“Dit is mijn verhaal en dus mijn begin. In Zijn begin lag het einde al besloten maar laat ik meteen afstand nemen van een kinderachtige aanname – het idee van een onvermijdelijk verloop. Deze wereld kent geen onvermijdelijk verloop. Draai de klok terug en zet haar weer in gang en de uitkomst zal een andere zijn – niet volstrekt anders natuurlijk, maar anders. Wetenschappers hebben het over toeval of chaos of entropie, maar jargon is niet nodig. Denk aan losse eindjes, rafelrandjes, de steken die jullie altijd laten vallen. Denk aan vergeetachtigheid en slijtage en verval. Denk aan dwars en scheef, inval en impuls, craquelé, barsten en scheuren. Denk aan jullie dna, zo stipt, maar desondanks niet in staat tot een vlekkeloze kopie – en dat is maar goed ook want zonder foutjes hier en daar zouden jullie er nooit zijn geweest. Denk aan Heraclitus en de rivier waar je nooit twee keer in kunt stappen, in een dubbele betekenis, want zowel jij als de rivier zijn die tweede keer niet wat ze waren – en hetzelfde geldt voor een rondje hardlopen in het park, een maaltje stamppot boerenkool of een spelletje kiekeboe met je jongste kind. Of denk simpelweg aan de anonieme stukken grond die in elke stad te vinden zijn, plekken die uit het planologisch oog verloren zijn, kleine jungles van verwilderde struiken en roestig hekwerk en een vergeten stapel zand en de geur van kleine kadavers, het niemandsland en iedersland waar jullie kinderen zo graag spelen, voor even bevrijd van volwassenen en hun onbegrijpelijke orde. Deze wereld kent geen onvermijdelijk verloop. Wat die Eindtijd betreft zullen we dus nog wel zien. Wat ze tot nu toe heeft gebracht is een tafereel van ontregeling, van overstromingen en kou, van honger, paniek en volksverhuizingen, en van incidentele ongerijmdheden om het er allemaal nog eens goed in te wrijven – zoals de paradijsvogel die ik op het dak van de koetsenstalling zag zitten, de kleuren flets in het schaarse licht, het petje van verse sneeuw een tikje belachelijk. Al die chaos is angstaanjagend genoeg maar nog altijd herkenbaar. We hebben nog geen sterren gezien die naar de aarde vallen, geen bloedrode maan of zwarte zon, geen apocalyptische ruiters, geen hoer van Babylon, geen Laatste Oordeel, geen hemels Jeruzalem met straten van goud, of wat er verder ook aan spektakel in Zijn verhaal te vinden is.”
In welke rivier zwom de vis die een haak aan een lijn aanzag voor een vlieg en zo zijn laatste adem uitblies, zodat een zilveren mes zijn nog verse, onkruidgroene huid van zijn vlees kon snijden, om te bewaren en vervolgens voorzichtig om dit kleine doosje te wikkelen, dat de dokter zijn aderlatingsmes bevat, en het scherpe dat hij nu tegen je binnenarm drukt, zodat een simpele beweging een ader kan openen
Vertaald door Frans Roumen
Kathleen Jamie (Currie, 13 mei 1962)
De Noorse violist, zanger, componist, acteur en schrijver van Wit-Russische afkomst Alexander Igorjevitsj Rybak werd geboren in Minsk, Sovjet-Unie, op 13 mei 1986. Alexander viert vandaag zijn 40e verjaardag. Zie ook alle tags voor Alexander Rybak op dit blog.
Uit: Trolle og den magiske fela [Trolle and the Magic Fiddle]
Stjernen vår
Nar alt er morkt og tomt Og hjertet grater stumt Se opp, der skinner stjernen var Og leger alle sar
Se, den skinner kun for oss Der vakner hver en blomst Og snart vil morket svinne hen Jeg er hos deg min venn
Det var en gang en tid Da hapet var forbi De skjov meg vekk gang pa gang Jeg flyktet fra meg selv Jeg hadde ingen valg
For sent for meg a snu Men sa en dag kom du Og vekket alle hap igjen Du kalte meg din venn
Hva enn som hender meg Jeg glemmer aldri deg Og ingen fjell far skille oss Var stjerne viser vei Og snart vil morket svinne hen Jeg er hos deg min venn
Our Star
Alva: When when it feels dark and heavy on your soul And the heart cries silently Look up, our star is shining there And heals all wounds
Look, it only shines for us Flowers awakens everywhere And the darkness will soon fade away I’m with you, my friend
Trolle: There once was a time When hope was over They pushed me away again and again I fled from myself I had no choice
Too late for me to turn back But then one day you came And woke all hope again You called me your friend
Trolle and Alva: Whatever happens to me I’ll never forget you And no mountain can keep us apart Our star shows us the way And the darkness will soon fade away I’m with you, my friend
De Nederlandse schrijver Bert Natter heeft de Libris Literatuur Prijs gekregen voor zijn roman “Aan het einde van de oorlog”.Zie ook alle tags voor Bert Natter op dit blog.
