De Nigeriaanse schrijfster Chimamanda Ngozi Adichie werd geboren op 15 september 1977 in Enugu. Zie ook alle tags voor Chimamanda Ngozi Adichie op dit blog.
Uit: Dream count (Vertaald door Adiëlle Westercappel)
“Ik heb er altijd naar verlangd om te worden gezien voor wie ik ben, om écht te worden gezien door een ander mens. Soms leven we jarenlang met verlangens die we niet kunnen verwoorden. Tot er een scheurtje in de lucht ontstaat en de hemd openbreekt en zichzelf aan ons openbaart, zoals met de pandemie, want het was tijdens de lockdown dat ik mijn leven begon uit te pluizen en woorden schonk aan zaken die lang niet in woorden konden worden uitgedrukt. Mijn oorspronkelijke bedoeling was om optimaal gebruik te maken van deze collectieve afzondering; als ik toch alleen maar binnen mocht blijven, zou ik elke dag mijn broze edges insmeren met olie, acht grote glazen water drinken, op de loopband rennen, overdadig lang slapen en dure serums op mijn huid deppen. Ik zou nieuwe reisverhalen schrijven op basis van ongebruikte kladjes die lagen te verstollen en als de lockdown lang genoeg zou duren, zou dat misschien eindelijk dat duwtje zijn dat ik nog nodig had voor een heel boek. Maar al in de eerste week belandde ik in een neerwaartse spiraal, verdween ik almaar dieper in een eindeloze tunnel. Woorden en waarschuwingen walsten om me heen en het voelde alsof alle vooruitgang die we als mensheid hadden geboekt omsloeg naar een eeuwenoude staat van verwarring die nu al lang en breed voorbijgestreefd had moeten zijn. Raak je gezicht niet aan, was je handen, ga niet naar buiten, gebruik ontsmettingsmiddel, was je handen, ga niet naar buiten, raak je gezicht niet aan. Wanneer ik mijn gezicht waste, telde het dan als aanraken? Ik gebruikte altijd een washandje, maar op een ochtend streek ik per ongeluk met mijn blote hand langs mijn wang en verstijfde ik terwijl het water uit de kraan bleef lopen. Het deed er niet toe, vast niet, ik was immers nooit naar buiten geweest, maar wat betekende ‘raak je gezicht niet aan’ en ‘was je handen’ wanneer niemand wist hoe dit was begonnen en wanneer het zou eindigen of zelfs maar wat het eigenlijk was? Ik werd elke dag in doodsangst wakker met een hart dat onwillekeurig in mijn borstkas bonkte en soms drukte ik mijn hand ertegenaan en hield hem daar even. Ik zat alleen in mijn huis in Maryland, in de kleinsteedse kalmte, met benauwende wegen begrensd door bomen die zelf leken geluwd door de stilte. Er reden geen auto’s. Ik keek naar buiten en zag een kudde herten voorbij schrijden over het veld dat mijn voortuin was. Een stuk of tien herten, misschien wel vijftien, heel wat anders dan de eenling die ik af en toe schichtig in het gras zag grazen. Ik werd bang van ze, van hun ongebruikelijke bravoure, alsof mijn wereld op het punt stond te worden overgenomen, niet alleen door herten maar door andere wezens die op de loer lagen en waarvan ik me geen voorstelling kon maken.”

De Zweedse dichter en schrijver Bengt Gunnar Ekelöf werd geboren op 15 september 1907 in Stockholm. Zie ook alle tags voor Gunnar Ekelöf op dit blog.
Euforie
Je zit alleen in de tuin met een zakboek, een broodje, je fles en je pijp.
Het is nacht maar zo kalm dat de kaars zonder flikkering brandt,
een weerschijn over de ruw-planken tafel verspreidt
en glinstert in fles en glas.
Je neemt een slok, een hap, je stopt je pijp en steekt hem aan.
Je schrijft een paar regels en overpeinst een ogenblik
de veeg van avondrood op weg naar morgenrood,
de zee van wilde kervel, groenwit schuimend in de schemer van de zomernacht,
geen vlinder om de kaars maar muggenkoren in de eik,
de bladeren verstild in de lucht… En de esp die in windstilte ritselt:
De hele natuur krachtig in liefde en dood om je heen.
Als was het de laatste avond voor een lange, lange reis:
Je hebt het biljet in je zak en eindelijk alles gepakt.
En je kunt de nabijheid van verre landen voelen,
hoe alles in alles begrepen is, begin en eind tegelijk,
hoe hier en nu je vertrek en je thuiskomst zijn,
hoe dood en leven krachtig als wijn in je werken!
Ja, één zijn met de nacht, één met mijzelf, met de kaarsvlam
die mij stil in de ogen ziet, ondoorgrondelijk en stil,
één met de esp die beeft en fluistert,
één met de bloemschermen die uit de duisternis leunen en luisteren
naar wat op de punt van mijn tong lag maar nooit werd gezegd,
iets dat ik niet zou verraden zelfs als het kon.
En dat het zuiverste geluk mij doorstroomt!
En de vlam klimt… Alsof de bloemen steeds dichterbij kwamen,
dichter en dichter, in iriserende glans, bij het licht.
Een huivering speelt door de esp, het avondrood krimpt
en alles wat onuitsprekelijk en ver was is onuitsprekelijk nabij.
Vertaald door Rita Verschuur en H.C. ten Berge

Zie voor nog meer schrijvers van de 15e september ook mijn blog van 15 september 2021 en ook mijn blog van 15 september 2020 en eveneens mijn blog van 15 september 2018 en ook mijn blog van 19 september 2011 deel 1 en eveneens deel 2.

















