De Nederlandse schrijver Sander Kok (ook bekend fotomodel) werd geboren in Arnhem op 31 augustus 1981. Zie ook alle tags voor Sander Kok op dit blog.
Uit: Oorlog zonder vrede (Over Lodewijk van Deyssel)
“Het onaniedagboek is een pijnlijk werk, het verslag van een strijd, een kroniek van een serie verloren slagen, een belijdenis van een geloof dat zich niet laat doven. Van Deyssels hoop dat hij ooit door strenge zelfdisciplinering het beest van de onanie zal doden is onaantastbaar als dat van iemand wiens leven zonder het geloof door angst kapot zou gaan. Angst – waarvoor? De amateurpsycholoog in mij zegt: voor mislukking. Zijn ambities waren te groot voor één mens. Een in het zwart geklede man die met gespreide armen over een bureau met daarop een wereldkaart ligt, dat is Van Deyssel, als je zijn lijst met doelen, op twintigjarige leeftijd opgesteld, erbij pakt. Tientallen boeken zou hij schrijven. President zou hij worden. Zijn kuisheid, zijn strijd, staan die niet vooral in dienst van de zelfsabotage? Als de kunstenaar, het taalgenie, onverhoopt faalde bij het benaderen van zijn bovenmenselijke doelen, kwam dat doordat hij zich onzedelijk betast had, niet door gebrek aan talent. Daardoor kon hij doorgaan met die andere strijd, die van het schrijven. Van Deyssel is een mislukkingskunstenaar (zoals W.F. Hermans door zijn biograaf Willem Otterspeer werd genoemd). Hij verbeterde zich en sterkte zich en stutte zijn fragiele bouwwerk met de bespijkerde kokers die hij elke avond om zijn polsen bond. Goed. Maar waarom er een dagboek over bijhouden? En waarom het bewaren? Waarom heeft hij die vierhonderd bladen niet verscheurd of verbrand, voor de dood op zijn deur klopte? Niet uit nonchalance of verstrooidheid, daar was hij de man niet naar. Van Deyssel had zijn literaire nalatenschap al ruim voor zijn dood geregeld met zijn toen pas zeventienjarige biograaf, Harry G.M. Prick. Het onaniedagboek zat in een scheepskist met het weerdagboek, het slaapdagboek en talloze andere dagboeken. Waarom heeft de bejaarde, trotse Van Deyssel dat ene, schandelijke werkje in de scheepskist laten zitten? Om onze spektakelzucht te stillen? Van Deyssel was wel een beetje een provocateur. Maar toch. Hij was ook trots.”
grijze, grijze, grijze wanorde vanwaar geen trein vertrekt, waar een gigantische raaf zwart tussen de rails gaat zitten treinstation, dat is de koudste plek van allemaal, ’s nachts slaapt niemand
zie onze gezichten door zonde verscheurd en wanneer het station vertrekt, zie ons drinken gevangenschap drinken uit vuile glazen drinken tot de duivel komt, spreken tegen niemand en, ouder wordend, ons nog steeds verbazen over de gedachten van warrig haar
zomer, winter, eeuwen komen voorbij, ons raken ze niet, zie ons verblijven in de rook van de razende wachtkamers, een keer huilen, een paar keer lachen en luisteren wanneer buiten het raam een dronkaard als een gek een naam schreeuwt.
“Shall I go there?” “As you like— it will not matter; you are not at all important.” The words stuck to me like burrs. The path was hidden under the fallen leaves; and here and there the stream was choked. Where it forced a way the ripples flashed a second. She spoke unkindly but it was the truth: I shared the sunshine like a leaf, a ripple;
thinking of this, sunned myself and, for the moment, was content.
XII
There is nobody in the street of those who crowded about David to watch me as I dance before the Lord: alone in my unimportance to do as I like.
XIII
Your angry words—each false name sinks into me, and is added to the heap beneath. I am still the same: they are no part of me, which I keep; but the way I go, and over which I flow.
XIV The Bridge
In a cloud bones of steel.
XV God and Messenger
This pavement barren as the mountain on which God spoke to Moses— suddenly in the street shining against my legs the bumper of a motor car.
XVI
A beggar stretches out his hand to touch a fur collar, and strokes it unseen, stealing its warmth for his finger tips.
Charles Reznikoff (30 augustus 1894 – 22 januari 1976) Cover van een bundel essays over de poëzie van Charles Reznikoff
laat me een beetje nog sterven laat me in de stoel zitten met mijn hoofd achterover leunen mijn mond, mijn ogen wijd openen slap mijn armen laten hangen in mijn ogen laten vallen het licht van de lamp dan uitdoven
laat me een ogenblik nog sterven snel voordat jullie eeuwig leven, eindeloos licht in de wereld wekken een heel kort ogenblik nog laat me sterven, ach, gun me dat ik niet vergeet –
Ik hoorde van je hernia en dacht toen: kom, ik schrijf je! Bloeit mijn hortensia aan jou nog blauw? Weet je nog, hoe wij herfst in ons herbarium plakten?
