Nuits de juin (Victor Hugo), Jakub Małecki, Ingeborg Bachmann

 

 

Een nacht in juni in de tuin door Nikolai Astrup, 1909

 

Nuits de juin

L’été, lorsque le jour a fui, de fleurs couverte
La plaine verse au loin un parfum enivrant ;
Les yeux fermés, l’oreille aux rumeurs entrouverte,
On ne dort qu’à demi d’un sommeil transparent.

Les astres sont plus purs, l’ombre paraît meilleure ;
Un vague demi-jour teint le dôme éternel ;
Et l’aube douce et pâle, en attendant son heure,
Semble toute la nuit errer au bas du ciel.

 

Victor Hugo (26 februari 1802 – 22 mei 1885)
Besançon, de geboorteplaats van Victor Hugo

 

De Poolse schrijver en vertaler Jakub Małecki werd geboren op 25 juni 1982 in Kolo, Polen. Zie ook alle tags voor Jakub Malecki op dit blog.

Uit: Roest (Vertaald door Karol Lesman)

“Szymek had nog wel even gezocht, maar had snel de moed opgegeven. Een klontertje was maar een klontertje, misschien lukte het de volgende keer wel. De wereld houdt niet op bij klonters, vooral niet op een dag als vandaag waarop zijn moeder had beloofd uit Warschau een nieuwe Asterix voor hem mee te nemen: wie zou op zo’n dag nog in het gras en tussen distels willen lopen graaien? Hij had nog een halve jampot oude munten. Hij haalde zijn schouders op en liep achter Budzik aan.
Ze liepen langzaam terug, om beurten elkaar een vlak voorwerp met gerafelde randen overhandigend. Budzik beweerde dat hij ooit al zijn klonters uit zijn schuilplaats in het kippenhok zou meenemen en ze op een plank in de kamer zou leggen. Hij zou zich niets van zijn vader aantrekken. Dat ging hij een keer doen.
Ze passeerden de oprit naar de Autobaan en Szymek vertraagde zijn pas in de hoop een blauwe Fiat Uno te ontwaren. Hij bleef even staan wachten, erop vertrouwend dat zijn ouders zo dadelijk de afslag van de hoofdweg zouden nemen. Ze namen geen afslag. Alleen Hołowczyc scheurde geheel in stijl de andere kant op, dicht langs de berm, machtig en angstaanjagend. Hij duwde de wielen met zijn dikke armen voort, iets in zijn volle baard mompelend.
Szymek hoopte dat zijn ouders snel terug zouden zijn, zoals ze hadden beloofd, hoewel je het met de beloftes van ouders wel wist: je wist het maar nooit. Hij logeerde graag bij oma Tosia, maar vanavond was Het reuzenrad met Bugs Bunny op tv en hij moest nog zoveel doen. Als ze eenmaal thuis waren wachtte hem het saaie ritueel met de visjes: levend voer uit de vriezer, wat droogvoer uit een zakje, het schoonmaken van het verwarmingselement en het filter, water bijvullen. O, en het belangrijkste van alles: het kleuren van koeien.
De koeien bracht zijn vader mee van zijn werk. Ze stonden op grote vellen papier, ingekaderd in de linkerbovenhoek. Twee flanken en van voren alleen een driehoekige kop. Geesten van koeien, dunne omlijningen zonder vlekken, want de vlekken moest je zelf invullen. Zijn vader tekende ze snel op zijn werk en gaf met een kruisje aan waar het zwart moest komen. Szymek ging dan aan zijn bureau zitten, deed de lamp met de rode metalen lampenkap aan en vulde zorgvuldig de vlekken in met viltstift.”

 

Jakub Małecki (Kolo, 25 juni 1982)

 

De Oostenrijkse dichteres en schrijfster Ingeborg Bachmann werd geboren op 25 juni 1926 in Klagenfurt. Zie ook alle tags voor Ingeborg Bachmann op dit blog.

 

Praag januari 64

Sinds die nacht
loop en spreek ik weer,
het klinkt Boheems
alsof ik opnieuw thuis was,

waar tussen de Moldau, de Donau
en de rivier van mijn jeugd
alles weet van mij heeft.

Lopen – stap voor stap is het teruggekomen.
Zien – aangekeken, heb ik het weer geleerd.

Gebukt nog, knipperend,
hing ik in het raam
en zag de schaduwjaren,
waarin geen ster
in mijn mond hing,
zich over de heuvel verwijderen.

Over het Hradschin
hebben om zes uur ’s morgens
de sneeuwruimers uit de Tatra
met hun gesprongen vuisten
de scherven van de ijslaag weggeveegd.

Onder de barstende schotsen
van mijn, ook mijn rivier
kwam het bevrijde water te voorschijn.

Te horen tot aan de Oeral.

 

Vertaald door Paul Beers en Isolde Quadflieg

 

Ingeborg Bachmann (25 juni 1926 – 17 oktober 1973)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 25e juni ook mijn blog van 25 juni 2023 en ook mijn blog van 25 juni 2020 en eveneens mijn blog van 25 juni 2019 en ook mijn blog van 25 juni 2018 en ook mijn blog van 25 juni 2017 deel 2.

Ballade Made In The Hot Weather (William Henley), Wilfred Smit, Yves Bonnefoy

 

 

Summer Inspiration door Olga Egorov, 2025

 

Ballade Made In The Hot Weather

Fountains that frisk and sprinkle
The moss they overspill;
Pools that the breezes crinkle;
The wheel beside the mill,
With its wet, weedy frill;
Wind-shadows in the wheat;
A water-cart in the street;
The fringe of foam that girds
An islet’s ferneries;
A green sky’s minor thirds –
To live, I think of these!

