“Mijn nagels zijn tot op de wortel afgekloven. Mijn vingen doen pijn, ik bijt nu vanaf de zijkant, om te voorkomen dat ik een zenuw raak, om die pijnscheuten te vermijden die elke keer dat ik met mijn tanden een zenuwvezel raak als kleine bliksemschichten door me heen jagen, die korte schokjes die mijn vingers, knokkels en handen laten verkrampen. Als ik buiten ben, moet ik wanten dragen om het ijselijke gevoel van onbeschermd weefsel dat in aanraking komt met de buitenlucht wat te dempen. Ik probeer mijn vingers in mijn handpalmen te verbergen. Gebalde vuisten. Hou vol. Zo simpel is het ongeveer. Of zo moeilijk Als een bezwering tegen iets, of voor iets. Slechts dat ene, korte zinnetje, die twee woorden, uit een krant geknipt, vergeeld aan de randen, opgeplakt op de deur naar de gang, naar de ogenschijnlijk eindeloze reeks kamers en deuren van het ziekenhuis, naar de Eerste Hulp, de parkeerplaats, de ambulances, de mensen, een krantenknipsel met twee woorden: Hou vol. Zwart op wit. De bank met de grove stof, de bruine bekleding, ik zit naar de andere ambulancechauffeurs te kijken. Ze lezen de krant, zetten de radio aan, proberen de nieuwsberichten te horen, maar de antenne werkt niet mee, wil niet blijven staan, hij valt opzij zodra je hem loslaat Het is half acht ’s ochtends, het is dinsdag, een dinsdagochtend in februari, en er zijn daarbuiten zoveel mensen die gered moeten worden, zoveel mensen die liggen te wachten, naar het plafond liggen te staren, of die hun ogen gesloten hebben, ze proberen de pijn in hun rug te negeren, in hun benen, in hun armen, hun ademhalingsproblemen, of ze zijn al in shock, zijn apathisch, het maakt hun niet uit of er iemand komt, maar dat gebeurt wel, er zal iemand komen om ook jou te redden, we zullen ervoor zorgen dat de antenne overeind blijft staan, we zullen de kranten lezen, onze koffie drinken, en jij zult worden ontdekt, iemand zal bellen en over jou vertellen, we zullen onze jassen aantrekken, naar de ambulances rennen, we zullen je uit je kamer halen, je weer op de been helpen, we zullen je alles geven wat je maar terug wilt hebben, maar je moet wel eerst worden gevonden. Je moet volhouden, waar je ook bent.”
“Julia trok haar slipje omlaag en verdween uit de spiegel, alleen haar kruin was nog zichtbaar, en, dreigend erboven, het gevaarte van de stortbak. Ze keek naar haar benen. Strak en glad waren ze, nauwelijks nog háár benen. Ze had ze geschoren, ze schoor ze altijd als ze naar Sjef ging. Aantrekkelijk hoefde ze voor hem niet te zijn, gladde benen deden er in hun vriendschap niet toe, maar van beenharen ontdaan voelde ze zich gereinigd en van zichzelf verlost en daarmee ontvankelijk voor zijn gave om haar van de grond te tillen en te verheffen. Buiten het toilet gerommel, Vink die zijn jas pakte. `Als je daar gaat wachten, lukt het helemaal niet met plassen,’ riep ze, en ze hoorde hem naar de woonkamer lopen en de deur sluiten. Hij was lief voor haar geweest en had lekker gekookt. Hij had er zelfs op aangedrongen met haar naar Sjef te gaan. Ik moet mijn stroefheid maar eens aan de kant zetten, ik wil die vriend van jou beter leren kennen, had hij gezegd. En na maanden had hij haar weer aangekeken, met een lange, gespannen blik die hij probeerde te verzachten door er uit alle macht bij te glimlachen. Waar ze zijn generositeit aan te danken had, wist ze niet. Ze durfde het zich niet eens af te vragen en was op slag verkrampt geraakt. Zoals toen ze elkaar pas had- den ontmoet en hij voor haar kookte in zijn spelonk, een klein, vochtig appartement dat als een schandvlek tussen de huizen was weggemoffeld; de pasta kookte over, de kalfsfricandeau bakte aan, in de koffie strooide hij zout, maar hij keek haar aan, alles wat er misging was voor haar het verheugende maar ook angstaanjagende bewijs dat hij haar aankeek. Meteen na de koffie was ze gevlucht, en ze herinnerde zich hoe hij verbouwereerd in de deuropening had gestaan, een kurkentrekker in zijn hand. Het schemerde en donkerte nestelde zich in de kamer. Vink liet zich in een fauteuil zakken. Dat plassen van Julia kon nog wel even duren. Vroeger had het hem ontroerd als hij haar ineengedoken op de wc had zien zitten, haar voeten wijd uiteen, haar knieën bij elkaar, haar schaamhaar wegglippend tussen haar dijen en haar hoofd schuin naar hem opgericht, alsof ze iets ondeugends deed. Toen kon ze nog plassen als hij erbij stond. Maar zijn ontroering was verdwenen en zij voelde zich geremd, kneep af als ze hem dichtbij wist. Het regende al een etmaal niet meer, maar de Maas bleef stijgen.”
