Silke Scheuermann, Olivier Guez

De Duitse dichteres en schrijfster Silke Scheuermann werd geboren op 15 juni 1973 in Karlsruhe. Zie ook alle tags voor Silke Scheuermann op dit blog.

Uit: Wovon wir lebten

„Aufwachen!« Ich tippe ihr auf die Schulter. Halte die Hand ins Flusswasser und bespritze ihr Gesicht.
Der Junge findet das total spannend, das merke ich. So schnell werde ich den nicht mehr los, also sage ich: »Hilf mir mal, wenn du schon da bist.«
Das muss man ihm nicht zweimal sagen. Er stürzt sich auf Mutter und zieht so heftig an ihrem Arm, dass er ihr fast die Schulter auskugelt. Aus ihrem Mund kommt ein Grunzen, sie blinzelt endlich. Zusammen gelingt es uns, sie hochzuziehen. Sie nuschelt etwas.
»Er hilft uns kurz«, erkläre ich.
»Warte«, sagt der Junge, »ich halte sie an der anderen Seite.«
Sie steht inzwischen, auf unsere Schultern gestützt, mühsam arbeiten wir uns die Anhöhe hoch. Auf dem Weg wird es leichter, und prompt schließen sich ihre Augen wieder halb, während sie wie ein Automat weiter Fuß vor Fuß setzt.
»Was sollte das mit der toten Nutte?«, frage ich.
»Tut mir leid. Ich wusste doch nicht, dass sie deine Mutter ist!«
Ich versuche es anders: »Ich meine, wie bist du darauf gekommen? Hast du schon einmal eine tote Nutte gesehen?«
»Klar. Zweimal. In Frankfurt.«
»Wow.«
»Na ja, nur vom Fenster aus, sie rannte aus einem Haus. Jemand hat auf sie geschossen. Dauernd war da was los auf der Straße, Polizeirazzien, Messerstechereien und so. Wir haben im Bahnhofsviertel gewohnt, das ist eine gefährliche Gegend.« Er klingt stolz.
»Hm.« Hier in der Stadt gibt es auch jede Menge fiese Ecken, aber da bin ich natürlich nachts nicht.
»Ich habe ein Fernglas«, sagt der Junge. »Ein Fernglas?« Ich stelle ihn mir damit am Fenster vor und muss grinsen.
Er grinst zurück: »Ja. Genau wie ein Spanner.«
Ich merke, dass er gern eine Pause machen würde, um sich zu unterhalten, aber den Gefallen kann ich ihm nicht tun. Wir gehen weiter. An der Seite wird das Ufer schnurgerade, und nur niedriges Grün wächst am Rand.
»Frankfurt ist sicher nicht schlecht, oder?«, frage ich. Eigentlich nur, weil man das eben so sagt, denn ich vermisse hier nichts.
»Na ja. Jetzt sind wir hier. Wir sind am Wochenende eingezogen. Da!« Er dreht sich um, soweit das mit Mutter an der Seite geht, und deutet zu den Blocks an der Mainstraße.“

 

Fluisterende dorpen

Hoewel onze steden voortdurend proberen
ons met de hemel vertrouwder te maken
doordat zij ons van uitzichtpunten,
balkons en terrassen voorzien
Hoewel ze beweren dat je van bovenaf
misschien wel het meest tedere
punt in de ruimte kunt zien,
een gigantische knikker met een blauw centrum,
en ze ons trappen op en liften in lokken,
ons de veiligheidsvoorzieningen laten zien,
leuningen en netten,
de schoonheid van
de neonreclames,
vrachtwagens zo klein dat we ons
gigantisch voelen
Hoewel we bijna betoverd worden
door het lawaai beneden,
horen we soms het gefluister van de dorpen,
en soms geloven we er iets van,
en springen we
als Superman

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Silke Scheuermann (Karlsruhe, 15 juni 1973)

 

De Franse schrijver,  essayist en journalist Olivier Guez werd geboren op 15 juni 1974 in Straatsburg. Zie ook alle tags voor Olivier Guez op dit blog.

Uit: Mesopotamië (Vertaald door Tatjana Daan)

