De Belgische dichter, schrijver en vertaler Tom Lanoye werd geboren te Sint-Niklaas op 27 augustus 1958. Zie ook alle tags voor Tom Lanoye op dit blog.
Uit: Het derde huwelijk
“Je trouwt met haar, je woont met haar, je leeft met haar. Maar raak haar aan en ik sla je morsdood.” De man die deze repliek ophoest, zit tegenover mij. Hij heeft zich ontpopt tot een mogelijke geldschieter. Onze ontmoeting in dit café is er gekomen op zijn initiatief. Ik heb hem nooit eerder in mijn leven gezien. Het is tien uur in de ochtend. En het licht is lelijk.
Zal ik zijn woorden boekstaven achter op een viltje van Maes Pils? Ik heb niets bij me om te schrijven. Je kunt een geldschieter moeilijk een potlood vragen om zijn eigen woorden neer te krabbelen. Hij lijkt me toch al geen man wie het te doen is om woorden. Het gaat hier om zijn toekomst. Dat heeft hij al drie keer gezegd. Het heeft weinig zin zo iemand te feliciteren met zijn verbaal talent. Je moet geldschieters sowieso niet feliciteren. Zeker niet als je ze nog maar een halfuur kent, als ze je binnen dat halve uur al iets hebben voorgesteld wat tegen de wet is en tegen je goesting, en waarvoor ze je net zo goed bedreigen. Dit had ik nog aan Gaëtan moeten kunnen vertellen. Die had zich bescheurd. `Zeg toch ja tegen die gast!’ De man en ik zijn de enige klanten in dit vergeethol. De verwarming staat amper aan, de ramen zijn in geen seizoen gelapt, buiten ligt de stad alweer op apegapen na de vroege spits van school en kantoor, het asfalt glimt, ik hoor in de verte de kusttram krijsen, er waggelt een matrone voorbij op een verroeste fiets, het schemert nog — of is dit de voorbode van nog meer hagel en zure regen? Ik voel walging opzetten, terwijl ik niet eens in de spiegel boven de lambrisering kijk. Ik zou de man een antwoord in het gezicht moeten wrijven. Ik zou niet weten wat. Kuchen brengt de oplossing. Kuchen is altijd goed. Alles wat uitstel koopt, is goed. De grondwet der survivors. Ik kuch twee keer.”
De dame droeg een japon Van lichtpaarse ribzijde En haar tunica met goudbrokaat Was samengesteld uit twee panden Die van haar schouders hingen
Als engelen dansten haar ogen Ze lachte ze lachte Haar gezicht was gekleurd als de Franse vlag Blauwe ogen witte tanden en haar lippen intens rood Haar gezicht was gekleurd als de Franse vlag
Haar hals was rond uitgesneden Ze had een Récamier-coiffure Met mooie blote armen
Zullen we nooit middernacht horen slaan De dame in de lichtpaarse japon In tunica met goudbrokaat Hals rond uitgesneden Wandelde haar rondjes Haar gouden band En slofte haar schoentjes met gespen voort
Zij was zo mooi Dat je niet van haar houden durven zou Ik hield van gruwelijke vrouwen in grote buitenwijken Waar nieuwe schepselen wel iedere dag verschenen IJzer dat was hun bloed en vuur dat was hun brein Ik hield ik hield van het volk dat handig met machines was Overvloed en schoonheid zijn niets meer dan hun schuim Die vrouw zij was zo mooi Dat ik bang van haar werd
Vertaald door Wouter van der Land
Guillaume Apollinaire (26 augustus 1880 – 9 november 1918)
De Britse schrijfster Paula Hawkins werd geboren op 26 augustus 1972 en groeide op in Salisbury (het huidige Harare in Zimbabwe) in Rhodesië. Zie ook alle tags voor Paula Hawkins op dit blog.