Wie bouwde het zevenpoortige Thebe? In de boeken staan de namen van koningen. Hebben de koningen de rotsblokken aangesleept? En het meermaals verwoeste Babylon Wie heefd het zoveel keren opgebouwd? In welke huizen Van het goudglanzige Lima woonden de bouwvakkers? Waarheen gingen op de avond toen de Chinese muur af was De metselaars? Het grote Rome Staat vol triomfbogen. Wie richtte ze op? Over wie Triomfeerden De Caesars? Had het veel bezongen Byzantium Alleen paleizen voor zijn inwoners? Zelfs in het legendarische Atlantis Schreeuwden in de nacht toen de zee het opslokte De verzuipenden om hun slaven.
De jonge Alexander veroverde Indië. Alleen hij? Caesar versloeg de Galliërs. Had hij niet op zijn minst een kok mee? Philips van Spanje weende, toen zijn vloot Was vergaan. Weende anders niemand? Frederik de Tweede zegevierde in de zevenjarige oorlog. Wie Zegevierde buiten hem?
Elke bladzijde een zege. Wie kookte het zegemaal? Om de tien jaar een groot man. Wie betaalde de kosten?
Zoveel verhalen. Zoveel vragen
Vertaald door Geert van Istendael
Bertolt Brecht (10 februari 1898 – 14 augustus 1956)
De Nederlandse schrijver, vertaler, slavist en essayist Kees Verheul werd geboren in Hengelo op 9 februari 1940. Zie ook alle tags voor Kees Verheul op dit blog.
Uit: Bevrijde jeugd
“Hoe betrouwbaar is het geheugen? Nog een jaar of tien geleden meende ik duidelijk te weten wat mijn vroegste herinnering was. Negentiendrie-, misschien zelfs tweeënveertig. Onze voorkamer in een hard, glansloos ochtendlicht. Kennelijk zondag want mijn vader is thuis. Ik troon op een wollig kussen – het dure, vol dieprood en zwarte patronen, dat mijn vader eens toen ik nog niet bestond met een prijsvraag gewonnen heeft. Aan weerskanten van mij de leunstoelen van mijn ouders. Hun schoenen. Daarboven hun benen, hun knieën. Hun hoofden schemeren haast onbereikbaar hoog en ver. Ze luisteren roerloos. Uit de radio achter mij – niet de latere van de ptt maar de vooroorlogse, met gloeilampen, die op ons mooiste kastje staat – buldert een stem. Mijn vader houdt zijn gezicht in die richting. Mijn moeder tuurt door het raam naarbuiten. Maar ook al verraadt hun lichaam geen reactie op het getier dat onze hele kamer vult, ik voel het ontbreken van de normale veiligheid van het bij elkaar zitten. Alsof mijn vader en moeder ergens diep achter hun kleren zijn weggevlucht, onvindbaar voor die stem, en ik opeens alleen zit tussen twee poppen. Het was Hitler. Een van zijn oorlogstoespraken. Aan de authentieke kern van het bovenstaande twijfel ik nog steeds niet, daarvoor zijn de indrukken en mijn emotie van gemis te sterk. Maar dat dit het allereerste zou zijn dat ik me herinner? Alsof ik niet willekeurig twee, drie andere prehistorische beelden naar boven zou kunnen halen – scènes uit het overgangsgebied tussen pure zinnelijkheid en beginnend realiteitsbesef van voor je vierde. Deze warme zomermiddag bijvoorbeeld. Mijn broer loopt in een badpak over het terrasje achter ons huis. Af en toe komt hij in mijn gezichtsveld. Achter mij hoor ik door het open raam mijn moeders gescharrel in de keuken. In mijn zinken teiltje vol water, eveneens op het terras, heb ik geen aandacht voor hem of haar, wel een onbestemd besef dat ik mij door hun aanwezigheid geen zorgen hoef te maken om de buitenwereld. Dus concentreer ik me vrij op het zwaantje van celluloid dat ik tussen mijn vingers klem en dat mij steeds ongelukkiger maakt en steeds kwader. Waarom schiet het hooghartige ding telkens naar de oppervlakte, met telkens datzelfde triomfantelijke sprongetje boven water, wanneer ik het op de bodem loslaat?”