En hoe heerlijk het schapen hoeden was om bij noodweer te gaan schuilen in de herdershut, waar we de eerste kus… door één boshutkus werd het onze geheime kusboshut, ach hoe dan ook…
Toen jij huppelend de hort op ging, snikte, hikte ik zo heftig, dat mijn hond een gat de lucht in schrok. Kapot! Kapot! Ik huilde hele bange dagen.
O liefje, waarom werd jouw hart zo zwaar, zo zwart. Het mijne is gebroken. Voor altijd zit ik aan je vast. Ik voel mijn bloed nog koken, want hoe hard ook je hart, des te zachter waren je hemelse handen.
voor eeuwig je Peter
0.00 / 2000
Ik weet nog van niks, maar zal honderd jaar duren. Ik ben dikke hoge muren aan de rand van een wijde zee, maar ik weet nog van niks en doe nergens aan mee.
Ik weet van niks, ik kan niet kijken. Ik ben de voorraad in een donkere kast. Ik sta te wachten op de tast. Ik ben voor later en niemand tot last.
Ik wil helemaal niets, ik heb geen oren. Ik rol alleen over, de rollende donder met donderkop en gevorkte tong. Maar ik heb nooit iets gezocht, want nooit iets verloren.
Ik ben een getal met veel nullen. Van een heel lege eeuw ben ik het begin. Jijzelf zal je eigen tijd moeten vullen. Ik niet! Waarom zou ik? Ik verroer zelden een vin.
Ik ben het gat in je trui, de kier tussen deuren, het donker in je neusgat, ik ben zonder kleuren. Niet wit en niet zwart leun ik tegen het raam overdag, in de nacht. Ik ben het gepiep in de kelder het gekraak op de zolder of – als je wilt – het geritsel onder je bed. Ik heb geen honger of dorst, geen pijn en geen pret. Ik kruip als je slaapt in je hoofd. Ik ben alles waar je niet in gelooft.
Ik ben zonder spijt en zonder verdriet, want ik weet nergens nog van en wil nog helemaal niks. Jou zeker niet!
Elma van Haren (Roosendaal, 29 augustus 1954) Cover
De eerste hoorn heft zijn arm over dauwglanzend gras en in de slavenverblijven is er bedrijvigheid – kinderen in schorten stouwen, maisbrood
en waterzakken grijpen, ontbijten met pekelvlees. Ik zie hoe ze de morgenschemering in worden gedreven terwijl hun meesteres slaapt als een ivoren tandenstoker
en hun Massa droomt van ezels, rum en slavenangst. Ik kan niet meer slapen. Bij de tweede hoorn krult de zweep over de ruggen van de laatkomers –
soms hoor ik daar onmiskenbaar mijn zusters stem. “O! Bid!” roept ze. “O! Bid!” In die dagen lag ik op mijn mat, rillend in de vroege warmte,
en nu de velden zich ontvouwen tot witheid, en als bijen uitzwermen over de vette bloemen, schrei ik. De zon is nog niet op.
De Nederlandse schrijfster, dichter en beeldend kunstenaar Maria Barnas werd geboren in Hoorn op 28 augustus 1973. Zie ook alle tags voor Maria Barnas op dit blog.
Schizo scherzo I’m Leavin’ Town Mama
Een Engelsman met prachtige ogen stemt mijn piano.
Hallo wereld.
I’ll do it very carefully, zegt hij.
Er vallen druppels en blaadjes uit de vlierbes die in de hoek van de tuin staat, sir, would you mind? Ik denk dat de boom ongeneeslijk ziek is.
We might have a slight problem here.
Wij.
Er is een vochtige zomer aangebroken in mijn hoofd, dear sir, een verlammende hitte. Weet u misschien raad? Ik weet niet wat verzengend in het Engels is. Would you like a drink?
Thank you so much.
How much? In Brussel at ik chocola uit goudblad en ik had smetteloze schoenen aan. In Parijs zat ik in een reuzenrad. Ik zou zo met u mee naar Londen gaan.
Of ik suiker heb. En melk.
De Engelsman speelt. Erbarme mich.
Dat is dat.
Dat is alles.
Thank you so much.
Hotel
Toen ik wakker werd was ik verliefd. Verschrikkelijk. Ik ben maar weer gaan slapen. Tien minuten? Een uur? Bij het ontwaken treurde ik om een verloren liefde.