Uit: In het water (Vertaald door Ineke de Groot)
“Ik werd ergens wakker van. Ik stond op om naar de wc te gaan en zag dat de slaapkamerdeur van mijn ouders openstond. Toen ik naar binnen keek, zag ik dat mam niet in bed lag. Pap lag zoals altijd te snurken. Op de radiowekker zag ik dat het acht over vier was. Ik nam aan dat ze beneden zou zijn. Ze is een slechte slaper. Allebei nu wel, maar hij neemt zulke zware pillen dat je keihard in zijn oor kunt gillen en dan nog zou hij niet wakker worden. Ik liep heel stilletjes naar beneden, want normaal gesproken kijkt ze een tijdje naar van die megasaaie reclames op de tv voor apparaten waardoor je kunt afvallen of waarmee je de vloer kunt schoonmaken of groenten kunt snijden op heel veel verschillende manieren, en valt ze in slaap. Maar de tv stond uit en ze zat niet op de bank, dus moest ze wel de deur uit zijn gegaan. Dat heeft ze wel vaker gedaan, voor zover ik weet, maar ik houd verder niet bij waar ze de hele tijd zitten. De eerste keer zei ze dat ze wat was gaan wandelen om rustig te worden, maar de daaropvolgende keer dat ik wakker werd en merkte dat ze er niet was, keek ik naar buiten en zag ik dat haar auto niet zoals altijd voor de deur stond geparkeerd. Ze zal op die momenten wel langs de rivier gaan wandelen of naar Katies graf gaan, denk ik, want dat doe ik soms ook. Maar dan niet midden in de nacht. Ik ben bang in het donker, en het is ook eng, want Katie had hetzelfde gedaan: ze was midden in de nacht opgestaan, naar de rivier gelopen, en was nooit meer teruggekomen. Ik snap wel waarom mam het doet: zo kan ze dicht bij Katie zijn. Ze zit ook weleens in Katies slaapkamer. Dat weet ik, omdat Katies kamer aan de mijne grenst en ik mam kan horen huilen. Ik zat op de bank op haar te wachten, maar ik moet in slaap zijn gevallen, want toen de deur openging, was het al licht buiten en gaf de klok op de schoorsteenmantel aan dat het kwart over zeven was. Mam deed de deur achter zich dicht en haastte zich de trap op naar boven. Ik ging achter haar aan. Ik bleef voor hun slaapkamerdeur staan en keek door de kier naar binnen. Ze zat op haar knieën aan paps kant naast het bed en ze was rood aangelopen, alsof ze had gerend. Ze haalde zwaar adem en zei: ‘Wakker worden, Alec, wakker worden: Ze schudde hem heen en weer. <Nel Ab-bon is dood: zei ze. ‘Ze lag in het water. Ze is erin gesprongen: Ik geloof niet dat ik iets zei, maar ik moet toch geluid hebben gemaakt, want ze keek me aan en kwam haastig overeind. `Q Josh: zei ze, terwijl ze naar me toe liep. ‘0, Josh. De tranen stroomden over haar wangen en ze drukte me tegen zich aan. Toen ik me lostrok, huilde ze nog steeds, maar ze glimlachte ook.”
Sinds het de dag voor de veertiende juli was Tegen vier uur in de middag Liep ik de straat af om de kunstenmakers te zien
Je ziet ze niet zo veel meer in Parijs Die lui die buiten hun kunstjes doen Toen ik jong was zag je ze vaker dan vandaag Ze zijn massaal uit de stad weggegaan
Ik nam de boulevard Saint-Germain En op een klein pleintje gelegen tussen Saint-Germain-des-Prés en het standbeeld van Danton Daar trof ik de kunstenmakers
Een menigte omringde hen stil en geduldig wachtend Ik zocht een goed plekje in die kring om alles te zien Geweldige gewichten Belgische steden met uitgestrekte arm opgetild door een Russische arbeider uit Longwy Zwarte holle halters met als stang een gestolde rivier Vingers rollen een sigaret zo bitter en zo heerlijk als het leven
Vele vuile tapijten bedekten de grond Tapijten met plooien die nooit meer verdwijnen Tapijten die bijna helemaal vervaald zijn door het stof Waarop wat gele of groene vlekken zichtbaar blijven Zoals een melodie die je achtervolgt
Zie je die magere wilde man die daar staat Uit zijn grijzende baard kwam de as van zijn voorvaderen Daarmee droeg hij zijn hele erfelijkheid in ’t gelaat Hij leek te mijmeren over de toekomst Terwijl hij werktuigelijk draaide aan een orgel Dat wonderlijk jammerde met een trage stem Met geklok en gekras en een gedempt gesteun
De kunstenmakers bewogen niet De oudste droeg een tricot in die paarsachtige roze kleur van de wangen van sommige meisjes die fris maar dichtbij de dood zijn
Dat roze nestelt zich vooral in de plooien die hun monden vaak omringen Of bij de neusvleugels ’t Is een roze vol van verraad
Die man droeg dus zo de vuile kleur Van zijn longen op zijn rug
Armen armen overal gingen op wacht staan De tweede kunstenmaker Had als kleding alleen zijn schaduw Ik keek langdurig naar hem Zijn gezicht ontgaat mij helemaal ’t Is een man zonder hoofd