In Worcester, Massachusetts, kwam ik samen met Tante Consuelo haar tandartsafspraak na en zat op haar te wachten in de wachtkamer van de tandarts. Het was winter. Het werd vroeg donker. De wachtkamer zat vol grote mensen, overschoenen en jassen, lampen en tijdschriften. Een poos die lang leek te duren bleef mijn tante daarbinnen en terwijl ik wachtte las ik de National Geographic (ik kon lezen) en bestudeerde zorgvuldig de foto’s: het binnenste van een vulkaan, zwart en vol as; en dan stroomde hij over in beekjes van vuur. Osa en Martin Johnson gekleed in rijbroek, rijglaarzen en met tropenhelmen op. Een dode man die aan een paal hing -‘Long Pig’ zei het onderschrift. Babies met puntige hoofden van top tot teen omwikkeld met touw; zwarte, naakte vrouwen met halzen helemaal omwikkeld met draad als de glazen staafjes van gloeilampen. Hun borsten waren afschuwelijk. Ik las het helemaal door. Ik was te schuw om te stoppen.
En toen keek ik naar de omslag: de gele randen, de datum.
Plotseling, daarbinnen, klonk een oh! van pijn – Tante Consuelo’s stem – niet erg luid of erg lang. Ik was totaal niet verbaasd; zelfs toen wist ik dat zij een vrouw was, dwaas en verlegen. Ik had van mijn stuk kunnen raken maar raakte dat niet. Wat mij volstrekt overviel was dat ik het was: mijn stem, in mijn mond. Zonder ook maar te denken was ik mijn dwaze tante, ik – wij – vielen, vielen, onze ogen star gericht op de omslag van de National Geographic, februari, 1918.
……..
Ik zei tot mezelf: nog drie dagen en je bent zeven jaar oud. Ik zei het om het gevoel te stoppen, van de ronde, draaiende wereld in koude, blauwzwarte ruimte te vallen. Maar ik voelde: je bent een Ik, je bent een Elizabeth, je bent een van hen. Waarom moet jij er ook een zijn Ik durfde nauwelijks te kijken om te zien wat ik dan wel was. Ik wierp een blik opzij – ik kon niet hoger kijken – naar schimmige grijze knieën, broeken, rokken, laarzen en de verschillende paren handen die onder de lampen lagen. Ik wist dat er nooit iets vreemders was gebeurd, dat niets vreemders ooit gebeuren kon. Waarom zou ik mijn tante zijn, of mezelf of willekeurig wie? Welke overeenkomsten – laarzen, handen, de familiestem die ik voelde in mijn keel, of zelfs de National Geographic en die vreselijke hangborsten – hielden ons allen tezamen of maakten ons allen tot één? Wat – ik wist er geen woord voor – wat ‘onwaarschijnlijk’… Hoe kwam het dat ik hier was, zoals zij, en een kreet van pijn hoorde die luider en erger had kunnen worden maar dat niet geworden was?
De wachtkamer was licht en te heet. Zij schoof onder een grote zwarte golf, en nog een en nog een.
Toen was ik erin terug. Het was oorlog. Buiten, in Worcester, Massachusetts, heerste nacht en moddersneeuw en kou en nog steeds was het de vijfde februari, 1918.
Vertaald door J. Bernlef
Elizabeth Bishop (8 februari 1911 – 6 oktober 1979)
“Op een bepaald punt in zijn carrière begon de kunstenaar G, misschien omdat het de enige manier was die hij kon bedenken om zijn tijd en zijn plaats in de geschiedenis te duiden, ondersteboven te schilderen. Op het eerste gezicht leek het alsof de schilderijen per ongeluk verkeerd om waren gehangen, totdat de rechtsonder in de hoek prijkende signatuur duidelijk maakte dat er een nieuwe werkelijkheid was aangebroken. Zijn vrouw geloofde dat hij met deze ontwikkeling onbewust iets verontrustends had uitgedrukt over de toestand van vrouwen en vroeg zich af of het gevolgen zou hebben voor zijn succes, maar de kunstcritici onthaalden de omgekeerde schilderijen enthousiaster dan ooit tevoren en G werd gefêteerd met een nieuwe ronde prijzen en eerbetuigingen, die iedereen hem sowieso genegen leek te geven, wat hij ook deed. Ze woonden in een bosrijke streek op enige afstand van de stad, want ondanks de goedkeuring die de wereld G schonk, voelde hij zich boos op en gekwetst door diezelfde wereld en kon hij het niet opbrengen haar te vergeven. Zijn vroege werk was op brute wijze bekritiseerd en al verzekerde men hem dat zijn vermogen om te schokken juist het onomstotelijke bewijs was van zijn talent, was G die aanvallen nooit echt te boven gekomen. Zijn kracht school niet zozeer in het afweren van pogingen om hem te vergiftigen en vernietigen, als wel in het absorberen ervan, in het doorslikken van het vergif en zich erdoor laten veranderen, zodat zijn overleven niet simpelweg een verhaal over veerkracht was, maar eerder een uitgesponnen kruisiging die de wereld uiteindelijk dwong tot zelfkastijding vanwege wat ze hem had aangedaan. Pas dankzij de bossen had G een uitweg gevonden uit zijn artistieke impasse, uit zijn gevoel gevangen te zitten tussen het anekdotische van de representatie en het gebrek aan engagement van de abstractie. Hij had veel tijd besteed aan het observeren van de plaatselijke houthakkers, en telkens als hij zag hoe een boom werd geveld had het probleem van verticaliteit zich aan hem opgedrongen. Eerst had hij de mannen en de bomen geschilderd in een soort vereenzelvigde staat, waarin de stammen en lichamen inwisselbaar waren. Toen had hij gezien dat ook de lichamen konden worden geveld, afgesneden van hun eigen wortels en op vergelijkbare wijze op hun kant gekeerd of in stukken gehakt. En uiteindelijk was hij op het omkeringsidee gekomen, als oplossing voor dit geweld en als manier om het principe van heelheid terug te brengen, zodat de wereld weer intact was, maar ondersteboven gekeerd en daardoor bevrijd van de werkelijkheid met haar beperkingen.”
