Gezelschap van de heiligen door Jean de Colombe en Mâitre du Missel de Yale, ca. 1475. Verluchting in het getijdenboek van Louis de Laval 1475
Allerheiligen
Die Nebel ruh’n auf alten Steinen sacht, ein Blätterflüstern trägt vergangne Lieder. Die Erde atmet still in weicher Nacht, und Schatten wandern leis’ die Pfade wieder.
Ein Hauch von Zeit liegt auf dem welken Kranz, die Kerzen flackern – goldne, zarte Wunden. Im Glanz der Flamme hebt sich Traum und Glanz von jenen, die im Schweigen Ruh gefunden.
Ein Name schimmert, halb vom Moos verdeckt, ein Leben sinkt zurück in Wort und Schweigen. Doch wer den Blick ins Herz der Stunde lenkt, sieht Bilder glüh’n, die sich nicht ganz verneigen.
So bleibt ein Leuchten – fern und doch so nah, ein stilles Grüßen aus den frühen Tagen. Was war, verweht, und ist doch ewig da: In uns die Spuren, die Erinnerung tragen.
Sonja Dworzak (Salzburg, 6 april 1958) De Franziskanerkirche en de Dom in Salzburg
De Oostenrijkse dichteres en schrijfster Ilse Aichinger werd met haar tweelingzusje Helga geboren op 1 november 1921 in Wenen. Zie ook alle tags voor Ilse Aichinger op dit blog.
Ten antwoord
In Delhi, wanneer men doodgaat, kan men niet vallen. Günther Eich
Delhi achter zich laten, de vallende ziekte weer opnemen Delhi voor zich brengen, de verlopen groepen reizigers langzaam volgen en zo de reis op zijn beloop laten, geluidloos en in ieder geval en zelfs als niet meer te onderscheiden
Vertaald door Lucas Hüsgen
Ilse Aichinger (1 november 1921 – 11 november 2016)
Here was a place where none would ever come For shelter, save as we did from the rain. We saw no ghost, yet once outside again Each wondered why the other should be so dumb; And ruin, and to our vision it was plain Where thrift, outshivering fear, had let remain Some chairs that were like skeletons of home.
There were no trackless footsteps on the floor Above us, and there were no sounds elsewhere. But there was more than sound; and there was more Than just an axe that once was in the air Between us and the chimney, long before Our time. So townsmen said who found her there.
E. A. Robinson (22 december 1869 – 6 april 1935) Alna, Lincoln County, Maine, de geboorteplaats van E. A. Robinson
De Amerikaanse dichter, schrijver en literatuurcriticus Bruce Bawer werd geboren op 31 oktober 1956 in New York. Zie ook alle tags voor Bruce Bawer op dit blog.
Uit: The Alhambra: A Novel
“STEVE DISCH WAS ONLY TWENTY-THREE years old and still a student at UCLA Film School when his first movie came out and made him famous. Well, not really famous. Sentimental Education was what they call a “small film.” The cast consisted entirely of his friends and fellow students, and Steve himself served as writer, director, cameraman, editor, and lighting and set designer. The costumes were the actors’ own clothes, and there was no makeup to speak of, and certainly no special effects. The budget was far too tiny for that – too tiny for almost anything, in fact, except for the telling of a simple story about two characters. Steve told it effectively enough to get Sentimental Education into a couple of second-tier film festivals, at one of which it won an “audience favorite” award. The movie’s saga might have ended there, if not for a bit of serendipity. One of those festivals happened to be attended by a veteran novelist who saw Sentimental Education and loved it. He loved it so much that he wrote a glowing article about it in a national gay newsmagazine, and then another in the New Yorker, no less. This beautiful film about the deep but unspoken and unconsummated love between two male college students, he argued, was one of the best gay movies ever made, and represented a breakthrough in the cinematic treatment of gay men’s lives. Steve, in his view, had managed, with his inexpensive camera equipment and his non-professional actors, to capture precisely what love was like for young gay men in “these times” – “these times” being the 1980s -who don’t even realize they’re gay. The articles about Sentimental Education drew the attention of gay cinephiles around the world. That summer, the film was shown at gay-pride events in two dozen cities. For several months, Steve rode a roller-coaster of media attention. He received bags full of fan mail. He traveled around the U.S. and Europe attending screenings of the film. At some of these events he would give a talk before the screening; at others, he’d be interviewed or answer questions afterwards. Following every screening, audience members would line up to shake his hand and tell him how much they identified with the main character in his movie. Invariably, at those Q & A’s, somebody would ask if the film was autobiographical. Steve always insisted it wasn’t. He was lying. Virtually every line of dialogue had come directly out of the diary he’d kept as an undergraduate at the University of California at Davis. It was there that he’d met Daniel Loban, a fellow French major. The two star-crossed lovers in the movie weren’t just based on Steve and Daniel; they were Steve and Daniel.”