Of ice and glass the tinkle,
Pellucid, silver-shrill;
Peaches without a wrinkle;
Cherries and snow at will,
From china bowls that fill
The senses with a sweet
Incuriousness of heat;
A melon’s dripping sherds;
Cream-clotted strawberries;
Dusk dairies set with curds –
To live, I think of these!

Vale-lily and periwinkle;
Wet stone-crop on the sill;
The look of leaves a-twinkle
With windlets clear and still;
The feel of a forest rill
That wimples fresh and fleet
About one’s naked feet;
The muzzles of drinking herds;
Lush flags and bulrushes;
The chirp of rain-bound birds –
To live, I think of these!

Envoy

Dark aisles, new packs of cards,
Mermaidens’ tails, cool swards,
Dawn dews and starlit seas,
White marbles, whiter words –
To live, I think of these!

 

William Henley (23 augustus 1849 – 11 juli 1903)
Kings Square in Gloucester, de geboorteplaats van William Henley

 

De Nederlandse dichter Wilfred Smit werd geboren in Soerabaja (Java, Nederlands Indië) op 24 juni 1933. Zie ook alle tags voor Wilfred Smit op dit blog.

 

Landhuis

Nog stiller hing
hij in de vlieren
om het oude huis –
demoiselle schemering
die hij zo graag
onder haar rokken
had gezien, verdween
er in de kieren…
des andren daags
wierp hij, de wind,
bij een ligusterhaag
drie hypotheekpapieren
neer op ’t grind.

 

Imitatio Christi

’t Is hier dichtbij,
niet verder dan de spijker
minziek naar uw hand,
maar ik poseur
ben eeuwig naar u onderweg,
zwaar geblanket
en met een distel achter ’t oor –
’t is zoet te scheuren
en u aan te hangen,
maar van ver.

 

Twee vazen

En voor zo kostbaar
hield ik haar;
in de schemering
bloedde heur nek
en de twee draken
op heur bolle zij
roerden zich niet.

en voor zo verfijnd
hield zij mij –
want bij lamplicht
zagen zij zeldzaam
scheel – en de twee
draken roken elkaar
onder de staart.

 

Wilfred Smit (24 juni 1933 -13 augustus 1972)

 

De Franse dichter, schrijver en vertaler Yves Bonnefoy werd in Tours geboren op 24 juni 1923. Zie ook alle tags voor Yves Bonnefoy op dit blog.

 

De dialoog van Angst en Verlangen

III

Ja, dat is het.
Een schittering in de oude woorden.
De opeenstapeling
Van heel ons leven in de verte als een gelukzalige
Zee, verhelderd door een wapen van levend water.

We hebben geen behoefte meer
Aan hartverscheurende beelden om van te houden.
Die boom daarginds is ons genoeg, die zich, door het licht,
Van zichzelf losmaakt en nog slechts
De bijna uitgesproken naam van een bijna vleesgeworden god weet.

En heel deze hoge streek die de zeer nabije Ene verbrandt,

En dit muurpleister dat de gewone tijd ontroert
Met zijn handen zonder droefenis, en die de maat genomen hebben.

 

Vertaald door Hans Tentije

 

Yves Bonnefoy (24 juni 1923 – 1 juli 2016)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e juni ook mijn blog van 24 juni 2023 en ook mijn blog van 24 juni 2020 en eveneens mijn blog van 24 juni 2019 en ook mijn blog van 24 juni 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Mittag (Ernst Stadler), Anna Achmatova

 

 

Im Rosengarten door Robert Panitzsch, 1921

 

Mittag

Der Sommermittag lastet auf den weißen
Terrassen und den schlanken Marmortreppen
die Gitter und die goldnen Kuppeln gleißen
leis knirscht der Kies. Vom müden Garten schleppen

sich Rosendüfte her wo längs der Hecken
der schlaffe Wind entschlief in roten Matten
und geisternd strahlen zwischen Laubverstecken
die Götterbilder über laue Schatten.

Die Efeulauben flimmern. Schwäne wiegen
und spiegeln sich in grundlos grünen Weihern
und große fremde Sonnenfalter fliegen
traumhaft und schillernd zwischen Düfteschleiern.

 

Ernst Stadler (11 augustus 1883 – 30 oktober 1914)
Colmar, de geboorteplaats van Ernst Stadler

 

De Russische dichteres Anna Achmatova werd geboren in Bolshoi Fontan bij Odessa, 23 juni 1889. Zie ook alle tags voor Anna Achmatova op dit blog.

 

Aan de geliefde

Je moet geen duiven naar mij sturen,
je moet geen bange brieven schrijven,
de maartse wind niet laten waaien in mijn gezicht.
Gisteren ben ik aangekomen in een groene gaarde
waar ziel en lichaam mogen rusten
in de schaduw van een populierenbos.

Van hier kan ik ons stadje zien:
Paleis, wachthuisjes, legerplaatsen,
boven het ijs de gele boog van de chinese brug.
Je bent verkleumd van drie uur op mij wachten,
je durft niet weg te gaan van de veranda
en kijkt verbaasd naar al die nieuwe sterren.

Als een grauwe eekhoorn zal ik in de elzen springen,
als een wezel schichtig draven langs het pad,
als een zwaan zal ik je uit de verte roepen
opdat mijn bruidegom geen angst zal hebben
terwijl hij in de blauwe, dwarrelende sneeuw
op het verschijnen van zijn dode bruidje wacht.