“Basra, maart 1916
Miss Ben veegt op de drempel van de hal haar bemodderde rijglaarsjes schoon en slaat met een geërgerd gebaar de zwerm mugjes weg die om haar heen cirkelt. Een Somalische boy, gekleed in een tuniek en met een tulband op, snelt blootsvoets toe om haar schoudermantel en paraplu over te nemen. Hij verzoekt haar hem te volgen, Sir Percy Cox wacht op haar in zijn kantoor. Hij is die ochtend van zijn dienstreis teruggekeerd. Lang en mager, blauwe doordringende ogen: Cox is niet veranderd sinds hun laatste ontmoeting bij gemeenschappelijke vrienden in Londen, zeven jaar terug. Zijn golvende haar is misschien grijzer geworden, maar hij lijkt niet erg verouderd en ziet er in zijn uniform nog altijd even deftig uit. Op zijn kraag herkent Miss Bell de dubbele witte lipjes van de politiek officieren van het Brits-Indische leger. Na in Somalië, Perzië en verschillende emeritaten aan de Perzische Golf te hebben gediend is de eenenvijftigjarige Cox, doorgewinterd dienaar van het Britse Rijk, het hoofd van het civiel bestuur in het bezette Mesopotamië. Cox, vermaard om zijn tact en zijn onverstoorbaarheid, betoont zich zijn reputatie die middag onwaardig. Verscholen achter een stapel topografische kaarten en luchtfoto’s bepotelt hij onder een portret van koning George v zijn snor en scheldt op de regen die aanhoudend op het dak van zijn hoofdkwartier roffelt, een gebouw dat is opgetrokken langs een stinkend kanaal waaruit het oorverdovende gekwaak van kikkers en padden opklinkt, het vaste winterse deuntje van Basra, de op palen gebouwde stad aan het estuarium dat Perzië van Mesopotamië scheidt. Er heerst chaos, heeft Miss Ben vastgesteld in de week dat ze in de stad is. De logistiek van het Brits-Indische leger faalt, de Britten tasten rond in onzekerheid, improviseren, hebben aan alles een tekort. Het is moeilijk, zo niet onmogelijk, de honderdduizenden paarden, soldaten, artsen en brahmanen die aan land zijn gekomen te herbergen en dit grote leger van het Oosten te bevoorraden, bij gebrek aan loodsen en koelinstallaties voor de bederfelijke voedingswaren. Het zuiden van Mesopotamië heeft alleen dadels, wat groenten en vee te bieden, dus alles moet uit India, worden geïmporteerd. Maar de oude handelsstad is niet uitgerust om het eskader onder te brengen dat in haar wateren ronddobbert. De haven zit vol, de grote vaartuigen gaan op volle zee voor anker. Onder wolkbreuken en een verzengende zon zijn uren, zelfs dagen nodig om mensen, dieren, goederen en munitie op kleinere transportmiddelen als gondels en ranke kaïks over te schepen en naar de drabbige, van vliegen en muggen vergeven oevers te brengen. Miss Bell heeft het aan den lijve ondervonden en tijdens de overtocht is ze door haar kousen heen in haar benen gestoken. Ze heeft onderweg opgemerkt dat het enige hospitaalschip overvol is en dat de stroom aan bootjes nog lang niet ophoudt.”

 

Olivier Guez (Straatsburg, 15 juni  1974)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 15e juni ook mijn blog van 15 juni 2021 en eveneens mijn blog van 15 juni 2019 en ook mijn blog van 15 juni 2017 deel 1 en eveneens deel 2.

Alex Boogers, Silke Scheuermann

De Nederlandse schrijver Alex Boogers werd geboren op 14 juni 1970 in Vlaardingen. Zie ook alle tags voor Alex Boogers op dit blog.

Uit: De honden die we zijn (Samen met Leon Verdonschot)

“Ik weet niet meer precies hoe oud ik was toen we weer op vakantie naar Limburg gingen en ik Tobie leerde kennen. Voor mij was Limburg het enige ‘buitenland’ dat ik de eerste zestien jaar van mijn leven kende. Elke vakantie probeerde ik in een grot een stuk mergel los te bikken en als een schat mee te nemen naar onze tent, waar ik een kunstwerk van het zachte gesteente hoopte te maken. Mijn moeder brulde elke keer dat ik niet te ver de grotten in mocht, omdat ik anders zou verdwalen. “Laat dat kind!” zei mijn vader: “Zo wordt het tenminste een vent.”
“Wat? Als hij verdwaalt in een grot?” Mijn vader keek mijn moeder hoofdschuddend aan. ”Als hij zijn weg vindt,” zei hij, en daarna zette hij het flesje bier weer aan zijn mond, en keek hij naar de andere campinggasten, die aan het badmintonnen waren, lagen te sudderen in de zon of die de barbecue in de fik probeerden te steken. We gingen elk jaar naar een veld in Meerssen dat eigendom was van een boer die wat extra geld wilde verdienen en een bord in de grond had gestoken met daarop de nieuwe functie van het veld: ‘CAMPING’. Nadat we de camping hadden bereikt, zei mijn moeder: “Wat een achenebbisj! Dit is gewoon een boerenveld.” “Een paradijs”, zei mijn vader glunderend. “En goedkoop!” De locatie was gunstig gelegen, tegenover het bos en de grotten, aan de rand van de rivier de Geul, omringd door koeien die ons elke ochtend wakker loeiden. Het veld was hobbelig door de vele molshopen, en als de wind verkeerd stond, dan rook je de stank van koeienvlaaien. De boer had bij zijn huis provisorisch vier douches aangelegd en in een gat in de grond een betonnen kikkerbad laten storten waar de kinderen konden zwemmen en spelen.
Tijdens een van onze eerste vakanties op de camping werden we elke ochtend begroet door een hond die langs de tenten zwierf en om wat eten bedelde. Toen ik voor de tent aan het spelen was kwam hij ineens aanwandelen en bekeek hij wat ik aan het doen was. Misschien wilde hij weten of er iets te bietsen viel. Hij liet zich moeilijk aanhalen en bleef mij op afstand gadeslaan. Ik vroeg aan mijn vader, die met zijn blote, harige buik voor de opening van de tent stond, wat voor hond het was. “Dat is geen hond, dat is een rat,” zei hij.”Misschien is het een poedel,’ zei ik.”

 

Alex Boogers (Vlaardingen, 14 juni 1970)
Alex Boogers en Leon Verdonschot

 

De Duitse dichteres en schrijfster Silke Scheuermann werd geboren op 15 juni 1973 in Karlsruhe. Zie ook alle tags voor Silke Scheuermann op dit blog.

