale Vereniging voor de Studie van Pijn breidt uit. Niet je prooi zwermen: ruk de nummers van ziekten. Het was weldadig om, ontdaan van een symbolisch kleed, op een verfijnde manier in zonlicht op schrijftafels te spetteren. Nu ligt hij onder zure lakens. ‘Ik wil niet sentimenteel doen,’ brult hij, ‘maar dát waren nog eens tijden!’
Daar
Ik maakte het binnenste van mijn vrienden open en zag dat ze op bomen leken, op struiken en op straatlantaarns, op stekelige, vreemde woorden en op paddenstoelen.
Ik opende ook de dagen die ik zonder ze heb doorgebracht en zag mijn vrienden onder bomen lopen. Onder straatlantaarns. Ze keken naar hun schoenen en dachten niet aan mij.
Zoek ik mijn binnenkant, vind ik de buitenlucht, de parken en rangeerterreinen. En daarin, daarlangs, daar lopen ze. Daar praten ze met elkaar.
Maarten van der Graaff (Dirksland, 14 oktober 1987)
Basil from a pot on the veranda, over-priced pinoli and pimientos pressured into dust, brassy olio from TJ’s rumored virgin, Greek alleged, Israeli sea salt from Whole Foods and Parmigiano-Reggiano from that shoppe in Wayland Square where la señora with the Spanish speaking helper and the bum preserved by lunges reaches from her core for briny lemons brie and sausage taut ficelle flown in from Orly and loose tea.
To pestle proper is a patience. Squelching herbs and oil without no spillage stone to stone is zazen for the savage, koan in practice, jag belief.
If you did deh-deh babylove I woulda feed you, fess up to the slip up with the garlic as we lapse in chairs out-folded on the pout projecting from this brick face building where in daytime June-tucked herbs in earthen gardens get full dandy for the sun.
If you did deh-deh babylove yours would be bow ties pesto-dyed. Bow ties and Torrontes, Mendocino short of gelid, pampas golden sipped in spate.
That slab table from the TIFF you joked off as “enbuttered with thick books” I am there now, taking succor in a mons of luke al dente as I doodle and address pink Post-its like postcards.
I mammer to your belly’ s ear hole as you do your what-you-do there in your way-off near-far town.
Did you think a year would pass before I got the what of what you wrote of of the lemons? How when fixed in salt they tang the tongue?
Tonight I cleared a spot, annulled my mustache.
Have a bowtie. Let this salt and sour wince you.
Spring a nib of pee.
Colin Channer (Kingston, 13 oktober 1963)
De Indiase dichter, schrijver, librettist en muzikant Jeet Thayil werd geboren op 13 oktober 1959 in Kerala. Zie ook alle tags voor Jeet Thavil op dit blog.
DE SCHUILPLAATSEN
Als sterrenlicht, als as of regen, als een vlek op de maan,
als een boom, laten we zeggen een magnolia,
als een blad of een man die een blad imiteert in stukken gescheurd en prooi van de wind,
als de stank van een klein dood dier.
als een trilling in het trappenhuis, een melodie of muis, een traan, een ruk,
als angst gezien vanuit een vliegtuigraam,
als een telepathische rode kater die in een streepje maanlicht verschijnt het afgesloten huis binnenkomt en zijn stinkende spoor achterlaat in elke afgesloten kamer,
als een boot op de Muvattupuzha die haast zijn last van twee kinderen en een vrouw laat vallen in de moessonstroom, en als de rivier hen had meegesleurd, hoeveel pijn zou dat hebben veroorzaakt en hoeveel hebben bespaard?