Een ander tot slot leek op een straatschooier Op een gangster goed en een schoft tegelijk Met zijn opgeblazen broek en met zijn sokophouders Leek hij zo niet sprekend op een pooier trouwens
De muziek stopte en er startten onderhandelingen met het publiek Dat op het kleed in centen opgeteld tweeëneenhalve franc neerwierp In plaats van de drie franc die de ouwe als prijs had vastgesteld
Maar toen duidelijk was dat er niemand meer iets zou betalen Besloot men om toch met de show te beginnen Van onder het orgel kwam een piepkleine kunstenmaker gekleed in pulmonaal roze Met een randje van bont om de pols en om de enkels Hij slaakte korte kreten En groette ons allen vriendelijk met gebogen armen Handen gespreid
Klaar voor een kniebuiging met één been naar achteren Salueerde hij zo richting de vier windstreken En toen hij op een bal liep Werd zijn dunne lijf zulk een fijnzinnige muziek dat niemand in het publiek er ongevoelig voor bleef Een kleine onmenselijke geest Dacht iedereen En deze muziek van vormen Vernielde die van van het mechanisch orgel Gedraaid door de man met zijn voorgeslacht op het gezicht
De kleine kunstenmaker maakte een radslag Met zo’n harmonie Dat ’t orgel stopte met spelen En de orgelspeler verborg zijn gezicht in zijn handen Zijn vingers leken afstammelingen van zijn bestemming Miniatuurfoetussen kwamen uit zijn baard Nieuw gegil van roodhuiden Engelenmuziek van bomen Verdwijning van het kind
De kunstenmakers hieven hun halters met gestrekte armen Ze jongleerden met de gewichten
Maar elke toeschouwer zocht in zichzelf het wonderbaarlijke kind Eeuw o eeuw van wolken
Vertaald door Wouter van der Land
Guillaume Apollinaire (26 augustus 1880 – 9 november 1918) La Muse inspirant le poète (dubbelportret van Apollinaire met zijn minnares Marie Laurencin) door Henri Rousseau, 1909
Uit: The Rub of Time: Bellow, Nabokov, Hitchens, Travolta, Trump.
“Saul Bellow, As Opposed to Henry James Whereas English poetry ‘fears no one’, E.M. Forster wrote in 1927, English fic-tion ‘is less triumphant’: there remained the little matter of the Russians and the French. Forster published his last novel, A Passage to India, in 1924, but he lived on until 1970 – long enough to witness a profound rearrangement in the balance of power. Russian fiction, as dementedly robust as ever in the early years of the century (Bulgakov, Zamyatin, Bely, Bunin), had been wiped off the face of the earth; French fiction seemed to have strayed into philosophical and essayistic peripheries; and English fiction (which still awaited the crucial in-fusion from the ‘colonials’) felt, well, hopelessly English – hopelessly inert and inbred. Meanwhile, and as if in obedience to the political reality, American fic-tion was assuming its manifest destiny. The American novel, having become dominant, was in turn dominated by the Jewish-American novel, and everybody knows who dominated that: Saul Bel-low. His was and is a pre-eminence that rests not on sales figures and honorary degrees, not on rosettes and sashes, but on incontestable legitimacy. To hold otherwise is to waste your breath. Bellow sees more than we see – sees, hears, smells, tastes, touches. Compared to him, the rest of us are only fitfully sentient; and intellectually, too, his sentences simply weigh more than anybody else’s. John Updike and Philip Roth, the two writers in perhaps the strongest position to rival Bellow, or to succeed him, have both acknowledged that his seniority is not merely a question of Anno Domini. Egomania is an ingredient of literary talent, and a burdensome one: the egomaniacal reverie is not, as many suppose, a stupor of self-satisfaction; it is more like a state of red alert. Yet American writers, in particular, are surprisingly level-headed about hierarchy. John Berry-man claimed he was ‘comfortable’ playing second fiddle to Robert Lowell; and when that old flagship Robert Frost sank to the bottom, in 1963, he said impulsively (and unsentimentally), ‘It’s scary. Who’s number one?’ But that was just a rush of blood. Berryman knew his proper place. Rather impertinently, perhaps, you could summarise the preoccupations of the Jewish-American novel in one word: ‘shiksas’ (literally, ‘detested things’). It transpired that there was something uniquely riveting about the conflict between the Jewish sensibility and the temptations – the inevitabilities – of materialist America.”
Want ik ben iemand die bestaat uit het onverdeelde, zei hij, en ik ben vervuld van licht. En duisternis is daar, waar de verdeelden staan.
Hardnekkige woorden, Geweldige, harde woorden. Witte wolken pakken zich samen langs de bergkam. Onder de aarde zijn we ver van huis, of juist dichterbij.