Uit: Aan het einde van de oorlog
“CHRISTINE BIJ DE KAPPER IN HET STADJE Christine sluit haar ogen, vooral om niet steeds in de spiegel de gedienstige kapper te hoeven zien. Een mankepoot. Als ze haar ogen sluit, lijkt het net of ze thuis is. Daar heeft ze er eentje die zich met soortgelijk gebonk door het leven beweegt. Vanochtend aan de ontbijttafel vroeg ze haar echtgenoot of het niet verstandig was de jongens thuis te houden, vanwege het gerommel, dat sinds zonsopgang steeds luider leek te worden. “Hoezo?” vroeg hij met volle mond, niet eens opkijkend van het rapport dat hij doorbladerde. Hij nam een slok thee en spoelde een hap brood weg. “Vanwege de Russen: Het was de tweede keer dat ze het onderwerp aansneed. Vanmorgen vroeg wilde ze alleen bij haar echtgenoot schuilen, maar nu… nu verwachtte ze antwoorden en actie. “Jij met je Russen..: zei hij zacht ‘Ik heb je toch gezegd dat ze..” ‘Ik ben niet gek. Mijn hart zegt dat mijn jongens als ze uit school komen beter binnen kunnen blijven. En we moeten hier weg.” Haar echtgenoot zette zijn kop op tafel. ”Die jongens gaan vanmiddag gewoon naar buiten. Een gezonde geest in een gezond lichaam. En wij blijven. Ik kan toch niet als… als kapitein het schip verlaten.” Op z’n hoogst is hij tweede stuurman, maar dat zei Christine niet, ze zuchtte alleen diep. “Misschien moeten ze dat kettinkje afdoen” zei hij even later, terwijl hij van tafel opstond. ”Het kamp komen ze helemaal niet meer binnen.” “Nee, laat ze alsjeblieft dat kettinkje omhouden”. “Wat jij wilt.” Hij draaide zich van haar af, naar de piano, waar hij midden in de nacht nog op had zitten oefenen, tot wanhoop van haar. ‘Ik heb te veel aan mijn hoofd voor dit soort vermoeiende gesprekken. Vanavond moet ik spelen… Goed, ze houden het kettinkje om en als ze uit school komen, gaan ze buiten spelen, ze weten heel goed waar de grens van hun speelterrein ligt en jij ziet erop toe dat ze op tijd thuis zijn, zodat je erbij kunt zijn vanavond.” Boink-stap, boink-stap, daar komt de kapper weer aan, met een ronde spiegel in een houten lijst. Net als hij die omhooghoudt, zodat Christine haar kapsel van achter kan zien, grijpt de man onder de kreet “Mijn been!” naar zijn houten poot. De spiegel valt in stukken op de vloer.”
Je bent een kleine dartele veranderlijkheid die de vorm van mijn vinger aanneemt waarmee ik je om mijzelf wind.
Je domein is een oogwenk. Je knipt met je vingers mijn reden tot chaos in een caleidoscoop van verwarring draai je het radarwerk van mijn innerlijk aan diggelen. Je bent een bruid van scherven en gruis.
Gevangen in je handen bleef de vogel de vogel zonder vleugels, vergroeid met je vingers, mijn vlerken opende je hem of sloot hem willekeurig.
Nee, je bent een spring-in-het-veld. Elke hechting scheurt open, waar je aanraakt, vertrek je. Je bent de goederentrein die mij als verstekeling meevoert en je kantelt langs elke vallei om mij uit te schudden. Mijn losrakende veertjes vergezellen me.
Honds lamento
Je zou maar een hond met zo’n vacht in dit weer zijn aan dat touw met die vrouw steeds maar naast je. Ze haast je voort door haar straten en laat je niet snuffelen aan palen maar slaat je als je een maatje hebt gevonden dat samen plassen wil.
