minstens één kleine ster is er, door niemand ooit gezien.
Eén lantaarn vannacht die heeft geschenen op de tegels voor niets.
Eén straatlantaarn die heeft geschenen de hele nacht in een kamer.
Eén man is er die fietst in de donkere morgen.
Eén man die niet heeft geslapen en stilstaat voor het licht,
één gedachte, één zweepslag.
Distantie
Als je door de wolken vliegt maak je het mee: hoe wit de wereld is en dicht, baard van sinterklaas, kleefband plakt waar het dunste is, waar het glinstert in de diepte: de Noordzee
in de microscoop de zon een gele vla
staat aan de randen op.
Fur
Ongerept, ongestreken zonder stemrecht, onvoorzichtig onbevreesde onverlaat opvallend langs de kreek die zilverwit – daar gaat hij, zoolganger zonder Winchester, ongevraagd ongegrond, onverminderd onheilspellend, ontveld gestroopt leven door het ruggemerg te scheiden, te drenken te verven, te bezielen pelswerk, laatste ventiel.
Voor en na grote oorlogen, filosofiestudies en glazen miljoenensteden, romances van ravissante beauty’s, gastronomische wonderwerken en veroveringen van ongenaakbare bergtoppen,
voor en na geniale ontdekkingen op het gebied van de kwantumfysica, allesverwoestende epidemieën, bewonderenswaardige tirannen en een kortstondige triomf van de democratie
scharrelt er op een augustusmorgen, als de vale mist nog boven de zee hangt, een mager vosje langs de lange, zandige kust bij Rooslepa richting Spitham.
De koele, windstille ochtend maakt zoetjesaan plaats voor een warme, zonnige dag.
“Door Aragón naar Soria Het is niet te bewijzen en toch geloof ik het: op sommige plaatsen in de wereld wordt je aankomst of vertrek op geheimzinnige wijze vermeerderd door de emoties van al diegenen die daar eerder zijn vertrokken of aangekomen. Wie een ziel heeft die licht genoeg is, voelt een zachte weerstand in de lucht rond de Schreierstoren, die te maken heeft met de hoeveelheid verdriet van de afscheid-nemers, een soort verdriet dat wij niet meer kennen. Onze reizen duren geen jaren meer, wij weten exact waar wij heen gaan, en onze kans op terugkeer is veel groter. Bij de ingang van de kathedraal van Santiago de Compostela staat in het portaal een marmeren zuil met diepe vingerindrukken, een emotionele, expressionistische klauw, gemaakt door miljoenen handen, waaronder de mijne. Maar het is al een vertroebeling als ik zeg ‘waaronder de mijne, want ik heb nooit met zoveel emotie na het eind van een voettocht die meer dan een jaar duurde die zuil beetgegrepen. Ik was geen middeleeuwer, ik geloofde niet, en ik kwam met de auto. Als je mijn hand daar wegdenkt, als ik er nooit geweest ben, staat die klauw daar nog steeds, door de vingers van al die doden in het harde marmer uitgesleten. Toch had ik, door mijn hand in die negatieve hand te leggen, op een geheimzinnige manier deel aan een gezamenlijk kunstwerk. Een gedachte wordt zichtbaar in materie; dat is altijd wonderlijk. De kracht van een idee dreef vorsten, boeren en monniken ertoe hun hand juist op die plaats aan die zuil te slaan, elke afzonderlijke hand verwijderde de allergeringste hoeveelheid keihard marmer waardoor er, juist omdat dat marmer er niet meer was, een hand zichtbaar werd. Ik bedenk die dingen terwijl ik langzaam, in de zeer vroege juli-ochtend, op Barcelona afvaar. Daar zal ik een auto huren en dwars of met een slinger over de hele breedte van Spanje voor de derde maal in mijn leven naar Santiago de Compostela rijden. Geen pelgrimage naar de apostel, zoals die van de anderen, eerder naar een vroeger, schimmig geworden zelf, het hernemen van een voorbije passage. Op zoek naar wat? Een van de weinige constante dingen in mijn leven is mijn liefde, een mindere uitdrukking is er niet, voor Spanje. Vrouwen en vrienden zijn uit mijn leven verdwenen, maar een land loopt niet zo gauw weg. Toen ik als twintigjarige in 1953 voor het eerst in Italië kwam, dacht ik dat ik alles gevonden had waar ik, zonder dat bewust te weten, naar had gezocht. De mediterrane schittering sloeg in als een bom, het hele leven één geniaal, openbaar theater tussen de achteloze decorstukken van duizenden jaren grote kunst.”