Om indruk te maken op de mooie acteur aan mijn tafel zeg ik: de mooiste film die ik ooit zag heet Paradise Lost. De camera bewoog zich niet en alles was zwart-wit, vreemd als een paradijs, nee vreemder. De jongen zegt dat ik Stranger than Paradise bedoel. Ik concentreer me op het woord gereserveerd op mijn tafel tot de letters zwemmen voor mijn ogen en de wereld een vlek is.
De wereld, mijn wereld verhardt zich. Daar is geen twijfel over mogelijk. Er komt niet zozeer iets nieuws bij, als wel dat wat er is krimpt. Zich samenbalt, trekt en compact wordt. Kramp?
Bijvoorbeeld: een hoofd van klei wordt in een oven geschoven en zo heet gebakken dat het vocht eruit stoomt en het hoofd hard wordt en de grootte heeft van een gebalde vuist. Maar een beeld is breekbaar en dat geloof ik van de wereld niet.
Als wel, meneer. Ik droomde dat ik geneukt werd door twee mannen. Later zal ik hierover schrijven, als ik oud ben dacht ik. Ik ben oud en verlang twee mannen, tegelijkertijd.
Maar haal die hand uit je haar, ik weet dat je mooi bent.
Passie is het beste excuus dat ik ken om me aan het bestaan te onttrekken. Maar ik kan het niet uitspreken. Het is meer iets voor een acteur.
De acteur staat op, trekt zijn jas aan. Er is een wereld die op hem wacht.
De dag? Herdenking. Na de barbecue verschijnt papa met zijn meesterwerk — wervelende sneeuw, gelachtig licht. We juichen. Het recept is geheim en hij onderdrukt een glimlach, zijn pet omhoog zodat het slabbetje op een eend lijkt.
Die ochtend galoppeerden we door de met gras begroeide heuvels en noemden we elke steen naar een verloren melktand. Elke lik sorbet, later, is een wonder, zoals zout op een meloen dat hem zoeter maakt.
Iedereen is het erover eens: het is heerlijk! Het is precies zoals we ons hadden voorgesteld dat lavendel smaakt. De diabetische grootmoeder staart vanaf de veranda, een fakkel van pure weigering.
We dachten dat er niemand lag onder onze voeten, we dachten dat het een grap was. Ik heb geprobeerd me de smaak te herinneren, maar die bestaat niet. Nu begrijp ik waarom je de moeite nam, vader.
De Belgische dichter, schrijver en vertaler Tom Lanoye werd geboren te Sint-Niklaas op 27 augustus 1958. Zie ook alle tags voor Tom Lanoye op dit blog.
Uit: Het derde huwelijk
“Je trouwt met haar, je woont met haar, je leeft met haar. Maar raak haar aan en ik sla je morsdood.” De man die deze repliek ophoest, zit tegenover mij. Hij heeft zich ontpopt tot een mogelijke geldschieter. Onze ontmoeting in dit café is er gekomen op zijn initiatief. Ik heb hem nooit eerder in mijn leven gezien. Het is tien uur in de ochtend. En het licht is lelijk.
Zal ik zijn woorden boekstaven achter op een viltje van Maes Pils? Ik heb niets bij me om te schrijven. Je kunt een geldschieter moeilijk een potlood vragen om zijn eigen woorden neer te krabbelen. Hij lijkt me toch al geen man wie het te doen is om woorden. Het gaat hier om zijn toekomst. Dat heeft hij al drie keer gezegd. Het heeft weinig zin zo iemand te feliciteren met zijn verbaal talent. Je moet geldschieters sowieso niet feliciteren. Zeker niet als je ze nog maar een halfuur kent, als ze je binnen dat halve uur al iets hebben voorgesteld wat tegen de wet is en tegen je goesting, en waarvoor ze je net zo goed bedreigen. Dit had ik nog aan Gaëtan moeten kunnen vertellen. Die had zich bescheurd. `Zeg toch ja tegen die gast!’ De man en ik zijn de enige klanten in dit vergeethol. De verwarming staat amper aan, de ramen zijn in geen seizoen gelapt, buiten ligt de stad alweer op apegapen na de vroege spits van school en kantoor, het asfalt glimt, ik hoor in de verte de kusttram krijsen, er waggelt een matrone voorbij op een verroeste fiets, het schemert nog — of is dit de voorbode van nog meer hagel en zure regen? Ik voel walging opzetten, terwijl ik niet eens in de spiegel boven de lambrisering kijk. Ik zou de man een antwoord in het gezicht moeten wrijven. Ik zou niet weten wat. Kuchen brengt de oplossing. Kuchen is altijd goed. Alles wat uitstel koopt, is goed. De grondwet der survivors. Ik kuch twee keer.”