“Als hij vijftien is, verhuist hij met zijn moeder naar een nieuwe stad en begint hij op een nieuwe school. Dat is niet makkelijk op die leeftijd – de verhoudingen op school liggen al vast en het kost hem moeite om vrienden te maken. Na enige tijd heeft hij met één jongen vriendschap gesloten, ook een eenling. Soms hangen ze na school samen rond in het nieuwe, typisch westerse winkelcentrum dat niet lang daarvoor geopend is. Heb jij het ooit gedaan?' waagt zijn vriend.Nee; zegt lstván. ‘lk ook niet; zegt zijn vriend, en op een of andere manier lijkt het of het niet eens zo moeilijk is dat toe te geven. Hij praat heel eenvoudig, heel natuurlijk over seks. Hij vertelt lstván over welke meisjes op school hij fantaseert, en wat hij in zijn fantasie met ze doet. Hij zegt dat hij zich vaak vier of vijf keer op een dag aftrekt, wat lstván het gevoel geeft dat hij tekortschiet, aangezien hij het maar één of twee keer doet. Als hij dat bekent, zegt zijn vriend: lij hebt waarschijnlijk een minder sterke behoefte aan seks: Misschien is dat wel zo, weet hij veel. Hij heeft geen idee hoe het voor andere mensen is. Hij kent alleen zijn eigen ervaring. Op een dag vertelt zijn vriend dat hij het gedaan heeft met een meisje dat aan de andere kant van het spoor woont. Het nieuws heeft iets desoriënterends. István luistert als zijn vriend, vrij gedetailleerd, beschrijft wat er gebeurd is. Hij probeert uit te vogelen of zijn vriend de waarheid spreekt of dat hij liegt. Hij zou liever hebben dat hij loog, maar heeft toch het idee dat hij waarschijnlijk de waarheid spreekt. Sommige dingen die hij zegt zijn te specifiek, te verrassend, die kan hij nooit verzonnen hebben. Dan, een paar dagen later, zegt hij dat hij het meisje heeft gesproken en dat ze gezegd heeft dat ze het ook wel met lstván wou doen. ‘Serieus?’ zegt lstván. la; zegt zijn vriend. lstván weet niet of hij bedoelt alle drie samen, of alleen hij met dat meisje. Hij is niet zelfverzekerd genoeg om het te wagen. Diezelfde dag lopen ze na schooltijd over de voetgangersbrug naar de andere kant van het spoor. Het begint al donker te worden.”
Uit: Troje (Vertaald door Henny Corver, Pon Ruiter en Frits van der Waa)
“Erichthonios werd na zijn dood opgevolgd door zijn zoon TROS. Tros had een dochter, Kleopatra, en drie zonen: Ilos (vernoemd naar zijn oudoom), Assarakos en GANYMEDES. Het verhaal van prins Ganymedes is welbekend. Zo schoon was hij dat Zeus zelf ten prooi viel aan een overweldigende hartstocht voor hem. De god nam de gedaante van een adelaar aan, dook omlaag en droeg de jongen naar de Olympos, waar hij de geliefde gunsteling, gezel en hofschenker van Zeus werd. Om Tros te compenseren voor het verlies van zijn zoon stuurde Zeus HERMES naar hem toe met een geschenk: twee goddelijke paarden die zo snel en licht waren dat ze over water konden galopperen. Tros verzoende zich met het verlies toen hij deze wonderbaarlijke dieren zag en Hermes hem verzekerde dat Ganymedes nu — en per definitie voor altijd — onsterfelijk was. De broer van Ganymedes, prins Ilos, stichtte de nieuwe stad die ter ere van Tros Troje genoemd zou worden. Hij had een worstelwedstrijd gewonnen tijdens de Phrygische Spelen, en de prijs bestond uit vijftig knapen, vijftig maagden en, het allerbelangrijkst, een koe. Een heel bijzondere koe, die volgens een orakel de plek zou aanwijzen waar Ilos een stad moest stichten. `Waar het rund zich neervlijt, daar moet je bouwen: Als Ilos het verhaal van KADMOS kende — en wie kende dat niet? — dan wist hij dat Kadmos en Harmonia de instructies van een orakel hadden opgevolgd en achter een koe aan waren gelopen tot het dier zich neervlijde op een plek waar ze een stad moesten bouwen, de stad die Thebe zou worden, de eerste grote stadstaat van Griekenland. Wij vinden het misschien een wat merkwaardige en bizarre gewoonte om koeien de plek voor een stad te laten kiezen, maar als je er even over nadenkt besef je dat het niet zo raar is. Op de plek waar een stad zal verrijzen moeten ook voldoende vlees, melk, leer en kaas voor haar burgers voorhanden zijn. Om nog maar te zwijgen van sterke trekdieren — ossen om akkers te ploegen en karren te trekken. Als een koe zo ingenomen is met de voorzieningen van een streek dat ze vindt dat ze kan gaan liggen, dan wil dat wel iets zeggen. Hoe het ook zij, Ilos liep welgemoed achter de door hem gewonnen koe aan, helemaal naar Troas* ten noorden van Phrygië, langs de hellingen van de berg Ida, de grote vlak-te van Dardanië op; en daar, niet ver van de plek waar de eerste stad van Ilos’ overgrootvader Dardanos was gebouwd, vlijde het rund zich ten slotte neer. Ilos keek om zich heen. Het was een prima plek voor een nieuwe stad.”