Haar schrilte drilt en bedisselt je tot je bot vangt en de buurt ’s avonds wakker wilt janken. Dan graait ze met haar rode nagels, ze tergt je en krijst zelfde wijk de schrik op het lijf dus je verbergt je uit schaamte maar steeds vertoont zij zich naast je.
Al draaf je je dood, er is geen ontkomen aan haar. Je hebt haar nooit gekozen, je wilde die blonde haar borsten bekluiven. Soms denk je daaraan, dan huiver je. Minder dan een stuiver ben je aan de poot van haar tafel.
Prins Hendrik, de Zeevaarder
Tronend in de schittering der sferen, In zijn kleed met nacht en eenzaamheid omrand, Met aan zijn voet de nieuwe zee, de dode eeuwen – Is hij de een’ge vorst die werkelijk de wereld Houdt in de holte van zijn hand. Fernando Pessoa (16.9.1928)
Als een donkerblauw uniform door mariniers gedragen valt om de schouders van het land het water. Zijn kraag van forten slaat hij op tegen de wind van vijandelijke belegering, gestrikt naar Franse snit. Een anker houdt het knoopsgat van zijn jas, het zeegat, dicht.
Zijn hand reikt tot zijn pet, een eiland, richt in het duister zijn vuurtorenlantaarn op waar hij eeuwen oog in oog mee staat: het schuimen van zee, de zeewering zijn arm die hij gestrekt langs zijn lichaam in de houding houdt.
Zijn hoofd, Kop van Holland, rekt zich uit en tuurt de einder af naar verre schepen die vooruitzicht bergen in hun ruimen maar halverwege schipbreuk leden en hier zijn gestrand.
In de duinen waar ik je niet vond zochten we elkaar. We zijn kiezels van de herinnering. Weke flanken bloeden. De tijd weerhoudt dode tijd. Wij zijn het gemurmel van de tempels. Wij geloven elkaar en wenen hoewel er niet méér zee is dan degene die ons uit elkaar houdt. Beminnen, ja, altijd liefde, zoals alles altijd geweest is, zal het morgen zijn.
Gij hebt, Moeder, dit leven zwaar gedragen. Gelijk ik het zwaar draag. Wij zijn verwant. Wij horen in dit stormbevochten land van kavels, tussen dijk en stroom geslagen.
Ik heb uw gang: die driftige en toch trage voetstap, die onverzettelijke trant. Uw harde hand herken ik in mijn hand, onwrikbaar om de schrijfstift heengeslagen.
Machtig zijn wij, in liefde en in haat. Gij hebt u dóódgehaat, hatend het meest uzelve, om de liefde die gij schond.
Ik ben genezen van het bitter kwaad. En eer in stugheid, wie gij zijt geweest: van mijn talent de donkere moedergrond.
Alpha en Omega
(Lukas II 49)
Het mooiste werk: Grieks in het eerste jaar. Het Griekse alphabet staat op het bord. ‘Kijk kinderen, dat is een kandelaar. ‘Maak dat de Omega gaaf getrokken wordt.’
Behoed dit eerst beginnen voor gevaar; dat niet het werk, nauwlijks ontkiemd, verdort. -Zie, als het buiten vroege lente wordt, liggen de kleine Griekse bijbels klaar.
Pasen: een jongen leest met heldere stem van Jezus, twaalf jaar, in Jeruzalem; en hoe hij voor de schriftgeleerden las.
En elk kind in de luisterende klas begrijpt het vragend: ‘Wist gij niet?’… van Hem die in de dingen van zijn Vader was.
Woestijn
Geen enkel raam dat werkt. De tocht der buitendeur tot in de laatste hoek der schilferige gangen. En zwijg van de wc’s. – Een nameloze geur blijft veertig weken aan de klamme muren hangen.
Lokalen, vaalgeworden platen: vochtvlek, scheur. Flarden gordijnen schuiven langs verroeste stangen. Orpheus – met inktmop-ogen – slaakt zijn laatste zangen. De Gratiën, kromgetrokken, oefenen horreur.
Zet u niet op die stoel: ge valt, als Eli, dood; tussen de zitting en de leuning geen synthese – Steun op de tafel niet: hij heeft een manke poot.
Wat op de banken staat, moet ge vooral niet lezen. -Trek recht uw rug en arbeid voor uw dagelijks brood. Gij kunt aan déze tucht, tot eerlijkheid genezen.