 

Vertaald door Kees Verheul

 

Anna Achmatova ( 23 juni 1889 – 5 maart 1966)
Portret door Alexander Osmerkin, 1939-40

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e juni ook mijn blog van 23 juni 2025 en ook mijn blog van 23 juli 2020 en eveneens mijn blog van 23 juni 2019 en ook mijn blog van 23 juni 2018 deel 1 en ook deel 2.

Jaap Robben, Anne Carson


De Nederlandse dichter, schrijver en theatermaker Jaap Robben werd geboren in Oosterhout op 22 juni 1984. Zie ook alle tags voor Jaap Robben op dit blog.

 

Jij was zoiets als kwijt

Niemand graaft
om zand te vinden.
We zochten jou
omdat we je vergaten.

Alsof we op achtergelaten jassen klopten
op zoek naar wat nog niemand was verloren.

En jij,
stil en donker in de grond
jij was zoiets als kwijt.

Al wist je misschien
dat wij er waren
door wat je boven je hoorde
zoals iemand op zolder soms
een doos verschuift.

 

Andermans ogen

Thuis hoor ik niet meer
dat de kachel tikt
en de kraan drupt.

Van mezelf zie ik enkel
wat ik gewend ben
te herkennen, wanneer ik
in spiegels en winkelruiten kijk
of naar foto’s en donkere tv’s.

Mij valt niets nieuws op,
ik kijk naar wat ik al jaren zie
omdat ik enkel mijn eigen ogen heb.

Maar samengevat in zesentwintig strepen
merk ik pas hoe nieuw ik word,
door andermans ogen
en weet ik weer
waar in het huis van mijn gelaat
een traptree kraakt.

 

Wie plukt het laatste fruit?

Wie weet nog waar de paden waren?
Dat onhandig vrijen het best
in een Bongerd gaat
waar je de witjes
zonder handen
van de bomen kon bijten?

Hier hangt de hemel hoger
en is de bodem het beste
voor bloemen.

Maar in nieuwe straten
zijn de mensen
groter dan de bomen.

En blijft mist wat langer hangen
omdat niet alle wolken willen wennen
dat hier voortaan geen veld meer is.

 

Jaap Robben (Oosterhout, 22 juni 1984)

 

De Canadese dichteres, essayiste en vertaalster Anne Carson werd geboren op 21 juni 1950 in Toronto. Zie ook alle tags voor Anne Carson op dit blog.

 

O Kleine Droevige Extase van de Liefde

Ik vind het fijn om de hele nacht met gesloten ogen bij je te zijn.
Wat een geluk – daar
kom je al aan
langs de sterren!

Ik maakte een roadtrip
door mijn gedachten en mijn hart
en daar was je
knielend langs de weg
met je kleine gereedschapskistje
iets aan het repareren.

Geef me een wereld, je hebt me de wereld afgenomen die ik was.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Anne Carson (Toronto, 21 juni 1950)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 22e juni ook mijn blog van 22 juni 2020 en eveneens mijn blog van 22 juni 2019 en ook mijn blog van 22 juni 2018 en ook mijn blog van 22 juni 2014 deel 1.

Sonnenwende (Clara Müller-Jahnke), Anne Carson

 

 

Summer Solstice – Crinan Canal door Fraser Maciver, 2019

 

Sonnenwende

Es fiel ein Blütenregen
herab auf Wald und Feld,
ein Netz von Sonnenstrahlen
umspinnt die grüne Welt;
das flammt und blüht und duftet
und höhnt den Glockenschlag,
als ging er nie zu Ende,
der süße, goldene Tag …

O Tag der Sonnenwende,
vollblühende Rosenzeit,
du hast mir ins Herz geduftet
berauschende Seligkeit!
Das pocht und glüht und zittert
und bebt im Vollgenuß,
als ging er nie zu Ende,
der süße, erste Kuß –

O Tag der Sonnenwende –

 

Clara Müller-Jahnke (5 februari 1860 – 4 november 1905)
De Dorfstraße in Lenzen (Nu: Łęczno), de geboorteplaats van Clara Müller-Jahnke

 

De Canadese dichteres, essayiste en vertaalster Anne Carson werd geboren op 21 juni 1950 in Toronto. Zie ook alle tags voor Anne Carson op dit blog.

 

Chicago

Gekrijs (wit) en tinten (suède) van vuile kou.
Ik liep Montrose af naar de oever van het meer.
Voorbij een gesloten Park Bait Shop en een boot
genaamd Temperance II,
een boot genaamd Mr Bright Eye,
modderige velden,
een verroeste barbecue uit de middeleeuwen.
Een hond springt somber rond op het strand.
Het meer is zo lelijk als een motelkamer.
Muren sluiten niet op elkaar aan. Vlekken zakken uit. Een engel gaapt in een geile hemel.
Tegen de noordenwind worstel ik me terug naar de plek waar ik warm was
toen ik wakker werd.
Op de theepot een briefje van jou over ademhalen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Anne Carson (Toronto, 21 juni 1950)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 21e juni ook mijn blog van 21 juni 2020 en eveneens mijn blog van 21 juni 2019 en ook mijn blog van 21 juni 2014 deel 1, en deel 2 en eveneens deel 3.