Wat is er aan de hand, grootse architect van het universum? De sterren vallen, De maan verdwijnt achter je dampende wasgoed, Planeten verliezen hun namen, en de duisternis zakt centimeters onder de aarde.
Hier beneden nemen we het zoals het komt. De paarden grazen verder en happen door het lange gras, De honden krimpen ineen, en de coyotes zingen in de stille bossen, uit het zicht.
Uit: De perfecties (Vertaald door Manon Smits en Pieter van der Drift)
“In een hoek, op een aantal krukjes en omgekeerde kistjes bevindt zich een klein oerwoud aan alocasia’s, reuzeneuphorbia’s, ficus benjamina’s en philodendrons met donzige stelen, strelitzia’s en dieffenbachia’s. Achter de glazen deur een glimp van een balkon met twee stoelen en een tafeltje met een porseleinen asbak, een lichtsnoer. Vanuit het tegenoverliggende gezichtspunt is de rest van de woonkamer te zien: een lage sofa en een Deense fauteuil – afgerond mahonie, petrolblauwe ruwe katoen; een plaid met visgraatmotief; een nachtblauw stoffen elektriciteitssnoer waaraan een gloeilamp hangt met een kunstige gloeidraad erin; stapels oude nummers van Monocle en The New Yorker op een zwart metalen bijzettafeltje, met ook een koperen kandelaar en een glazen kom vol fruit. Verder een roldeurkast met daarop stekjes in glazen pot- ten, graslelies en een reeds ontkiemde avocadopit; een analoge platenspeler; twee vloerluidsprekers die zijn aangesloten op een buizenversterker op een lage plank; erboven een lp-verzameling waarvan de bijzonderste exemplaren met de hoes naar voren zijn uitgestald – een limited edition van In Rainbows, een eerste persing van Kraftwerk. Een drakenbloedboom projecteert een handvormige schaduw. Een poster van het Primavera Sound-festival. Een zandkleurige berber met een licht geometrisch motief zorgt ervoor dat de woonkamer een eenheid vormt. De wanden zijn aan weerszijden symmetrisch onderbroken door dubbele deuren van sloophout waarop nog strepen pistachegroene verf te zien zijn. De deuren zijn dicht, wat de niet al te grote ruimte een knusse, intieme, bijna opgepropte sfeer geeft. Een woonkamer om zachtjes in te kletsen op een winteravond bij gedempt licht.”
Zodra ik uw gezichten zag Wist ik: het is gedichtendag U knerst een tand, kijkt zuinig zuur De wind waait guur, de vis is duur
En dan zo’n zwart en zwaar poëem Ik waag me aan een wilde claim: Gedichten kunnen ook vilein Maar helder en begrijpelijk zijn
Of grappig en zelfs opgewekt Met al dan niet een schokeffect En schuwt u elk effectbejag Behalve soms een klaterlach?
Proef dan de taart met massa’s kers Maak kennis met Het Vrije Vers
Water
Mijn zeiljacht scheurde zich zijn bodem open Het zonk niet maar het was een mand, zo lek Dus ging ik maar met tegenzin van dek Op zeebenen moest ik naar huis toe lopen
Ons land barst nog eens open van de droogte Rivieren en kanalen vallen droog Niet iedereen heeft daarvoor oor of oog Men lijkt althans niet bijster op de hoogte
Want menigeen zie ik zijn tuin bevloeien Het grasveld en de straat er gratis bij Wat zijn we met ons allen heden blij Zelfs de bolide blijven we besproeien
Zelf word ik door de droogte niet geraakt: Mijn zeiljacht is een schip dat water maakt!
Herfst
Als drinkebroer heb ik me ingehouden Met thee en appelsap en zelfs een shake Stond ik al droog gedurende een week Maar toen begon de herfst – ik werd verkouden
Ik kerf sindsdien weer kerfjes op mijn kerfstok Ik spoel mijn keel met dagelijks een herfstbok
Ik stel me voor hoe vogels het zien: de zwarte tak van een rivier, daken in de winter, verbijsterde voetgangers op de stoep.
Ik stel me voor dat het eng is voor vogels om over de rivier te vliegen.
Toch kijken ze van bovenaf naar de stad. Bij het depot achter het station, de achtertuinen, de bibliotheek aan de andere kant van de rivier, de volle pagina’s van de straten.
Ze herhalen dit februari gedicht, ze kennen het van de poorten tot de zolders, wetend waar het uiteindelijk zal stoppen, en ze weten, tussen haakjes, hoe het gaat eindigen.
De grond komt tevoorschijn zoals gelaatstrekken duidelijk worden, vissen zullen arriveren in de overloopbekkens van de Dinets rivier, een beetje zwartheid zal aan de horizon verschijnen, er zal geluk zijn, er zullen kattenstaarten zijn.
