De Belgische dichter, schrijver en vertaler Tom Lanoye werd geboren te Sint-Niklaas op 27 augustus 1958. Zie ook alle tags voor Tom Lanoye op dit blog.
Uit: Het derde huwelijk
“Je trouwt met haar, je woont met haar, je leeft met haar. Maar raak haar aan en ik sla je morsdood.” De man die deze repliek ophoest, zit tegenover mij. Hij heeft zich ontpopt tot een mogelijke geldschieter. Onze ontmoeting in dit café is er gekomen op zijn initiatief. Ik heb hem nooit eerder in mijn leven gezien. Het is tien uur in de ochtend. En het licht is lelijk.
Zal ik zijn woorden boekstaven achter op een viltje van Maes Pils? Ik heb niets bij me om te schrijven. Je kunt een geldschieter moeilijk een potlood vragen om zijn eigen woorden neer te krabbelen. Hij lijkt me toch al geen man wie het te doen is om woorden. Het gaat hier om zijn toekomst. Dat heeft hij al drie keer gezegd. Het heeft weinig zin zo iemand te feliciteren met zijn verbaal talent. Je moet geldschieters sowieso niet feliciteren. Zeker niet als je ze nog maar een halfuur kent, als ze je binnen dat halve uur al iets hebben voorgesteld wat tegen de wet is en tegen je goesting, en waarvoor ze je net zo goed bedreigen. Dit had ik nog aan Gaëtan moeten kunnen vertellen. Die had zich bescheurd. `Zeg toch ja tegen die gast!’ De man en ik zijn de enige klanten in dit vergeethol. De verwarming staat amper aan, de ramen zijn in geen seizoen gelapt, buiten ligt de stad alweer op apegapen na de vroege spits van school en kantoor, het asfalt glimt, ik hoor in de verte de kusttram krijsen, er waggelt een matrone voorbij op een verroeste fiets, het schemert nog — of is dit de voorbode van nog meer hagel en zure regen? Ik voel walging opzetten, terwijl ik niet eens in de spiegel boven de lambrisering kijk. Ik zou de man een antwoord in het gezicht moeten wrijven. Ik zou niet weten wat. Kuchen brengt de oplossing. Kuchen is altijd goed. Alles wat uitstel koopt, is goed. De grondwet der survivors. Ik kuch twee keer.”
De dame droeg een japon Van lichtpaarse ribzijde En haar tunica met goudbrokaat Was samengesteld uit twee panden Die van haar schouders hingen
Als engelen dansten haar ogen Ze lachte ze lachte Haar gezicht was gekleurd als de Franse vlag Blauwe ogen witte tanden en haar lippen intens rood Haar gezicht was gekleurd als de Franse vlag
Haar hals was rond uitgesneden Ze had een Récamier-coiffure Met mooie blote armen
Zullen we nooit middernacht horen slaan De dame in de lichtpaarse japon In tunica met goudbrokaat Hals rond uitgesneden Wandelde haar rondjes Haar gouden band En slofte haar schoentjes met gespen voort
Zij was zo mooi Dat je niet van haar houden durven zou Ik hield van gruwelijke vrouwen in grote buitenwijken Waar nieuwe schepselen wel iedere dag verschenen IJzer dat was hun bloed en vuur dat was hun brein Ik hield ik hield van het volk dat handig met machines was Overvloed en schoonheid zijn niets meer dan hun schuim Die vrouw zij was zo mooi Dat ik bang van haar werd
Vertaald door Wouter van der Land
Guillaume Apollinaire (26 augustus 1880 – 9 november 1918)
De Britse schrijfster Paula Hawkins werd geboren op 26 augustus 1972 en groeide op in Salisbury (het huidige Harare in Zimbabwe) in Rhodesië. Zie ook alle tags voor Paula Hawkins op dit blog.