Een koude lente: over het grasveld een vreemde paarse gloed. Twee weken minstens aarzelden de bomen; de blaadjes wachtten af, maar lieten goed zien hoe ze zouden worden. Ten slotte daalde plechtig groen stof over je uitgestrekte, lukraak verspreide heuvels. Op een dag, in een kille witte guts zonlicht, werd op een daarvan een kalfje geboren. De moeder hield op met loeien en was lang bezig met de nageboorte, een armzalige vlag, maar het kalfje krabbelde prompt overeind en leek geneigd tot vrolijk gedrag.
De volgende dag was een stuk warmer. Groenig witte kornoelje drong door in het bos, ieder bloemblad geschroeid, zo leek het, door een sigarettenpeuk; en de wazige judasboom stond ernaast, bewegingloos, maar bijna meer in beweging dan welke omlijnde kleur dan ook. Vier herten sprongen al oefenend over je hekken. De jonge eikenblaadjes deinden door de bedaarde eik. Zanggorsen waren opgelierd voor de zomer en in de esdoorn liet de complementaire kardinaalvogel een zweep knallen en de slaper ontwaakte en strekte vanuit het zuiden zijn mijlenlange groene leden. Op zijn muts werden de seringen wit, later dwarrelden ze neer als sneeuw. Nu de avond valt komt een nieuwe maan op. De heuvels vervagen. Plukken hoog opgeschoten gras verraden waar een koeienvlaai ligt. De brulkikkers laten zich horen, slappe snaren door dikke duimen beroerd. Onder de buitenlamp, tegen je witte voordeur plakken de allerkleinste nachtvlinders, als Chinese waaiers, zilver en zilvergerand over bleekgeel, oranje of grijs heen geplooid. Nu, vanuit het dichte gras, beginnen de vuurvliegjes op te stijgen: omhoog, omlaag, dan weer omhoog: oplichtend als ze klimmen, gezamenlijk drijvend naar dezelfde hoogte, net als de belletjes in champagne. Later stijgen ze veel hoger. En je schaduwrijke weiden zullen nu elke avond deze bijzondere, lumineuze huldeblijken aan kunnen bieden, de ganse zomer lang.
Vertaald door J. Bernlef
Elizabeth Bishop (8 februari 1911 – 6 oktober 1979)
“He had reached the neutral ground upon the outskirts of the town, which was neither town nor country, and yet was either spoiled, when his ears were invaded by the sound of music. The clashing and banging band attached to the horse-riding establishment, which had there set up its rest in a wooden pavilion, was in full bray. A flag, floating from the summit of the temple, proclaimed to mankind that it was ‘Sleary’s Horse-riding’ which claimed their suffrages. Sleary himself, a stout modern statue with a money-box at its elbow, in an ecclesiastical niche of early Gothic architecture, took the money. Miss Josephine Sleary, as some very long and very narrow strips of printed bill announced, was then inaugurating the entertainments with her graceful equestrian Tyrolean flower-act. Among the other pleasing but always strictly moral wonders which must be seen to be believed, Signor Jupe was that afternoon to ‘elucidate the diverting accomplishments of his highly trained performing dog Merrylegs.’ He was also to exhibit ‘his astounding feat of throwing seventy-five hundred-weight in rapid succession backhanded over his head, thus forming a fountain of solid iron in mid-air, a feat never before attempted in this or any other country, and which having elicited such rapturous plaudits from enthusiastic throngs it cannot be withdrawn.’ The same Signor Jupe was to ‘enliven the varied performances at frequent intervals with his chaste Shaksperean quips and retorts.’ Lastly, he was to wind them up by appearing in his favourite character of Mr. William Button, of Tooley Street, in ’the highly novel and laughable hippo- comedietta of The Tailor’s Journey to Brentford.’ Thomas Gradgrind took no heed of these trivialities of course, but passed on as a practical man ought to pass on, either brushing the noisy insects from his thoughts, or consigning them to the House of Correction. But, the turning of the road took him by the back of the booth, and at the back of the booth a number of children were congregated in a number of stealthy attitudes, striving to peep in at the hidden glories of the place. This brought him to a stop. ‘Now, to think of these vagabonds,’ said he, ‘attracting the young rabble from a model school.”
