De Amerikaanse dichteres Kay Ryan werd geboren op 27 september 1945 in San Jose, California. Zie ook alle tags voor Kay Ryan op dit blog.
THE WOMAN WHO WROTE TOO MUCH
I have written over the doors of the various houses and stores where friends and supplies were.
Now I can’t locate them anymore and must shout general appeals in the street.
It is a miracle to me now— when a piece of the structure unseals
and there is a dear one, coming out, with something for me to eat.
FELIX CROW
Crow school is basic and short as a rule— just the rudiments of quid pro crow for most students. Then each lives out his unenlightened span, adding his bit of blight to the collected history of pushing out the sweeter species; briefly swaggering the swagger of his aggravating ancestors down my street. And every time I like him when we meet.
SHARKS\’ TEETH
Everything contains some silence. Noise gets its zest from the small shark’s-tooth shaped fragments of rest angled in it. An hour of city holds maybe a minute of these remnants of a time when silence reigned, compact and dangerous as a shark. Sometimes a bit of a tail or fin can still be sensed in parks.
Niets gewaagd
Niets bestaat als één blok dat niet in stukken kan worden gehakt. Dus als er niets wordt gewaagd, dat zijn geen loze woorden; het is de ultieme inzet. Vraag je je niet af hoe mensen kunnen denken dat de oevers van ruimte en tijd er niet toe doen? Hoe ze de grote bassins leegtrekken tot op slijm en salamanders na en daarvoor nog dank verwachten?
Vertaald door Frans Roumen
Kay Ryan (San Jose, 27 september 1945)
De Amerikaanse dichter en letterkundige Nate Pritts werd geboren in Syracuse, New York, op 27 september 1974. Zie ook alle tags voor Nate Pritts op dit blog.
Forever War
In studying the anomaly it was determined that holiday decorations look sad out of season, that there’s no excuse for the mistakes of my people. Red paper hearts on the front door into April, a cauldron that doubles as a planter in summer. Always the starscape to help keep me honest, to remind me that distance is easy to cross. The analytic belt I’m equipped with reminds me of an indescribable autumn from one hundred generations ago though even last year I was someone else. I was faced with a choice. Proceed with the same core or blow it up to restart & maybe go further. Most of my programming has survived into this new battle. I can smell faint ocean salt on the breeze & I have different reactions for its presence or absence. Now is the time to overcome problems. I debate the finer points of being desperate, of wanting things to remain as they are, though they can’t. I’d rather not go into details since specifics make me queasy, like in pictures when people put their heads too close together. How can they stand such forced intimacy? I take off in search of my home planet. My resolve is stronger than ever.
“WAAROM ZIJN WE HIER”,’ ZEI DE JOURNALISTE, ‘EN NIET BIJ jou thuis?” Een paar maanden voor mijn overlijden had ik een interview in het Carlton Ambassador, een hotel in de Haagse binnenstad. Ik vertelde dat ik hier zo’n vijftien jaar over de vloer kwam, wekelijks, en het hotel als mijn tweede huiskamer beschouwde. `Dat is geen antwoord op mijn vraag, zei de journaliste. Haar stem verried een zekere ergernis, al probeerde ze niets te laten merken. Het interview was pas een minuut of vijf bezig, ze had me nog nodig. Vanaf hun vaste stek in de vensterbank luisterden de hotelplanten belangstellend mee. Als hotelplant hoorde je van alles, maar bleef je je verbazen. “Ik kom uit de rock-‘n-roll; zei ik. “Van huis uit kreeg ik te verstaan: doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg. In de rock-‘n-roll gold en geldt: hoe gekker, hoe beter, wat ik een heel wat vruchtbaarder uitgangspunt vind. Het grootste deel van mijn leven heb ik on the road doorgebracht en ik hou van het hotelleven. Je wordt in een handomdraai teruggebracht tot wat je bent: een passant met een valies in de hand, op doorreis. Een oude krijger, die taai is en dagenlang kan zwijgen. Wekenlang zelfs, als de situatie erom vraagt”. Ik kuchte en nam een slok koffie. Tegen wie zei ik dit eigenlijk? Zat ik tegenover een eenpersoons tribunaal? Diende ik me voor mijn doen en laten te verantwoorden en werd ik om die reden onderworpen aan een kruisverhoor? De journaliste maakte een aantekening. Geduldig wachtte ik tot ze klaar was. Stel je voor dat ze van haar ‘a propos zou raken. Buiten kleurden de kastanjebomen en het hotelgazon iets groener; maar echt van harte ging het niet. De winter had zich er met een jantje-van-leiden van afgemaakt en moest voor straf nablijven. “Mocht mijn echtgenote eerder komen te overlijden dan ik, vervolgde ik, “dan verkoop ik ons huis en ga ik de rest van mijn leven in een hotel wonen. Me voorgoed terugtrekken in een klooster of een abdij zou overigens ook tot de te overwegen opties behoren.” “Toch vind ik het vreemd”, zei de journaliste. Dat kon zijn. Maar ik voelde me niet geroepen me nader te verklaren. Dan maar “vreemd” “Je noemt je nieuwe boek een roman, zei ze. “Maar het is toch gewoon een verhaal over je leven?” Het beloofde een lange zit te worden.”