Bruce Bawer (New York, 31 oktober 1956)
De Engelse dichter John Keats werd geboren op 31 oktober 1795 in Finsbury Pavement in Londen. Zie ook alle tags voor John Keats op dit blog.
Ode aan een nachtegaal
I
Mijn hart doet pijn, bedwelming houdt mijn hoofd Beklemd, als had ik scheerlingsap gedronken Of had een drank verzwolgen die verdooft, Zo-even, en was Lethewaarts gezonken. ’t Is niet uit afgunst jegens uw geluk: In uw geluk vind ik geluk te over, Omdat gij, boomdryade, lichtgeveerd In een zoetklinkend stuk Van ’t groene, schaduwrijke beukenlover Orgelend van de zomer kwinkeleert.
II
O, nu een dronk! Wijn, die men koel bewaarde In diepgedolven grond, geruime tijd; Die smaakt naar Flora, naar de groene aarde, Dans, Provençaalse zang, gebruind jolijt! Nu een bokaal die ’t warme zuiden bood, Vol van de blos der echte Hippocreen, Met pareling van belletjesgeflonker, De rand gevlekt met rood: Zo’n dronk! waarna ik ongezien verdween Uit dit bestaan, met u in het belommerd donker.
III
Ver weg met u, ontbinden, en vergeten Wat gij tussen de bladeren nooit kende: De moeheid, het getob, het koortsig zweten; Men hoort elkaar hier kreunen van ellende; Door tremors trillen trieste grijze haren, De jeugd wordt bleek, vliesdun en laat het leven; Alleen het denken al vervult met smart En met wanhopig staren. De ogenglans der Schoonheid duurt maar even, Slechts één dag smacht ernaar het minnend hart.
IV
Ver weg! Ver weg! Op u ben ik gericht, Niet door de vaart van Bacchus’ luipaardwagen, Maar op de ijle wieken van ’t gedicht, Al blijft het brein verwarren en vertragen. Reeds ben ik bij u! teder is de nacht, Wellicht spreidt dan de maangodin haar luister, Door al haar sterrenfeeën dicht omfonkeld; Maar hier ontbreekt die pracht, Tenzij de bries wat licht blaast door het duister, Waar in het schaduwgroen het mospad kronkelt.
V
Ik zie de bloemen niet, hier aan mijn voet, De zachte wierook, hangend in de bomen, Maar gis in ’t geurig duister al het zoet, Geschonken door het goed seizoen, aromen Van bosjes, wilde vruchten en de wei, Meidoorn en egelantier, het landelijk hout, ’t Viooltje, bladbedekt, dat snel vergaat, En ’t oudste kind van Mei, De prille muskusroos, met wijn bedauwd, Het zoemend honk van vliegen, ’s zomers laat.
VI
In ’t duister luister ik: zo menigmaal Kon de geruste dood mij half verblijden. Ik vroeg hem vaak in zoete dichtertaal Mijn kalme adem in de lucht te leiden. Nu meer dan ooit lijkt sterven mij volmaakt, Te middernacht te scheiden zonder pijn, Terwijl gij buiten heel uw ziel uitstort, In zulk een trance geraakt! Nog zingt gij door als ik, die doof zal zijn, Bij uw hoog requiem een zode word.
VII
Onsterflijk dier, niet voor de dood geboren! Dat door geen hongerig geslacht verging! De stem die ik vannacht gehoord heb, horen Vanouds de keizer en de dorpeling. Misschien hetzelfde lied dat heeft gebeefd Door het droef hart van Ruth, die ver van huis Betraand in het uitheemse koren stond; Dat vaak betoverd heeft Magische vensters, open op ’t gebruis Der diepzee, in een droomland dat verzwond.
VIII
Verzwond! Zoals een kerkklok klinkt dat woord, Dat mij van u terugluidt naar mijzelf! Adieu! Verbeelding brengt geen drogbeeld voort Dat met de faam strookt van die valse elf. Adieu! Adieu! Uw klacht verflauwt, zij trekt De weiden langs, over het stille stromen, De heuvel op; om overhuifd te raken Waar ’t volgend dal zich strekt. Was het een visioen of wakend dromen? Het lied vervloog: – Slaap ik of is dit waken?