als mijn moeder die het monsterlijke hoofd tussen haar benen uit probeert te persen,
als de stalker om vier uur ’s morgens de krakende schommel in het park bij mijn huis het naar beneden gekeerde gezicht wit in het licht van het mobieltje,
als de god die over de zolder van mijn geest paradeert of de geest die kronkelt in de kelder of de slaaf die het midden bewoont,
als een ontroostbare sopraan haast aan het eind van het Ave Maria,
als een kersrode Stratocaster Elite gevonden bij een lommerd in Vancouver en afgepingeld tot achthonderd dollar,
als slechte heroïne in een steeg in Delhi een verkruimelde roze pil, verkocht in een gedraaid stukje papier hongerig maar vreugdeloos opgesnoven,
als een vrouw (weer en weer) met krullend haar, met mond en ogen als de jouwe,
als een gestalte aan de kant van de snelweg die me aanspoort om de auto in de prak te jagen met een stem zo kalm en wijs dat ik al mijn zelfbeheersing nodig had om niet toe te geven,
als goede heroïne in Zürich,
als een opgezwollen wit gezicht op het plafond van een geleende kamer dat de hele nacht tegen me praat met woorden die ik niet begrijp omdat ik er te high voor ben,
als een viool die kruipt door de bomen voor de Humboldt Universiteit en ik beschouwde muziek als de honger die eet wie hij opstookt
als de voorzichtige hagedis die mijn brein bewaakt,
als de verblinde vogel die steelt – juwelen, rotzooi, wat er maar te vinden is – om te bouwen en wat bouwde ik meer dan een huis van stof?
als een ritueel van pasgetrouwde insecten als een insect, gehoornd huiverend stuiptrekkend piepkleine tyrannosaurusweeën,
als het wit van mijn baard, witheid die sneeuw of bedwelming te boven gaat,
als het verlaten kind dat je was dat dag zei tegen wind en water het tegengestelde van lucht binnenging nee zei tegen aardebloed
stop zei tegen lichaamsbloed arriveerde als witte schaduw zonder kenmerk of verlangen als een druppel offerolie
je atomen liet samenkomen vallend druipend onder in je haast om het koninkrijk van eeuwig leven in te gaan,
als ziekte, als leveraandoening en de rivier van rode wijn die haar geneest,
als de blauwe druif die de wijn maakte,
als een zwarte brandplek op je been die ’s nachts ontstaat en jarenlang blijft zitten, als een onverklaarbare bult op je schouder,
als het geluid van iemand die vlakbij zachtjes huilt in de nacht,
als een dood meisje met bloedrode lippen bloedrode ogen en wangen een bloedrood gewrongen hals,
Vier met z’n vijven hoogtijd in één lijf. Kermis in de hel. Een van de vijf is op de loop. Het regent dat het goud giet.
1
Ik drink op de wijn die smaakt naar nu wanneer hij oud is. Ik drink op de melk die smaakt naar toen ik dronk voor het eerst. Ik drink op het bier dat smaakt naar meer. Ik drink op het water dat smaakt naar niets dan dorst. Waarop ik drink.
2
Ik eet jullie brood. Ik spreek jullie woord. Ik eet meer dan brood. Letters heb ik gegeten. Koren heb ik gesproken. Koren op mijn molen. Bloem van jullie woord. Lees, eet mijn woord. Schrijf, spreek brood.
Zesde zintuig, zoekend
Een van de vijf is op de loop. Liep uit de hand. Kroop uit mijn lijf. Een zesde zintuig zoekt de voortvluchtige. Geeft je de vijf.
1
Tastend naar de toetsen van het orgel in eigen boezem, in het donker dansend naar het blazen van de kat die hij wil aaien of knijpen, dansend naar het pijpen van de doedelzak van het oud zeer, leest hij. Niemand leest beter dan de blinde. In de sterren die hij ziet wanneer hij stoot op de betekenis.
2
En om te ruiken hebben we de hond. En om te rieken een paar schoenen, Zie ze snuffelen met hun neus tegen de grond. Zij vinden weer waar vroeger plaats heeft gevonden als jij ze eerst het zweetspoor op laat snuiven. De plaats is vervaagd en leeg en wat ontluisterd. Maar we zijn er.
Jij denkt nooit meer aan het kustwachtershuis, hoog bovenop de rotskust, op een klif: verloren wacht het op je sinds de avond dat daar jouw zwerm gedachten binnenging en er rusteloos bleef.
Zuidwesters hebben sinds de oude muren jaar na jaar gestriemd en jouw lach klinkt niet vrolijk meer: de dolle naald van het kompas draait doelloos door, de som van onze dobbelstenen klopt niet meer. Jij denkt er nooit meer aan; een andere tijd verduistert je herinnering; een draad raakt los.
Eén eind heb ik nog vast; maar het huis wijkt en op de nok van ’t dak staat ongenadig de zwartberookte windwijzer te draaien. Ik heb een eind vast, terwijl jij alleen blijft en in dit donker hoor ik nietje adem.