Bart Chabot (Den Haag, 26 september 1954)
De Engels-Amerikaanse dichter en schrijver T. S. Eliot werd op 26 september 1888 geboren in St.Louis, Missouri. Zie ook alle tags voor T. S. Eliot op dit blog.
Een zang voor Simeon
HEER, DE ROMEINSE HYACINTEN BLOEIEN IN SCHALEN langs de wand En winterzon sluipt langs de heuvelen van sneeuw; Het koppige seizoen houdt stand. Mijn leven is zeer licht, wachtend naar doods wind, Als een veder op de rug van mijn hand. Stof in zonlicht, herinneringen achtergelaten, Wachten de wind die verkilt naar het dood land.
Geef ons uw vrede. Ik ben vele jaren lang door deze stad gegaan, Geloof en vasten hield ik, verschafte aan de armen brood, Nam en schonk eer en rust. Nooit wierp ik één verworpene van mijne deur. Wie zal mijn huis herinneren, waar zullen mijn kindskinderen leven Wanneer de tijd der smarten zal gekomen zijn? Ze zullen zich redden langs het pad der geiten en in ’t huis van de vos, Vluchtend voor de vreemde aangezichten en de vreemde zwaarden.
Vóór de tijd der koorden en gesels en lamentaties Geef ons uw vrede. Vóór de staties van de berg van desolatie, Vóór het zeker uur der moederlijke smart, Nu in dit seizoen der geboorte van het sterven, Laat het Kind, het nog niet sprekend en ongesproken Woord, Geven Israel’s troost Aan een die tachtig jaren en geen morgen telt.
Volgens het woord dat gij spraakt. Zij zullen U eren en lijden in elke generatie In glorie en spot, Licht over licht, stijgend de ladder der heiligen. Niet voor mij het martelaarschap, d’ extase van gedacht’ en gebed, Niet voor mij het ultiem visioen. Geef mij uw vrede. (En een zwaard zal uw hart doorsteken, Ook het uwe.) Ik ben moe van mijn eigen leven en de levens van dezen na mij, Ik ben stervend in mijn eigen dood, en de dood van dezen na mij, Laat uw dienaar heengaan Nu hij uw verlossing heeft gezien.
“Salamanders weten met verbazingwekkende precisie hun hol terug te vinden. Als je ze oppakt en je loopt met ze over een berg, keren ze gewoon terug naar huis. Ik niet. Ik raak dc weg kwijt. Vooral wanneer ik drink. En vanavond is het ijskoud en regent het. Ik heb een hele tijd rondgedwaald. Was ik maar een salamander. Dan had ik naar de sterren gekeken en mijn neus in de lucht gestoken en zou ik naar de winkel zijn teruggekeerd. Ja, misschien had ik dat moeten proberen. Maar in Rome zie je geen sterren. De hemel gaat er schuil achter een grijze, fosforescerende kap en hoge woonblokken. En bovendien ben ik verkouden. Ik moet overgeven. Ik heb het gevoel alsof mijn maag vol zit met murenen. Vooruit. Sta dus maar op. Ik zit al een tijd op de motorkap van deze auto en ben doorweekt. Sta op, je bent er. Ik hijs mezelf overeind. Ik leun met mijn hoofd en armen tegen het rolluik om de draaikolkbeweging van de straat, de lantaarns en al het andere te stoppen. Ik vind mijn sleutels onder in de zak van mijn jas. Ik ga naar binnen. Ik loop door de winkel, die inmiddels niet meer in gebruik is; uit de aquaria, die ooit dienden om de klanten te lokken, stijgt een geur van ontbinding op. Jezus, wat veel stof. Waggelend loop ik door een lange, donkere gang en dan ben ik eindelijk in het hol. Dat is een grote kamer die uitkijkt op een binnentuin. Overdag schijnen de zonnestralen naar binnen door de grote ramen, zodat zich een dichte vegetatie kan ontwikkelen. Er staan aquaria in alle soorten en maten, sommige zo groot dat je erin zou kunnen zwemmen. Lange snoeren