Vertaald door W. Hogendoorn
John Keats (31 oktober 1795 – 23 februari 1821) Borstbeeld van John Keats in het Keats-Shelley House in Rome
De Franse schrijver Édouard Louis werd geboren als Eddy Bellegueule op 30 oktober 1992 in Hallencourt, Somme, in het noorden van Frankrijk. Zie ook alle tags voor Édouard Louis op dit blog.
Uit: De ondergang (Vertaald door Kiki Coumans)
“Ik voelde niets toen ik hoorde dat mijn broer dood was; geen droefheid, geen wanhoop, geen blijdschap, geen genoegen. Ik hoorde het nieuws aan zoals je informatie over het weer buiten aanhoort, of zoals je zou luisteren naar iemand die je in de supermarkt vertelt wat hij die middag heeft gedaan. Ik had hem al bijna tien jaar niet gezien. Ik wilde hem niet meer zien. Soms probeerde mijn moeder me op andere gedachten te brengen, met aarzelende stem, alsof ze bang was me te kwetsen of een conflict tussen haar en mij te creëren: – Weet je, je broer, misschien moet je hem een kans geven… Ik denk dat hij dat leuk zou vinden. Hij heeft het vaak over je… Ik onderbrak het gesprek ruw, een ruwheid die ik niet van mezelf kende, en die ik in een andere context nooit tegenover haar had durven gebruiken; ik zei dat ik niets meer over hem wilde horen, mijn besluit stond vast; meestal probeerde ze dan nog iets anders, een tweede keer: – Maar ik heb tegen hem gezegd: als je je broer nog eens ziet moet je hem niet lastigvallen met het verleden en met wat er tussen jullie is gebeurd. Laat hem met rust. En dat heeft hij gezworen. Hij heeft gezworen dat hij niet meer over het verleden zou praten… Toen mijn antwoord uitbleef, liet ze haar stem oplossen in de stilte en sloeg haar ogen neer, naar de grond, waarna ze op een ander onderwerp overging met een te nadrukkelijk enthousiasme, een te luide stem, en ik snapte dat ze op die toon praatte om het ongemak te overstemmen dat haar mislukte verzoeningspoging en mijn plotselinge agressiviteit had veroorzaakt – het spijt me dat ik die pijn bij haar heb veroorzaakt, misschien had ik iets meer moeite moeten doen, maar misschien kan ik pas zeggen wat ik nu zeg omdat het te laat is, misschien kun je pas echt en oprecht spijt van iets hebben als het te laat is, ik weet het niet. Ik hoorde op een dinsdag dat hij dood was, toen ik net een paar minuten wakker was. Het was een grijze en koude dag, de condens op de ramen vertroebelde de lucht buiten; ik was een boek aan het lezen en zag op mijn telefoon dat mijn moeder me meerdere keren had geprobeerd te bellen; het was te vroeg, ik had geen zin om te praten; maar ze belde nog eens, en nog eens, en toen begon ik me in te beelden dat er misschien iets ergs of in ieder geval iets belangrijks was gebeurd – een vage indruk, als een vaag instinct, zonder taal, zonder woorden. Toen de naam van mijn broer op het schermpje van mijn telefoon verscheen wist ik zeker dat er iets ongewoons was gebeurd.”
Hoe ruist en suist het grote carrousel, Dat schittert in de zon; en met plezier Zien duizenden die middag het vertier. Kamelen, paarden, alles draait er snel,
De witte zwanen en de olifanten, En als een levend varken knort er een En heft uit blijdschap al zijn rechterbeen. Dan gaan ze dansen, al die kermisklanten.
Maar vlak daarnaast, in hemellicht gebaad, Gaan metselaars hoog in de stelling rond, Als luizen in een vurig vakverbond, En slaan met troffels roffelend de maat.