Oh de vluchtende einder waar zo zelden het boordlicht van de tanker zichtbaar wordt! Is dit de doortocht hier? (De branding kolkt nog steeds tegen de rots die steil in zee staat…) Jij denkt nooit meer aan het huis van die avond, mijn avond. En ik weet niet wie blijft en wie gaat.
Vertaald door Marko Fondse en Peter Verstegen.
Eugenio Montale (12 oktober 1896 – 12 september 1981) Portret door Sergio Vacchi, 1989
Uit: Dood in Berlijn (Vertaald door Annemarie Vlaming)
“NERGENS HAD EEN GOD ZIJN SPOREN NAGELATEN. Niet dat die lang bewaard zouden zijn gebleven in het Brandenburgse zand. Nergens een Romeinse tempel, amfitheater, slotruïne of kathedraal om te getuigen van mythische grootsheid. Naar heiligengraven zou je tevergeefs zoeken, maar wie zocht daar ook naar? De graftombe van de Hohenzollerns was vanwege renovatiewerkzaamheden gesloten. En afgezien van een paar deskundigen was toch al niemand meer op de hoogte van namen en daden van het vroegere geslacht van overheersers. 0, koning van Pruisen, jij grote potentaat / wat zou de vreugde groot zijn als je snel je troon verlaat. Hier en daar sierde rococo in de stijl van Frederik de Grote het stadsbeeld, Deutscher Dom, Französischer Dom, een operagebouw, een zomerpaleis, best aardig uitgevallen, verder de Griekse dromen van Schinkel, aansluitend historiserende pracht en praal, gebouwd in opdracht van de laatste keizer. Wilhelm II stierf in 1941, nadat hij na een verloren wereldoorlog was afgezet en zijn verdere leven in ballingschap in Nederland had doorgebracht. Het Derde Rijk was er niet rouwig om. Van de Führer kreeg slechts een compacte delegatie toestemming om de reis naar de bijzetting in bezet gebied te maken. Op totale oorlog volgde totale verwoesting. Wederopbouw volgens de normen van het socialistische of kapitalistische realisme, Opgestaan uit de ruïnes, Siemens, AEG, VEB, LPG; arbeiderspaleizen, sociale woningbouw, de autovriendelijke stad, form follows function. Eens in de zoveel tijd sloegen staatsraad-voorzitters en Amerikaanse presidenten elkaar om de oren met oneliners van blijvende eeuwigheidswaarde. Niemand hat die Absicht, eine Mauer zu er-richten. Ich bin ein Berliner. Mr. Gorbachev, tear down this wall! De Vreedzame Revolutie, waar niemand van tevoren een perronkaartje voor had gekocht.’ Wir sind das Volk. Wir sind ein Volk. Deutschland einig Vaterland. Onlangs had das eine Volk zichzelf getrakteerd op een namaakpaleis, opgetrokken uit met zandsteen bekleed gewapend beton, KAMA JAJA JIPPIE JIPPIE JEEY!!!, adelaars, profeten, helden als gevelornamenten, omwille van de goede oude tijd. Op de koepel prijkte een kruis, met daaronder rondom het inschrift: EN DE ZALIGHEID IS IN GEEN ANDER, WANT ER IS ONDER DE HEMEL GEEN ANDERE NAAM ONDER DE MENSEN GEGEVEN, EN ELKE TONG ZOU BELIJDEN DAT JEZUS CHRISTUS DE HEERE IS, TOT HEERLIJKHEID VAN GOD DE VADER. OPDAT IN DE NAAM VAN JEZUS ZICH ZOU BUIGEN ELKE KNIE VAN HEN DIE IN DE HEMEL, EN DIE OP DE AARDE, EN DIE ONDER DE AARDE ZIJN.”
De Roemeense schrijfster Liliana Corobca werd geboren op 10 oktober 1975, in het dorp Săseni, raion Călărași, Sovjet Socialistische Republiek Moldavië. Zie ook alle tags voor Liliana Corobca op dit blog.