 

Het appartement

In mijn tweede kamer
sliep heel schattig
een kerkhof toen ik
’s avonds terugkwam
De meubels zijn bleek en al lang tamelijk koud
Ze verspreiden nog steeds een vleugje
lavendelgeur

Ik besteed al lang geen aandacht meer
aan de crisissen in mijn kamer
Kamers doen constant alsof ze dood zijn
ze willen niet eens
mijn bomen terug
naar het raam transporteren
ze weigeren hardnekkig
mij meer te bieden

dan de winterromantiek van de kasten
een appartement vol ijskoude kleren
geplooide gordijnen
en massa’s motten
uitgerekend deze insecten

Ik moet me tevredenstellen
met hun kleine moorden
in het weefsel van de tijd

kan zolang
kussens en poppen
je voodoo-gezicht geven

af en toe een mot doodslaan
die zich in de stof vreet

Ik zal ’s morgens met
mijn tweede kamer

ontwaken om me heen kijken, me eenzaam voelen
en weer in slaap vallen

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Silke Scheuermann (Karlsruhe, 15 juni 1973)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 13e juni ook mijn blog van 13 juni 2021 en ook mijn blog van 13 juni 2020 en eveneens mijn blog van 13 juni 2019 en ook mijn blog van 13 juni 2017 en mijn blog van 13 juni 2015 deel 1 en eveneens deel 2.

Thomas Heerma van Voss, Silke Scheuermann

De Nederlandse schrijver Thomas Heerma van Voss werd geboren in Amsterdam op 13 juni 1990. Zie ook alle tags voor Thomas Heerma van Voss op dit blog.

Uit: Ultimatum

“4 maart
Op Aswoensdag begon het gedenken, het vasten en het overpeinzen. Vandaag werd er gezondigd. Voor het Café du Monde stonden lange rijen; mannen en vrouwen uitgedost met boa’s, kleurrijke pruiken, eindeloos veel kralenkettingen. Iets verderop, in Bourbon Street, trokken toeristen en stedelingen over de natte straatstenen. Linten van rode lampjes en lampionnen hingen tussen de huizen, cocktails in groene bekers gingen van hand tot hand, vrouwen met ontbloot bovenlichaam lieten hun borsten aanraken in ruil voor absint. En toen de zoveelste hoosbui over de stad raasde, trok iedereen zich terug in cafés of schuilde onder een afdakje. Alle chaos die er in een mensenleven te vinden was, kwam hier samen, op deze ene avond. Mardi Gras, Vette Dinsdag, in New Orleans. Het was iets over elven toen Nathalie Underwood, in een witte spijkerbroek en een wit hemdje met glitters op de schouders, zich langs een groepje studenten wrong, richting de bar van Café du Monde. Ze bestelde een Sazerac, extra bourbon. Toen ze een hand op haar schouder voelde, verstijfde ze en keek achterom.
Een paar seconden stonden ze, te midden van al dat geruis, roerloos tegenover elkaar, Nathalie en de man verkleed als skelet. Zwart textiel maskeerde zijn lichaam, de getekende botten waren fluorescerend wit. Om zijn nek hing een ketting van afgestreken lucifers. Langzaam trok hij zijn masker af. Nathalie keek schichtig om zich heen, niemand besteedde aandacht aan hen. “Ik wist niet dat jij het was,” zei ze. Waar is jouw masker?” “Daar had ik geen zin in. Waarom wilde je hier afspreken?” ”Ik wil je iets in de buurt laten zien. Een halfuurtje rijden, hooguit. Mijn auto staat in een zijstraat.” Om hen heen klonk ‘When the Saints Go Marching In’, een zwalkende uitvoering. “Binnen een uur wil ik terug zijn,”zei ze. “Ik wil zo min mogelijk missen.” “Je zult niets missen, dat beloof ik.” Hij trok zijn masker weer over zijn hoofd, Nathalie liet haar Sazerac op de bar staan en nam van niemand afscheid.
Louisiana. Beekjes en rivieren kronkelen als opgezette aderen door de dalen, met op de achtergrond de fabriekstorens die dag en nacht roken. Akkers staan blank, riet groeit net zo lang tot de deining het doet knakken. En heel af en toe doorkruist een eenzame auto het landschap, als een vlieg die over een landkaart kruipt. “Kun je wel goed zien met dat masker op?” vroeg ze. “Mijn ogen zijn vrij.”

 

Thomas Heerma van Voss (Amsterdam, 13 juni 1990)

 

De Duitse dichteres en schrijfster Silke Scheuermann werd geboren op 15 juni 1973 in Karlsruhe. Zie ook alle tags voor Silke Scheuermann op dit blog.

 

Acacia

Zo bescheiden dat zelfs de zon
de betekenis van trots in twijfel trekt, maar ongeduldig,
oh ja, zelfs de uitspraken die ze doet
over de winter zijn ademloos,
een ruisen dat weinig met wind te maken heeft,
meer met taal, stille kracht. Ze
kunnen allemaal als beloftes worden gelezen. Geven aan
dat de Serengeti slechts een halte in een
spannend leven was en dat ze nu hier
haar paraplu uitspreidt, silhouet van
veiligheid. Niets eindigt snel genoeg,
geen enkele dag: er is alleen ongeduld, wachten –
totdat de zon eindelijk in slaap valt.
Samen met haar bewering: wachten, dat
maakt niet uit, wachten is overgang.
De natuur is niet donker,
de wereld is donker.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Silke Scheuermann (Karlsruhe, 15 juni 1973)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 13e juni ook mijn blog van 13 juni 2021 en ook mijn blog van 13 juni 2020 en eveneens mijn blog van 13 juni 2019 en ook mijn blog van 13 juni 2017 en mijn blog van 13 juni 2015 deel 1 en eveneens deel 2.