“Loretta deed de deur open. Ze was op haar pantoffels. De roze lippenstift klonterde een beetje om haar mond en haar ogen waren zwartomlijnd. – Dat is een tijd geleden, zei ze. Lisa keek haar aan maar zei niets. Ze zakte iets door haar knieën en zette voorzichtig haar tassen neer op de stoep. Loretta keek ernaar. Drie weekendtassen, twee vormeloze en een waar schoenen in zaten; de hakken duwden hoeken in het textiel. – Het is maar voor een maand, zei Lisa. Loretta gaf geen antwoord. Ze pakte twee van de tassen en sjouwde ze de gang in. Lisa kwam binnen met de rest van haar bagage. – Breng maar naar boven, zei Loretta, daar kun je wel slapen. Lisa liep de trap op en bracht haar spullen naar het logeerkamertje. Ze sloeg de beddensprei terug en schudde aan de dekens. In Loretta’s huis rook het naar vroeger. Het oude beddenhout gaf geen geur meer af, maar de lakens wel, ze roken naar Loretta’s wasmiddel met een bittere zweem van sigaretten. Beneden was Loretta al in de weer met koffie, eieren en een koekenpan. De geuren mengden zich met de andere geuren tot een zware lucht die ze bijna kon proeven. Het was ook een tijd geleden dat ze hier geweest was, Loretta had gelijk. Tijdens haar jaren met Finn had ze Loretta weinig gezien. Lisa had haar niet eens verteld dat ze zwanger was, maar dat was nu wel te zien. Ze zou een wieg moe- ten hebben, of een grote bak. Lisa had geen honger, ze dronk alleen haar koffie en prikte in het ei. Als ze het kleiner maakte met haar vork, leek het minder. Loretta zat tegenover haar in haar roze shirt en keek haar aan. Ze steunde met haar armen op tafel. – En na die maand? – Ik vind wel wat. – Werk, of een huis? – Allebei, zei Lisa, en ze haalde haar schouders op om aan te geven dat het niet belangrijk was. Loretta keek nu zorgelijk. – Hoe moet dat dan met een kind. Je kunt ook langer blijven. – Hm hm. ’s Avonds keken ze naar de tv. – Begrijp je dat nou, zei Loretta. Verder zeiden ze er niets over. Er hing een man met een wit overhemd aan de buitenkant van een instortend gebouw. Hij zou het niet lang houden van angst, of uitputting. Aan zijn houding was niets te zien en zijn gezicht was te veraf, maar zijn onkreukbare houding maakte de ramp op een of andere manier in volle omvang zichtbaar. Later zouden ze zich die avond verschillend herinneren.”
“I don’t particularly like him myself,” I said. “Well, he’s always hanging round here, and the stiffer element in college don’t like it. They won’t stand for him at the House. He was in Mercury again last night. None of these people you go about with pull any weight in their own colleges, and that’s the real test. They think because they’ve got a lot of money to throw about, they can do anything. “And that’s another thing. I don’t know what allowance my uncle makes you, but I don’t mind betting you’re spending double. All this,” he said, including in a wide sweep of his hand the evidences of profligacy about him. It was true; my room had cast its austere winter garments, and, by not very slow stages, assumed a richer wardrobe. “Is that paid for?” (The box of a hundred cabinet Partagas on the sideboard.) “Or those?” (A dozen frivolous, new books on the table.) “Or those?” (A Lalique decanter and glasses.) “Or that peculiarly noisome object?” (A human skull lately purchased from the School of Medicine, which, resting in a bowl of roses, formed, at the moment, the chief decoration of my table. It bore the motto Et in Arcadia ego inscribed on its forehead.) “Yes,” I said, glad to be clear of one charge. “I had to pay cash for the skull.”
Anthony Andrews (Sebastian) en Jeremy Irons (Charles) in de tv-serie Brideshead Revisited uit 1981
“You can’t be doing any work. Not that that matters, particularly if you’re making something of your career elsewhere–but are you? Have you spoken at the Union or at any of the clubs? Are you connected with any of the magazines? Are you even making a position in the O.U.D.S.? And your clothes!” continued my cousin. “When you came up I remember advising you to dress as you would in a country house. Your present get-up seems an unhappy compromise between the correct wear for a theatrical party at Maidenhead and a glee-singing competition in a garden suburb. “And drink–no one minds a man getting tight once or twice a term. In fact, he ought to, on certain occasions. But I hear you’re constantly seen drunk in the middle of the afternoon.” He paused, his duty discharged. Already the perplexities of the examination school were beginning to re-assert themselves in his mind. “I’m sorry, Jasper,” I said. “I know it must be embarrassing for you, but I happen to like this bad set. I like getting drunk at luncheon, and though I haven’t yet spent quite double my allowance, I undoubtedly shall before the end of term. I usually have a glass of champagne about this time. Will you join me?”