Uit: Kinderland (Vertaald door Jan Willem Bos)
“De moeders komen! Net als de geiten in het sprookje komen de moeders naar huis, trillend van opwinding en angst wachten de bokjes thuis op hen, zijn ze niet door de wolf verslonden? De kinderen huilen bij de komst van de moeders, die overdonderd en ontdaan zijn hoeveel hun kroost is gegroeid tijdens hun afwezigheid. De moeders komen naar de kinderen van het dorp, want nu is het zomer en hebben ze vakantie, alleen onze moeder komt niet. Ik wil er niet eens aan denken dat ik zou willen dat oma doodgaat zodat mama en papa allebei meteen naar huis komen. Dat hebben al oma’s kinderen zo besloten en daarom zijn we deze zomer alleen thuis. Onze ouders hebben dat afgesproken zodat ze niet twee keer hoeven te komen en twee keer geld uitgeven voor de reis. Afgelopen zomer is papa voor een paar dagen gekomen en toen heeft hij wat klusjes gedaan, wat reparaties uitgevoerd. Daarna is ook mama voor vakantie gekomen. En dit jaar wachten ze eerst totdat oma is overleden. Wanneer mama komt, huilt ze niet in ons bijzijn, ze zegt, weet je, ik moet eventjes de schuur gaan opruimen of het varken knort van de honger of ze bedenkt een ander smoesje om zich te verbergen en daarna, als ze eenmaal uitgehuild is, komt ze glimlachend naar ons toe. En Marcel, die mama zo weinig in haar armen heeft gehouden, wil haar, als ze komt en in de weer is met de bagage en allerlei telefoontjes, zo graag knuffelen, dat hij neerhurkt en een van haar benen omklemt. Mama zegt niets, ze laat het toe, ze zou hem in haar armen willen nemen, maar dat kan nu even niet, daar heeft ze geen tijd voor. Ze loopt, of beter gezegd: ze sleept zich van hot naar her, terwijl Marcel aan haar been blijft hangen. En een keertje, bij een eerdere gelegenheid, had Marcel zich verstopt, ik weet niet of hij geschrokken was, maar we riepen hem allemaal: Marcel, mama is er, mama zoekt je, en hij zat weggedoken onder de kussens in de woonkamer en we begonnen aan hem te sleuren, maar hij hield de kussens vast en gilde, hij gilde ook toen mama hem in haar armen nam, alsof ze te heet was en hij zich aan haar brandde. Nu verstopt hij zich niet langer. Mama brengt kleertjes, speelgoed, koekjes en heel fraai verpakte chocolaatjes voor hem mee en hij verheugt zich er even ongeduldig op als wij.”
“Kleefland en Dorrus zaten op zekere dag in De Lobos. Ze dronken elk voor zich een Jupiler-pils. Buiten was het weer guur. “Ik zou wel eens een dierentuin willen bezoeken”: zei Kleefland. “Ach: zei Dorrus, “je weet niet waar je aan begint. Met al die beesten. Sommige spuwen in je gezicht”. “Alleen de lama’s”, zei Kleefland, “en daar houd ik afstand van, je kent mij”. De uitbater, tevens eigenaar van De Lobos, werd Fristi genoemd, vanwege dat roze drankje. Hij zei: “Ook vreemde wezens zijn Idafkoppers”. “Wat zijn dat?’ wilde Kleefland weten. “Kleine hagedissen die alleen voorkomen in het verleden”. “Zijn ze derhalve uitgestorven?’ vroeg Dorrus. “God mag het weten”, zei Fristi, en hij nam een slok van z’n Fristi. Je mocht hem midden in de nacht wakker maken om zo’n Fristi te drinken, maar niemand maakte hem ooit midden in de nacht wakker, wat hij een voordeel van slapen vond. Verder zaten er in De Lobos een man in een rolstoel, twee nerveuze vrouwen, en iemand die leek op een jong kind maar toch al negentien jaar was. Hij heette Ros-veld, was op de sukkel en zat vaak op café om de tijd, die zichzelf nooit doodde, alsnog te doden. Op bepaalde tijdstippen ging hij naar het toilet om zich in te spuiten met speed. “We kennen je niet, oude kerel”, zei Kleefland tegen de man in de rolstoel, “wie ben je?” “Noem jij mij een oude kerel?” zei de man. “Ik ben pas zeventig”.: “En toch nog in een rolstoel zitten”, zei Dorrus. “Dat komt door een ongeluk en door niks anders”, zei de man, “ik ben op m’n fiets geschept door een Scania Vabis”. “Er gebeuren vele ongelukken met Scania’s”, zei Fristi, “en wat doet de regering eraan? Geen fluit”.