Charles Dickens (7 februari 1812 – 9 juni 1870) Cover
De Duitse dichteres, schrijfster en vertaalster Lioba Happel werd geboren op 7 februari 1957 in Aschaffenburg. Zie ook alle tags voor Lioba Happel op dit blog.
Je hangt mij al lang het oog uit.
Je hangt mij al lang het oog uit. En daar zit je dan, neergestreken op een stoel!
En de nacht lacht. En een ster blaakt – Omwille van mij? Omwille van jou?
Kus me, als dat mag, nog een keer – Tik in mijn oor! Kom nog eens terug! Zonder adjectieven. Of ga weg!
Ik kom in de benen – Asjeblieft een gedicht! Vaarwel, adieu, jij gekwelde, opgehangene! In mijn nachtoog – Vaarwel, adieu!
Zo teder als jij bent, ben ik behoorlijk hardvochtig!
Uit: Ende offen – Das Buch der gescheiterten Kunstwerke
„Plötzlichen Eingebungen gehorcht Michelangelo auf der Stelle. Er schläft in seinen Stiefeln. Bei seinem Tod 1564 defilieren Dutzende Jünger an seinem Leichnam vorbei. Sie sind in derselben Soutane gekleidet wie ihr Meister. Hier arbeitete kein anonymes Kollektiv mehr wie noch im Mittelalter. Hier schuf ein einzigartiges Individuum. Und nicht zu Gottes Ehren, sondern den Menschen zur Feier. Signed and sealed: Michelangelo, Superstar. Im Glanz einer solchen Aura beginnen Fragmente zu leuchten. Von nun an konnte es passieren, dass auch das Unvollkommene vollkommen war. Von nun an gab es eine Figur, die erst in der Aufklärung ihren Namen erhalten und sich seit der Romantik größter Popularität erfreuen sollte: das Genie. Poeta alter deus (Shaftesbury)! Ein Original, dessen in die Kunst über-setzte Regeln natürlich und deshalb natürlich absolut sind (Kant)! Prometheus (Goethe)! Flackernd, intuitiv, grenzwahnsinnig, und vor allem leidend. Kurz und exzessiv hatte sein Leben zu sein (da damals ausschließlich männlich konnotiert). Genies, das sind Unvollendete. Moment. Einschub zum Einschub in der Klammer. Auch in diesem Buch werden die geneigte Leserin und der geneigte Leser wieder einmal mehr von Männern und ihren Problemen erfahren als von Frauen. Kann es wirklich sein, dass Männer seltener fertig werden als Frauen? Sind Männer flattriger? Und zugleich: vor Schöpferkraft strotzend, vor Kraft kaum zum Gehen fähig, you name it. Genius, das stand bei den Römern nicht zufällig für die Zeugungskraft des Mannes. Weibliche Genies – lange Zeit ein Oxymoron. Sind Frauen in Wirklichkeit also einfach fleißiger, fokussierter und strukturierter? Wirklich jetzt? Was zweifellos der Fall ist: dass Männer auch in der Kunst Privilegien genossen, die Frauen sich erst sehr spät erkämpften, was die Anzahl ihrer bekannten Vertreterinnen in Musik, Literatur, Film, Architektur und Malerei über die Jahrhunderte sehr überschaubar macht.“
Thomas von Steinaecker (Traunstein, 6 februari 1977)
Onverwacht draait de telescoop deze oktobermiddag, Ik zie mezelf, weer klein gemaakt, door de objectieflens:
Ik ben niet de weduwnaar die onlangs mijn vrouw heeft begraven, Noch de plichtsgetrouwe zoon die waakte terwijl mijn vader, Als een aangeslagen bokser, vocht om de dood te slim af te zijn,
Verward en woedend, met zijn handen in cartoonachtige handschoenen Om te voorkomen dat hij aan de slang van zijn morfinepomp trok.
Vandaag ruimen we het huis op waar hij zestig jaar heeft gewoond. In de slaapkamer waar ik geboren ben, herinneren mijn broers en zussen zich
Hoe hun enige aanwijzing voor mijn geboorte als kinderen Achter deze gesloten deur angstige instructies waren om te bidden.
Als we de zolder openmaken, ontdekken we de koffer Die mijn moeder had ingepakt voor haar laatste ziekenhuisopname:
Een toilettas en talkpoeder, kleren die ze nooit meer heeft kunnen dragen, Een tas vol gebeden en de opgevouwen brief Die ik als tienjarige schreef voor mijn zusje.
Ik besteed één pagina aan haar te vertellen dat ik braaf ben, en prop dan drie pagina’s vol met gekrabbelde X’en – elk een kus voorstellend.