De wereld is een prachtige blauwe citroen zo gewichtloos als alle woorden wanneer we haar proberen te beschrijven… wat bevrijd is, draagt ook de verlangens met zich mee en de angst dat het doel niet bereikt zal worden tot nu toe kun je de vingers van je geliefde tellen en op je tenen uit je slaap sluipen alsof je uit een bos komt tot nu toe kun je de voordeur horen kraken…
binnenkort zal er een vuur door al je kamers razen en je huis verwoesten… alle taalparasieten zullen exploderen en ons gefabriceerde beeld van geluk verbrijzelen jij half verstikt in de meedogenloze nacht van kleuren jij te midden van de schuimkoppen van woorden en zinnen jij alleen op de kust met een omgekeerde zee als enige zichtbare buur.
Tafelkleed onderuit gerukt, alle pionnen op de grond op een teruggetrokken buitenpost in een regenbos spelen wij Mens erger je niet.
Alles heeft een prijs, haten we voor altijd
roze wandlampjes, tantes dwingende stem. Waar gehakt wordt laat zij gaten vallen, snijden we ons aan het zwijgen, klettert alweer de regen wacht het spel.
Bij de stadsvijver deelt zij haar ligstoel met krijsende meeuwen, eist gezonde organen, frisse lucht, duikt uren in de winter onder.
Er moet gelasterd zijn, beklaagd met een omweg trekken ze naar de engte van haar trapportaal.
Wat niet gezien wordt sluipt toch mee naar boven.
Wat is waarheid, wat werkelijkheid hier waar een vrouw zich steeds verder oprolt in verwoede verhalen onder instabiel gesternte, wisselvallig weer. Grepen de spoorbomen bij de overweg per ongeluk niet in?
Schaamte legt een deken, niets wordt aan keukentafels nog opgevangen tussen servet en tafellaken houdt alles zich stil.
II
Wat doet het meisje dat gaat zoeken, ze graaft door kweekgras naar wijdvertakte wortelstelsels haalt vergroeiingen naar boven. Onder duivelsgras stuit ze met een spitvork op geheimen, schudt hersenspinsels los.
Broeierig zijn de gangen van het stropakkenhuis opnieuw volgt ze een spoor. In een nauwe doorgang kerft roestig pakdraad met de lauwe geur van bloed een boodschap in haar bil.
Wat doet het meisje aan een keukentafel dat over ijsschotsen de overkant wil halen. Ze trotseert gezichten, spreekt de honden toe, zingt zigzagt langs scherpe randen, waagt de sprong. Wat ze vindt is alweer weggeschoven onder kruiend ijs.