De Canadese dichteres, essayiste en vertaalster Anne Carson heeft de Nobelprijs voor Literatuur 2026 gewonnen. Anne Carson werd geboren op 21 juni 1950 in Toronto. Zie ook alle tags voor Anne Carson op dit blog.
Tango XXV. Sad Severe Tango Dance of Love and Death Dance of Night and Men Dance of the Dark Kitchen of the Poverty of Desire
Shall we sharpen our eyes and circle closer to the beauty of the husband— carefully, for he was on fire. Under him the floor was on fire, the world was on fire, truth was on fire. Around him green fire blew straight off every tree. He was almost never sad, a god led him on. Nor did he doubt his fate which looked as Napoleon used to say like this: I write myself between worlds. What he wrote depended on who he was with. Once he met Ray he began to write paintings. In Ray’s room they worked side by side, the husband talked. Ray liked learning about places in the world, for he had scarcely travelled and about books, for he did not read. What are the Alps like? From the plane they look fragile like pieces of pottery. Thin silences float inbetween. And up close. Up close more like cheese. Parmesan. Is it expensive. Parmesan? Italy. Yes and no. You stay with your Italian sweetie? She got married. To who. Man named Ricky. They happy? She had to unlock him she said. Meaning sex. I guess. You know what’s good for that is tango. For unlocking? Cures the digestion too. How do you know these things. Remember Flor? No. The one before Karl. Karl? Karl was the one before Danny. Oh. And Flor was a tangoist. That seems a long time ago to me. Poor pure Flor. Seems so long ago. Flor was defenseless. Doesn’t that seem a long time ago to you Ray. No not so long but you were married then it was all different. It makes me tremble. What. To think back. I remember exactly how I thought life would be. Everyone has dreams. No not dreams it was a precise picture. What went wrong. Middlemen. Sorry? Take the divorce for example, not her idea to divorce me. Middlemen got to her. She knew you were lying and sleeping around. Ray please I never lied to her. When need arose I may have used words that lied. Way too philosophical for me. Philosophers say man forms himself in dialogue. That I understand. So did she. Now there you’re wrong. Why do you say so. I saw her go down. She was far stronger than me. She went down. Everything I did I did for her. Why are you yelling. I’m going to see her this weekend. You’re insane. I’ll write first. She divorced you three years ago why not leave her alone. I have faith. In what. In us. There is no us. Deep pure faith. But why. Ray you know I wish I lived in another century. You used to say the body is the beginning of everything. I don’t believe that anymore. You still sleep around. I do. You make me sad. The way people live here— Yes. Land of no miracles. What do you hope for now. To be reborn as a great warrior in the year 3001. On a June evening. What did you say. It’s a line from a tango song. On a June evening yes.
They went on working, he at his easel and he on the floor by the lamp while high black banks of twilight came and stood around them close as sentries. The husband was making a plan of the Battle of Epipolai
which he hoped to transfer to a wall of his house using acrylic paint and small flags. Why Epipolai? This bloody Athenian defeat began with one surprise night move in 413 B.C. Blurring a line between courage and folly
the Athenians attacked uphill in the dark against fortified Syracusan positions. Its originality at first brought success to the plan, then the Syracusans grasped it
and charged and disorder flowed everywhere. Visibility was by moonlight, they could see outlines but not who was who. Hoplites got churning in a space no bigger than a stairwell
for those Athenians who were already routed and descending the cliff met others arriving fresh to the attack and took them for enemies—moreover, constantly shouting the password they revealed it to the enemy and with this word
coming at them wrongly in the dark the Athenians panicked. Friend fell upon friend. It was like a beautiful boiling dance where your partner turns and stabs you to death,
cauldron of red Sicilian moon and white Greek lips. He hums as he works. Rectangles for the Syracusan outbuildings, broken lines for the brave Athenian assault, triangles for likely places of confrontation,
black dots of varying sizes for estimated casualties along the path of the rout. In his mind he is composing a letter to explain to her (again) about the fog of war and need for endurance and splendor they will come to in the end. We need a new password he whispers with a smile, as he imagines himself arriving exhausted and hoarse, dusty from the road, riding a tank one fine evening. June evening.