De diepten van de hel peilen en daar ministers, sultans en geleerden ontmoeten, Marilyn Monroe en Cleopatra, de laatsten zo naakt als op de dag van hun dood: audiënties verlenen waar het je uitkomt, en waar niet, je lip optrekken in minachting of behendig een vuistslag in de nier uitdelen, in de zekerheid dat je arm krachtig wordt ondersteund.. Je laten rondleiden door iemand die toevallig Vergilius blijkt te zijn – en je houdt van zijn gedichten.. Schrijven zoals een beitel in steen hakt, zodat elke zin die je neerschrijft voor eeuwig blijft weerklinken: LAAT ALLE HOOP VAREN… Ga jij maar eerst. Nee, echt, ik sta erop – ga jij maar voor.
“De laatste keer dat ik in Willesden Green was, ging ik met mijn dochter op bezoek bij mijn moeder. Het was een zonnige dag. We liepen door Brondesbury Park naar High Road. Toevallig was er die dag `Franse Markt’, een ietwat onwaarschijnlijke markt waar Franse spullen worden verkocht, op het voetgangersgebied tussen het restant van de voormalige bibliotheek, Willesden Library (1894) met de fraaie torenspits, en de nieuwe bibliotheek, Willesden Green Library Centre (1989), een gestrand cruiseschip van rode baksteen, een architectonisch monument dat jaarlijks bijna 500.000 bezoekers trekt. We liepen in de zon door de winkelstraat naar het pleintje — naar de markt. Het was geen wandeling door een lommerrijk laantje in een pittoresk dorpje naar een perfect geconserveerd achttiende-eeuws pleintje. Evenmin was het te vergelijken met een bezoekje aan een van de vele boerenmarkten die je tegenwoordig in Londen ziet, ontstaan op punten waar individuele rijkdom hand in hand gaat met een grote belangstelling voor ambachtelijk bereide kazen. Maar toch was het een gezellig uitje. Op de Franse Markt in Willesden kun je goedkope tasjes krijgen, cd’s met ouderwetse jazz en rock-‘n-roll, paraplu’s en kunstbloemen, snuisterijen, prullen en spullen, die echt niet allemaal Frans van thema of aard zijn. Je kunt er waterpistooltjes krijgen, maar ook stokbrood en bladerdeeggebak, die niet veel meer kosten dan de broodjes bij Gregg’s in Kilburn High Road. Je kunt er ook kaas krijgen, maar dan de redelijk geprijsde, makkelijk herkenbare soorten, zoals brie, chèvre en blauwader, alsof de markt vanuit een armoedige Parijse buitenwijk rechtstreeks over het Kanaal naar Londen is getransporteerd. En misschien is dat ook wel zo, geen idee. Het gaat erom dat de Franse Markt optimaal gebruikmaakt van het betonnen voetgangersgebied voor de bibliotheek Het is sowieso een ontmoetingsplek, maar vooral op marktdag is het er erg levendig. Mensen slenteren rond, praten met elkaar, kopen kaas of niet. Het gaat er heel gemoedelijk aan toe. Je zou bijna vergeten dat High Road maar een paar meter verderop is. Dat is belangrijk Als je op de markt bent, ga je niet naar je werk, niet naar school, je wacht niet op de bus. Je bent niet op weg naar de metro of de supermarkt voor de noodzakelijke boodschappen. Je bent niet in de drukke straat waar zich al deze activiteiten afspelen. Je bent er vlakbij, je hangt wat rond in de openbare ruimte, terwijl het juist de bedoeling is van zulke ruimtes dat er niet gehangen wordt. Iedereen weet dat mensen die voor onbepaalde tijd doelloos in een openbare ruimte rondhangen tot ‘asociaal gedrag’ neigen. En inderdaad, er waren vier zwervers die op een van de merkwaardige uitsteeksels van de bibliotheek een biertje zaten te drinken.”
Zadie Smith (Londen, 27 oktober 1975)
De Amerikaanse dichteres en schrijfster Sylvia Plath werd geboren op 27 oktober 1932 in Jamaica Plain, een buitenwijk van Boston. Zie ook alle tags voor Sylvia Plath op dit blog.
De herfst van de kikkers Frog autumn
De zomer veroudert, koudbloedige moeder, Insekten werden schriel en schaars. In onze moerige stee Kwaken wij en welken.
De ochtenden gaan loom teloor. De zon gloeit laat op In het stikkend riet. Vliegen laten zich niet zien. De kreek verkwijnt.
De vorst rooft nog de spinnen. De genius Van overvloed huist zichtbaar Elders. Ons volk ziet zich jammerlijk Gedund.