“Alife can catch up to you. It’s a wonder, really. One morning, maybe you woke up too early, the span of years will collapse and meet you in full. There’s no great thwack. Hardly even a jolt. You could follow the usual motions of the day. But here you are, resolving to pay more attention. You need to pay more attention. Otherwise, you can easily mis-place your everyday fortunes, the fact, say, that you have a loving spouse who is inordinately talented and impassioned; children who have grown up to be wry and kind, and for whom you’d give your life without pause; work that is consuming enough but not ruinously; friends to share food and drink with, and to tell silly stories. Still, I don’t always cherish things as deeply as I should. I try as hard as I can and continue to fail. I want to be here, even if I’m often dreaming. Each moment is a singular moment, particular in its coordinates, the countless dimensions in which those coordinates can be observed and measured a marvelous conspiracy that fixes us in a way that will never be repeated. And yet we can’t help but keep going back to old times, futilely scratching at a spot. It doesn’t matter how significant a certain event or instance was, sometimes the barest irritation will draw incommensurate attention and the skin can go raw before you realize it. Lately, I can’t seem to help but linger on this time or that, those tender ages rife with curiosities, and go over in serial fashion what I might have done or said to defuse a tricky situation or take a more principled stand or else assuage my frustrated heart. So many chances, ceded. What remains are these disparate patches of existence that end up knitting vaster and less randomly than you would have ever imagined. The other day, for instance, I was suddenly thinking about the circumstances of how our girls got our dog. It’s no big thing. We met him when he was three months old, while we were on a vacation in Florida. Old friends happened to live there, a family with a boy and a girl the same ages as our daughters, and during an afternoon visit with them the wife casually mentioned that they were looking for someone to adopt their new puppy. Our girls were playing tug-of-war with the dog, a black-and-white toy terrier and Shih Tzu mix, squealing as he wrenched at the snout of the armadillo plush toy and made his tiny throaty growls, and when they heard her say adopt they both cried out, “Please, Momma, please!”
Van top tot teen gloeien alsof ik word geslagen en gestreeld door een zon en een storm.
Hoe je mij vult, zoete regen, beide oren in, tot ik huid over liefde ben.
Zoals verhalen mij bewogen, toen ik jong was, doe je mijn aarde beven.
Bossen branden en wij openen onze huizen voor elkanders vlammen.
Impasse op de heide
een kempse zon schijnt hier de wereld ontdaan van de franje der stadse bijgeluiden ligt als een hersenloos zoogdier eeuwen te herkauwen ver van de ijle bomen der gedachten, eronder ligt de weg op mij te wachten wat doe ik in dit niemandsland ik loop over het dier dat niet beweegt maar het speeksel van de uren van haar kaken druipen laat ik denk niet meer dan: pierre laat de zon weer stevig branden.
Zo blijf je aan de gang
Wat zich afspeelt in de schaduw in de slaapkamer, in dat huis waar ze steeds ingaan – muziek gaat open en dicht – is voor mij niet na te gaan
volop in de zomer speel ik met houtjes, met mieren, met knikkers graaf gangen nooit langer dan mijn arm
Nu zelf een schaduw een bed, een huis muziek zonder begin of eind mier op weg naar een stroopvlek
maar wat zich daarbuiten afspeelt is voor mij niet na te gaan.
Mijn mouwloze truien hingen ineens in alle grote musea ter wereld. Ik kon zoveel drinken als ik wilde en had nog steeds dorst. Ze hadden me kamers met ramen beloofd waar de regen tegenaan kletterde, en toen hadden ze kleine stukjes lever gewikkeld in spek. Ik wilde in een hoek spugen, maar er was geen hoek vrij. Iedereen om me heen sprak Russisch, en ik vroeg me af of ze er ooit genoeg van zouden krijgen. De beschaving eiste het, en er waren buttons voor iedereen. Op het allerlaatste moment lukte het me om uit de bus te springen voordat hij naar Joegoslavië terugreed. Eerst namen ze geen hand voor de mond, en toen vroeg iedereen ineens om ongewassen ingewanden op tandenstokers. Maar er was alleen maar vettig fingerfood en we zaten meteen vol. De gedachte aan slapen werd obsessief, als dat al niet zo was. Nutteloos oververhitte hotelkamers en gekke Serviërs die de hele nacht aan hun auto’s sleutelden. Toen viel het water uit en moesten we ongewassen vertrekken, wat ik niet zou vermelden als er niet op hetzelfde moment een telefoontje uit Duitsland was gekomen.
De Ierse dichter Michael Longley werd geboren op 27 juli 1939 in Belfast. De dichter overleed op 22 januari jongstleden op 85-jarige leeftijd. Zie ook alle tags voor Michael Longley op dit blog.