voeden dc lampen. De waterleidingen liggen kriskras door elkaar op de vloer. De grootste aquaria reproduceren complete regionale ecosystemen. Een van Zuid-Amerika, met planten met lange stengels. Een ander van Zuidoost-Azië, met waterlelies. En verder één van Europa en een van Afrika. Zodra ik binnenkom voel ik de vochtigheid door mijn kleren dringen en wordt ademhalen moeilijk. Dc lage lampen vullen de aquaria met een warm, zacht licht. De vissen zwemmen traag in scholen. Daaronder de duisternis en een sterke, zoete geur. Regen en vegetatie. De geur vult mijn neus en bedwelmt me. De ramen zijn beslagen door de condens. Tegen een van de muren staan op een toonbank een stuk of twintig kleinere aquaria. Daarin zitten dc pootvissen, dc pasgeboren visjes. Opzij daarvan staan een half versleten bank, de koelkast, een televisie en een stretcher. Ik laat me erop vallen. Het lukt mc niet me uit te kleden. lk trek mijn schoenen uit, meer niet. Ik vind de afstandsbediening onder het kussen en zet de tv aan. Ik houd mijn ogen dicht. ‘En? Hoc hebt u het ontdekt?’ vraagt Maurizio Costanzo.”
De Amerikaanse dichteres Kay Ryan werd geboren op 27 september 1945 in San Jose, California. Zie ook alle tags voor Kay Ryan op dit blog.
EEN BAL ROLT OP EEN PUNT
De hele bal van wie we zijn drukt zich in het groene laken op één enkel, minuscuul punt. Een krakend geluidsspoor verraadt onze doortocht door de vezelige jungle. Het is heet en wanhopig. Insecten springen eruit op. De pressie is intens, en de perceptie dat we de maat zijn kwijtgeraakt. Alsof om te veel gewicht op een te kleine plek te laten rusten onze keuze was.
Mama, papa, blijf je thuis? Er lopen dieven door het huis. Er lopen boeven op de gang. In het donker ben ik bang.
Er zit een kater in de kast, die daar met zijn nagels krast. Moet ik ’s nachts naar de wc, lopen spoken met me mee.
Op de zolder zit een beest. Ik ben er weken niet geweest. Hoor ik ’s nachts een harde klap, dan is het oorlog op de trap.
Dan loopt een vent met een geweer in het donker op en neer en loert-ie naar me door een kier. Blijf liever hier. Blijf liever hier.
NOSTRIFICATIE
Wie gaf er soep aan wie toen die opeens daar op de stoep, want weggevlucht van waar die dacht te horen? Wie raakten er voorgoed ontwricht? Wie deed zijn deuren dicht?
Waar wurmen massa’s zich langs ketens, waar wordt bourgondisch, taaltje, zuinig en lawaai eens door elkaar gegooid vermooid tot boor, aai, lading, uiting, schuw en zaaltje?
Wie is het snelst met zijn oudjaar, zijn gangen, bollen, flappen? Wie kwamen uitgedosten halen van een halte, omdat de bus niet reed? Wie deed wie na, hoe kusten zij elkanders wangen?
Waar zitten hier en daar de billen, hoe snel gaat lopen, waar in de trein zit wie te bellen over liefde, die aan weerszijden heus niet meevalt nee, dat weet nu heel de treincoupé?
Hoevelen staan er waar in brons gegoten, de kop gedragen in een schaal van kraag? En hoeveel decibellen kunnen torens nog verduren, blote putti en het stil vertoon van de moluren?
Wie praat tegen de wind in, woont in een fermetje, plakt aan zijn geboortegrond? Wie schiet er door? Wie leidt het meeste om en wie wil alles recht, zegt: heb ik al gezegd en zegt het weer?
Hoe traag gaat varen op kanalen? Waar reiken de rivieren over grenzen? Wat bloeit er op de doden? Hoe ogen waar de broden? Hoe zijn ze zo geworden?
Vul hier niets in. Schuif aan. Zie hoe versierd het voedsel op de borden.