Vertaald door Anneke Brassinga
Sylvia Plath (27 oktober 1932 – 11 februari 1963) Portret door Stefania Morgante, 2012
“Ik lag vannacht in een gouden tent. Van buiten was alleen het licht zichtbaar, een blote borst, een korte kaki broek. Binnen was het warm en zacht, geluidloos. Ik lees een boek waarvan de verteller zegt niet sentimenteel te zijn aangelegd. Maar wat is ze dan wel? De eerste keer dat ik op papier ons huis zag, hoe het er vanbinnen zou gaan uitzien, kon ik wel huilen. Ik kijk nog wel eens rond met die blik, alsof ik het voor het eerst zie. Is het geworden wat ik toen op de tekening zag? Hartog en ik scheurden plaatjes uit van dingen die we mooi vonden. Een kast, behang. Een badkamer alsof we in Brazilië gingen wonen. Ik had een dik boek, met honderd interieurs van over de hele wereld, met op de omslag een kamer met een boekenwand tot aan het plafond. Die wil ik, dacht ik. Ik heb hem. Schrijven vanuit geluk, niet vanuit verlangen, ik denk dat dat het moeilijkste is, maar ook wat me te doen staat. Er werd ingebroken. Wat het extra eng maakte was dat de inbreker nog in huis moest zijn. Toen ik naar beneden was gegaan, stond mijn vader daar. Het was stikdonker, de ruimte was leeg alsof er nog werd verhuisd. Er zou een televisie verschoven zijn. ‘Ga maar slapen,’ zei hij. ‘Maar wat nou als hij er weer is?’ vroeg ik. Ik lag onder in het stapelbed, ik was nog maar klein. Dat was het meest onrustbarend, ik was iemand anders, ik had een andere naam. Toen ik in bed lag, dikke dekens op me, was er geschuif in de kamer, iemand die ik kende wist overal van, ze maakte een kast open waar de inbreker uit vandaan kwam, een vrouw met lange zwarte haren, stevige wenkbrauwen. Ze keek me vorsend aan zoals ik daar lag, ze zei iets tegen me, dat ik niks mocht zeggen of dat ik er niks van had begrepen. De pannen op tafel, oma’s brede vriendelijkheid, het lijkt een andere eeuw. Het ís een andere eeuw. Het schilderij met de magnoliatakken hangt hoog aan de mottige muur, ongeschonden en soeverein. Het hangt nu hier, bij de trap naar boven. Op een foto uit zonniger tijden staat opa bij de voordeur, met opgerolde hemdsmouwen. Hij staat er fier bij, fierder dan ik me hem herinner. Knap, met een naar binnen gekeerde lach.”
De Turkse schrijfster Elif Shafak (eigenlijk Elif Şafak) werd geboren in Straatsburg op 25 oktober 1971. Zie ook alle tags voor Elif Shafak op dit blog.
Uit: De eeuwigheid in een kort moment (Vertaald door Manon Smits)
“Aan de Seine, Frankrijk 18 april 1855 Als hij deze ochtend wakker wordt flitsen er maar twee gedachten door zijn hoofd: hij gaat de vrouw van wie hij houdt vermoorden, en dat zal hij vandaag doen. Hij kleedt zich aan, langzaam, methodisch. Zijn rituelen kennen een vaste volgorde die hij exact moet aanhouden, ook al is dit geen gewone dag. Als eerste trekt hij een schoon linnen overhemd aan. Dan: een lange onderbroek van katoen, wollen kousen, leren pantoffels — in Constantinopel gekocht tijdens zijn grand tour door de Oriënt, toen hij syfilis en melancholie opliep die sindsdien geen van beide volledig zijn genezen. Hij trekt een fluwelen robe de chambre aan, in de kleur van opgedroogd bloed, en bindt die losjes vast om zijn middel. Op een wastafeltje in de hoek staat een porseleinen kruik met bijpassende kom waaruit hij wat water op zijn voorhoofd spettert. Hij fatsoeneert zijn haar en strijkt zijn snor glad, maar het gezicht dat hem in de spiegel aanstaart ziet er nog steeds zorgelijk en vermoeid uit. Het is lang geleden dat hij een goede nachtrust heeft gehad. Te veel nachtmerries. Meestal dezelfde nachtmerrie. Over haar. Altijd over haar. Hij gaat aan zijn bureau zitten en kijkt door het raam, waar in de verte de zilverige rivierloop meandert. Hij is gefascineerd door de Seine — die grote slagader, vernoemd naar de Keltische godin Sequana —door dat rusteloze zwenken en zwellen waarmee de stroom zijn oevers afkalft, waardoor die zijn eigen herinneringen oplost, eeuwig in gevecht met zichzelf. Tegen de buitenkant van de ruit schrapen de bladeren van de tulpenboom — fluisterend in een taal die hij niet kan verstaan maar die hij dolgraag ooit zou leren. Hij heeft geen idee hoelang hij in die toestand is blijven zitten, verzonken in zijn mijmeringen. Er klopt iemand aan zijn deur, eerst zachtjes, dan harder. Tok-tok-tok. Waarschijnlijk de oude dienstmeid die zijn ontbijt en de ochtendpost komt brengen. Of misschien is het zijn moeder. Ze maken zich allebei zorgen over hem. Ze vinden dat hij zich de laatste tijd vreemd gedraagt, dat hij niet helemaal zichzelf is. Hij beseft dat hij eigenlijk een praatje met ze zou moeten maken — wat beleefdheden uitwisselen om hen gerust te stellen en ze te verzekeren dat alles is zoals het moet zijn. Bovendien moet hij wat eten. Hij heeft niets gehad sinds de kom runderbouillon van de vorige middag, en hij wil de vieze smaak in zijn mond graag verdrijven. Toch wil hij de deur niet opendoen.”