De legers zijn voorbijgegaan naast mijn onzichtbare boom. Die van mijn dromen, degene die me beschutte in mijn kleine bedje. Ook deze keer zagen ze me niet omhoog geklauterd in de kruin van de vijgenboom, beschermd in het sap van zijn vrucht. Ze trokken voorbij en van ver merkte ik de onverbiddelijke zweep op het kruis van de dieren, de opgewonden ruiters, de kapotte stenen van het veetrekpad. Ik heb voor ze moeten onderdoen en niemand heeft iets gemerkt. Mijn mond heb ik vol zout. Velen werden tot het wonder van het water geroepen, en alleen hier bleef de dorst over.
Portrait of the Artist’s Mother door Hilda Carline, 1929
MOEDER
Ik wil van jou niet zingen als van de grijze, de gebogene, de weer klein gewordene, die gaat met aarzeling, maar gáát, in de treurige wijzen van dichteres met handen voor hun rouw-gelaat; ik wil van jou geen beelden als deze bewaren die, sommige dagen, in elk leven geweest zijn, geen beelden van wee-dagen, geen gestalten van zware, onhandig dwaze stonden van schuld en van pijn; ik wil je noemen, overtekenen, houden in ’n stel zingende regelen, geen gedicht als de oude, maar ongebonden eenvoudig, en tóch lied – van en voor jou – direct lied van het Licht!
Johan Daisne (2 september 1912 – 9 augustus 1978) Sint Baafskathedraal in Gent, de geboorteplaats van Johan Daisne
O hart eens als de korte zomernachten, Waarin de dag, die naar de dooden gaat, Verlangende op den komenden blijft wachten, En ’t licht den hemel nooit geheel verlaat.
Maar dat een late najaarslucht nu slacht, Met sterrenschijn door mist’ge wolkenlagen, Om het gedoofde en het gedempte en ’t zacht Befloerste stralen tusschen korte dagen.
Uitzicht
Gij waart een kind, dat nachten wakker lag, Een knaap, die ziek ging aan zijn eerste droomen, Een jongeling, wiens drang was: elken dag Gloeien als vuur en als wild water stroomen.
En nu? Een man staart zonder woord en zucht Naar ’t hooploos uitzicht van zijn laatre dagen: Een kersen zon, die smelt – een najaarslucht – Een middagzee, die in den mist vervagen.
Een man
Een rood raam aan een oude gracht, Een deur, die open schrijnt, Een man, die even wacht Eer hij in den nacht verdwijnt.
De sleetsche rug was krom Gebogen onder den smaad, Toen wendde hij zich om Naar de geul van een gore straat.
In het duister, dat hem omving, Ging hij teloor als een huis, Hij werd minder dan een ding, Hij verging als een geruisch.
Het hart is maar een vod, Het wordt nog niet eens verkwist; Vanzelf verwordt het tot Bezit van een grijzen mist.
J. C. Bloem (10 mei 1887 – 10 augustus 1966)
De Amerikaanse dichteres en performster Jayne Cortez werd geboren op 10 mei 1936 in Fort Huachuca, Arizona. Zie ook alle tags voor Jayne Cortez op dit blog.
Onuitwisbaar
Luister, ik heb een klacht Mijn lippen zitten vol vingerafdrukken Slapeloosheid teistert me De mate van isolatie is zo groot dat mijn schildklier eronder lijdt en ik wil niet verdwijnen Kun je me helpen?
De Ierse schrijver Paul Lynch werd geboren op 9 mei 1977 in Limerick in het zuidwesten van Ierland. Zie ook alle tags voor Paul Lynch op dit blog.