Het punt is om op te warmen onder de mensen, om van dit kunstwerk van de winter te houden, deze onhoorbare adem van de bodem, zijn zegel.
God weet hoe ik die kinderfijne vingertjes ooit fijn heb kunnen knijpen, tot stof vermalen, uitstrooien, vergeten, als hij tenminste weten kan en God is.
God neuriet een vergeefse tweede stem, nu takken knappen, aarde scheurt, de hof verspringt, de hegschaar doolt, knipt fruit uit en een mond om te verslikken.
Een kinderhandje om aan te ontglippen.
aan het eind van de winter
Was ik het laagje sneeuw dat vers gevallen je borsten toe mocht dekken voor het smolt?
Was jij het roofzuchtig beest dat in mij grip zocht in het eigen vlees?
Zelfs toen je eindelijk opvloog liet de kramp niet uit je klauwen.
Waar bid je nu, welk sneeuwlandschap besmeur je met je schaduw? Kijk, een prooi treedt schuchter aan het licht, een nesteling valt bloot.
Van strandtent naar strandtent
Uit desinteresse word ik wakker het scheelt een slok op een lauwe pul bier het is zomer en dat moet gevierd, nog trekt mijn droom van strandtent naar strandtent, joelend sleuren de meisjes hem mee in de lambada zijn succes is niet om aan te zien maar de streep zonlicht die de vloer aftast biedt onvoldoende afleiding pubers beginnen een polonaise niet aan mijn lijf niet aan mijn lijf de gouden rivier spoelt mijn kleren leeg herpakt zich, waar was hij ook weer, begint de vloer weer af te tasten.
De Amerikaanse dichter, schrijver, vertaler en bloemlezer X.J. Kennedy werd geboren in Dover, New Jersey op 21 augustus 1929. X. J.. Kennedy overleed op 30 januari van dit jaar op 96-jarige leeftijd. Zie ook alle tags voor X. J. Kennedy op dit blog.
CITY CHURCHYARD
BITTER MAN
From birth screwed tight, I writhed inside my soul. Now like a screw I fill a twisted hole.
WRITER
I who once dealt in words and set great store On words have, in a word or two, no more.
PREACHER
Too late. The Hell I threatened cannot hurt you. The wordless worm best knows how to convert you.
ANYMAN
Friend, though you call, you will not find me in. My tombstone? Just an answering machine.
MISANTHROPE
Does misery love company? So they say. But how am I in misery? Keep away.
ATTORNEY
In compost lying low, composed in face, I scribble briefs for Jesus, just in case.
What We Might Be, What We Are
If you were a scoop of vanilla And I were the cone where you sat, If you were a slowly pitched baseball And I were the swing of a bat,
If you were a shiny new fishhook And I were a bucket of worms, If we were a pin and a pincushion, We might be on intimate terms.
If you were a plate of spaghetti And I were your piping-hot sauce, We’d not even need to write letters To put our affection across,
But you’re just a piece of red ribbon In the beard of a Balinese goat And I’m a New Jersey mosquito. I guess we’ll stay slightly remote.
Mixed-Up School
We have a crazy mixed-up school. Our teacher Mrs. Cheetah Makes us talk backwards. Nicer cat You wouldn’t want to meet a.
To start the day we eat our lunch, Then do some heavy dome-work. The boys’ and girls’ rooms go to us, The hamster marks our homework.
At recess time we race inside To don our diving goggles, Play pin-the-donkey-on-the-tail, Ball-foot or ap-for-bobbles.
Old Cheetah with a chunk of chalk Writes right across two blackboards, And when she says, “Go home!” we walk The whole way barefoot backwards.
X. J.. Kennedy (21 augustus 1929 – 30 januari 2026)
Mijn vader droeg zijn oude grijze hoed als een kroon op zijn hoofd hij droeg hem in de zomer hij droeg hem in de winter voor mij, het kind was de hoed op mijn vaders hoofd vanzelfsprekend net als het schort van mijn moeder. hij droeg zijn hoed mijn vader als hij in zijn werkplaats zat te werken als hij op het land werkte als hij in de tuin werkte hij zette hem af als hij at en voor zijn uitstapjes naar de stad naar de kerk gebruikte hij een andere soms zit ik ook met een soort hoofddeksel achter de typemachine stofzuig ik met een pet op mijn hoofd doe ik de afwas met een hoedje op en slaap ik ook graag met een muts op mijn hoofd misschien wilde mijn vader, en nu ik gewoon met een warm hoofd rondlopen misschien ook nooit de gedachten koud laten worden.