EENZAME UITVAART
De man van as zegt: neem mijn urn bij mijn middel vast, ja zo, verstrooi mij niet hier op het voorgeschreven gras, op ander as van vorig jaar. Verstrooi mij als
een kruimelspoor, daar waar men voort- stapt en iets meent te moeten. Leg mijn verkleinde brein, mijn reumavoeten onder de leuning van het viaduct
(bergje van niks, maar wel een bergje) dan waai ik zelf als storend stof op snelle auto’s ergens heen. Toch licht. Toch tegenwoordig.
Joke van Leeuwen (Den Haag, 24 september 1952)
De Amerikaanse dichteres Kay Ryan werd geboren op 27 september 1945 in San Jose, California. Zie ook alle tags voor Kay Ryan op dit blog.
Waarom we moeten worstelen
“Als we niet hebben geworsteld zo hard als we kunnen, op het toppunt van onze kracht, hoe zouden we dan de vorm van ons verlies kunnen voelen, of weten wat ons het langst op de been houdt, of benoemen wat verandering ons kost, en zeggen hoe vreemd het is dat het ene deel van het zelf kan inspringen voor het andere in nood, hoe verlies een sluimerende dubbelganger activeert, hoe we ons kunnen voeden – als met nectar – met onze eigen behoefte?”
Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren; De sappige applen glansen, rood en goud, En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud, Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren Doorstrepen ’t reine luchtblauw en vermeeren Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen, Leg blauwe druiven op die blanke schaal, Tusschen de trossen laat de perzik blozen Als avondrood, en loof als bloedkoraal Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen, Die symphonieën zoekt in kleurentaal.
Hélène Swarth (25 oktober 1859 – 20 juni 1941) Amsterdam, de geboorteplaats van Hélène Swarth
Op naar de zon, een mens móét recreëren! Vanaf Schiphol vertrekt weer vlucht na vlucht De kerosinedamp vervuilt de lucht En hoe gaan wij dit vliegen compenseren?
Standvastig doe ik mijn klimaatplicht hier: Braaf drink ik met een rietje van papier
De dichtgetijden
Hier peest en racet de postmoderne geest: we moeten dringend dit en instant dat, bij voorkeur weer wat anders dan men had; zelfs de Parnassus schoeit op snelle leest.
Geen tijd voor metrum, rijm, superbe vorm, poëten braken trendy losse flodders, veelzeggend als met verf gesmeten klodders; het stijlloos vrije vers brak uit, werd norm.
Een leger dichters lijdt zwaar aan de tijd want vrijheid remt de creativiteit en verkoop van hun bundels blijft stagneren.
Maar binnenkort zal deze trend wel keren, de ware muze kan niet zonder wetten: straks dweept de avant-garde met sonnetten!
Kunstmatige intelligentie
Da’s makkelijk, het lijkt me je van het! Die bot wordt al gebruikt op grote schaal En schrijft in ijltempo een lang verhaal Dus vraag ik hem een kloppend snelsonnet
Helaas, ‘kunst’matig heeft echt niets van kunst Ook ‘matig’ klinkt té positief: hij klunst
Inge Boulonois (23 september 1945 –3 december 2024)
De Zuid-Afrikaanse / Israëlische dichteres Olga Kirsch werd geboren in Koppies in de Oranje Vrijstaat op 23 september 1924. Zie ook alle tags voor Olga Kirsch op dit blog.
Aan de verhuizers
Draag ze voorzichtig, vrienden, want sierpotten en aardewerk, fijn porselein en teer glas herbergen een leven – met zijn dromen en verlangens – in zich;
Draag ze voorzichtig, mededragers, want het gewicht van een veren bed, tafels en een bureau drukt tegen het broze geraamte van de kist;
Draag ze voorzichtig, rechters, want het oordeel over mijn kleine bestaan ligt besloten in foto’s, boeken en een geliefde oude leunstoel;
Draag ze voorzichtig, goden, want het porselein van het hart is kwetsbaar en vatbaar voor diepe pijn en kwetsbaarheid: de kratten van een leven kunnen zo gemakkelijk breken.
Wij sloegen wegen in die met een sterke geur van mest en winter de middag tegemoet kwamen. Wij zagen de hemel zich kleuren met vossenrood toen de zon wegreed in zijn zegekar en het land achterliet aan vuursteen en hout. Wij slopen over de paden als soldaten op verkenning, droegen een riem om ons middel en het staal van een roestig mes op onze blote huid.