Dolce far niente (Ada Limón), Paul Muldoon, Vikram Seth

 

 

Barbecue door Eric Fischl, 1982

 

Sundown and All the Damage Done

Nearly nine and still the sun’s not slunk
into its nightly digs. The burnt meat smell
of mid-week cookouts and wet grass
hangs in the air like loose familiar summer
garb. Standing by the magnolia tree, I think
if I were to live as long as she did, I’d have
eleven more years. And if I were to live as long
as him, I’d have forty-nine. As long as him,
I’d be dead already. As long as her, this
would be my final year. There’s a strange
contentment to this countdown, a nodding
to this time, where I get to stand under
the waxy leaves of the ancient genus, a tree
that appeared before even the bees, and
watch as fireflies land on the tough tepals
until each broad flower glows like a torch-lit
mausoleum. They call the beetle’s conspicuous
bioluminescence “a cold light,” but why then,
do I still feel so much fire?

 

Ada Limón (Sonoma, 28 maart 1976)
Sonoma

 

De Ierse dichter en schrijver Paul Muldoon werd geboren in Portadown, County Armagh, in Noord-Ierland op 20 juni 1951, Zie ook alle tags voor Paul Muldoon op dit blog.

 

Brock

Small wonder
he’s not been sighted all winter;
this old brock’s
been to Normandy and back

through the tunnels and trenches
of his subconscious.
His father fell victim
to mustard-gas at the Somme;

one of his sons lost a paw
to a gin-trap at Lisbellaw:
another drills
on the Antrim hills’

still-molten lava
in a moth-eaten Balaclava.
An elaborate
system of foxholes and duckboards

leads to the terminal moraine
of an ex-linen baron’s
croquet-lawn
where he’s part-time groundsman.

I would find it somewhat infra dig
to dismiss him simply as a pig
or heed Gerald of Wales’
tall tales

of badgers keeping badger-slaves.
For when he shuffles
across the esker
I glimpse my grandfather’s whiskers

stained with tobacco-pollen.
When he piddles against a bullaun
I know he carries bovine TB
but what I see

is my father in his Sunday suit’s
bespoke lime and lignite,
patrolling his now-diminished estate
and taking stock of this and that.

 

Anseo

When the Master was calling the roll
At the primary school in Collegelands,
You were meant to call back Anseo
And raise your hand
As your name occurred.
Anseo, meaning here, here and now,
All present and correct,
Was the first word of Irish I spoke.
The last name on the ledger
Belonged to Joseph Mary Plunkett Ward
And was followed, as often as not,
By silence, knowing looks,
A nod and a wink, the Master’s droll
‘And where’s our little Ward-of-court?’

I remember the first time he came back
The Master had sent him out
Along the hedges
To weigh up for himself and cut
A stick with which he would be beaten.
After a while, nothing was spoken;
He would arrive as a matter of course
With an ash-plant, a salley-rod.
Or, finally, the hazel-wand
He had whittled down to a whip-lash,
Its twist of red and yellow lacquers
Sanded and polished,
And altogether so delicately wrought
That he had engraved his initials on it.

I last met Joseph Mary Plunkett Ward
In a pub just over the Irish border.
He was living in the open,
In a secret camp
On the other side of the mountain.
He was fighting for Ireland,
Making things happen.
And he told me, Joe Ward,
Of how he had risen through the ranks
To Quartermaster, Commandant:
How every morning at parade
His volunteers would call back Anseo
And raise their hands
As their names occurred.

 

Paul Muldoon (Portadown, 20 juni 1951)

 

De Indische schrijver Vikram Seth werd geboren op 20 juni 1952 in Kolkata. Zie ook alle tags voor Vikram Seth op dit blog.

 

ONOPGEËIST

Naar bed gaan met een vreemde is het best.
Er is geen raadsel en er is geen test. –

Samen naar bed gaan, zonder dwang dit nader
Te plaatsen in ons referentiekader.

Elkaar strelen, zonder vrees voor dag
Elkaar begrijpen, zoals vreemd vermag.

Elkaars vreemde hart te voelen slaan
Niet liever blijven en niet liever gaan.

In onbekende armen rustend weten
Dat dit dus alles is; dit ’t moet heten.

 

Vertaald door Ko Kooman

 

Vikram Seth (Kolkata, 20 juni 1952)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 20e juni ook mijn blog van 20 juni 2025 en ook mijn blog van 20 juni 2020 en eveneens mijn blog van 20 juni 2019 en ook mijn blog van 20 juni 2015 deel 2.

Dolce far niente (Marcus Jackson), Salman Rushdie, Anne Carson

 

 

Ode to Corvette Summer door Timothy Adry Emmanuel, 2022

 

40 Ounce

Summer has salted
our neighborhood to thirst;
tar that patches the wounds of roofs
heats to sluggish bubbles;
sun obligates
paint on car hoods to blotch.

Emphasized by the light
inside corner-store beer coolers,
your malt lusters.

You’re cold gold down throat.

Lush like storm-brim wind.

Foam-skinned as any cleansing.

Within thick glass, you swish oceanic
as we share you palm to palm.

You have helped
this dice game clank alive,
paper-wager and victory-rake,
players with obsidian eyes.

Through an uncurtained pane,
a music video is visible;
women’s shimmer slurs
like jewelry worn on a passerby.

Neighbors here and there snore,
hallway walls tacked
with flea-market art, closets
dehydrated by moth repellent.
They leave us to you.
They could plead tomorrow
in churches whose pipes
ramble behind brittle plaster.

We drink you to the pale bottom,
we drink until night sinks
into skin like silk,
until graveyard cops
circle our block like a clock arm,
until blood slides
like alloy through veins,
until words hammer
from the anvil of the brain,
until America’s
continental wheel unbolts
and everybody can see
we gleam like greased bearings.