De dame droeg een japon Van lichtpaarse ribzijde En haar tunica met goudbrokaat Was samengesteld uit twee panden Die van haar schouders hingen
Als engelen dansten haar ogen Ze lachte ze lachte Haar gezicht was gekleurd als de Franse vlag Blauwe ogen witte tanden en haar lippen intens rood Haar gezicht was gekleurd als de Franse vlag
Haar hals was rond uitgesneden Ze had een Récamier-coiffure Met mooie blote armen
Zullen we nooit middernacht horen slaan De dame in de lichtpaarse japon In tunica met goudbrokaat Hals rond uitgesneden Wandelde haar rondjes Haar gouden band En slofte haar schoentjes met gespen voort
Zij was zo mooi Dat je niet van haar houden durven zou Ik hield van gruwelijke vrouwen in grote buitenwijken Waar nieuwe schepselen wel iedere dag verschenen IJzer dat was hun bloed en vuur dat was hun brein Ik hield ik hield van het volk dat handig met machines was Overvloed en schoonheid zijn niets meer dan hun schuim Die vrouw zij was zo mooi Dat ik bang van haar werd
Vertaald door Wouter van der Land
Guillaume Apollinaire (26 augustus 1880 – 9 november 1918)
De Britse schrijfster Paula Hawkins werd geboren op 26 augustus 1972 en groeide op in Salisbury (het huidige Harare in Zimbabwe) in Rhodesië. Zie ook alle tags voor Paula Hawkins op dit blog.
Uit: In het water (Vertaald door Ineke de Groot)
“Ik werd ergens wakker van. Ik stond op om naar de wc te gaan en zag dat de slaapkamerdeur van mijn ouders openstond. Toen ik naar binnen keek, zag ik dat mam niet in bed lag. Pap lag zoals altijd te snurken. Op de radiowekker zag ik dat het acht over vier was. Ik nam aan dat ze beneden zou zijn. Ze is een slechte slaper. Allebei nu wel, maar hij neemt zulke zware pillen dat je keihard in zijn oor kunt gillen en dan nog zou hij niet wakker worden. Ik liep heel stilletjes naar beneden, want normaal gesproken kijkt ze een tijdje naar van die megasaaie reclames op de tv voor apparaten waardoor je kunt afvallen of waarmee je de vloer kunt schoonmaken of groenten kunt snijden op heel veel verschillende manieren, en valt ze in slaap. Maar de tv stond uit en ze zat niet op de bank, dus moest ze wel de deur uit zijn gegaan. Dat heeft ze wel vaker gedaan, voor zover ik weet, maar ik houd verder niet bij waar ze de hele tijd zitten. De eerste keer zei ze dat ze wat was gaan wandelen om rustig te worden, maar de daaropvolgende keer dat ik wakker werd en merkte dat ze er niet was, keek ik naar buiten en zag ik dat haar auto niet zoals altijd voor de deur stond geparkeerd. Ze zal op die momenten wel langs de rivier gaan wandelen of naar Katies graf gaan, denk ik, want dat doe ik soms ook. Maar dan niet midden in de nacht. Ik ben bang in het donker, en het is ook eng, want Katie had hetzelfde gedaan: ze was midden in de nacht opgestaan, naar de rivier gelopen, en was nooit meer teruggekomen. Ik snap wel waarom mam het doet: zo kan ze dicht bij Katie zijn. Ze zit ook weleens in Katies slaapkamer. Dat weet ik, omdat Katies kamer aan de mijne grenst en ik mam kan horen huilen. Ik zat op de bank op haar te wachten, maar ik moet in slaap zijn gevallen, want toen de deur openging, was het al licht buiten en gaf de klok op de schoorsteenmantel aan dat het kwart over zeven was. Mam deed de deur achter zich dicht en haastte zich de trap op naar boven. Ik ging achter haar aan. Ik bleef voor hun slaapkamerdeur staan en keek door de kier naar binnen. Ze zat op haar knieën aan paps kant naast het bed en ze was rood aangelopen, alsof ze had gerend. Ze haalde zwaar adem en zei: ‘Wakker worden, Alec, wakker worden: Ze schudde hem heen en weer. <Nel Ab-bon is dood: zei ze. ‘Ze lag in het water. Ze is erin gesprongen: Ik geloof niet dat ik iets zei, maar ik moet toch geluid hebben gemaakt, want ze keek me aan en kwam haastig overeind. `Q Josh: zei ze, terwijl ze naar me toe liep. ‘0, Josh. De tranen stroomden over haar wangen en ze drukte me tegen zich aan. Toen ik me lostrok, huilde ze nog steeds, maar ze glimlachte ook.”