Christoph Meckel

De Duitse dichter, schrijver en graficus Christoph Meckel werd geboren op 12 juni 1935 in Berlijn. Zie ook alle tags voor Christopher Meckel op dit blog.

Uit: Suchbild. Über meinen Vater

„Mit Zuverlässigkeit und Pedanterie verwaltete er die eigene Lebenszeit. Alles Gelebte zu den Papieren. Er archivierte.
Er sammelte und pflegte mit Feingefühl. Ordnete, stapelte, bündelte, legte ab und bewahrte auf. Erinnerte, sichtete, reinigte und hielt zusammen.
Spinneneifer setzte die Daten seiner Biographie zueinander in Beziehung und nahm sie zum Anlaß für die beständige Frage, was vor sieben Jahren gewesen sei und was in wiederum sieben Jahren sein würde. Die Kopfschmerzen dieses Tages und Adalbert Stifters Geburtstag; das Weinglas dieses Abends und eine Zecherei in Blansingen vor zehn Jahren. Gleichermaßen konkret und irrational wurde dem Tageskalender Vergangenes als Folie unterlegt, wurde tote Zeit mit lebendiger Zeit verflochten. Seine Witterung für Vergangenes war untrüglich. Melancholische Verlebendigung.
Er sammelte Zeitungsausschnitte, Familienfotos, Rechnungen und Durchschläge aller Art. Er bündelte die Briefe seiner Familie, seiner Freunde und Bekannten, Gratulationen, Danksagungen, Rundschreiben und obskure Drucksachen.
Über die nötige Aktenordnung hinaus sammelte er selbstverfaßte Artikel und die Rezensionen anderer, seine Themen betreffend. Er hortete Hölzer, Steine und Trambahnbillette, sammelte die ersten oder letzten Ahornblätter des Jahres und ließ sie als Lesezeichen in Büchern zurück, versehen mit Datum und Ortsangabe. Er sammelte Bilder von Malern seiner Landschaft (Bizer, Scherer, Dinkelsbühler), Konzerteinladungen, Plakate und Ahnentafeln sowie Dokumente aller Art über Großväter, Tanten, Kusinen und ferne Verwandte. Er notierte die Todestage, Hochzeitstage, Geburtstage und Namenstage seiner Freunde, ihre Unfälle, Glücksfälle, Krankheiten und Telefonanrufe. Er verzeichnete die Todesursachen aller vom Hörensagen bekannten Leute und die Tode von Filmschauspielern, die er vor dreißig Jahren bewundert hatte.
Schubladen voll gebräunter Papierpakete. Er notierte Träume, Begegnungen mit Bekannten, die beiläufigen und die erfüllten Gespräche, Ergebnisse von Tennisspielen, Schießübungen und Blutsenkungen. Er notierte Vollmondnächte und Sternfall, sammelte die Locken seiner Kinder, verzeichnete die Zahl getrunkener Schoppen und das tägliche Wetter: Hochdruck, Tiefdruck und Körperreaktion; Regen und Föhn und die entsprechende Stimmung. Wetterkataloge, gesammelter neige d’antan aus vier Jahrzehnten. Speisezettel, Waschzettel, Flugscheine, Hotelrechnungen und Kinoprogramme.“

 

Ruimte

Sinds hij ademhaalde, zijn naam kende,
haalde hij goden naar zich toe op aarde,
plaatste hij lokvogellichamen op rotsen en aan de kust,
………………beelden, aas van steen, onbeweeglijk, stemloos,
die oneindigheid ontvingen
…………………………….in het ruisen van wind en branding,
en geen mens wist of er ooit een god was gekomen,
onontdekt bleef of een schaduw in het licht wierp.

De woede en de berusting van degenen op aarde lopen uit op niets.
Maar ze varen naar de beelden toe,
die aan de kust uit elkaar vallen, verwachten van de godheid niets,
en herkennen de zeevogel, altijd dezelfde,
zijn roep in de wind zonder uitleg.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Christoph Meckel (12 juni 1935 – 29 januari 2020)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 12e juni ook mijn blog van 12 juni 2020 en eveneens mijn blog van 12 juni 2019 en ook mijn blog van 12 juni 2016 deel 2.

William Styron, Christoph Meckel

De Amerikaanse schrijver William Styron werd op 11 juni 1925 in Newport News in de staat Virginia geboren. Zie ook alle tags voor William Styron op dit blog.