Wij verbrandden in de bossen alle dode leefregels, wij hurkten bij vuurtjes met de schutterigheid van pubers, wij waren jong als sap en sterker dan kabeltouw. Wij dachten niet meer aan
de ouderen, die uit een vitaal tekort, bij gebrek aan ruimte, alles uit de helderheid wegzetten, liefde en haat in dozen borgen, in donkere laden waar hun gevoel als een kapotte batterij stierf uit armoede.
Wij waren jong als sap en sterker dan kabeltouw. Wij hadden onze melktanden verloren en daarvoor in de plaats een mond vol rauwe woorden. Wij woonden niet meer als onze voorvaderen op de rand van het ijs maar in de kop van het vuur of de vuist van het duister en leefden een leven dat niet mocht, omdat het vochtig was als jong vel, en woonden op de verborgen zolder van de droom.
Klokken en niets dan tijd
Uit zilver en glas zijn de instrumenten gemaakt waarmee wij de tijd meten, maar kennen wij ook die tijd? Wij kennen onze angst, die sputtert als een oliepit en soms dooft, wij kennen geluk en wondpijn – de koorts van die wond al minder.
Maar de tijd blijft een dunne adem waaronder wij leven, vechten of popelen van liefde, de tijd is een geruisloze wind die verandering, als spionnen, onder zijn mantel meevoert.
En als hij kleur bekent zien wij het niet – of te laat. Met het oog op onszelf gericht zien wij wel het vuur binnen ons, blussen wij met koele bekers, maar zien te laat
de weg die onheilsboden nemen onder de zon. En later, wanneer het voorbij is, vragen we: wat was het? Een windstoot of wapengerucht? Een fel opstekend onweer?
Niemand weet het dan meer. Waarom werd Troje veroverd? De één zegt: om Helena. Een ander: om de ijzervoorraad te vermeerderen van de Grieken. Wat was het: een vrouw of erts, waarvoor legers hoog hielden de tekens van hun gevechtswaarde?
Jaap Harten (22 september 1930 – 2 december 2017) Portret door Ringo Mollinger, 1984
guust scheurt en knipt uit de foto wie vergeten is en zelfs meer. ook de jongen die als straf na school de sjaal moest zoeken die hij nochtans niet verstopt had, niet hij, deed de schoolpoort open en vertrok. ook de jongen die in vaders schuif tastte, raderen en veren en wijzers betastte, verdween finaal tussen de onderdelen voor vader zijn vingers kon pletten. ook de jongen die zijn schooleten plette, ook die knipt hij uit. en de jongen die ooit in de kleedkamer met zijn handdoek tegen guusts blote kont kletste, is al lang gesmolten. en de jongen die een krekel had gevangen, heeft ook de lente niet gehaald. en de jongen die wou lopen met een pet over zijn ogen maar al na drie meter viel en de enige lange broek scheurde die zijn ouders zich konden veroorloven, is ver van huis. en ik die het warm kreeg achter in mijn broek en de jongen die zijn mond vulde met crème glace in ruil voor zijn amandelen en de jongen die bij het kippenhok regenwater oplepelde, wij die ooit samen met guust rondhuppelden in de sneeuw, zien nu onze sporen uitgewist. knip. knip. knip. en dan prikt hij nog van haar bank de non die hem klappen gaf omdat hij te rommelig knutselde, waarna moeder hem klappen gaf omdat hij klappen had gekregen. en de plukjes hemel. en de bank als brandhout. en het gras. hij houdt slechts zichzelf over, houdt zelfs zichzelf niet over.
1956
de smurfen zien smurfen op smurf smurfen kijken op een smurf waarop zij smurfen kijken waarop smurfen die smurf kijken waarop nonkel bob en tante terry te zien zijn kom, kom toch kijken smurfin!
maar smurfin zit in een zetel, nog voor de dag begint in een zetel tussen twee teddysmurfen, nog niet aangekleed in een versleten, stoffen zetel met houten leuningen en zij, nog net niet versleten, nog voor het grauw van buitenwereld begint, hoort kom, kom toch kijken smurfin! en brilsmurf ijsbeert voor het scherm want grote smurf dit en grote smurf dat en als gargamel wat, maar als knutselsmurf zich ergert omdat alles hetzelfde blijft en moppersmurf omdat alles verandert, hangen ze samen brilsmurf met zijn muts aan een haak in de gang en gaan op een pleintje spelen; speelgoed is niet nodig, ze spelen smurfje en smurfen vakjes van een tot tien en gooien met een kiezel kom, kom toch kijken smurfin! en voor gargamel is het ja en inderdaad, alleen zijn. geen broer of zus. niet echt eenzaam, maar alleen. hij zit op regenachtige dagen smurfen te knutselen en bomen waarachter ze zich mogen verstoppen en waar hij ingenieuze valstrikken in bouwt. want smurfen wonen in een gezondheidskolonie in een bos van zon, dat heeft hij uitgeplozen, staan dicht bij bevroren bladeren en ijs. ze snuiven de geur en kou diep in hun blauwe longen, tot kom, kom toch kijken smurfin! klunssmurf uitglijdt op het meer. zijn buil zwelt en doet zeer. ze dragen hem snel naar grote smurf die net de drinkbeker aan het bijvullen is voor de slakken in hun vogelkooi.