Sinds het de dag voor de veertiende juli was Tegen vier uur in de middag Liep ik de straat af om de kunstenmakers te zien
Je ziet ze niet zo veel meer in Parijs Die lui die buiten hun kunstjes doen Toen ik jong was zag je ze vaker dan vandaag Ze zijn massaal uit de stad weggegaan
Ik nam de boulevard Saint-Germain En op een klein pleintje gelegen tussen Saint-Germain-des-Prés en het standbeeld van Danton Daar trof ik de kunstenmakers
Een menigte omringde hen stil en geduldig wachtend Ik zocht een goed plekje in die kring om alles te zien Geweldige gewichten Belgische steden met uitgestrekte arm opgetild door een Russische arbeider uit Longwy Zwarte holle halters met als stang een gestolde rivier Vingers rollen een sigaret zo bitter en zo heerlijk als het leven
Vele vuile tapijten bedekten de grond Tapijten met plooien die nooit meer verdwijnen Tapijten die bijna helemaal vervaald zijn door het stof Waarop wat gele of groene vlekken zichtbaar blijven Zoals een melodie die je achtervolgt
Zie je die magere wilde man die daar staat Uit zijn grijzende baard kwam de as van zijn voorvaderen Daarmee droeg hij zijn hele erfelijkheid in ’t gelaat Hij leek te mijmeren over de toekomst Terwijl hij werktuigelijk draaide aan een orgel Dat wonderlijk jammerde met een trage stem Met geklok en gekras en een gedempt gesteun
De kunstenmakers bewogen niet De oudste droeg een tricot in die paarsachtige roze kleur van de wangen van sommige meisjes die fris maar dichtbij de dood zijn
Dat roze nestelt zich vooral in de plooien die hun monden vaak omringen Of bij de neusvleugels ’t Is een roze vol van verraad
Die man droeg dus zo de vuile kleur Van zijn longen op zijn rug
Armen armen overal gingen op wacht staan De tweede kunstenmaker Had als kleding alleen zijn schaduw Ik keek langdurig naar hem Zijn gezicht ontgaat mij helemaal ’t Is een man zonder hoofd
Een ander tot slot leek op een straatschooier Op een gangster goed en een schoft tegelijk Met zijn opgeblazen broek en met zijn sokophouders Leek hij zo niet sprekend op een pooier trouwens
De muziek stopte en er startten onderhandelingen met het publiek Dat op het kleed in centen opgeteld tweeëneenhalve franc neerwierp In plaats van de drie franc die de ouwe als prijs had vastgesteld
Maar toen duidelijk was dat er niemand meer iets zou betalen Besloot men om toch met de show te beginnen Van onder het orgel kwam een piepkleine kunstenmaker gekleed in pulmonaal roze Met een randje van bont om de pols en om de enkels Hij slaakte korte kreten En groette ons allen vriendelijk met gebogen armen Handen gespreid
Klaar voor een kniebuiging met één been naar achteren Salueerde hij zo richting de vier windstreken En toen hij op een bal liep Werd zijn dunne lijf zulk een fijnzinnige muziek dat niemand in het publiek er ongevoelig voor bleef Een kleine onmenselijke geest Dacht iedereen En deze muziek van vormen Vernielde die van van het mechanisch orgel Gedraaid door de man met zijn voorgeslacht op het gezicht
De kleine kunstenmaker maakte een radslag Met zo’n harmonie Dat ’t orgel stopte met spelen En de orgelspeler verborg zijn gezicht in zijn handen Zijn vingers leken afstammelingen van zijn bestemming Miniatuurfoetussen kwamen uit zijn baard Nieuw gegil van roodhuiden Engelenmuziek van bomen Verdwijning van het kind
De kunstenmakers hieven hun halters met gestrekte armen Ze jongleerden met de gewichten
Maar elke toeschouwer zocht in zichzelf het wonderbaarlijke kind Eeuw o eeuw van wolken
Vertaald door Wouter van der Land
Guillaume Apollinaire (26 augustus 1880 – 9 november 1918) La Muse inspirant le poète (dubbelportret van Apollinaire met zijn minnares Marie Laurencin) door Henri Rousseau, 1909
Uit: The Rub of Time: Bellow, Nabokov, Hitchens, Travolta, Trump.