Uit: Set This House on Fire

“My name is Peter Leverett. I am white, Protestant, Anglo-Saxon, Virginia-bred, just past thirty, in’ good health, tolerable enough looking though possessing no romantic glint or cast, given to orderly habits, more than commonly inquisitive, and strongly sexed—though this is a conceit peculiar to all normal young men. I have lived and worked for the past few years in New York. It is with neither pride nor distress that I confess that—in the idiom of our time—I am something of a square. By profession I am a law-yer. I am ambitious enough to wish to succeed at my trade, but I am no go-getter and, being constitutionally unable to scrabble and connive, I suspect that I shall remain at that decent, mediocre level of attainment common to all my ancestors, on both branches of the tree. This is not, on the one hand, cynicism, nor is it, on the other, self-abasement. I am a realist, and I wish to tell you on good authority that the law—even in my drab province, where only torts, wills, and contracts are at stake—demands as much simple deviousness, as much shouldering-aside of good friends, as any other business. No, I am not up to it. I am stuck, so to speak, with my destiny and I am making the pleasant best of it. While maybe not as satisfying as the role of the composer I once had an idea I might try to play, it is more than several times as lucrative; besides, in America no one listens to composers, while the law, in a way that is at once subtle and majestic and fascinating, still works its own mu-sic upon the minds of men. Or at least I hope to think so. A few years ago, when I came back from Italy and Sambuco and took a job in a New York firm (somewhat second-rate, I must admit, and not on Wall Street yet laggardly nearby, which caused our office wits to suggest the slogan “Walk a block and save”)—several years ago I found myself in a really rather bad state. The death of a friend—especially under the circumstances that befell Mason Flagg, even more especially when one has been on the scene, witnessed the blood and the tumult and the shambles—is not something that can be shaken off easily at all. And this applies even when, as in my case, I had thought myself alienated from Mason and all that he stood for. I will come to Mason’s ending presently, and it will be described, I hope, in all its necessary truth; for the moment let me say only that it left me quite desperately stunned.”

 

William Styron (11 juni 1925 – 1 november 2006)

 

De Duitse dichter, schrijver en graficus Christoph Meckel werd geboren op 12 juni 1935 in Berlijn. Zie ook alle tags voor Christopher Meckel op dit blog.

 

Fluisteren

Dat je haar hebt gekust, met haar langs de kust
hebt gewandeld en de maan was er—
Dat je jurken voor haar hebt gekocht,, rokken en lijfjes
sieraden en gouden prullaria zoals de mijne, en zomerhoeden,
wijn uit de heuvels en lepels zilver—

En dat je haar een naam hebt geschonken,
nachtdruppel van mijn ziel, vogelblauw—
dat je met haar onderweg was in de heldere maand juni,
onvindbaar in de herfst, in aards onkruid —

Maar dat je met haar hebt gefluisterd
in de nacht, de kaars brandde, de uil riep—
Het is het gefluister. Het is het gefluister.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Christoph Meckel (12 juni 1935 – 29 januari 2020)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 11e juni ook mijn blog van 11 juni 2020 en eveneens mijn blog van 11 juni 2019 en ook mijn blog van 11 juni 2017 deel 2.

Jan Brokken, Christoph Meckel

De Nederlandse schrijver Jan Brokken werd geboren op 10 juni 1949 in Leiden. Zie ook alle tags voor Jan Brokken op dit blog.

Uit: De tuinen van Buitenzorg

 “Op een late zomermorgen hoor ik op de radio een pianostuk dat geschreven is door een componist van Poolse origine en de titel ‘De tuinen van Buitenzorg’ draagt. Een wonderbaarlijk mooi stuk van een minuut of vijf dat ik onmiddellijk associeer met het ruisen van palmen, een specifiek geluid dat, schreef mijn moeder ooit in een brief, aan harken doet denken, aan geduldig bladeren harken. Ik zet de radio harder en ben in één keer terug in de Kebun Raya Bogor, de majestueuze hortus botanicus van Bogor. Tot 1949, het jaar van de Indonesische onafhankelijkheid, heette het ’s Lands Plantentuin te Buitenzorg. Ik hoorde mijn ouders er verscheidene malen over praten, ofschoon met grote tussenpozen, om niet toe te geven aan het onmogelijke verlangen naar wat voorbij was. Aan het begin van hun veertienjarig verblijf in Indië brachten ze afwisselend vijf maanden in Batavia en zes weken in Buitenzorg door. Dankzij de ligging op driehonderd meter hoogte was Buitenzorg merkbaar koeler dan Batavia, ook al regende en onweerde het er erg vaak voelde de lucht klam aan. De natuur was van een overweldigende pracht. Terwijl mijn vader ‘nastudeerde’ aan de Hogere Theologische School in Buitenzorg, wandelde mijn moeder – nu ja, de jonge vrouw die mijn moeder zou worden – alle dagen in de tuinen. Of speelde dicht bij ’s Lands Plantentuin haar eerste potjes badminton, een sport die toen net populair aan het worden was in Azië en door zowel vrouwen als mannen werd beoefend, al dan niet in gemengd dubbel, wat huiveringwekkend modern was in die jaren. Badminton wordt meestal binnen gespeeld vanwege de windgevoeligheid van de shuttle, maar in de nabijheid van zoveel palmen en bamboehagen in Buitenzorg deed mijn moeder het buiten. Olga was in 1935 een vrouw – ik zou bijna schrijven: een meisje – van drieëntwintig voor wie het leven plotseling vaart en diepgang begon te krijgen en voor wie de ene na de andere wereld openging, in een bijna duizelingwekkend tempo. Vierenveertig jaar later, toen ik op het punt stond naar Indonesië te vertrekken, vertelde ze me dat ze in de tuinen van Buitenzorg op slag verliefd was geraakt op de tropen, niet alleen gevoelsmatig maar ook zintuiglijk door alle peuren. De omvang van de hortus botanicus was enorm, zevenentachtig hectare, en ’s Lands Plantentuin liep over in de paleistuin van de Gouverneur-Generaal, waardoor het geheel nog veel groter oogde. Wandelend langs vijvers, met waterlelies zo groot en fel van kleur dat ze als vuurwerk uit het water leken te schieten, begon ze iets van de uitzinnigheid van de tropen te begrijpen.”

 

Jan Brokken (Leiden, 10 juni 1949)

 

De Duitse dichter, schrijver en graficus Christoph Meckel werd geboren op 12 juni 1935 in Berlijn. Zie ook alle tags voor Christopher Meckel op dit blog.