Uit: Red Sky in Morning
“NIGHT SKY WAS BLACK and then there was blood, morning crack of light on the edge of the earth. The crimson spill sent the bright stars to fade, hills step-ping out of shadow and clouds finding flesh. First rain of day from a soundless sky and music it made of the land. The trees let slip the mantle of darkness, stretched themselves, fingers of leaves shivering in the breeze, red then goldening rays of light catching. The rain stopped and he heard the birds wake. They blinked and shook their heads and scattered song upon the sky. The land, old and tremulous, turned slowly towards the rising sun. Coll Coyle was tight with rage and could not admit he was afraid. For hours he watched with dread the creeping birth of morning. Wobbled glass bending the Carnarvan dawn in rivulets of shifting purple, the slow retreat of numb shadow from the walls. He could not speak for a great bank of sorrow. He lay awake most of the night, dreams snaking shallow and tormented so that for a moment he would find relief in waking, but soon the dread would pool about him in the darkness and a weight spreading heavy would pitch on top of him. He turned among the limb-sprawl of heated bodies, his daughter snug in his elbow and the press of his wife’s chest. He reached a hand to her swollen belly and listened to the suck tide of her breathing. The surf at Clochan Strand. He rose so as not to stir them, slithered and then scooped his daughter with feathered fingers and placed her by her mother’s arms. The child awoke anyway, blinked at him with eyes confused and crusted, and he cooed her and rubbed his thumb on her cheek and the lids of her eyes weighted and shut. He looked to the darkness that held silent the shape of his mother sleeping. The hearth glowing red with sleepy eyes and he reached for his breeches and put them on and took his wyliecoat off the chair, sleeved it and buttoned it and set towards the door leaving his boots by the bed. The door sounding a gentle keening and he put it back on the latch and stood outside. The smell of Carnarvan like soaking earth. Salt faintly on the air and he sucked it in, looked towards the light that flaked silver on the dark waters of Trawbega Bay. He stamped his feet and walked about the yard and opened the door to the stone outhouse, letting out the pig with a kick. Go on ye. The cow staring at him thickly. He yawned and rubbed his eyes and sat on the stone wall and ran his fingers over the rocks that sat jagged as if they had fought violently before being ripped out of the earth. The lime white of the house indigo in the light and he saw himself as a child among gragging geese and his father plastering dripping upon the blue clay.”
“Boven is het fijner wachten dan beneden. Door de rode en blauwe tegels lijken de muren op een level in een computerspel. De gekleurde tegels lopen precies tot aan de trap. Alsof iemand dacht: goed, ik tegel tot hier, maar bij de roltrap stop ik, daarbeneden is het toch kansloos, daar kunnen zelfs gekleurde tegels niet tegenop. Op het perron wachten altijd mensen waar iets mis mee is. Jongens die je omverduwen, mannen die hun piemel door hun gulp steken en oude mensen die zeuren dat kinderen geen respect meer hebben. En op de plastic banken die niet kapot kunnen ligt altijd iets. Cola, spuug, chips, soms een man die al zijn kleding over elkaar heeft aangetrokken. Zeker vier metro’s gaan voorbij voor er zich twee mannen melden. Ze hebben allebei een dikke buik, of een te krap pak. Een van de twee heeft een kaal hoofd. Hij lijkt op het topje van mijn wijsvinger als je er een gezichtje op tekent. Samen lopen we langs het hokje, van waarachter de toezichthouder zijn hand naar zijn collega’s opsteekt, naar de roltrap waar we ons vaak vanaf laten glijden. Je moet de rubberen band pakken, je door het mechanisme de leuning op laten trekken, bij de knik van de afdaling je billen iets over de rand schuiven en dan loslaten. Nico zegt dat je alles mag gebruiken op de manier waarop je dat zelf fijn vindt, dus ook roltrappen, maar beneden staat altijd wel iemand om te zeggen dat het gevaarlijk is, dat een roltrap daar niet voor bedoeld is. Nico zegt dat ik niet hoef te luisteren naar oude mensen omdat die alles gevaarlijk vinden behalve de echt gevaarlijke dingen, zoals autorijden op je tachtigste en schuifelend de weg oversteken. Oude mensen weten niet dat ook stilstaan op een roltrap dodelijk kan zijn. Als je met je jas klem komt te zitten bijvoorbeeld. Het mechanisme trekt je dan gewoon mee, het maakt een roltrap niet uit of jij vastzit of niet. In Duitsland kwam een vrouw met haar lange jas klem te zitten en toen ze beneden omviel werden haar haren heel langzaam van haar hoofd getrokken. Sinds dat nieuwsbericht houdt mama op elke roltrap angstig haar rok omhoog en denk ik elke keer als ik op de roltrap sta aan het woord scalperen. Dat is veertig keer per maand.”
Hoe gestoofde pot in de Pinacate-woestijn te bereiden Recept voor Locke & Drum
A. J. Bayless’ winkelwagen van gebogen staaldraad, koop wat pastinaken, ui, peen, koolraap en piepers, groene paprika, & negen plakken donker schenkelvlees. Ze lopen daar op eigen poten; dat geeft vlees een smaak.