THE LEVERET
This is your first night in Carrigskeewaun. The Owennadornaun is so full of rain You arrived in Paddy Morrison’s tractor, A bumpy approach in your father’s arms To the cottage where, all of one year ago, You were conceived, a fire-seed in the hearth. Did you hear the wind in the fluffy chimney? Do you hear the wind tonight, and the rain And a shore bird calling from the mussel reefs? Tomorrow I’ll introduce you to the sea, Little hoplite. Have you been missing it? I’ll park your chariot by the otters’ rock And carry you over seaweed to the sea. There’s a tufted duck on David’s lake With her sootfall of hatchlings, pompoms A day old and already learning to dive. We may meet the stoat near the erratic Boulder, a shrew in his mouth, or the merlin Meadow-pipit-hunting. But don’t be afraid. The leveret breakfasts under the fuchsia Every morning, and we shall be watching. I have picked wild flowers for you, scabious And centaury in a jam-jar of water That will bend and magnify the daylight. This is your first night in Carrigskeewaun.
Fifty Years
You have walked with me again and again Up the stony path to Carrigskeewaun And paused among the fairy rings to pick Mushrooms for breakfast and for poetry.
You have pointed out, like a snail’s shell Or a curlew feather or mermaid’s purse, The right word, silences and syllables Audible at the water’s windy edge.
We have tracked otter prints to Allaran And waited for hours on our chilly throne, For fifty years, man and wife, voices low, Counting oystercatchers and sanderlings.
A Hundred Doors
God! I’m lighting candles again, still The sentimental atheist, family Names a kind of prayer or poem, my muse Our Lady of a Hundred Doors.
Supervised by a xenophobic Sacristan, I plant in dusty sand Names and faces that follow me As far as windows in the floor:
Marble stumps aching through glass For their pagan temple, the warm Inwardness Praxiteles brought out. The intelligence of stone.
The sacristan who picks my flame- Flowers and blows them out, only minutes Old, knows I am watching and he Doesn’t care as he shortens my lives.
DE WATERVAL
Als je mijn gedichten zou lezen, allemaal, bedoel ik, Mijn levenswerk, in één keer, op één plek, Laat het dan hier zijn, bij deze halfslachtige waterval Die elk kiezelbekken zijn eigen stem gunt, Vochtige stenen en lettergrepen, en dan, als het donker wordt En je naar huis gaat langs verwilderde wijngaarden en Kastanjebomen, ooit leveranciers van dwarsbalken, maan Vormige noten, meel en knisperende vulling voor matrassen, Laat ze dan hier achter, op de pagina, in je geestesoog, verlicht Als de vuurvliegjes bij de waterval, een muur van sterren.
“Basso is mijn eigen hond. Het is dankzij hem dat al die honden in museums me begonnen op te vallen. Honden op straat trouwens ook. Als je zelf een hondje hebt, herken je dat misschien: vanaf de eerste dag begin je anders naar de wereld te kijken. Met meer aandacht en meer liefde. Waar ik ook kom, sinds Basso bij ons is komen wonen, zijn honden het eerste wat me opvalt, overal. Sinds Basso’s komst bekijk ik de dingen met zijn blik. Daar worden ze mooier van. Ik vertrouw hem volledig en laat me graag door hem leiden. Door de stad, door het bos of dit verhaal, hij is de beste gids die je je kunt wensen. We