 

Ogen

Opgedragen aan de nagedachtenis van Klabund

De ogen van de gezonden
zien de wereld
tot aan de rand van de Atlantische Oceaan,
de ogen van de zieken
zien dwars door de wereld heen
tot aan het punt waar de schittering
van de noorderlichtflitsen ophoudt.

De blikken van de doden
overzien de hele aarde
en herkennen zelfs de ouder wordende engelen
die zich, achter de sleutelgaten,
stilletjes verdringen om een blik
in mijn verbijsterde ogen te werpen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Christoph Meckel (12 juni 1935 – 29 januari 2020)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 10e juni ook mijn blog van 10 juni 2024 en ook mijn blog van 10 juni 2021 en ook mijn blog van 10 juni 2020 en eveneens blog van 10 juni 2019 deel 1 en eveneens deel 2.

Maarten Doorman, Marie Howe

De Nederlandse dichter, schrijver, criticus en filosoof Maarten Doorman werd geboren op 9 juni 1957 in Medina Sidonia (Spanje). Zie ook alle tags voor Maarten Doorman op dit blog.

 

Zolderpanorama

I Eerste maandag

De daken varen langzaam door de lucht
met een teveel aan schoorstenen.
Meeuwen willen er niet aan
en ontlenen aan dat misverstaan
de snellere beweging van hun vlucht.

Hoor de sirene.

 

II Nacht

Op zee is het zo niet donker
en zijn de lichtjes hoger
dan het geflonker hier onder de golven.
En al vloog er zojuist nog een witte vogel,
het water van de nacht heeft nu
een leven bedolven dat huiverend schijnt

op antennes en de lijst van een huizenromp.
Geen ster, geen sirene die de koers bepaalt.
Ochtend kom voor de maan daalt.

 

III Grindpaden

Rondom de platte daken in de zon:
weinig hebben ze te maken met
het darmgerommel uit de stad,
met het gegons veraf van de straten.
Meeuwen weten dat, eksters
en wat spreeuwen op een schoorsteen.

Wind waait straf
over grindpaden
tussen gazons van lucht,
waait strak
als tijd door een kalender.

Wind polijst het licht.
Hier begint straks een wandeling
naar steeds ontwender onderdak,
weg van zicht op overzicht.

Vogels is het hierboven bekend.
Toch laten ze achteloos ook
zich vallen als was in de grond
iets van hun gading en waren niet zij
tot die bodem bestemd.

 

Maarten Doorman (Medina Sidonia, 9 juni 1957)

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Amerikaanse dichteres Marie Howe werd geboren op 18 oktober 1950 in Rochester, New York. Zie ook alle tags voor Marie Howe op dit blog.

 

Laagtij, eind augustus

Die laatste zomer, toen alles bijna altijd vreselijk was,
waadden we op een late namiddag de baai in, toen het tij
bijna helemaal was teruggetrokken.

We gingen in het water zitten, tot aan onze middel.
Ik dreef op zijn schoot, met mijn gezicht naar hem toe, mijn benen om hem heen.
En we vrijden in stilte,

en bleven zo losjes met elkaar verbonden, zonder te bewegen,
maar wel meegevoerd door het zacht zuigende en klotsende water,
totdat het tij zijn einde bereikte en langzaam weer begon terug te stromen.

Enkele kinderen renden achter elkaar aan, gierend in het ondiepe water, dichtbij maar niet té dichtbij.

Ik liet mijn kin op zijn schouder rusten en keek naar de kust.
Hij moet over mijn schouder hebben gekeken, naar waar het water
dieper werd en de kleine bootjes aan hun ankers trokken.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Marie Howe (Rochester, 18 oktober 1950)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 9e juni ook mijn blog van 9 juni 2020 en eveneens mijn blog van 9 juni 2019 en ook mijn blog van 9 juni 2018 deel 2.

Marguerite Yourcenar, Marie Howe

De Belgisch-Amerikaanse, Franstalige schrijfster Marguerite Yourcenar werd geboren in Brussel op 8 juni 1903. Zie ook alle tags voor Marguerite Yourcenar op dit blog.

Uit: Herinneringen van Hadrianus (Vertaald door Jenny Tuin)