Vertaald door Frans Roumen
Elisabeth Alexander (21 augustus 1922 – 17 januari 2009)
Al dat zinnentuig, en dan nog geen sjoege van wat brandt in de pit waar zich verduren moet het schroeiend neteligs en de zweepslag
van angst alsof ooit iets stilvallen zou; terwijl op dode stronken mos gedijt, in tierende varens uitbreekt begraven gebeente!
Kunnen dan niet, als ontzind en huidloos doordringend verliefde grondstof, tot één zacht vuurtje nu vervloeien mijn de weg kwijt-
rakende voortstrompeling en jouw als sneeuw voor de zon ronddwarrelende afwezigheid?
De wegen der vrijheid
Op water lopen? Zee is bedrieglijk en veel te diep al ligt zij daar en lijkt een dier te wezen want rillingen van schuim gaan overheen haar luie lijf dat ademt als een stier zo luid.
Beter is wandelen door de hoge lucht daar weet je zeker dat je niet kunt gaan maar heel het mensdom zal versteld staan hoe rap van dwalingen je keert.
Maart
Onder stammen staat het blank als glas over roestend blad. Onder lucht staat het zwart
bos ontdaan tot bot. In wortels rust vuur, het raast in wind.
Kindjes vallen, hun kreten scherven strijdmetaal. Zomer is hiernamaals, straks.
Anneke Brassinga (Schaarsbergen, 20 augustus 1948)
Kies een rustige plek, een ruïne, een huis dat geen huis meer is, waaronder ik op een dag onder de stenen boog stond om te schuilen voor de regen.
De vloer zonder dak, verticale stijlen, acht houten kolommen die niets dragen, twee trappen die nergens heen leiden, alles doet het lijken
op een schets, aantekeningen bij een huis, een drie- dimensionaal raster dat afwezigheden, overbrugt een idee dat verdwijnt in de oneindige regen,
of juist dat idee dat tevoorschijn komt, skeletachtig tegen de gehamerde hemel, een menselijk iets, schoon en duidelijk te zien van hieruit tot in een ijzeren hemel.
Een plek waar dingen gezegd en gedaan werden, daar kun je je herinneren wat je je moet herinneren. Melancholie is nuttig. Neem die van jou mee.
Er zijn geen buren die zich afvragen wie je bent, wat je daar doet, als je daar loopt, af en toe stilstaat
om een afbrokkelende steen aan te raken of in een deuropening te staan omlijst door de dag. Niemand hoeft te weten dat je denkt aan een andere deuropening
die de regen of het nieuws van de oorlog omlijstte afhankelijk van welke kant je opkeek. Je denkt aan zeewegen en landwegen waar je ooit over reisde, en altijd in dezelfde richting: weg.
Je denkt aan een vrouw, een favoriete jurk, de borsten van je oude vader de laatste keer dat je hem zag, zijn adem, kort, het blad
dat je van een wijnrank hebt geplukt en dat je nu tegen je wang houdt als een treinkaartje of een stuk stof, een handje of een mes – het hangt allemaal af van de loop van je herinnering.
Het is een plek voor hen die geen eigen plek hebben om te corresponderen met ruïnes in de ziel. Het is van mij. Het is helemaal van jou.
Uit: De afschuwelijke eenzaamheid van Maxwell Sim (Vertaald door Otto Biersma en Willem Muilenburg)
“… De mensheid is, zoals je misschien gemerkt hebt, erg inventief geworden in het bedenken van manieren om te voorkomen dat we met elkaar praten, en ik heb me met volle overtuiging gestort op de meest recente daarvan. Ik sms liever dan dat ik de telefoon gebruik. Liever dan dat ik met een van mijn vrienden afspreek, zet ik een vrolijke, ironische update op Facebook, zodat iedereen kan zien wat voor een druk leven ik leid. En waarschijnlijk waren er mensen die ervan genoten, want ik had nu al meer dan zeventig vrienden op Facebook, merendeels volstrekt onbekenden. Maar echt persoonlijk contact, in de trant van: zullen-we-ergens-koffie-gaan-drinken-en-even-bijpraten? Het leek wel of ik vergeten was wat dat precies was…” […]
“… Er is één ding dat mensen van mijn leeftijd niet kunnen uitstaan, namelijk dat mensen van jouw leeftijd gaan preken over moraal. Kijk naar de wereld om je heen. De wereld die jij ons hebt nagelaten. Vind je dan dat je ook maar iets mag zeggen over principes? Ik ben het zat om te horen dat mijn generatie geen normen en waarden heeft. Dat we zo vreselijk materialistisch zijn. Dat we geen belangstelling voor politiek hebben. Weet je hoe dat komt? Doe eens een gok. Precies! Omdat jullie ons zo hebben opgevoed! Jij vindt dat we een product van Margaret Thatcher zijn, maar jullie hebben op haar gestemd, keer op keer, en daarna hebben jullie gestemd op iedereen die na haar kwam en precies hetzelfde deed. Jullie hebben hebberige zombies van ons gemaakt. Jullie hebben alle andere normen onder het tapijt geveegd. Het christendom? Niet nodig. Solidariteit? Wat heeft dat ooit opgeleverd? Echt handwerk? Dingen maken? Dat is voor losers. We laten de losers in het Verre Oosten alles voor ons maken en wij zitten op onze reet voor de tv te kijken hoe de wereld naar de verdommenis gaat, in breedbeeld en HD, dat spreekt vanzelf…”
Ze begint, en mijn grootmoeder zingt met haar mee. Moeder en dochter zingen als jonge meisjes. Als mijn vader nog leefde, zou hij op zijn accordeon spelen en wiegen als een boot.