Vorige week zong een kleindochter die ze nooit gekend heeft op het podium, Stralend en helder, in een band genaamd Kleine X’jes Ogen . Vierenveertig jaar lang, in een brief in een tas in een koffer op deze zolder, Waren deze sterrenstelsels van X’en de verbannen ogen van een verward kind.
Maar – terwijl ik ze openvouw – zie ik mezelf staren naar wie ik nu ben, In dit leven dat ik me nooit had kunnen voorstellen toen ik slordige X’en Krabbelde voor een vrouw die ik voor het laatst lachend in een ziekenhuisbed zag liggen,
Die ze in haar tas stopte toen de verpleegsters haar hoofd kaal schoren Ter voorbereiding op een operatie waarvan ze nooit zou herstellen:
In de hoop dat ik op een dag haar tas zou openen en verrast zou zijn En mijn X’en terug zou vinden: grote X’en voor kusjes, kleine X’jes voor ogen.
Wij zijn samen onderweg en kussen de zegelring van wie daar om vraagt
Beter worden we er niet van al schept het misschien een band
Die we kunnen gebruiken ankerloos als we zijn
Wagen na wagen trekt aan ons voorbij wat de afstand alleen maar vergroot
Overal vogels, scharminkels van het ongebondene een aansporing en aanfluiting gelijk
Een paar dozijn zou nog kunnen maar toch geen honderden, elke dag opnieuw
We zullen worden gezien als luxepaarden, als kamelen zonder baat
De tegenstand wordt al georganiseerd maar wij zetten door, iets anders hebben we nooit geleerd
Lament
De verenigde vezelfabriek en marche Lament De aorta & de aars & het gat Lament Het klagen van het vlees & het moeras Lament De overdosis recycleren & de barst Lament De ekster op de galg & de grimas Lament De kwadratuur van het mirakel & de blaas Lament De overdruk op het bestel & de magneet Lament De zuigkracht van het bloed & de profeet Lament Het roffelen van het ritme & het dak Lament Het doorgaan van de maat & de matrak Lament Het overgeven van de eeuw & van het spel Lament De coalitie van de geeuw & van de rel Lament. Het is het wegen van het veel & van het meer Het is het raadsel van de spankracht van de veer Het is het spektakelstuk, het galafeest, de eer Het is het dogma, het axioma & de leer Het krimpen van de stof & van de naad Lament Het overtollig vet wegsnoeien & verraad Lament Het suggereren van de stop & het ventiel Lament Het laten groeien van de rentevoet, de hiel Lament Het zwaktebod, de faling, het patroon Lament Het opslaan van de kracht, de durf, de hoon Lament Het is de lafheid & de moed, de heroïek Het is het spiegelbeeld van deze mozaïek Het is een schouwspel zonder goden of publiek Het is de kanker, de bevruchting, de koliek
Zolderkamer en raam, mijn schaatsen aan de muur De priester kon de badkamer zien, lichtgele houten lambrisering toilet, jonge benen, glanzende zwarte beenharen “Het zijn mijn benen, señor.” De glans van haarstoppels spoelt zijn lavendelkleurige horizon af hij voelde de jongen kreunen en wat het betekende gezicht van een rotjong op de tafel van de dokter ik was de schaduw van de wassende avond en vreemde ruiten. ik was de vlek en het gejammer van gemiste tijden in de weerspiegelde hemel plekken vervuild water onder zijn lavendelkleurige horizon, raam Vlek gekrabbeld door een jongen, koude, verloren knikkers in de kamer De sjofele tafel van de dokter… zijn gezicht… De huid van de jongen spreidt zich uit naar iets anders. “CHRISTUS, WAT ZIT ERIN?” schreeuwt hij vlees en botten rezen op als een tornado “DAT DOET PIJN” ik was de vlek en het gejammer van glanzende achterbeenharen zilverpapier in de wind, rafelige geluiden van een verre stad.