“Saul Bellow, As Opposed to Henry James Whereas English poetry ‘fears no one’, E.M. Forster wrote in 1927, English fic-tion ‘is less triumphant’: there remained the little matter of the Russians and the French. Forster published his last novel, A Passage to India, in 1924, but he lived on until 1970 – long enough to witness a profound rearrangement in the balance of power. Russian fiction, as dementedly robust as ever in the early years of the century (Bulgakov, Zamyatin, Bely, Bunin), had been wiped off the face of the earth; French fiction seemed to have strayed into philosophical and essayistic peripheries; and English fiction (which still awaited the crucial in-fusion from the ‘colonials’) felt, well, hopelessly English – hopelessly inert and inbred. Meanwhile, and as if in obedience to the political reality, American fic-tion was assuming its manifest destiny. The American novel, having become dominant, was in turn dominated by the Jewish-American novel, and everybody knows who dominated that: Saul Bel-low. His was and is a pre-eminence that rests not on sales figures and honorary degrees, not on rosettes and sashes, but on incontestable legitimacy. To hold otherwise is to waste your breath. Bellow sees more than we see – sees, hears, smells, tastes, touches. Compared to him, the rest of us are only fitfully sentient; and intellectually, too, his sentences simply weigh more than anybody else’s. John Updike and Philip Roth, the two writers in perhaps the strongest position to rival Bellow, or to succeed him, have both acknowledged that his seniority is not merely a question of Anno Domini. Egomania is an ingredient of literary talent, and a burdensome one: the egomaniacal reverie is not, as many suppose, a stupor of self-satisfaction; it is more like a state of red alert. Yet American writers, in particular, are surprisingly level-headed about hierarchy. John Berry-man claimed he was ‘comfortable’ playing second fiddle to Robert Lowell; and when that old flagship Robert Frost sank to the bottom, in 1963, he said impulsively (and unsentimentally), ‘It’s scary. Who’s number one?’ But that was just a rush of blood. Berryman knew his proper place. Rather impertinently, perhaps, you could summarise the preoccupations of the Jewish-American novel in one word: ‘shiksas’ (literally, ‘detested things’). It transpired that there was something uniquely riveting about the conflict between the Jewish sensibility and the temptations – the inevitabilities – of materialist America.”
Want ik ben iemand die bestaat uit het onverdeelde, zei hij, en ik ben vervuld van licht. En duisternis is daar, waar de verdeelden staan.
Hardnekkige woorden, Geweldige, harde woorden. Witte wolken pakken zich samen langs de bergkam. Onder de aarde zijn we ver van huis, of juist dichterbij.
“Als hij vijftien is, verhuist hij met zijn moeder naar een nieuwe stad en begint hij op een nieuwe school. Dat is niet makkelijk op die leeftijd – de verhoudingen op school liggen al vast en het kost hem moeite om vrienden te maken. Na enige tijd heeft hij met één jongen vriendschap gesloten, ook een eenling. Soms hangen ze na school samen rond in het nieuwe, typisch westerse winkelcentrum dat niet lang daarvoor geopend is. Heb jij het ooit gedaan?' waagt zijn vriend.Nee; zegt lstván. ‘lk ook niet; zegt zijn vriend, en op een of andere manier lijkt het of het niet eens zo moeilijk is dat toe te geven. Hij praat heel eenvoudig, heel natuurlijk over seks. Hij vertelt lstván over welke meisjes op school hij fantaseert, en wat hij in zijn fantasie met ze doet. Hij zegt dat hij zich vaak vier of vijf keer op een dag aftrekt, wat lstván het gevoel geeft dat hij tekortschiet, aangezien hij het maar één of twee keer doet. Als hij dat bekent, zegt zijn vriend: lij hebt waarschijnlijk een minder sterke behoefte aan seks: Misschien is dat wel zo, weet hij veel. Hij heeft geen idee hoe het voor andere mensen is. Hij kent alleen zijn eigen ervaring. Op een dag vertelt zijn vriend dat hij het gedaan heeft met een meisje dat aan de andere kant van het spoor woont. Het nieuws heeft iets desoriënterends. István luistert als zijn vriend, vrij gedetailleerd, beschrijft wat er gebeurd is. Hij probeert uit te vogelen of zijn vriend de waarheid spreekt of dat hij liegt. Hij zou liever hebben dat hij loog, maar heeft toch het idee dat hij waarschijnlijk de waarheid spreekt. Sommige dingen die hij zegt zijn te specifiek, te verrassend, die kan hij nooit verzonnen hebben. Dan, een paar dagen later, zegt hij dat hij het meisje heeft gesproken en dat ze gezegd heeft dat ze het ook wel met lstván wou doen. ‘Serieus?’ zegt lstván. la; zegt zijn vriend. lstván weet niet of hij bedoelt alle drie samen, of alleen hij met dat meisje. Hij is niet zelfverzekerd genoeg om het te wagen. Diezelfde dag lopen ze na schooltijd over de voetgangersbrug naar de andere kant van het spoor. Het begint al donker te worden.”