Daar is hij, het zwakke geluid van zijn voetstap in de slaapkamer herinnert mij eraan hoe ik er voor hem uit moet zien – zijn gehoorzame patiënt die zichzelf niet terug zal krijgen. Tot op dit moment ben ik zelfs dat niet, niet meer
dan een geest die al zijn bewegingen volgt op het gehoor. Kamer na kamer wacht ik tot een vaas met water gevuld is, een slot dicht klikt en de gordijnen worden gesloten en vind dan mijn voortvluchtig leven.
Dit is het ene bestaan dat door niets wordt verloochend, het spoken dat hem nog altijd verbaast met het wijdopen zetten van kastdeuren wazig van stof, en met het schoonwrijven van een raam waarin rijen
stallen staan beneden in het donker. Hij is omringd door wat hij verloren heeft en wat ons beiden bespot – een stille boedel van parodieën die ik completeer door hier zo alleen naar het licht te liggen kijken
dat langzaam voortdringt over mijn kamerwand totdat het mij daar vastlegt in de schaduw waaraan ik nooit ontkom: roerloze handen, mijn haar, en altijd dit luisterende, ontsierde gezicht dat hij niet weigeren, niet liefhebben kan.
Wat het hier uitstekend doet zijn kamerplanten, halsreikend of er hoop is te verliezen zoeken ze het licht, uitbollend of ze gefinisht zijn, zonminnend
staan onstuitbaar steeds de loten uit de aarde op, grijpen in het midden van de bitterste maand hun handjes en voetjes zich vast aan de boord van terracotta potten
Ik zit dat zo te zien omdat ik niets Mijn land is op orde rode steenslag donkert onder diagonaal jagende regen
Twee derde van het toeval is gedaan meer misschien, ik neem mij in raak daaromheen aan niemand verbeurde mijn krediet, verliet wie ik liefhad, vervreemdde van me wie mij liefhad, mij vergat op den duur zich lavend aan wie niet
Deze plaatsbepaling heeft een peildatum Deze put hier werd geslagen voor een vorst zonder rijk voor een vis zonder dorst
Het zwijgen dat ik ertoe doe doet er niet toe Niemand die het hoort vraagt zich nog af welk mensvormig gat past om wie het vullen kan niets met niets verbindend Ik heb er geen Margate strand voor nodig, zo ongekend het helmgras, de vloedlijn
Ik spoelde uit je schoot aan ik spoel me, de klos ratelend achter me aan naar je schoot terug, je schoot die niet de jouwe is
Wie de schoonheid zag met eigen ogen Is reeds aan de dood ten prooi gegeven, Deugt voor niets meer in het aards vermogen, En toch zal hij voor de dood nog beven, Wie de schoonheid zag met eigen ogen.
Eeuwig zijn voor hem der liefde smarten, Want een dwaas slechts kan op aard’ verlangen Te voldoen aan deze drang des harten: Wie eens door het schone werd gevangen, Eeuwig zijn voor hem der liefde smarten.
Ach, hij wil wel als een bron verzanden, Had met de adem gif graag ingezogen, Wil op bloemgeur bij de dood belanden. Wie de schoonheid zag met eigen ogen, Ach, hij wil wel als een bron verzanden.