Ik ben nooit in Peking geweest, of in het Zomerpaleis, noch heb ik op de grote Stenen Boot gestaan om te zien hoe het begint te regenen op het Kuen Ming-meer, hoe de picknickers wegrennen in het gras.
Maar ik vind het heerlijk om het te horen zingen; hoe de waterlelies zich vullen met regenwater tot ze kantelen, water in water morsen, en dan weer terug deinen en zich vullen met meer water,
Beide vrouwen beginnen te huilen. Maar geen van beiden stopt met zingen.
Uit: Respekt ist zumutbar: Texte zu unserer Gegenwart
»Hüter, ist die Nacht bald hin?«, in der Zeile aus dem »Lobgesang« von Mendelssohn Bartholdy, den alten Worten aus dem Buch Jesaja, klingt das furchtsame Unbehagen an, das mancher in diesen Tagen spürt: »Hüter, ist die Nacht bald hin?« möchten wir flüstern angesichts der Nöte und Krisen, deren Zeugen wir werden. Die simultane Dringlichkeit der Konflikte zwischen der Ukraine und Russland, in Syrien und im Irak, bis vor Kurzem zwischen Gaza und Israel, die atem-beraubende Geschwindigkeit, mit der Heimaten vernichtet oder verschoben werden, und die unheimliche Entgrenzung der Gewalt, das verfolgen wir, von morgens bis nachts — und möchten nurmehr, dass es heller werde. Wir schauen zu, wie türkische Soldaten dabei zuschauen, wie Kurden in Kobanê im Kampf gegen die IS-Miliz sterben, eben jene Kurden, die fast allein die staatliche Einheit des Irak verteidigen sollen, denen aber ein eigener Staat nicht zugestanden wird. Wir schauen zu, wie Zivilisten in der Ostukraine an der Bruchlinie Europas zerrieben werden. Wir schauen zu, wie junge Studenten in Hongkong bewusstlos geknüppelt werden, während sie für Bürgerechte demonstrieren, wir schauen zu, wie junge Journalisten, muslimische oder jüdische oder katholische, gefoltert und getötet werden. Wir schauen zu, wie Flüchtlinge, die an ein Europa der Menschenrechte noch glauben, sich an unseren Grenzzäunen den Leib aufreißen oder vor unseren Stränden ertrinken. Und unsere eigene passive Zeugenschaft wird fraglich. Wie lange wollen wir so zusehen? Wie lange können wir zusehen? Wer sind wir, die wir da jeden Tag, jeden Moment, gewissermaßen im Liveticker, Menschen im Wendekreis des Elends betrachten? Wer sind wir, die wir, unbewusst oder bewusst das Leid auch noch hierarchisieren, die wir unterscheiden und werten, je nach eigener religiöser Zugehörigkeit, kultureller oder ethnischer Prägung, je nach Hautfarbe oder Geschlecht, dann noch manche Gewalt erschütternder als andere empfinden. Weil uns die einen näher sind als die anderen. Die amerikanische Autorin Susan Sontag glaubte einst noch, dass das Betrachten des Leids der anderen die Zu-schauer mitunter mit einer gewissen Erleichterung erfüllen könnte. Wie immer groß die »Tele-Intimität aus Tod und Zerstörung« (Sontag) auch sein mochte, Zuschauen bedeutete eben auch, nicht dort zu sein, nicht bedroht zu sein, nicht schutzlos zu sein, bedeutete die Gnade, verschont zu sein von jenem Leid. In dieser Hinsicht konnte sich im Leid der anderen auch das eigene Glück spiegeln.“
Caroline Emcke (Mülheim an der Ruhr, 18 augustus 1967)
Jouw aanraking jouw huid zacht, sterk, uitgestrekt vreugde schenkend gehecht aan liefde, aan warmte.
Bleek op het voorhoofd fijn op de botten droevig bij de slapen sterk in de benen zacht in de wangen en levendig heet vol vuur levend met een leven dat graag doorgegeven wil worden teder overgegeven, intiem Dat was jouw huid wat ik nam wat jij gaf.