 

Marcus Jackson (Toledo, Ohio, 9 september 1990)
Toledo, Ohio

 

De Indisch-Britse schrijver en essayist Salman Rushdie werd geboren in Bombay op 19 juni 1947. Zie ook alle tags voor Salman Rushdie op dit blog.

Uit: Middernachtskinderen (Vertaald door Max Schuchart)

“Ik ben geboren in de stad Bombay… eens op een dag. Nee, dat kan niet, aan de datum valt niet te ontkomen: ik ben geboren op 15 augustus 1947 in Dokter Narlikars kraamkliniek… En de tijd? De tijd komt er ook op aan. Goed dan: ’s avonds. Nee, het is van belang… Klokslag middernacht om precies te zijn. Wijzers van klokken vouwden zich als handen samen in een eerbiedige begroeting toen ik arriveerde. 0, verklaar je nader, verklaar je nader: precies op hetzelfde tijdstip dat India onafhankelijk werd, buitelde ik de wereld in. Er was het geluid van snikken. En, buiten het raam, van vuurwerk en menigten. Een paar seconden later brak mijn vader zijn grote teen, maar zijn ongeluk was een kleinigheid vergeleken met wat mij op dat nachtelijke ogenblik was overkomen, want dank zij de occulte tirannieën van die minzaam groetende klokken was ik op een geheimzinnige manier in de handboeien van de geschiedenis geslagen, mijn lot onlosmakelijk aan dat van mijn land geketend. De volgende drie decennia zou er geen ontsnapping mogelijk zijn. Waarzeggers hadden mij voorspeld, dagbladen mijn komst gevierd, politici mijn authenticiteit bekrachtigd. Ikzelf had er helemaal niets in tc zeggen. lk, Saleem Sinai — later afwisselend Snotneus, Vlekporum, Knalkop, Snotteraar, Boeddha en zelfs Stuk-van-de-Maan genoemd, was zwaar verwikkeld geraakt in het Noodlot — in het gunstigste geval een gevaarlijk soort betrokkenheid. En ik kon op dat tijdstip niet eens mijn eigen neus afvegen. Nu evenwel begint de tijd (waarvoor ik verder van geen nut ben) op te raken. Ik word binnenkort eenendertig. Misschien. Als mijn aftakelende, misbruikte lichaam dat toestaat. Maar ik heb niet de hoop dat ik mijn leven kan redden, en ik kan er zelfs niet op rekenen dat ik nog duizend-en-één nacht heb. Ik moet snel werken, sneller dan Sheherazade, als ik uiteindelijk iets wil betekenen — ja, betekenen. lk geef toe: ik ben bovenal bang om belachelijk te zijn. En er zijn zoveel verhalen te vertellen, te veel, zo’n overvloed aan verweven levens gebeurtenissen wonderen plaatsen geruchten, zo’n compacte vermenging van het onwaarschijnlijke met het wereldse! Ik ben een slokop van levens geweest, en om mij te kennen, alleen maar die ene ik, zul je de rest ook helemaal moeten slikken. Verorberde menigten zijn in me aan het dringen en duwen; en alleen geleid door de herinnering aan een groot wit beddelaken met een min of meer rond gat met een diameter van zo’n vijftien centimeter in het midden uitge-knipt, me vastklampend aan de droom van die toegetakelde rechthoek van linnen met een gat die mijn talisman, mijn sesam-open-u is, moet ik beginnen mijn leven te reconstrueren van het punt af waar het werkelijk begon, zo’n tweeëndertig jaar voor iets zo onmiskenbaars, zo aanwezigs als mijn door de klok beheerste, door misdaad bezoedel-de geboorte. (Het laken is, tussen twee haakjes, ook bevlekt met drie droppels van iets ouds, verbleekts, roods. Zoals de koran ons voorhoudt: Zeg, in de naam van de Heer, uw Schepper, die de Mens schiep uit klonters bloed.)”

 

Salman Rushdie (Bombay, 19 juni 1947)

 

De Canadese dichteres, essayiste en vertaalster Anne Carson werd geboren op 21 juni 1950 in Toronto. Zie ook alle tags voor Anne Carson op dit blog.

 

Autobiografie van rood

10 Seksvraag

Is het een vraag!

Ik moet eens naar huis.
Oké.
Ze bleven zitten. Ze stonden ver van de stad geparkeerd langs de weg.
Koudenachtgeur kwam
door de raampjes. De maansikkel zweefde wit als een rib langs de rand van de lucht.
Ik ben geloof ik iemand die geen bevrediging kent,
zei Herakles. Geryon voelde hoe alle zenuwen in hem zich naar zijn huid verplaatsten.
Hoe bedoel je bevrediging?
Gewoon – bevrediging. Ik weet niet. Op de snelweg een eind verderop klonk het
schrapen van vishaken over de bodem van de wereld.
Bevrediging. Je weet wel. Geryon dacht diep na. Vuren kronkelden zich door hem heen.
Hij kwam voorzichtig
tot de seksvraag. Waarom is het een vraag? Hij begreep dat mensen
behoefte hebben aan elkaars daden van aandacht, doet het er dan toe welke daden dat zijn?
Hij was veertien.
Seks is een manier om een ander te leren kennen,
had Herakles gezegd. Hij was zestien. Brandende ongeordende delen van de vraag
likten op uit elke barst in Geryons lijf.
Hij sloeg ernaar terwijl hij nerveus en onwillekeurig moest lachen. Herakles keek.
Plotseling stil.
’t Zit wel goed, zei Herakles. Zijn stem spoelde
Geryon open.
Moet je horen, zei Geryon en hij wilde hem vragen: zitten mensen die dol zijn op seks
ook met een seksvraag?
maar de woorden kwamen er anders uit – denk je echt elke dag aan seks?
Herakles’ lichaam verstarde.
Dat is geen vraag dat is een aanklacht. Iets zwarts en zwaars als de geur van fluweel
viel tussen hen in.
Herakles startte de auto en ze sprongen vooruit op de rug van de nacht.
Elkaar niet rakend
maar verenigd in verbazing zoals twee sneden evenwijdig lopen over dezelfde huid.