Xavier Roelens (Rekkem, 21 september 1976)
De Canadese dichter, folk singer-songwriter en schrijver Leonard Cohen werd geboren op 21 september 1934 te Montréal. Zie ook alle tags voor Leonard Cohen op dit blog.
Hoeveel mensen in deze stad?
Ik vraag me af hoeveel mensen in deze stad in gemeubileerde kamers wonen. Laat in de nacht, als ik naar de gebouwen kijk: ik zweer dat ik in elk raam een gezicht zie, dat naar me terugkijkt, en als ik me omdraai, vraag ik me af hoeveel er teruggaan naar hun bureau en dit opschrijven.
Vertaald door Frans Roumen
Leonard Cohen (21september 1934 – 7 november 2016)
To unbalance. To keel over, accidentally, or submit to the pressures of gravity. To plummet in worth, especially currency. To lose altitude. To take place at some pre-ordained time and date. To swallow tall tales at face value. To lag such a distance back along the trail as to disappear from view. To surrender, especially a country, to the enemy camped in its margins for all of two nights and three days. To vanish from the radar of grace. To have no qualms any longer when it comes to telling friends and foes alike precisely where to stick their olive branches. To be the kind of sap who lapses now and then into clandestine amorous crushes. To indulge a whole continent its own broadleaf syllable for autumn. To arrive back unexpectedly in the afternoon and happen upon yourself dancing a single-handed two-step on the landing to Bechet’s ‘As-tu le Cafard?’ To go, especially too far. To leave some unknown pal a shot behind the bar and teeter out upon the dawn, its parabola of stars, as wobbly on your pins as any newborn foal. To bolt awake on a balcony and see the horizon’s twinset of Med and azure in the Blinky Palermo abstract that has lain open in your lap. To realise the only part of flight you can handle is that moment after take-off into a blank of unmarked blue. when you feel like a kite getting nowhere fast or a balloon strung out on helium. To listen to sound effect CDs so often every track eventually returns to the common denominator called ‘wind in trees’. To think the hymns of Ulrich Zwingli funny. To praise a glass half full of homespun pear brandy that tastes of lighter fuel. Also, to dwell on the bruise of one dropped apple. Also, to descend and keep descending until it becomes a sort of modus vivendi, a buzz. Also, to stumble and nonetheless to continue, and always to be happy to go down in history as anybody’s fool, and somehow to believe in parachutes, and still to find it within you to forgive the leaves whatever it is leaves do.
Conor O’Callaghan (Newry, 20 september 1968)
De Engelse (Welshe) dichter, schrijver en presentator Owen Sheers werd geboren op 20 september 1974 in Suva op de Fiji eilanden. Zie ook alle tags voor Owen Sheers op dit blog.