Een klein metronoom die tikt en draait, dat is de klok. Neutraal als hekwerkstaal. Niet wreed zoals het weer, de vrouw, de man.. De klok maakt niemand oud of gek of kaal.
Het koele mechaniek heeft niets met ons van doen. De wijzers draaien stijfjes door. Hij komt uit onze hand, maar luistert niet naar onze nood; hij volgt zijn tandenspoor.
Waarom gehoorzaamt u dat polsgeval? Waarom zo zweten, janken, al die last? Wanneer er van je neus een traan in drupt verliest het ding meteen de maat. Roest vast.
Pijnloze metamorfosen V
Laten we zeggen: ik ben een koning. Niet om wat ik kan of ben, ben ik koning, koning ben ik zonder meer. Al voor ik geboren werd bekleedde men voor mij de aarde met zachte wolken. Bloesemend kant ben ik dat zwijgt van waardigheid.
Het is mijn wens een gelijke te ontmoeten die mijn uitzicht kan delen, maar niemand geeft gehoor aan mijn bevel. Ik ga soms liggen in het gras om zichtbaar te worden voor mijn volk, maar het schijnt mij toe dat wij werkelijk alleen zijn.
Springhond
Uit het donker komt ze tevoorschijn, ze hijgt en zigzagt tussen sprieten door, komt op mij af in bokkensprongen, het lijkt of ze lacht, ze springt!
En ik ren en ik ren en ik ren door de nacht en ik ben groter dan een grashalm en de bomen duiken speels voor mij weg en daar is een bankje en heel laag heel makkelijk en ik spring! en de sterren blijven plakken in mijn maanstraalhaar en daar is de grond en boem! en ik ren en ik ren en mijn tong laat ik slingeren over de grond en ik proef de aarde en lekker! en 40.000 kilometer! en ik ruik een appel en een hert en een zeehond en de sterren zijn fris en vooral Sirius en ze dansen als gras en ze zingen als blaadjes en ze zijn mijn honderdduizend ogen en kijken fonkelend neer op het draaien van de grote blauwe wereld en zien mij rennen in het park, een kleine witte hond in de nacht
langste lengtes zicht en tast baar over bruggend spuugt de koude ster zijn einde uit straalt bundel gewijs rest licht uit hangt in de ruimte een vast gevroren schijnsel de hond ik noem die ene ster daar reeds lang wordt korter zijn vurige staart stormt naar binnen barst door pupillenzwart als uitgebrand einde naar jou toe
“Een paar weken terug is ome Jan plotseling gestorven. Op weg van de kroeg naar zijn kamertje zakte hij in de steeg als een lampion in elkaar en was meteen elders. Het hart, hè. De vaste jongens hoorden het pas de volgende ochtend, toen ze aan de tapkast stonden uit te wasemen. Ze zeiden eerst dat je ’t je eigen niet kon voorstellen. Toen namen ze een pilsje en zeiden dat ze, even zo vrolijk, tékenden voor zo’n dood. ‘Ze hebben ‘m uitgedraaid als ’t knoppie van ’t licht,’ zei de kastelein. ‘Wat kun je nou mooier hebben?’ En dan, hij was zevenenzeventig, dus hij had niks te mopperen. Al vele jaren zat hij de hele dag in de kroeg, geen woeste zuiper, maar wel, wat de Engelsen noemen always willing to bend an elbow. Toen hij vierenveertig was, had de dokter gezegd: ‘Als u zo doorgaat, leeft u geen maand meer.’ Hij was zo doorgegaan. De enige verandering die hij in zijn leven aanbracht, was dat hij sindsdien nimmer meer een dokter bezocht. Zo wordt een mens ongehinderd zevenenzeventig. Omdat hij een wandelend bewijs was van de medische ignorantie en de heilzaamheid van een ongezonde levenstrant, werd hij in de kroeg behandeld als een heilige koe. Sterk moet hij in elk geval geweest zijn, want de Duitsers hadden vier oorlogsjaren lang in Mauthausen ijverig geprobeerd hem dood te schoppen, ’t Had hem niet eens haatdragend gemaakt. ‘Al dat mishandelen is natuurlijk niet goed voor je gestel,’ zei hij wel eens, ‘maar ik moet toegeven, je had er ook geschikten onder, die niet sloegen. Nou ja, zo’n enkel klapje…’ Ofschoon hij een uitstekende echtgenoot en een liefhebbende vader zou zijn geweest, had hij kind noch kraai. Aan trouwen was hij nooit begonnen. ‘Dat komt, ik heb een zéér gelukkige jeugd gehad,’ zei hij, ‘en als ik dan een meisje ontmoette, dacht ik altijd: ze is wel aardig, maar toch niet zoals mijn moedertje.’ Dat woord ‘moedertje’ liet hij als een witte duif los in de sigarenmist van de kroeg en hij keek het na door ogenzilt. Ook zijn vader had hij diep bemind, ’t Was een fervente wandelaar geweest, die op hoge leeftijd nog doodleuk naar Haarlem liep. Een vrolijk iemand ook, altijd vol kwinkslagen en fopperijen, maar op de middag van zijn sterven was hij plotseling bevangen door de oermelancholie waaraan niemand ontkomt, en hij had, star naar het plafond kijkend, gezegd: ‘Ik heb ’t, geloof ik, allemaal verkeerd gedaan.’ ‘Ben je belazerd, ouwe, je hebt ’t juist prachtig gedaan,’ had ome Jan geantwoord.”
