De Vlaamse dichter en schrijver Erik Spinoy werd geboren op 22 mei 1960 in Sint-Niklaas. Zie ook alle tags voor Erik Spinoy op dit blog.
Een nachtmerrie
Koolwitje, zij. Een witte maan ontsluiert en
verbergt de nacht. De lucht is haast onadembaar.
Draadloos loopt ze door het onplezierig labyrint.
Ze schudt als zoetemelk en dwaalt, en dwaalt.
Meekraplak rozen bloeien om de oude Prachtbau.
In tempelgroene wingerd gaat het museum schuil.
Rood Knossos lijkt wel Guggenheim. Eénzelfde parasol,
bordeaux van kleur, beschaduwt Adolf, Plato,
captain Kirk. Zo draait in elke zaal
een tafereel dat steeds, bij nadering,
wordt uitgewist.
Zo boos een firmament. Eerst zingt Marie,
dan treedt hij op: de glimmend zwarte faëton
in wie haar stem ontslaapt, na oorverdovend roepen.
Is het een slederit? De Spessart, onder verse sneeuw.
Rondom een bergland oogwitwit. Sneeuw vlokt alleen
om nooit omhoog te gaan. In angst: ‘Marie! Marie!
Houd je goed vast!’ De stem houdt bij de lippen stil.
Een diepte gaapt. Dan gaat het steil bergaf, opeens.
Aurora in de herfst
April niet, en geen vogel met gevorkte staart.
Susette zit. Het slot roest dicht, het spoor
bewijst haar niet. Geen dotterbloem of espeblad
bevrijdt en bindt haar ook. Een geel juweel
wordt ganz umsonst gepoetst. Om niets glimt
het azuur.
Augustus niet. Geen leeuwerik die klimt en het
voor haar begeeft. Ze schrijft, terwijl ze door
de zeef van herfsten gaat. Afwezig werkt een spin
aan zilverdraad. Haar ochtend gloort van nevel. Dood
gaan voortdurend varens.
Ze schrijft. Haar letter vangt wat hij verliest,
de pen herhaalt: Hier – weg! Hier – weg! Aurora
is ze, zuster van de maan. Titonus werd (de man
uit Bern) als stro door vuur verteerd. Vergrijsd
dronk hij de ambrozijn, tot hij een sprinkhaan werd.
(Steeds kwelt Susette een onbestemde dorst.
De bekers zijn met goud gevuld. Haar hand
beklemt een ruit van blauw, onbreekbaar glas.)
Een dag op het land
(Dit is geweest.
Een koets ontvoert haar uit ‘Het witte hert’.
Een wolk van stof waait op en gaat terneer.
Gontard, de stad getrouw, telt reukloos geld
en buigt voor lakenhandelaars.)
Susette woont op de Pinksterwei, en lijkt wel uit
de doden opgestaan. Weer etst ze zich een Eden
aan de Main. Opent de rozen om het huis, legt mist
in de kastanjelaar. Slurpt mensenschuwe rust. En eet
een laat ontbijt met hem, in het jasmijnprieel.
Damast, waarbij de glans van zilver hoort.
Een blik, versteend bij haar entree. Maar zij
ontwijkt het oog en loopt vertraagd de kamer in.
De crinoline weegt als zink, terwijl ze ziet:
een lauw, doorzond prieel, gordijnen open op
een gletsjerblauwe dag. Op tafel rinkelt
vliesdun Meissner-porselein. Dan zit ze, schept
drie lepels suiker in haar thee. Wat zoet is
lijkt, per definitie, goed voor haar.
‘U schrijft, mijnheer?’ Bloedjong is hij
in Frankfurts middenstand, een dichter met
het marmeren lijf en wezen van een Phidias.
(Een rode mist trekt daarom voor haar ogen.)
Toch schijnt hij bang, en zonder moed op haar.
Maar onderhoudend wel. Geen Klopstock, Schiller
doet het hem ooit na. Boven de sterren zwijgt
de golfslag van de strijd. Al eeuwen had hij haar
van ver gekend. Voor hem is zij Urania. En dit
gesprek: de Rijn die uit zijn bedding breekt.
Nou goed, dat klinkt alvast niet gek.

De Amerikaanse dichteres en vertaalster Jane Kenyon werd geboren op 23 mei 1947 in Ann Arbor, Michigan. Zie ook alle tags voor Jane Kenyon op dit blog.
Koekje
De hond heeft zijn bak leeggegeten
en zijn beloning is een koekje,
dat ik in zijn bek stop
als een priester die de hostie aanbiedt.
Ik kan die kop vol vertrouwen niet uitstaan!
Hij vraagt om brood, verwacht
brood, en ik met mijn macht
had hem een steen kunnen geven.
Vertaald door Frans Roumen

Met haar hond Gus
Zie voor meer schrijvers van de 22e mei ook mijn blog van 22 mei 2020 en eveneens mijn blog van 22 mei 2018.



