Vertaald door Frans Roumen
William S. Burroughs (5 februari 1914 – 2 augustus 1997)
“Zijn vrouw kwam overeind maar Nazim hief zijn arm en stond erop zelf thee voor ons te halen. Hij ontworstelde zich aan zijn fauteuil en moest bij elke stap uit alle mogelijke posities van hoofd, schouders, romp en armen de juiste kiezen om zijn evenwicht te hervinden. Het was de eerste keer dat ik met eigen ogen zag dat hij nooit helemaal hersteld was. Ik begreep er niets van, dat wil zeggen, ik begreep wel hoe het een tot het ander leidde, de wurgende wetmatigheid van oorzaak en gevolg, maar wat ik begreep, begreep ik niet écht: ik kon me niet voorstellen dat de man die nu schommelend als een galjoen in de keuken verdween dezelfde was als de jongen die ooit met zijn broers voor ons was opgedoken en even later was afgevoerd, ons achterlatend in stervend zwaailicht. Ik keek naar Sybil en vroeg me af of ze in dezelfde afgrond staarde. Het kon niet anders of het duizelde haar zoals het mij duizelde. Ze had niets gedaan maar alles ge- zien, aangelicht door straatlantarens had die opeenvolging van gebeurtenissen zich voor haar ogen afgespeeld, van ons allen wist zij nog het beste wat er was gebeurd, dubieus voorrecht van de getuige. Maar haar gezicht glom, haar handen hield ze tussen haar dijen, haar onderbenen stonden uiteen, haar voeten staken naar binnen, ze zat er als een schoolmeisje bij, en als ze al ten prooi was aan vertwijfeling, dan liet ze daar niets van blijken. Uit de keuken gekletter, in de woonkamer stilte, en achter het raam gleed de stad al even stil weg in het dal. Ik liet mijn blik ronddwalen, sofa en fauteuils groot, kitsch-lamp, foto van de Bosporus, wandkleed met de Bosporus, vaas met de Bosporus, dat was het wel zo’n beetje, nee, er was meer, natuurlijk was er meer, in de hoek, bij de deur naar de gang, zag ik zijn rolstoel, opgevouwen. Zijn vrouw verroerde zich niet, haar hoofddoek sneed een ovaal uit haar gezicht, haar ogen waren groot en vochtig. Misschien kwam het door de zuiverheid van haar blik maar ik was ervan overtuigd dat ze niet van die vechtpartij wist, hij had haar er nooit over verteld, zij wist niet anders of hij was invalide geraakt door een ongelukkige val, motorongeluk of hersenbloeding, voor haar moesten Sybil en ik volstrekte vreemden zijn die uit de hemel waren komen vallen.”
Poems about night and related poems. Paintings about night, sleep, death, and the stars. I know one poem from school under the stars, but belong to no school of poetry. I forgot it by heart. I remember only it was set in the world and its theme parted.
Poems about stars and how they are erased by street lights, streets in a poem about force in the schools within it. We learned all about night in college, how it applies, night college under the stars where we made love a subject. I completed my study of form
and forgot it. Tonight, poems about summer
and the stars are sorted by era over me. Also poems about grief and dance. I thought I’d come to you with these themes like my senses. Do you remember me from the world? I was sat there and we spoke
on the green, likening something to prison, something to film. Poems about dreams like moths about streetlights until the clichés glow, soft glow of the screen comes off on our hands, blue prints on the windows. How pretentious to be alive now,
let alone again like poetry and poems indexed by cadence is falling about us while parting. It was important to part yesterday
in a serial work about lights so that distance could enter the voice and address you tonight. Poems about you, prose poems.
De hemel viel uit je ogen En verkruimelde. De zon viel van je gezicht En bevroor. Bevroren kwam de koele wind Zonder jouw vlijtige handen. Op zoek naar jou, verborgen de bronnen zich in de velden. Als een omgevallen boom, Is de taal zelf Hoorbaar alsof ze valt. God, zo eenzaam Zo eenzaam Ben ik nog nooit geweest!
Ich sah viel Städte als Flammenraub Und Greuel auf Greuel häufen die Zeiten, Und sah viel Völker verwesen zu Staub, Und alles in Vergessenheit gleiten.
Ich sah die Götter stürzen zur Nacht, Die heiligsten Harfen ohnmächtig zerschellen, Und aus Verwesung neu entfacht, Ein neues Leben zum Tage schwellen.
Zum Tage schwellen und wieder vergehn, Die ewig gleiche Tragödia, Die also wir spielen sonder Verstehn,
Und deren wahnsinnsnächtige Qual Der Schönheit sanfte Gloria Umkränzt als lächelndes Dornenall.
Amen
Verwestes gleitend durch die morsche Stube; Schatten an gelben Tapeten; in dunklen Spiegeln wölbt Sich unserer Hände elfenbeinerne Traurigkeit.
Braune Perlen rinnen durch die erstorbenen Finger. In der Stille Tun sich eines Engels blaue Mohnaugen auf.
Blau ist auch der Abend; Die Stunde unseres Absterbens, Azraels Schatten, Der ein braunes Gärtchen verdunkelt
Blutschuld
Es dräut die Nacht am Lager unsrer Küsse. Es flüstert wo: Wer nimmt von euch die Schuld? Noch bebend von verruchter Wollust Süße Wir beten: Verzeih uns, Maria, in deiner Huld!
Aus Blumenschalen steigen gierige Düfte, Umschmeicheln unsere Stirnen bleich von Schuld. Ermattend unterm Hauch der schwülen Lüfte Wir träumen: Verzeih uns, Maria, in deiner Huld!
Doch lauter rauscht der Brunnen der Sirenen Und dunkler ragt die Sphinx vor unsrer Schuld, Daß unsre Herzen sündiger wieder tönen, Wir schluchzen: Verzeih uns, Maria, in deiner Huld!
1 ja, het schalt, zingt in den hogen het geprezene, vult de tent met blauw, maar zingt het in slaap, als het maar het grote beklemtoont, als het in den hogen wijst, wijdte die nooit nadert en juist die volledig is.