zullen Basso hard nodig hebben, want ons onderwerp — museumhonden — is ongelooflijk leuk, maar ook grenzeloos. Iemand moet ons richting geven! In de loop der eeuwen zijn er namelijk zoveel honden voor kunstenaars onmisbaar geweest, en zoveel hebben er hun plaats in de kunstgeschiedenis verdiend, dat het mij al begint te duizelen zodra ik erover nadenk. Basso is ook de enige hond die ik ken die wél eens een museum heeft bezocht. Twee keer zelfs mocht hij met ons mee naar binnen. In Toscane. Daar begrijpen ze kennelijk beter wat een plezier een hond aan kunst beleeft. Kortom: Basso is een ervaringsdeskundige. Hij zal ons rondleiden en zorgt ervoor dat wij niet verdwalen in dit eindeloze labyrint van hondenkunst. En dat is maar goed ook, want voor het eerste deel van ons verhaal moeten we naar binnen in… een koude, oeroude, griezelig verlaten en pikdonkere grot. In een grot is het allemaal begonnen, de vriendschap tussen mens en hond. Ergens diep in een rots rond het begin der tijden. Basso weet hier alles van omdat hij een deel van het jaar zelf tussen de overblijfselen van de oertijd woont. Samen met ons. In Zuid-Frankrijk. In een vallei vol prehistorische grotten. Hij is daar ook wel eens in geweest en hij weet er de weg. Bovendien: ’s ochtends plast Basso vaak even tegen Cro-Magnon. Cro-Magnon is de grot waar voor het eerst botten van een oermens zijn gevonden. Naast hem lagen de resten van zijn hond. Dat klinkt een beetje naar, maar als je erover nadenkt, is het eigenlijk juist heel mooi. Ze lagen daar samen al vijftigduizend jaar. Zo lang en innig hielden ze elkaar gezelschap. Je kunt rustig zeggen dat de eeuwige vriendschap tussen hond en mens in die grot werd geboren.”
Arthur Japin (Haarlem, 26 juli 1956)
De Roemeense dichter en schrijver Dan Coman werd geboren op 27 juli 1975 in Gersa in de provincie Bistrita-Nasaud. Zie ook alle tags voor Dan Coman op dit blog.
Koekjes met appelmoes
Ik blijf bij Mara bij het raam. Een prachtige winterdag. Het sneeuwt terwijl we koekjes met appelmoes eten. Zonder iets te zeggen. Ieder met de hele winterochtend voor zich. Soms stoppen we met eten en drukken we onze neuzen tegen het glas. We blijven zo staan zonder iets te zeggen. Haar adem verwarmt langzaam mijn gezicht. En langzaam, heel langzaam, verspreidt Mara’s adem warmte door het park.
’s Avonds zegt een natuurkundige op televisie dat het ook mogelijk is dat het heelal op een dag niet langer zal groeien, maar langzaam, sneller dan het licht, ineen zal klappen. In dat geval zouden er na ons nog triljoenen heelallen kunnen ontstaan en hangen we nu slechts onderaan een stamboom van universa. Stel je voor dat je jezelf enkel voort kunt planten door niet meer te bestaan.
’s Ochtends, wanneer ik bij de start van een dag zie hoe ik opnieuw ben gaan ademhalen, vergelijk ik dit heen en weer gegooi van sterren met mijn op en neer gaande borsten, met de antenne van een radio, die je doelloos in en uit kunt blijven schuiven en vervolgens, vooralsnog mijn meest geslaagde poging, met een zeeanemoon.
Sneeuwuilen
Soms, zegt iemand, is het niet uit weerwil, maar omdat me iets is afgenomen – laatst, met die documentaire over het uitsterven van de huismus, bijvoorbeeld, kon ik dat gevoel toch niet langer negeren. Daar moet ik even over nadenken.