Zeven uur ’s avonds in Tucson, sla wat meel in voor de knoedels. Koop wat spek. Ga naar Hadley’s keuken pal naast het braadvlees – Diana staat te bellen – pak een plastic zakje van Drum – Vul het met dragon en spaanse pepers; vier laurierblaadjes; zwarte peperkorrels en bazielkruid; oreganopoeder, iets naar keuze, misschien twee theelepels zout.
Nu afgezakt naar Sonora, de Pinacate-streek, ontsteek een vuur van Ocotillo, gebroken takjes en stukjes ijzerhout in een open lavacirkel: stook wat kooltjes vuur terzijde (en als je slim bent) in de richting van de wind, hou de rest half brandend voor licht en warmte. Plaats Drum’s veertienduims hollands fornuis met drie poten boven de gloeiende as.
Leg de repen spek er nu in. Doe alle schoongemaakte en geschilde en gesneden groenten in een andere pan. Snijd het schenkelvlees in stukjes, leg het bot opzij. Gooi het schenkelvlees erop En roer terwijl het gefrituurd wordt, overal as, gesis – schroei je wenkbrauw –
Zoals Locke zegt laat het bijna verbranden – voeg dan water toe uit het blik in de jeep – voeg het zakje kruiden toe – laat het vijf minuten doorkoken – en gooi dan alles in de pan wat je nog over hebt, Dek het af met een groot verzwaard warm deksel; zit en wacht, of drink budweiser bier.
En roer tevens het beslag apart, een beetje water in wat meel, laat dat als laatste van de lepel in de stoofpot druipen. En kook het nog zo’n tien minuten; til de zwarte pan nu van het vuur en laat haar weer een goede tien minuten staan. Dien het op en eet het met een lepel, zittend op een poncho in de duisternis.
Uit: Tussenstations (Vertaald door Trijne Vermunt)
“Mijn vader zegt dat ik hem nooit zal vergeten, en ik hoop dat dat klopt, want … Oké, daar kan ik beter niet aan denken. Maar mijn broer was echt een toffe gozer. Nee, niet de beste, alhoewel … Mon doet wel alsof, maar die is ook geen heilig boontje … Niemand was de beste, maar Ramón was wel een topvent, echt waar … Gierig als de neten, maar hij verlinkte nooit iemand. Hij had een heleboel vrienden. Hij had slechtere cijfers dan ik, omdat hij zo lui was, maar hij had wel heel veel sjans … echt niet normaal, als geen ander, eerlijk waar. In zeventien jaar heeft hij vier vriendinnen gehad, en met de laatste twee heeft ie van alles gedaan, dat weet ik omdat hij het vertelde, en Ramón was geen opschepper, volgens mij niet tenminste … En als hij wel blufte maakt het me ook niet uit. Hij had in elk geval meer sjans dan ik, want bij mij is het armoe troef… Ik weet trouwens wel zeker dat het waar was, want hij wist hartstikke veel over meisjes, waar ze geil van werden, hoe je merkte dat je niet verder mocht gaan, dat soort dingen, en dat had hij echt niet uit een boek, want Ramón had een bloedhekel aan lezen … Maar ja, hij had natuurlijk ook geen bril … En hij was ook minstens twintig centimeter langer dan ik, maar hij was ook twee jaar ouder, dus dat telt niet … En die bril blijf ik ook echt niet eeuwig dragen, het kan me verdomme niet schelen wat mijn ouwelui zeggen, zodra ik ga werken neem ik lenzen, blauwe, en dan zullen we weleens zien, let maar op … Je pakt het verkeerd aan, Rafa, zei hij, je moet beginnen met een lelijke, de lelijke zijn makkelijker, minder concurrentie, snap je? Rot op, neem zelf een lelijke, zei ik dan, want hij had altijd superlekkere wijven. Daar was ik wel een beetje jaloers op, dat geef ik toe, maar verder konden we heel goed met elkaar opschieten. Ik hield heel veel van hem. Ik bewonderde hem. Ik wilde op hem lijken. Kikker zegt dat dat altijd zo is met oudere broers, dat dat normaal is. Of dat waar is weet ik niet, maar als hij zich opsloot in de badkamer en schreeuwde dat ik hem met rust moest laten, dat ik moest oprotten. dat hij geen honing aan zijn reet had, nou … dan begreep ik dat soms ook wel. Het enige wat ik hem niet kon vergeven was dat hij me ‘kabouter’ noemde waar zijn vrienden bij waren. En zelfs dat vergaf ik hem uiteindelijk … lk mis hem. Echt waar, heel erg. Maar goed dat ik Kikker nog heb. En Mon. En Atleti. Ook al spelen we kut, want de derde zit eraan te komen, ik zie het gebeuren, naar de wedstrijd kan me nu toch niet meer schelen. Aan jou heb je niets, dat bewijs je hier alleen maar mee … Zie je wel? Jezus, hoe kon ik ook denken dat … Dat bedoel ik maar.”