 

Vertaald door Marijke Emeis

 

Anne Carson (Toronto, 21 juni 1950)

 

Zie voor de schrijvers van de 19e juni ook mijn blog van 19 juni 2022 en ook mijn blog van 19 juni 2020 en eveneens mijn blog van 19 juni 2019 en ook mijn blog van 19 juni 2018.

Marije Langelaar, Karin Fellner

De Nederlandse dichteres en beeldend kunstenares Marije Langelaar werd geboren op 18 juni 1978 in Goes. Zie ook alle tags voor Marije Langelaar op dit blog.

Uit: In het jaar van de rode os

“Deel III – Brieven aan de condor
We rijden naar Ch’iyara, de baai van het Laramameer. We eten een eenvoudige maaltijd bij vrienden van mijn man. Het zijn grove lieden die in de mijnen werken en naar mijn borsten staren. Madre mia wat een wolven! Ze doen het alleen als mijn man niet kijkt.
Ik vind hen niet aardig, wil snel weer weg, een van hen, met een soort fonkeling in zijn ogen, geeft me een hoofdknik maar ik keur hen geen blik waardig. Na de maaltijd rijden we naar het meer. De baby leggen we op een deken naast het water. Haar bewegingen zijn opgewonden, het uitstapje doet haar zienderogen goed, we zingen liedjes voor haar en gooien druppeltjes water in haar gezicht en uiteindelijk valt ze in slaap. Mijn man bouwt een dam van stenen om haar heen zodat ze niet in het water kan rollen. Slaat met een stokje alle insecten weg.
Ik kleed me uit om te zwemmen, ik zie mijn man kijken hoe ik alle kleren afleg, ik ben zo bloot als een vis, schud mijn krullende haren los en breek het roerloze oppervlak met mijn duik. Als een mes snijd ik door het koude water, er zijn talloze vissen als zilveren ringen. Onder water is het troebel, ik zie het wier als knoperig touw bewegen en raak de steentjes op de bodem met mijn vingers. Ik schrik van een grotere vis die tegen me opbotst en hapt in mijn middel, gil overeind om te zien dat het mijn man is, we vrijen als leeuwen een beetje hard en onstuimig en bovendien na enkele golven weer klaar.
We waden terug naar de baby die nog steeds ligt te slapen. In de struiken zie ik een gestalte, sluike zwarte veren van een ineengedoken man, strakke ogen, het liefst wil ik me ergens verbergen en bedekken maar er is niets van hulsel, de enige andere mogelijkheid is dus mijn tepels te priemen richting de wolken.
Soms lieve condor, amigo de alas negras, valt het leven als mens me zwaar, het is schraal van betekenis, het ontbreekt ons aan iets en het doet ons zo’n pijn.
We rollen maar door in het veld van niet weten.
We drinken niet, al zijn we dorstig maar we drinken niet, we zijn hongerig maar eten niet, werkelijk drinken bedoel ik en werkelijk eten met iets wat onze dorst echt kan lessen, onze honger kan stillen, ons verlangen dat zo brandend is, we zijn bevangen door een grote drang om zo snel mogelijk ergens een rand te bereiken.”

 

Marije Langelaar (Goes, 18 juni 1978)

 

De Duitse dichteres Karin Fellner werd geboren op 18 juni 1970 in München. Zie ook alle tags voor Karin Fellner op dit blog.

 

Cache misère

We spraken over kale bomen bij 30 graden,
over de heldere kruimels die gram voor gram verdwenen
in de subroutine,
we gooiden koekjes uit onze mouwen en spraken
over armoede alsof het geen deel uitmaakte van ons bezit.

Ook dit gesprek verliep in geluidloze meeteenheden,
we lieten elkaar de stigmata van onze honden zien,
terwijl Mem vertelde hoe vroeger zogenaamde vliegende insecten
op elk autoraam crepeerden. Over de
correlatie, over hoe… des te…spraken we niet.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Karin Fellner (München, 18 juni 1970)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 18e juni ook mijn blog van 18 juni 2020 en eveneens mijn blog van 18 juni 2019 en ook mijn blog van 18 juni 2016 deel 2.

Peter Rosei, Ron Padgett

De Oostenrijkse dichter en schrijver Peter Rosei werd geboren op 17 juni 1946 in Wenen. Zie ook alle tags voor Peter Rosei op dit blog.