2 zingt in den hogen, wat zich in lofprijzing verzamelt, is altijd slechts één, iedere daad heerlijk, draagt (op) en steekt (niet) omhoog, wat het verschil uitmaakt: de schepping, de macht (binnen hem).
3 zingt in den hogen, de mond niet alleen, alles wat dient, blik, letter, papier, snaar – bazuint, schrijft, citeert, klinkt voort, het.
4 zingt in den hogen, op trommel of mond, alles draait om zijn zij in het rond, fluit en slag.
5 zingt in den hogen, ook het donkerste staal, wordt licht, klinkt goed (bombamdebimbam).
6 zingt in den hogen, alles wat ademt, lang en houdt aan (hem), schalt, maar zingt het in slaap!
Uit: Ik stuur deze brief maar op goed geluk weg. Brieven 1939-1950, s
“Brief aan Haasses ouders en broer in Batavia, 11 september 1939
Lieve Allemaal, Moesten jullie veel porto betalen voor mijn vorige brief? Ik wist niet precies hoeveel er op moest voor de zeepost, ik dacht 6 cent, dat had Oma gezegd, en ik had geen tijd meer om ’t op ’t postkantoor te gaan vragen, omdat de brief nog diezelfde avond met de Oranje weg moest. Maar de volgende dag las ik in de krant dat de vliegdienst weer ingesteld was en dat de Nandoe dien morgen was vertrokken. Ik hoorde ook dat mijn brief te laat was geweest voor de Oranje, zodat ik denk dat hij nu met het vliegtuig is meegegaan. Hoe gaat het met jullie? Hier is alles weer gewoon, je let niet eens meer op mobilisatie of zandzakken en ander oorlogstuig. Ze zeggen dat de oorlog wel een jaar of drie zal duren. Ik hoop het niet! – Anneke en ik hebben van kamer geruild. Ik heb nu de grote voorkamer met 3 ramen op de gracht. Mijn meubels staan er prachtig in, het ziet er zo artistiek en gezellig uit. Douwe heeft een vriend die binnenshuis foto-opnamen kan maken, misschien kan die mijn kamer ook eens nemen. Er is weer van allerlei gebeurd. Douwe en ik hebben het zotste avontuur van ons leven meegemaakt. Enfin, nu moeten wij er voor boeten. Het is een tragikomische geschiedenis, getiteld: ‘Wij gaan op een middag om 6 uur de stad in om goedkoop te eten’. Luistert! Zondagmiddag’s eten D. en ik gewoonlijk in de ‘Petite Marmite’ dat is een kantoormensen eetgelegenheid waar je voor 80 cent soep, voorgerecht, groenten, aard. en vlees, toetje en koffie krijgt, meer dan genoeg en uitstekend klaargemaakt. D. heeft daar een abonnement. Gisteren zouden wij ’t ook weer doen. Wij waren wat laat, zodat er geen plaats meer te krijgen was (er kunnen n.l. maar ± 25 mensen in). Wij hadden echter veel te veel honger om te wachten en besloten ons heil elders te zoeken. Nu waren wij eens op een avond in een café in de Leidse straat geweest dat ‘Fleur’ heet. Het was een goedkope gelegenheid, zoiets als Heck, en een bedevaartsoord voor soldaten + meisje, en Zaterdagavond-dagjesmensen. Op de tafeltjes lagen kaarten die ’t bestaan vermeldden van een, blijkbaar bij ‘Fleur’ horend, eet-restaurant in de straat daarachter. Dit nu herinnerden wij ons gisteren ter onzaliger ure.”
Hella Haasse (2 februari 1918 – 29 september 2011)
Van mij naar jou is er een seconde, een lach, er is een volle waslijn die uitkijkt over de zee. Na het gekkigheid bij It-Toqba z-Zghira* probeerde ik je te bereiken. En misschien omdat er geen licht is in dit huis, in de nog steeds echoënde gang, in de kamers boven en beneden, op de bodem van deze put die jouw onvruchtbare woorden kreunt en mompelt , vond ik niemand. Alleen in jouw keuken, knallen mijn uitgehongerde ingewanden over de jongen die geboren wilde worden en zichzelf hangend aantrof aan de uitgedroogde borst die ontsproot in de woestijn; bijna als een stad waaruit iedereen is weggevlucht.
En het is nutteloos om je te verschuilen achter oude muren, en blootsvoets te lopen over de wegen van je moeder, en trots de ruïnes van je schoonheid te bewonen; want je bent nooit moeder geweest, en je zult het ook nooit worden.
Uit de deur van je buurman kwam een meisje tevoorschijn, haar ogen, twee kanonskogels gekruist op de cornetto bij de kleine opening van haar mond. Ze staart je aan, ze probeert je niet te bereiken. Als een mijn op de zeebodem van de haven die nooit ontploft bekijkt ze je, de afbladderende verf, en lacht een moment, naar jou, en liegt dat je mooi bent.