Ik ben er nog: mijn land gaat westwaarts reizen. WEG MET DE HUTTEN, LEVE DE PALEIZEN. Ik was het zelf die het heeft weggetrapt. Mijn land verlaagt zich in zijn voddenkleren. Na winter volgt een zomer vol begeren. En mijn bestaan wordt aan de laars gelapt. Geen mens die mijn geschriften nu nog snapt. Wat ik nog nooit bezat, wordt mij ontnomen. Het nooit geleefde moet ik eeuwig dromen. Op weg zijn we voor valse hoop gevallen, ’t Is mijn bezit dat jullie uit gaan stallen. Klinkt ooit nog mijn van mij als van ons allen.
Mijn nieuwe glimlach zet ik enkel op als ik uitga. Het zou zonde zijn mocht die bederven. Ik schitter trouwens méér wanneer het geen gewoonte wordt, ik bestijg alle tronen en wijs de zwakkeren de weg. Ik heb daarbij tien kinderen en een klein hondje om mee uit wandelen te gaan. En toch dans ik thuis voor jou terwijl je eet en laat je de koopjes zien terwijl je slaapt en ik schitter in je hoofd, ik schitter ademloos.
stip! het maakt niet uit waar niet wanneer hoe geconcentreerd, stip! als je maar niet spiekt
je neemt een pen, een leeg vel papier sluit de ogen, stip in het wilde weg het vel vol stipstipstipstip flink doorstippen
leg de pen neer na een minuut of twee open je ogen en zie: veel stippen met staarten! haha geen probleem
trek een cirkel, het maakt niet uit hoe wanneer waar op het vel, tel netjes binnen de lijn elke stip elke aanzet van een staart
proficiat, je nam zojuist een steekproef! (hoe groter je cirkel hoe beter de proef de gemiddelde stippendichtheid nadert)
mis
er ging iets mis het is niets het ging niet meer mis dan elders het gaat overal weleens mis overal is wel iets
die zinnen smaken naar ijzer ik kan ze niet herhalen
ik probeer het schrijvend: er ging iets mis het is niets het ging niet meer, maar het golft, de woorden beginnen te golven
de woorden golven meer en meer, kijk nu golft het al meren – wat een ruimte opeens ergens kwinkeleert een merel: dit hier! dit nu!
ver kijk ik uit over zilverblauw rimpelend water en zing na: dit hier! dit nu! dittehier dittenu! dit hier nu dit nu nu dittedit! – dan is daar krullach: gaan we zwemmen?
raak!
marsmanvariaties I
vlam in mij, jaag, laai op! hart in mij, oefen geduld verdriedubbel vertrouwen vogel in mij, hup, wiek op uit vruchtdragende takken! laat de durf niet varen je vaart niet luwen glijvlucht en hulde zijn fijn maar veel weidser het speelruim
Hélène Gelèns (Bergschenhoek, 6 mei 1967)
De Oostenrijkse dichter, schrijver, essayist en vertaler Erich Fried werd geboren op 6 mei 1921 in Wenen. Zie ook alle tags voor Erich Fried op dit blog.
Logisch
Het kan toch niet zo zijn dat de Amerikanen onnodig Vietnamese kinderen verbranden
Het kan toch niet zo zijn dat de Amerikanen maarschalk Kiev steunen als hij echt een schurk is
Ze steunen hem wel degelijk dus zo slecht kan hij niet zijn en wat hij zegt kan niet zo verkeerd zijn
Hij zegt echt dat zijn rolmodel Adolf Hitler is dus zo erg kan het niet zijn als je Hitler als rolmodel neemt
Maar Hitler verbrandde ook kinderen en niet in Vietnam, maar dichter bij huis Dus waarom raken mensen van streek als de Amerikanen dit doen