Beste Marcus,
Vanmorgen ben ik bij mijn arts Hermogenes geweest, die net van een vrij lange reis door Azië in de Villa is teruggekeerd.
Ik moest nuchter zijn voor het onderzoek; we hadden een afspraak gemaakt voor de eerste ochtenduren.
Na me van mijn mantel en tunica te hebben ontdaan ben ik op een bed gaan liggen.
Ik bespaar je allerlei bijzonderheden die voor jou even onaangenaam zouden zijn als voor mezelf, en ook de beschrijving van het lichaam van een ouder wordende man die op weg is te sterven aan waterzucht door hartzwakte.
Laat ik alleen zeggen dat bewustzijn heb gehoest, gezucht en mijn adem heb ingehouden volgens de aanwijzingen van Hermogenes, die zijns ondanks verontrust was over de zo snelle voortschrijding van de kwaal en de schuld ervan probeerde af te schuiven op de jonge Lollas, die me tijdens zijn afwezigheid heeft behandeld.
Het is moeilijk in het bijzijn van een arts keizer te blijven, moeilijk ook je menselijke waardigheid te behouden. Het oog van de medicus zag in mij niets anders dan een hoop lichaamssappen, triest mengsel van lymfe en bloed.
Vanmorgen is voor het eerst de gedachte in me opgekomen dat mijn lichaam, die trouwe metgezel, die vriend, zekerder en mij beter bekend dan mijn ziel, ) veeleer een geniepig monster is dat op een gegeven moment zijn meester zal verslinden. Het zij zo…
Ik houd van mijn lichaam; het heeft me goed gediend, in alle opzichten, en ik wil het de nodige zorgen niet ontzeggen. Maar ik reken niet meer, zoals Hermogenes nog voorwendt te doen, op de wonderdadige krachten van planten of de juiste dosering van minerale zouten die hij in het Oosten is gaan zoeken.
Die anders toch zo fijnzinnige man heeft me ter bemoediging allerlei vage formules opgedist, te banaal om wie dan ook te bedotten; hij weet hoezeer ik dat soort bedrog haat, maar je kunt nu eenmaal niet ongestraft meer dan dertig jaar de geneeskunde beoefenen. Ik vergeef die goede dienaar deze poging om mijn dood voor me te verdoezelen. Hermogenes is bekwaam; hij is zelfs wijs; zijn integriteit staat ver boven die van een gewone hofarts.
Ik zal het voorrecht genieten de best verzorgde aller zieken te zijn. Maar niemand kan de gestelde grenzen overschrijden; mijn gezwollen benen houden me tijdens de lange plechtigheden in Rome niet meer staande; ik snak naar adem, en ik ben zestig jaar.”

 

Marguerite Yourcenar (8 juni 1903 – 17 december 1987)

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Amerikaanse dichteres Marie Howe werd geboren op 18 oktober 1950 in Rochester, New York. Zie ook alle tags voor Marie Howe op dit blog.

 

De koperbeuk

Immens, helemaal zichzelf,
droeg hij de tuin als een jurk,

met takken die laag genoeg hingen zodat ik erin te komen
en de kromme ladder kon beklimmen naar

waar ik tegen de stam kon leunen en kon oefenen in alleen zijn.

Op een dag hoorde ik het geluid voordat ik het zag, regen viel
en maakte het trottoir donker.

Zittend dicht bij het midden, niet erg hoog in de takken,
hoorde ik het geluid op de hoge bladeren vallen, en ik was blij,

en keek naar wat er gebeurde zonder dat het mij overkwam.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Marie Howe (Rochester,  18 oktober 1950)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 8e juni ook mijn blog van 8 juni 2020 en eveneens mijn blog van 8 juni 2019 en ook mijn blog van 8 juni 2018 en eveneens mijn blog van 8 juni 2017.

A Trio of Sonnets for Corpus Christi (Malcolm Guite), Orhan Pamuk, Nikki Giovanni

 

 

De Sacramentsprocessie door Hipolit Lipiński, 1881

 

A Trio of Sonnets for Corpus Christi

2. Hide and Seek

Ready or not, you tell me, here I come!
And so I know I’m hiding, and I know
My hiding-place is useless. You will come
And find me. You are searching high and low.
Today I’m hiding low, down here, below,
Below the sunlit surface others see.
Oh find me quickly, quickly come to me.
And here you come and here I come to you.
I come to you because you come to me.
You know my hiding places. I know you,
I reach you through your hiding-places too;
Touching the slender thread, but now I see –
Even in darkness I can see you shine,
Risen in bread, and revelling in wine.

 

Malcolm Guite (Ibadan, 12 november 1957)
De Dominicaanse Kapel in Ibadan

 

De Turkse schrijver Orhan Pamuk werd geboren op 7 juni 1952 in Istanbul. Zie ook alle tags voor Orhan Pamuk op dit blog.

Uit: De heer Cevdet en zonen (Vertaald door Veronica Divendal)

“Ochtend ‘Mijn pyjama, mijn rug… de hele klas… de lakens… o, mijn hele bed is doorweekt! Ja, alles is drijfnat en ik ben wakker!’ murmelde meneer Cevdet. Alles was inderdaad kletsnat, net als even tevoren in zijn droom. Hij draaide zich met een snurk om in zijn bed, herinnerde zich de droom en rilde. In zijn droom zat hij tegenover de meester in de klas op de jongensschool in Kula. Hij tilde zijn hoofd op van het natte kussen en kwam overeind. Ja, we zaten tegenover de meester. De hele school stond tot kniehoogte onder water,’ mompelde hij. ‘Hoe was dat ook weer gekomen? O ja, het dak van de school lekte. Het zoute water dat door het plafond kwam, stroomde over mijn gezicht en borst en langzaam liep de vloer van het lokaal vol. De meester wees voor de ogen van de hele klas met zijn stokje naar mij en zei: “Dat komt allemaal door die Cevdet.” ‘ Huiverend zag hij weer levendig voor zich hoe de meester naar hem had gewezen, hoe zijn klasgenoten zich en masse beschuldigend naar hem toe hadden gedraaid en hem met minachting hadden bekeken, het ergst van allemaal nog wel zijn twee jaar oudere broer. Maar de meester, die in staat was om zonder met de ogen te knipperen de hele klas bij elkaar tot lijfstraf te veroordelen en die je met een slag van zijn stok buiten westen kon slaan, kon zich er op de een of andere manier niet toe zetten hem te straffen voor het water dat van het plafond naar beneden kwam. Ik was anders dan alle anderen, ik was alleen en werd met minachting bekeken, herinnerde meneer Cevdet zich. Maar niemand durfde aan mij te komen, al liep op dat moment de hele school werkelijk vol water! Plotseling sloeg de vreselijke droom om in een leuke en aangename herinnering: ik was anders, een eenling, maar ze konden mij niet straffen. Terwijl hij uit bed stapte, herinnerde hij zich hoe hij op een keer op het dak van de school was geklommen en dakpannen had vernield. Ik had dakpannen kapotgegooid. Hoe oud zal ik zijn geweest? Zo’n jaar of zeven. Nu ben ik zevenendertig, verloofd en bijna getrouwd.”