Uit: Troje (Vertaald door Henny Corver, Pon Ruiter en Frits van der Waa)
“Erichthonios werd na zijn dood opgevolgd door zijn zoon TROS. Tros had een dochter, Kleopatra, en drie zonen: Ilos (vernoemd naar zijn oudoom), Assarakos en GANYMEDES. Het verhaal van prins Ganymedes is welbekend. Zo schoon was hij dat Zeus zelf ten prooi viel aan een overweldigende hartstocht voor hem. De god nam de gedaante van een adelaar aan, dook omlaag en droeg de jongen naar de Olympos, waar hij de geliefde gunsteling, gezel en hofschenker van Zeus werd. Om Tros te compenseren voor het verlies van zijn zoon stuurde Zeus HERMES naar hem toe met een geschenk: twee goddelijke paarden die zo snel en licht waren dat ze over water konden galopperen. Tros verzoende zich met het verlies toen hij deze wonderbaarlijke dieren zag en Hermes hem verzekerde dat Ganymedes nu — en per definitie voor altijd — onsterfelijk was. De broer van Ganymedes, prins Ilos, stichtte de nieuwe stad die ter ere van Tros Troje genoemd zou worden. Hij had een worstelwedstrijd gewonnen tijdens de Phrygische Spelen, en de prijs bestond uit vijftig knapen, vijftig maagden en, het allerbelangrijkst, een koe. Een heel bijzondere koe, die volgens een orakel de plek zou aanwijzen waar Ilos een stad moest stichten. `Waar het rund zich neervlijt, daar moet je bouwen: Als Ilos het verhaal van KADMOS kende — en wie kende dat niet? — dan wist hij dat Kadmos en Harmonia de instructies van een orakel hadden opgevolgd en achter een koe aan waren gelopen tot het dier zich neervlijde op een plek waar ze een stad moesten bouwen, de stad die Thebe zou worden, de eerste grote stadstaat van Griekenland. Wij vinden het misschien een wat merkwaardige en bizarre gewoonte om koeien de plek voor een stad te laten kiezen, maar als je er even over nadenkt besef je dat het niet zo raar is. Op de plek waar een stad zal verrijzen moeten ook voldoende vlees, melk, leer en kaas voor haar burgers voorhanden zijn. Om nog maar te zwijgen van sterke trekdieren — ossen om akkers te ploegen en karren te trekken. Als een koe zo ingenomen is met de voorzieningen van een streek dat ze vindt dat ze kan gaan liggen, dan wil dat wel iets zeggen. Hoe het ook zij, Ilos liep welgemoed achter de door hem gewonnen koe aan, helemaal naar Troas* ten noorden van Phrygië, langs de hellingen van de berg Ida, de grote vlak-te van Dardanië op; en daar, niet ver van de plek waar de eerste stad van Ilos’ overgrootvader Dardanos was gebouwd, vlijde het rund zich ten slotte neer. Ilos keek om zich heen. Het was een prima plek voor een nieuwe stad.”
Wat is er aan de hand, grootse architect van het universum? De sterren vallen, De maan verdwijnt achter je dampende wasgoed, Planeten verliezen hun namen, en de duisternis zakt centimeters onder de aarde.
Hier beneden nemen we het zoals het komt. De paarden grazen verder en happen door het lange gras, De honden krimpen ineen, en de coyotes zingen in de stille bossen, uit het zicht.
Uit: De perfecties (Vertaald door Manon Smits en Pieter van der Drift)
“In een hoek, op een aantal krukjes en omgekeerde kistjes bevindt zich een klein oerwoud aan alocasia’s, reuzeneuphorbia’s, ficus benjamina’s en philodendrons met donzige stelen, strelitzia’s en dieffenbachia’s. Achter de glazen deur een glimp van een balkon met twee stoelen en een tafeltje met een porseleinen asbak, een lichtsnoer. Vanuit het tegenoverliggende gezichtspunt is de rest van de woonkamer te zien: een lage sofa en een Deense fauteuil – afgerond mahonie, petrolblauwe ruwe katoen; een plaid met visgraatmotief; een nachtblauw stoffen elektriciteitssnoer waaraan een gloeilamp hangt met een kunstige gloeidraad erin; stapels oude nummers van Monocle en The New Yorker op een zwart metalen bijzettafeltje, met ook een koperen kandelaar en een glazen kom vol fruit. Verder een roldeurkast met daarop stekjes in glazen pot- ten, graslelies en een reeds ontkiemde avocadopit; een analoge platenspeler; twee vloerluidsprekers die zijn aangesloten op een buizenversterker op een lage plank; erboven een lp-verzameling waarvan de bijzonderste exemplaren met de hoes naar voren zijn uitgestald – een limited edition van In Rainbows, een eerste persing van Kraftwerk. Een drakenbloedboom projecteert een handvormige schaduw. Een poster van het Primavera Sound-festival. Een zandkleurige berber met een licht geometrisch motief zorgt ervoor dat de woonkamer een eenheid vormt. De wanden zijn aan weerszijden symmetrisch onderbroken door dubbele deuren van sloophout waarop nog strepen pistachegroene verf te zien zijn. De deuren zijn dicht, wat de niet al te grote ruimte een knusse, intieme, bijna opgepropte sfeer geeft. Een woonkamer om zachtjes in te kletsen op een winteravond bij gedempt licht.”