Vertaald door Victor E. van Vriesland
August Graf von Platen (24 oktober 1796 – 5 december 1835) Tentoonstelling in de Staatliche Bibliothek in Ansbach naar aanleiding van de 230e geboortedag van August Graf von Platen in 2026.
De Zuid-Afrikaanse dichteres en schrijfster Antjie Krog werd geboren in Kroonstad op 23 oktober 1952. Zie ook alle tags voor Antjie Krog op dit blog.
Hoe zeg je dat
Ik weet echt niet hoe ik het zeggen moet je verwinterde getrimde baard is misschien te nà, mij voor taal te dichtbij, te kiezelgrijs
ik weet werkelijk niet hoe ik je ouder wordende lijf moet weergeven zonder de woorden ‘verlies’ of ‘fataal’. Ik heb geen idee ik weet niet waarom het woord ‘rimpels’ zo banaal klinkt ik weet niet hoe ouder worden moet klinken in taal
de irissen van je beruchte blauwe ogen zijn intussen doordesemd geraakt met groen maar dan stamelender en inniger – twee
blijvende koelten die mij een leven lang liefhebben mijn wijsvinger trekt je wenkbrauwen na waaruit haren groeien als bliksemschichten gezicht dat ik liefheb: gezicht van verwering
als ik je tegen me aandruk voelen je haren als dons je hoofdhuid verbaast me om zijn textuur – evenals de lange groeven die van je oren naar je hals lopen
de mond die geniaal aan mootjes hakte rust nu geurig tegen mijn slaap genadig als brood je handen laten mijn borsten als glazen donkere wijn in hun palmen zinken misschien wil ik wel zeggen
dat ik je dikke buik zo sexy vind dat een erectie tegen de lichte glooiing mij het water in de mond doet lopen misschien wil ik
wel zeggen dat ik mij voor de eerste keer kan overgeven aan je dijen vanwege hun weke witheid, dat ik het zachte lubberen van je billen liever heb dan de jonge harde opgefokte geilheid
van vroeger het gaat je bij seks niet meer om jezelf, maar om mij het gaat je niet meer om de voortplanting, maar je
wijdt je in alle rust aan mij – in deze schat aan ervaring strek ik me uit. het is alsof je dieper in me gaat, ik stiller word, alsof we in alle heelheid klaarkomen. hoe verzet je
je tegen de gemakkelijke smoes die oud worden botweg tot metafoor van de dood vermomt? hoe kom je aan de woordenschat van de ouderdom?
l’envoi
ik wil een ander leven waarin ik onbevangen aanraak en me blijf inzetten ik heb genoeg van mijn tekortschietende handen mijn zwatelende brein en snedige tong wil ik niet meer ik ben moegeswitcht van: hoe blijf je jong naar hoe blijf je levendig van hoe blijf je levendig naar hoe heb je lief van hoe heb je lief naar hoe heb je onbaatzuchtig lief
ik ben het zat een leven lang een ander leven te willen
Een man van veertig. Veertig jaar lang een kind. Zijn ogen zien mij niet, maar zijn moeder. Zijn verleden. En als een kind dwaalt hij dwars door de tunnels van zijn eigen tijd. En is de logica kwijt, en heeft spijt gevonden. Zijn geschiedenis speelt zich af in zijn ogen, en zijn vingers spelen met zijn pijn. Met logica speelt hij niet. Logica is in het lot van dit kind niet te vinden. En als een moeder ontferm ik me over hem. Maar ik ken hem niet – hij lijkt mij wel te kennen, en kan niet glimlachen. Zijn ogen dwalen slechts van mijn lippen naar het haar van zijn moeder; en zonder een woord te zeggen, toont hij zijn polsen. Zijn mannelijke polsen, met kleine sporen van pijn. Als ik kon, zou ik zijn polsen kussen. Als ik maar de helft van de moed had om met zijn pijn om te gaan.
Dode vogels in de sneeuw: lage huizen en stallen onder rook van een winter- vuur ver weg in de velden.
Haar gezicht: been, wit vlees in een donkere doek geknoopt, ze moet kaal zijn of bijna.
Gebogen over tas en koffer waar rabarberstokken en prei als zieke asters uit puilen, vliegen haar koortsige ogen – rond, klein als van vissen – door de bus, tot ze voorbij het dorp niemand meer vreest, ze haar hand, die oude bloem, ontvouwt, kroonblaadjes plukt, het zachte stuifmeel wrijft en over haar zitplaats strooit voor ze uitstapt en verdwijnt achter bomen.
Willem Bijsterbosch (23 oktober 1955 – 18 januari 2010)