Simon Carmiggelt (7 oktober 1913 – 30 november 1987)
bleek afgelikt tussenstuk jij blauw gespikkeld, kruist het pad van de warme handen verderop betegelde muren de botten huid en vandaag gespannen over til nog een steen uit het gras draai zijn vochtige kant voor je gezicht in het gat in de aarde — kijk: ongedierte, hoe het kriebelt in het licht in het licht
ik hou van mensen die blijven, zei hij, we stonden samen onder het afdak te turen naar het kantwerk van de winterbomen en door zijn woorden had ik moeite om weg te gaan
hij voerde me door de geschonden lanen van zijn jeugd, langs vergane boomgaarden, nabij tere beken, voor een gesloopt huis hield hij halt en keek heimelijk door het venster van zijn eerste liefde aarzelend sloop er zomer in zijn stem en ik zag dat hij even weg was
De Liefde, O, De Liefde!
Een steelse blik is haar begin een bliksemschicht van hart naar hoofd, de reactoren van het menselijk geluk. Ze tuit je lippen tot een kus, legt je lus van armen om een hals, wang aan wang je wrijft en later, lager kruis aan kruis.
Als ze blijft, de liefde die je bliefde wat broedt ze uit? Ze aait, ze paait, ze likt, verstikt, ze vergt, ze tergt. Ze paart, ze baart, ze sticht, verplicht. De Liefde, O, De Liefde! Ze zweert en deert, ze levert tranen van noodlottigheid.
Soms haat je haar omdat ze dingen met je doet die je weliswaar niet wilt maar die je niet kunt laten omdat zij het liefste wat er is, De Liefde is.
Wachten op de nacht
Vanmorgen was hij nog een spelend kind in een tuin vol beelden, vanmiddag een jongleur met toverballen op een marktplein in de schemering een hemellichaam aan een trapeze zonder net, maar met de avond viel hij uit zijn luchtig leven in het vlees terug van een schouwer, de twee handen om zijn kop gevouwen, overdenkend hoe het kind dat in hem opkwam zoveel plaats innam.
Nu dooft hij langzaam uit, soms is er nog een glimp van helderheid waarin de wereld oplicht, een gelaat dat bij een naam past bij een ding een ander ding totdat het weten hem ontvallen zal en er geen dag meer kraait.
Ze heeft zich al lange tijd voorbereid op haar vertrek. Ze verzamelt haar moed en de belangrijkste spullen. Ze maakt lijstjes van wat ze niet mag vergeten. Ze levert geleende boeken in. Bij de loket laat ze mensen voorgaan in de rij. Ze controleert of de sporen er nog liggen. Ze kijkt naar de mensen die vertrekken. ’s Avonds, wanneer de langeafstandstreinen de hele nacht doorrijden, kijkt ze zonder schaamte in de slaapcoupés. Ze kijkt naar de gezichten van de alleenreizenden met veel bagage. Ze gaat naar het station en zoekt naar aansluitende treinen. Als ze terugkomt, vraagt hij haar niet waar ze is geweest.