Uit: Unsterbliche Seelen

„Es war an der Art des Robert Perwald durchaus etwas Langsames, man hätte auch sagen können, etwas Behutsames. Sein noch jungenhaftes Ge-sicht, das zumeist vor Energie und Klugheit nur so strahlte, floss in manchen Momenten weich auseinander, die Lippen standen offen und seine blaugrauen Augen sahen dann zart und verletzlich aus. Für gewöhnlich war an seinem Gesicht wenig Besonderes, es sei denn sein waches und kluges Geschau und eben der Eindruck von Kraft, von dem es insgesamt zeugte. Seit Jahren lebte Robert jetzt mit seiner japanischen Frau Yoko in Tokyo. Bald nach der Hochzeit waren sie von Wien her übersiedelt. Yoko hatte in Wien studiert. Sie hatte sich aber eingeredet und bald auch den schwer in sie verliebten Robert davon überzeugen können, dass eine Japanerin auf Dauer im Ausland unglücklich werden muss. Dabei war sie durchaus keine Nesthockerin. Gleich nach der Hochzeit hatte sie mit Robert eine Weltreise unternommen. In Japan gelten Welt- reisen als schick. Aber wo ist das, bitte, nicht so? Im Übrigen: Die Ehe lief dann nicht sehr gut.
Heimgekehrt von einer seiner Extratouren, die immer ganz unangekündigt und grausam über Yoko hereinbrachen, fand Robert in der Diele ihres gemeinsamen Hauses in Ebisu, einem angesagten Viertel in West-Tokyo, eingeschoben unter die gewöhnlichen Poststücke, einen Schrieb seiner Frau, auf dem sie ihm das gemeinsame Leben aufkündigte. »Mach, was du willst«, schrieb sie da, »mich siehst du nicht wieder.« Was für ein Wisch, dachte Robert. Solche Botschaften von Yoko waren nichts Neues für ihn. Der Groll, der sich anfänglich in ihm regte, zerfiel aber bald zu einem Gefühl der Schwäche, einer fast kindlichen Verzagtheit: Und wenn sie es diesmal ernst meint? — Seinem gedunsenen und leicht geröteten Gesicht war von diesen Regungen freilich kaum etwas anzumerken. Ich bin einfach müde, sagte er sich. Zu müde sogar, um mich zu fürchten. Das machte ihn lächeln, und er rief dann halbherzig und halblaut ein paar Mal Yokos Namen durch das Haus.
Wo mag sie nur stecken? Er kochte sich in der Küche Kaffee, und während er so hantierte, ging er Yokos mögliche Fluchtorte und Schlupfwinkel durch, ohne indes zu einem Ergebnis zu kommen.“

 

Peter Rosei (Wenen, 17 juni 1946)

 

De Amerikaanse dichter, schrijver en vertaler Ron Padgett werd geboren op 17 juni 1942 in Tulsa, Oklahoma. Zie ook alle tags voor Ron Padgett op dit blog.

 

Dames en heren in de ruimte

Dit is mijn filosofie:
Alles verandert (het woord “alles”
is net veranderd, net als het
woord “verandering”: het betekent nu
geen verandering”) zo
snel dat het letterlijk mijn geloof overstijgt,
er recht langs raast
zoals sommige van de gigantische
ideeën op dit gebied.
Ik had geen begin en ik zal geen einde
hebben: de lichtstraal
strekt zich voor en achter uit
en ik kook de groenten
slechts een paar minuten,
hoe korter hoe beter. Doe er boter op
en serveer. Dit is mijn
filosofie: doe er boter op en serveer.

 

Vertaald door Frans Roume

 

Ron Padgett (Tulsa, 17 juni 1942)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 17e juni ook mijn blog van 17 juni 2020 en eveneens mijn blog van 17 juni 2019 en ook mijn blog van 17 juni 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Joël Dicker, Maylis de Kerangal, Ronelda Kamfer, Frans Roumen

De Zwitserse schrijver Joël Dicker werd geboren op 16 juni 1985 in Genève. Zie ook alle tags voor Joël Dicker op dit blog.

Uit: Het boek van de Baltimores (Vertaald door Manik Sarkar)

“Ik ben de schrijver.
Zo word ik door iedereen genoemd. Door mijn vrienden, mijn ouders, mijn familie en zelfs in het openbaar, door mensen die ik niet ken maar die me herkennen en dan vragen: “Bent u niet die schrijver…?” Ik ben de schrijver, dat is mijn identiteit.
Men denkt dat je als schrijver een vredig leventje leidt. Niet zo lang geleden beklaagde een van mijn vrienden zich erover hoe lang hij onderweg was van huis naar kantoor, en hij besloot met: <Tja, jij staat ’s ochtends op, gaat aan je bureau zitten en schrijft. Dat is alles.’ Ik zei niets terug, misschien omdat ik te murw was van het besef hoezeer mijn werk in de collectieve verbeelding bestaat uit nietsdoen. Iedereen denkt dat je niets uitvoert, terwijl je juist als je niets doet het hardste werkt.
Het schrijven van een boek is als het organiseren van een zomerkamp. Het leven, dat gewoonlijk eenzaam en stil is, wordt plotseling overrompeld door een groot aantal personages dat op een dag onaangekondigd komt aanzetten en je hele leven overhoophaalt. Op een ochtend komen ze in een grote touringcar aangereden, ze stappen lawaaiig uit, opgewonden over de rol die ze hebben gekregen. En daar moet je het mee doen, je moet ze bezighouden, te eten geven en onderdak bieden. Je bent overal verantwoordelijk voor. Want jij bent de schrijver.
Het verhaal begon in februari zon, toen ik New York verliet om mijn nieuwe roman te gaan schrijven in een huis dat ik net had gekocht in Boca Raton, Florida. Ik had het drie maanden eerder aangeschaft van de filmrechten van mijn laatste boek, en afgezien van een paar korte bezoekjes in december en januari om het in te richten, was dit de eerste keer dat ik er zou verblijven. Het was een ruim huis, een en al glas, met uitzicht op een meer dat in trek was bij wandelaars. Het lag in een heel rustige, groene wijk, waar bijna uitsluitend gepensioneerden woonden, tussen wie ik detoneerde. Ik was half zo oud als zij, maar ik had deze plek juist uitgezocht voor de absolute rust. Het was de plek die ik nodig had om te schrijven.
Anders dan bij mijn vorige bezoeken, die heel kort waren geweest, had ik ditmaal een zee van tijd, en ik ging met de auto naar Florida. De rit van twaalfhonderd mijl boezemde me geen enkele angst in: in de loop van de voorgaande jaren had ik die tocht vanuit New York onnoemelijk vaak gemaakt om bij Saul Goldman langs te gaan, mijn oom, die zich na het Drama dat zijn familie ten deel was gevallen in een voorstad van Miami had gevestigd. Ik kende de route uit mijn hoofd.
Ik liet New York achter onder een dun laagje sneeuw, de thermometer gaf tien graden onder nul aan; twee dagen later bereikte ik Boca Raton in de zachtheid van de tropische winter. Toen ik in deze bekende omgeving van zon en palmbomen kwam, kon ik de gedachte aan oom Saul niet onderdrukken. Ik miste hem verschrikkelijk. “