Zodra ik uw gezichten zag Wist ik: het is gedichtendag U knerst een tand, kijkt zuinig zuur De wind waait guur, de vis is duur
En dan zo’n zwart en zwaar poëem Ik waag me aan een wilde claim: Gedichten kunnen ook vilein Maar helder en begrijpelijk zijn
Of grappig en zelfs opgewekt Met al dan niet een schokeffect En schuwt u elk effectbejag Behalve soms een klaterlach?
Proef dan de taart met massa’s kers Maak kennis met Het Vrije Vers
Water
Mijn zeiljacht scheurde zich zijn bodem open Het zonk niet maar het was een mand, zo lek Dus ging ik maar met tegenzin van dek Op zeebenen moest ik naar huis toe lopen
Ons land barst nog eens open van de droogte Rivieren en kanalen vallen droog Niet iedereen heeft daarvoor oor of oog Men lijkt althans niet bijster op de hoogte
Want menigeen zie ik zijn tuin bevloeien Het grasveld en de straat er gratis bij Wat zijn we met ons allen heden blij Zelfs de bolide blijven we besproeien
Zelf word ik door de droogte niet geraakt: Mijn zeiljacht is een schip dat water maakt!
Herfst
Als drinkebroer heb ik me ingehouden Met thee en appelsap en zelfs een shake Stond ik al droog gedurende een week Maar toen begon de herfst – ik werd verkouden
Ik kerf sindsdien weer kerfjes op mijn kerfstok Ik spoel mijn keel met dagelijks een herfstbok
Ik stel me voor hoe vogels het zien: de zwarte tak van een rivier, daken in de winter, verbijsterde voetgangers op de stoep.
Ik stel me voor dat het eng is voor vogels om over de rivier te vliegen.
Toch kijken ze van bovenaf naar de stad. Bij het depot achter het station, de achtertuinen, de bibliotheek aan de andere kant van de rivier, de volle pagina’s van de straten.
Ze herhalen dit februari gedicht, ze kennen het van de poorten tot de zolders, wetend waar het uiteindelijk zal stoppen, en ze weten, tussen haakjes, hoe het gaat eindigen.
De grond komt tevoorschijn zoals gelaatstrekken duidelijk worden, vissen zullen arriveren in de overloopbekkens van de Dinets rivier, een beetje zwartheid zal aan de horizon verschijnen, er zal geluk zijn, er zullen kattenstaarten zijn.
Het punt is om op te warmen onder de mensen, om van dit kunstwerk van de winter te houden, deze onhoorbare adem van de bodem, zijn zegel.
God weet hoe ik die kinderfijne vingertjes ooit fijn heb kunnen knijpen, tot stof vermalen, uitstrooien, vergeten, als hij tenminste weten kan en God is.
God neuriet een vergeefse tweede stem, nu takken knappen, aarde scheurt, de hof verspringt, de hegschaar doolt, knipt fruit uit en een mond om te verslikken.
Een kinderhandje om aan te ontglippen.
aan het eind van de winter
Was ik het laagje sneeuw dat vers gevallen je borsten toe mocht dekken voor het smolt?
Was jij het roofzuchtig beest dat in mij grip zocht in het eigen vlees?
Zelfs toen je eindelijk opvloog liet de kramp niet uit je klauwen.
Waar bid je nu, welk sneeuwlandschap besmeur je met je schaduw? Kijk, een prooi treedt schuchter aan het licht, een nesteling valt bloot.
Van strandtent naar strandtent
Uit desinteresse word ik wakker het scheelt een slok op een lauwe pul bier het is zomer en dat moet gevierd, nog trekt mijn droom van strandtent naar strandtent, joelend sleuren de meisjes hem mee in de lambada zijn succes is niet om aan te zien maar de streep zonlicht die de vloer aftast biedt onvoldoende afleiding pubers beginnen een polonaise niet aan mijn lijf niet aan mijn lijf de gouden rivier spoelt mijn kleren leeg herpakt zich, waar was hij ook weer, begint de vloer weer af te tasten.