Er is eens een picknick geweest waarbij ik honderd keer werd gestoken door mieren en toch niet kon stoppen met lachen, want er was een picknick. Mijn vader leerde me hoe je het geluid van een uil met je handen kunt nabootsen en nog diezelfde dag verbrandde ik mijn vingers. Niettemin kan ik nu klinken als een uil. Soms wordt je dus onrecht aangedaan, maar maakt het je niet zoveel uit. Het is niet erg om bang te zijn als het een goed verhaal oplevert. Van de andere kant, ik heb eens gezien hoe vissen elkaar de ogen uitaten en daar werd helemaal niemand beter van. Zoiets mag je inderdaad niet negeren, denk ik. En zoals er vissen zijn met gaten in het hoofd, verlies ik iedere nacht een deel van mijzelf in de dromen die ik heb, die ik ’s ochtends aan het ontbijt, of bij het aankleden, nog maar half weet en dan later nog maar voor een kwart. Deze dingen gebeuren en we hebben geen invloed. Zo sta je opeens
in een bos bij Berlijn een uil na te doen en het donker antwoordt met krekels. Het donker antwoordt met kikkers en kraaien, maar zijn uilen geeft het niet prijs. Je zou de vissenogen wel van je huid willen wassen, alle uitstervende vogels niet meer dan ondergesneeuwde herinneringen laten zijn, sneeuwuilen, misschien nog één keer niet durven zwemmen in een vijver vol karpers, maar daarna volwassen worden. Onrecht rechtvaardigt al deze wensen. Je kunt niet treuren om een mus die nog overal rondvliegt. Laatst draaide ik me vastberaden om om te zeggen dat ik vissen niet langer eng vond en keek recht in de ogen van een middelgrote waterslang. Godallejezus hoe bang ik ben voor slangen valt niet goed te praten.
Houd je van de microscopische hoeveelheden sproeiwater?
Houd je van de microscopische hoeveelheden sproeiwater, die uit de bloesems van steden opstijgen, die zich vestigen, en ons over bucolische landschappen vertellen, waar ze langs zullen zijn geslingerd tijdens hun pesttochten, die zich verspreiden in onze badkuipen vol geluk? ——— Maar we zijn allang in de tuinen getrokken, waar vroeger monniken graasden, bij hun aard passend en hongerig in hun gezang. Wij, ooit metropoolneurs. Als wij mensenkinderen nu schoenen aantrekken, krijgen we er soms blaren in. ——— Liefde, zeg je, is het verkeerde woord.
De Duitse schrijversvrouw Katia Mann, steun en toeverlaat van de Duitse schrijver Thomas Mann, werd geboren als Katharina Pringsheim op 24 juli 1883 in Feldafing. Zie ook alle tags voor Katia Mann op dit blog.
Uit:Katia Mann: Meine ungeschriebenen Memoiren
„Es hat eigentlich nie jemand in meiner Familie die Freundlichkeit gehabt, es mir zu sagen. Da meine Mutter eine berühmt schöne Frau war und eine meiner beiden Großmütter, die Mutter meines Vaters, immer, wenn sie mich sah, mir nur sagte: Ach, die Mutter erreichst du ja nie! habe ich mich auch damit abgefunden. Ich hatte gar keine hohe Meinung von meinen äußeren Reizen und wußte nichts davon. Schade eigentlich. Else Lasker-Schüler hat mich einmal irgend jemandem gegenüber eine »morgenländische Prinzessin« genannt, das halte ich für sehr übertrieben. Natürlich fanden sich viele Bewerber ein. Es verkehrten viele junge Leute bei uns, die mir alle mehr oder weniger den Hof machten, und der eine oder andere hätte mich wohl auch gewiß ganz gern geheiratet. Aber ich dachte nicht daran zu heiraten, selbst nicht, als ich Thomas Mann kennenlernte und er sich für mich interessierte. Ich habe das nicht so sehr ernst genommen und wäre nicht auf den Gedanken gekommen, ihn zu heiraten. Es ging von ihm aus. Ein junger Mann, der auch aus Schlesien stammte, auch den Namen Pringsheim trug und bei uns verkehrte, liebte mich offenbar sehr. Er war vielleicht um fünf bis zehn Ecken mit uns verwandt, aber das ließ sich gar nicht nachweisen. Er war ein besonders leidenschaftlich interessierter und sehr nett aussehen-der Student. Wir gingen zusammen auf die Universität und fuhren immer mit dem Fahrrad hin, wenn es die Jahreszeit erlaubte, und dann stellte man sein Rad in dem sogenannten Radstall ab. Wenn die Kollegien vorbei waren, holte man es wieder. Da kann ich mich erinnern, daß ich einmal in den Radstall