Uit: Ik zag een man (Vertaald door Inge de Heer)
“Achter dit hek boog een treurwilg naar een van de zwemvijvers op de Heath. De afgelopen maand hadden die vijvers een laag kroos gekregen, dat verrassend helder van kleur was. Een paar minuten daarvoor had hij nog gehurkt zitten kijken naar een koet die zich er een weg doorheen kliefde, knikkend met haar nonnenkop, met haar kuikens zigzaggend in haar kielzog. Toen hij in de keuken stond luisterde hij nogmaals of hij iets hoorde. Het was niets voor Josh en Samantha om weg te gaan zonder hun huis af te sluiten. Hij wist dat Samantha het weekend op stap was met haar zus Martha. Maar hij dacht dat Josh en de meisjes thuis waren gebleven. Toch was het stil in huis. De enige geluiden die hij hoorde kwamen van de Heath achter hem: een blaffende hond, het gekwebbel van mensen die in de verte zaten te picknicken, de plons van een duiker in de zwemvijver voorbij het wandelpad. Dichterbij, in de tuin van een van de buren, hoorde hij een sproeier, die op de middag in begon te hakken. Het was zo stil in huis dat deze geluiden vanaf zijn plek in de keuken al het karakter hadden van herinneringen, alsof hij een drempel in de tijd over was gegaan in plaats van een drempel van een huis. Misschien had Josh een briefje achtergelaten. Hij liep naar de koelkast om te kijken of hij er een zag. Het was een breed, matstalen Amerikaans model, met een in de deur ingebouwde ijsmachine. Over het hele oppervlak van het apparaat hingen papieren – een hoeveelheid waarmee je een bureau kon vullen -vastgemaakt met koelkastmagneten met Rothko’s. Michael bekeek de afhaalmenu’s, boodschappenlijstjes en verzuim-briefjes voor school, maar die gaven hem geen van alle een aanwijzing waar Josh zou kunnen zijn. Hij wendde zich af van de koelkast en keek het vertrek rond, in de hoop iets te vinden wat zou kunnen verklaren waarom de achterdeur niet op slot zat terwijl er niemand thuis was. Net als de rest van hun huis was de keuken van Samantha en Josh degelijk en royaal. De gestreepte schaduw van een jaloezie viel op het kookeiland in het midden, met een oven, twee kookplaten en een professionele verzameling kookgerei. In de serre, aan de andere kant van de ontbijtbar, stonden een doorgezakte bank en twee leunstoelen met potplanten eromheen. Okerkleurige rolgordijnen waren langs de ramen neergelaten. Aan het uiteinde van de keuken stond een ovale eettafel, en daarboven hingen de Nelsons.”
Men stroopt zeebodems af of jaagt naar sterren en, moeder, maniakken lichten elke tegel of openen graven voor dat sterrenlicht. Sommigen willen álles openen.
Harvey, de bloedsomloop en Freud, de omloop van onze dromen, speurden eervol, worden daarom geëerd, als alle onderzoekers. Mensen die mensen zouden openen.
En dan die anderen, met ziekten, moeder, naar hen genoemd als grote straten: Hodgkin, Addison, Parkinson – artsen die snel, als eersten, bij elk wrang sterfbed komen.
Ik ben hun slome collega, half bevreesd, ongeïnteresseerd. Als jongen al: je weet dat mijn kleine hand een wekker nooit aan stukken gepeuterd of een dode muis geflenst heeft.
Net zo mijn grote hand. Uit een witte mouw strekt hij zich, moeder, houdt voor ’t glanzend scherm jouw röntgenfoto op. Mijn ogen kijken maar willen niet; ik wil nog steeds niet weten.
Vertaald door W. Hogendoorn
Dannie Abse (22 september 1923 – 28 september 2014)
“Mams, Voor ik contact met je maakte wilde ik even met mezelf in balans komen en nu ik bijna een week van huis ben na mijn abrupt vertrek, is de storm in mij enigszins geluwd en adem ik de vredige kalmte om mij heen gretig in. De kamer waarin ik mijn intrek heb genomen kijkt uit op een kinderspeelplaats, vanmiddag zaten daar twee jongens op een wip en een meisje met een rode strik in het haar vermaakte zich op de schommel. Op een bank dichtbij zat een vrouw, waarschijnlijk de moeder van de spelende kinderen, met een boek in haar schoot. Het zou natuurlijk makkelijk geweest zijn naar de telefoon te stappen om met je te praten, maar ik heb bewust gekozen voor een brief. Een van de weinige dingen in het leven, waar de mogelijkheid tot kiezen ontbreekt is het bepalen van je ouders, die krijg je toegewezen. Heus mams, ik ben de kosmos of welke instantie dan ook, die verantwoordelijk is voor de keuze van jou als mijn moeder, heel erg dankbaar. Had ik zelf mogen kiezen, misschien had ik misgegrepen. Bij de relatie van paps en mij ligt dat wel enigszins anders. Toen ik van de middelbare school kwam en aan tafel vertelde dat ik journalistiek wilde doen, beschouwde hij dat als volkomen onzin, evenals al mijn andere verlangens. Weet je nog hoe schamper hij had gelachen? Jij, had hij gezegd, terwijl hij zijn bord van zich afschoof, jij had op je elfde jaar ook al van die wilde fantasieën, je zou schrijfster worden. Gelukkig heb ik je dat uit het hoofd kunnen praten, een Derde Wereldschrijver is op een enkele uitzondering na een elitaire hongerlijder! Toen hij opstond, was dat resoluut zoals altijd wanneer hij voor jou of voor mij een beslissing neemt. Ik weet dat zijn verbittering voortspruit uit het feit dat zijn enig kind een dochter is en geen zoon. Zover ik mij kan heugen heeft hij vrouwen altijd bezien zoals een oosterling dat doet. Hij houdt van zijn vrouw en dochter precies zoals hij gesteld is op zijn Mercedes en zijn gouden horloge, bezit zonder recht op eigen emoties en dromen. Met zijn enorme kennis en reputatie die hij heeft opgebouwd als een van de meest vooraanstaande economen van het land en hoog aangeschreven financieel adviseur van opeenvolgende regeringen, heeft hij het voorrecht en misschien ook het recht om voor anderen over veel te beslissen. Daar valt mijn beroepskeuze echter niet onder!”