 

Joël Dicker (Genève, 16 juni 1985)

 

De Franse schrijfster Maylis de Kerangal werd geboren op geboren 16 juni 1967 in Toulon. Zie ook alle tags voor Maylis de Kerangal op dit blog.

Uit: Naissance d’un pont

“Au commencement, il connut la Yakoutie du Nord et Mirny où il travailla trois années. Mirny, une mine de diamants à ouvrir sous la croûte glaciale, grise, sale, toundra
désespérante salopée de vieux charbon malade et de camps de déportés, terre déserte baignée de nuit à engelures, cisaillée onze mois l’an d’un blizzard propre à fendre
les crânes, sous laquelle sommeillaient encore, members épars et cornes géantes bellement recourbées, rhinoceros en fourrure, bélougas laineux et caribous congelés – cela il se l’imaginait le soir attablé au bar de l’hôtel devant un alcool fort et translucide, la même pute subreptice lui prodiguant mille caresses tout en arguant d’un mariage en
Europe contre loyaux services mais jamais ne la toucha, pouvait pas, plutôt rien que baiser cette femme qui n’avait pas envie de lui, il s’en tint à ça. Les diamants de Mirny,
donc, il fallut creuser pour aller les chercher, casser le permafrost à coups de dynamite, forer un trou dantesque, large comme la ville elle-même – on y aurait plongé tête en bas les tours d’habitation de cinquante étages qui y naissance d’un pont poussèrent bientôt tout autour –, et, muni d’une torche frontale, descendre au fond de l’orifice, piocher les parois, excaver la terre, ramifier des galeries en une arborescence souterraine latéralisée au plus loin, au plus dur, au plus noir, étayer les couloirs et y poser des rails, électrifier la boue, alors fouir la glèbe, gratter la caillasse et tamiser les boyaux, guetter l’éclat splendide. Trois ans.
Son contrat expiré, il rentra en France à bord d’un Tupolev peu démocratique – son siège en classe économique est complètement défoncé, une pelote de fils métalliques
se promène sous la toile du dossier, la perce çà et là pour faire sortir une tige qui lui meurtrit les reins –, quelques contrats s’ensuivent et chef de chantier à Dubaï on le
retrouve, un palace à faire jaillir du sable, vertical comme un obélisque mais laïc comme un cocotier, et du verre cette fois, du verre et de l’acier, des ascenseurs comme des
bulles coulissant le long de tubulaires dorés, du marbre de Carrare pour le lobby circulaire dont la fontaine bruitait son glouglou de luxe pétrodollar, le tout assorti de plantes vertes cirées, de canapés croûte de cuir et d’air conditionné.”

 

Maylis de Kerangal (Toulon, 16 juni 1967)

 

De Zuid-Afrikaanse dichteres Ronelda Kamfer werd op 16 juni 1981 in Blackheath, een voorstad van Kaapstad, geboren. Zie ook alle tags voor Ronelda Kamfer op dit blog.

 

Aanspraak

al wat ik terug wou hebben
was het blauw van de zee
het groen va de winter
het geel van de zon
de afstand van de maan
het water van de regen
de klank van de wind
mijn plekje achter moeders rug

 

Vertaald door Alfred Schaffer

 

Ronelda Kamfer (Blackheath, 16 juni 1981)

 

En als toegift bij een andere verjaardag:

 

Psalm

Voor hem bestond er geen voortijdig sterven
– wie bood ook aan het sterven tegenstand? –
de dood begroetend met dezelfde hand
die ooit gods naam in elke boom zou kerven.

Niets meer verhopend van het eeuwig zwerven
Naar dat beloofd, maar steeds verschuldigd land,
Het zaad verspillend aan onvruchtbaar zand,
Liet hij de duivel al zijn steden erven.

Voor hem was er geen spreken en geen woord.
Hij had geen stem tenminste ooit gehoord.
De dood verloste al wie er voor kozen.

Was hij een kind van god of vaderloze,
het leven had gelijk gewicht noch waarde.
Gods zoon zag pas postuum het licht der aarde.

 

Frans Roumen (Wessem, 16 juni 1957)
David speelt harp voor koning Saul, door Julius Kronberg, 1885

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 16e juni ook mijn blog van 16 juni 2019 en ook mijn blog van 16 juni 2015 deel 1 en eveneens deel 2.