 

Orhan Pamuk (Istanbul, 7 juni 1952)

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Nikki Giovanni werd geboren op 7 juni 1943 in Knoxville, Tennessee. Zie ook alle tags voor Nikki Giovanni op dit blog.

 

Toegestane dingen

Ik heb een spin gedood
Geen moordlustige bruine kluizenaarspin
En zelfs geen zwarte weduwe
En om je de waarheid te zeggen
Was het maar een kleine
Soort papierachtige spin
Die had moeten wegrennen
Toen ik het boek oppakte
Maar dat deed ze niet
En ze maakte me bang
En ik heb haar doodgeslagen

Ik denk niet
Dat het is toegestaan

Om iets te doden

Omdat ik

Bang ben

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Nikki Giovanni (7 juni 1943 – 9 december 2024)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 7e juni ook mijn blog van 7 juni 2020 en eveneens mijn blog van 7 juni 2019 en ook mijn blog van 7 juni 2015 deel 2.

Thomas Mann, Nikki Giovanni

De Duitse schrijver Thomas Mann werd geboren in Lübeck op 6 juni 1875. Zie ook alle tags voor Thomas Mann op dit blog.

Uit: Mario und der Zauberer

„Ernstlich, man soll im September nach Torre di Venere gehen, wenn das Bad sich vom großen Publikum entleert hat, oder im Mai, bevor die Wärme des Meeres den Grad erreicht hat, der den Südländer dafür gewinnt, hineinzutauchen. Auch in der Vor- und Nachsaison ist es nicht leer dort, aber gedämpfter geht es dann zu und weniger national. Das Englische, Deutsche, Französische herrscht vor unter den Schattentüchern der Capannen und in den Speisesälen der Pensionen, während der Fremde noch im August wenigstens das Grand Hôtel, wo wir mangels persönlicher Adressen Zimmer belegt hatten, so sehr in den Händen der florentinischen und römischen Gesellschaft findet, dass er sich isoliert und augenblicksweise wie ein Gast zweiten Ranges vorkommen mag.
Diese Erfahrung machten wir mit etwas Verdruss am Abend unserer Ankunft, als wir uns zum Diner im Speisesaal einfanden und uns von dem zuständigen Kellner einen Tisch anweisen ließen. Es war gegen diesen Tisch nichts einzuwenden, aber uns fesselte das Bild der anstoßenden, auf das Meer gehenden Glasveranda, die so stark wie der Saal, aber nicht restlos besetzt war, und auf deren Tischchen rotbeschirmte Lampen glühten. Die Kleinen zeigten sich entzückt von dieser Festlichkeit, und wir bekundeten einfach den Entschluss, unsere Mahlzeiten lieber in der Veranda einzunehmen – eine Äußerung der Unwissenheit, wie sich zeigte, denn uns wurde mit etwas verlegener Höfl
ichkeit bedeutet, dass jener anheimelnde Aufenthalt »unserer Kundschaft«, »ai nostri clienti«, vorbehalten sei. Unseren Klienten? Aber das waren wir. Wir waren keine Passanten und Eintagsfliegen, sondern für drei oder vier Wochen Hauszugehörige, Pensionäre. Wir unterließen es übrigens, auf der Klarstellung des Unterschiedes zwischen unsersgleichen und jener Klientele, die bei rotglühenden Lämpchen speisen durfte, zu bestehen und nahmen das Pranzo an unserm allgemein und sachlich beleuchteten Saaltische – eine recht mittelmäßige Mahlzeit, charakterloses und wenig schmackhaftes Hotelschema; wir haben die Küche dann in der Pensione Eleonora, zehn Schritte landeinwärts, viel besser gefunden.“

 

Thomas Mann (6 juni 1875 – 12 augustus 1955)

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Nikki Giovanni werd geboren op 7 juni 1943 in Knoxville, Tennessee. Zie ook alle tags voor Nikki Giovanni op dit blog.

 

Laurierblaadjes

Ik keek toe hoe mama
Kookte
Hoewel ik kookte
Met oma

Met oma leerde ik
Kippen plukken
Wortels schillen
Darmen binnenstebuiten keren
Varkenspoten schrobben

Met mama keek ik toe hoe ze
Restjes verwerkte voor stoofpot
Of groentesoep
Grote witte bonen
Een mix van boerenkool, rapen en mosterdgroenten maakte
Knoflookteentjes laurierblaadjes
Prachtig groen
Stevig en fris
Met een snufje zout
Niet alles tegelijk
Altijd, maar toch altijd
Alles bewaren

Ik maak mijn eigen
Unoxsoep in een slow cooker
Ik maak mijn eigen ijs met een snufje zout
En al het andere
Met knoflook
Maar verse laurierblaadjes
Gebruik ik alleen voor heel speciale
Ossenstaarten

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Nikki Giovanni (Knoxville, 7 juni 1943)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 6e juni ook mijn blog van 6 juni 2020 en eveneens mijn blog van 6 juni 2019 en ook mijn blog van 6 juni 2015 deel 2.