Orlando Emanuels (19 september 1927 – 13 maart 2018)
De Duitse dichter en schrijver Crauss werd geboren in Siegen op 19 september 1971. Zie ook alle tags voor Crauss op dit blog.
Beuel Rheinaue
De wereld wankelt, voor onze ogen beeft ze opnieuw, terwijl wij, op een schommelende brug, een zonsondergang in Bonn tegemoet deinen. a slight glimpse of a hand holding, dan luiden de klokken ons terug naar de vertrouwde smalle steegjes. De tafel is gedekt, gegeten wordt op blote voeten en met weemoedig gehemelte: de wijn drinken we nu, de druiven bewaren we voor ’s nachts.
Ik wandelde vandaag een doodstuin in. Oktober. Bomen bliezen uit. Er hing nog rilling om de kruinen, binnenin leek alles opgeruimd. Zo oogt herinnering.
Ik zag een pop, een huis, een grabbelton, wat scherven. Als had een kind het daar pas uitgestrooid. En het speelde. Het verzon een beter woord voor alles wat hier was.
En alles kreeg zijn plaats, de lege bomen, het wachten op de vogels, die er niet meer waren, wat geen naam had, en wie niet.
Mijn wachten ook, op wat voorbij was gegaan als ik er niet was geweest, niet stil had gestaan bij het weinige dat ons beweegt.
2
Dus gingen we maar. Tot waar de stenen steeds geduldig zijn. Samen. Zoals nooit voorheen. Er hing een zon die zonder omzien scheen en wij leken een vlek, gaandeweg, eindweegs.
Achter een hek, in een belendende weide stond een schimmel, op zijn dooie gemak, naar dat geschuifel, waar het toe leidde. Als een lakei, oog op oneindig, lak.
Herfst kwam hem de neusgaten uit. Geen blad liet los van een tak, en wij schoven trager aan de gedachte voorbij dat ook dat
voorlopig was. Iemand wendde het hoofd af toen een gehinnik het gelui overstemde. Verder was het een dag waar niemand om gaf.
Het doodsbed
Kantelend licht. De avond is een kaars die over haar gezicht een eiland legt. Landschappen varen voorbij en zij is het laken waarop nu alles wordt gezegd.
December. Bloemen klampen ramen aan, broodkruim lijnt de perken af, verstikt hun zucht. Het huis stokt in de kelen staan de klinkers amper overeind. En ik vlucht
naar haar hals waarop een archipel bloedt, ingebrand snoer van smaragd. Wie hangt haar op, de ets die ik van haar bewaren moet,
het vergezicht dat stolt op haar huid, de schreeuw die uitrolt op mijn hand? Zij zwijgt, zij weigert elk geluid. In haar is alles uit.
Koen Stassijns (Ninove, 18 september 1953)
De Engelse (Welshe) dichter, schrijver en presentator Owen Sheers werd geboren op 20 september 1974 in Suva op de Fiji eilanden. Zie ook alle tags voor Owen Sheers op dit blog.
Erfenis
Naar R.S. Thomas
Van mijn vader gestotter als een stok in de spaken van mijn spreken. Een vermoeid knipperen, een behoefte om mijn botten bij de kale steen van de heuvel te hebben. Een voorliefde voor de orde van kaarten en de chaos van slecht weer.
Van mijn moeder een gevoeligheid voor de pijn in het genot. Het blauwe erts van de blik, stille momenten naast een nat paard dat opdroogt in een stal vol regenrumoer. De draaibank van een schrijnwerker die feit in fabel verandert.
En van hen beiden — een verlangen naar wat zij smeedden in hun gedeelde leven; het beproevend onder de harde hamer van de jaren, gloeiend heet in de kern, donker afgekoeld aan de zijden.