ging, nichts Böses ahnend, mein Rad zu holen, und da erschien dieser gleichnamige junge Mann und machte mir eine Liebeserklärung, quasi einen Heiratsantrag — im Radstall! Ich war vollkommen flabbergasted, wie die Amerikaner sagen, vollkommen sprachlos, und sagte nur immer: Ja, aber wieso denn? Wie kommen Sie denn nur darauf? Darüber muß ich doch erst nach-denken, ich meine, das geht doch gar nicht so plötzlich. Ich habe eigentlich im Moment gar nicht an so etwas gedacht. Ich will ja, ich meine, ich habe Sie ja sehr gern, aber ich dachte doch gar nicht daran, Sie zu heiraten. Wir können doch mal abwarten, und so. Dann war er etwas beschnien und zog ab. Ich habe ihn später noch einmal aus Versehen sehr gekränkt. Sonntags hatten wir immer viele junge Leute zum Tee, und er war auch da.“
Katia Mann (24 juli 1883 – 25 april 1980) In haar verlovingsjaar, 1905
“A friend calls the writer out of the blue on the darkest and coldest day of the year: Does she have any interest in a free junket to a fancy spa in Arizona? The friend hosts retreats there, and sometimes they bring artists down to demonstrate that they can do so, to give deep luxury a tang of the intellectual. But only for a weekend. Any longer would simply be disturbing, artists being notoriously unstable, slovenly at the table, gaping at celebrities who just want to pretend to be nobodies for a weekend. No offense, the friend says. None taken, the writer says. Yes, yes, there is great interest. She smiles into the phone, imagining Arizona sun baking her undercooked winter skin. Boston, with its mean early March glitter, the cold shadows, the insomnia, can stay where it is. The work that lies slack and boneless, barely twitching these dark months, won’t miss her. Nor will the apartment, which she came back to one afternoon in the fall to discover that it had been emptied of half the books and furniture, as well as the entire boyfriend. And the cat. She told her friends that she missed the books most, she almost convinced herself of this, but had begun to want to rub up against strangers in the elevator and was starting to suspect that her body disagreed. Does it matter, her friend says delicately on the phone, that she’s being invited so late because a far more famous writer has double-booked herself? It does not. She has the night to pack and wakes in the dark for the ride to the airport. Airports are the limbo of the contemporary: bland and safe and packed full of anxious souls ready to return to wherever their real life is. On the plane, the child in the middle seat smells like pee and graham crackers. The girl slowly falls asleep and her head slides across the armrest and rests heavily on the writer’s bicep. A flare of anger, not for the child, the child is marvelous and can stay there as long as she needs, her hair is soft and her radiant warmth sates a hunger for touch, how lovely that children can just drop like stones into sleep. It’s such a struggle for her, an adult beset with anxiety. But also the girl’s trust in a perfect stranger feels like the one good thing in a world of bad news for weeks, months, years.”
Het surfen werd hier als authentiek beschouwd, en de strandstoelen bewezen voortdurend hun waarde in het voorkomen van zonnebrand. Kleuren werden nu als symbolen gezien, en uiteindelijk was het Chanel die een subtiel roze omarmde. Een later toegevoegde patch aan een spijkerbroek en een paar bleke kuiten werden met gebalde vuisten het allesoverheersende gebaar van dreiging. Waarom had iedereen altijd om gelijkheid geroepen? Waarom altijd? Alleen maar?
Nu kwam er eindelijk iemand die aan zijn slipje trok en parelkettingen als bladeren om zijn nek droeg. Maar de blik ging naar rechts beneden en niet iedereen keek die kant op.
“TO THE PROMOTERS” stond op een poster die achter een van die zwart-wit-rode leren jassen verborgen zat. Waarom nam niemand de moeite om het te interpreteren? En waarom straalde haar schouder zo fel dat je vermoedde dat het een gloed was die er helemaal niet was? Waarom stonden we hier eigenlijk nog, toen het zoute water ons verraste?