Uit: In het water (Vertaald door Ineke de Groot)
“Ik werd ergens wakker van. Ik stond op om naar de wc te gaan en zag dat de slaapkamerdeur van mijn ouders openstond. Toen ik naar binnen keek, zag ik dat mam niet in bed lag. Pap lag zoals altijd te snurken. Op de radiowekker zag ik dat het acht over vier was. Ik nam aan dat ze beneden zou zijn. Ze is een slechte slaper. Allebei nu wel, maar hij neemt zulke zware pillen dat je keihard in zijn oor kunt gillen en dan nog zou hij niet wakker worden. Ik liep heel stilletjes naar beneden, want normaal gesproken kijkt ze een tijdje naar van die megasaaie reclames op de tv voor apparaten waardoor je kunt afvallen of waarmee je de vloer kunt schoonmaken of groenten kunt snijden op heel veel verschillende manieren, en valt ze in slaap. Maar de tv stond uit en ze zat niet op de bank, dus moest ze wel de deur uit zijn gegaan. Dat heeft ze wel vaker gedaan, voor zover ik weet, maar ik houd verder niet bij waar ze de hele tijd zitten. De eerste keer zei ze dat ze wat was gaan wandelen om rustig te worden, maar de daaropvolgende keer dat ik wakker werd en merkte dat ze er niet was, keek ik naar buiten en zag ik dat haar auto niet zoals altijd voor de deur stond geparkeerd. Ze zal op die momenten wel langs de rivier gaan wandelen of naar Katies graf gaan, denk ik, want dat doe ik soms ook. Maar dan niet midden in de nacht. Ik ben bang in het donker, en het is ook eng, want Katie had hetzelfde gedaan: ze was midden in de nacht opgestaan, naar de rivier gelopen, en was nooit meer teruggekomen. Ik snap wel waarom mam het doet: zo kan ze dicht bij Katie zijn. Ze zit ook weleens in Katies slaapkamer. Dat weet ik, omdat Katies kamer aan de mijne grenst en ik mam kan horen huilen. Ik zat op de bank op haar te wachten, maar ik moet in slaap zijn gevallen, want toen de deur openging, was het al licht buiten en gaf de klok op de schoorsteenmantel aan dat het kwart over zeven was. Mam deed de deur achter zich dicht en haastte zich de trap op naar boven. Ik ging achter haar aan. Ik bleef voor hun slaapkamerdeur staan en keek door de kier naar binnen. Ze zat op haar knieën aan paps kant naast het bed en ze was rood aangelopen, alsof ze had gerend. Ze haalde zwaar adem en zei: ‘Wakker worden, Alec, wakker worden: Ze schudde hem heen en weer. <Nel Ab-bon is dood: zei ze. ‘Ze lag in het water. Ze is erin gesprongen: Ik geloof niet dat ik iets zei, maar ik moet toch geluid hebben gemaakt, want ze keek me aan en kwam haastig overeind. `Q Josh: zei ze, terwijl ze naar me toe liep. ‘0, Josh. De tranen stroomden over haar wangen en ze drukte me tegen zich aan. Toen ik me lostrok, huilde ze nog steeds, maar ze glimlachte ook.”
Sinds het de dag voor de veertiende juli was Tegen vier uur in de middag Liep ik de straat af om de kunstenmakers te zien
Je ziet ze niet zo veel meer in Parijs Die lui die buiten hun kunstjes doen Toen ik jong was zag je ze vaker dan vandaag Ze zijn massaal uit de stad weggegaan
Ik nam de boulevard Saint-Germain En op een klein pleintje gelegen tussen Saint-Germain-des-Prés en het standbeeld van Danton Daar trof ik de kunstenmakers
Een menigte omringde hen stil en geduldig wachtend Ik zocht een goed plekje in die kring om alles te zien Geweldige gewichten Belgische steden met uitgestrekte arm opgetild door een Russische arbeider uit Longwy Zwarte holle halters met als stang een gestolde rivier Vingers rollen een sigaret zo bitter en zo heerlijk als het leven
Vele vuile tapijten bedekten de grond Tapijten met plooien die nooit meer verdwijnen Tapijten die bijna helemaal vervaald zijn door het stof Waarop wat gele of groene vlekken zichtbaar blijven Zoals een melodie die je achtervolgt
Zie je die magere wilde man die daar staat Uit zijn grijzende baard kwam de as van zijn voorvaderen Daarmee droeg hij zijn hele erfelijkheid in ’t gelaat Hij leek te mijmeren over de toekomst Terwijl hij werktuigelijk draaide aan een orgel Dat wonderlijk jammerde met een trage stem Met geklok en gekras en een gedempt gesteun
De kunstenmakers bewogen niet De oudste droeg een tricot in die paarsachtige roze kleur van de wangen van sommige meisjes die fris maar dichtbij de dood zijn
Dat roze nestelt zich vooral in de plooien die hun monden vaak omringen Of bij de neusvleugels ’t Is een roze vol van verraad
Die man droeg dus zo de vuile kleur Van zijn longen op zijn rug
Armen armen overal gingen op wacht staan De tweede kunstenmaker Had als kleding alleen zijn schaduw Ik keek langdurig naar hem Zijn gezicht ontgaat mij helemaal ’t Is een man zonder hoofd
Een ander tot slot leek op een straatschooier Op een gangster goed en een schoft tegelijk Met zijn opgeblazen broek en met zijn sokophouders Leek hij zo niet sprekend op een pooier trouwens
De muziek stopte en er startten onderhandelingen met het publiek Dat op het kleed in centen opgeteld tweeëneenhalve franc neerwierp In plaats van de drie franc die de ouwe als prijs had vastgesteld
Maar toen duidelijk was dat er niemand meer iets zou betalen Besloot men om toch met de show te beginnen Van onder het orgel kwam een piepkleine kunstenmaker gekleed in pulmonaal roze Met een randje van bont om de pols en om de enkels Hij slaakte korte kreten En groette ons allen vriendelijk met gebogen armen Handen gespreid
Klaar voor een kniebuiging met één been naar achteren Salueerde hij zo richting de vier windstreken En toen hij op een bal liep Werd zijn dunne lijf zulk een fijnzinnige muziek dat niemand in het publiek er ongevoelig voor bleef Een kleine onmenselijke geest Dacht iedereen En deze muziek van vormen Vernielde die van van het mechanisch orgel Gedraaid door de man met zijn voorgeslacht op het gezicht
De kleine kunstenmaker maakte een radslag Met zo’n harmonie Dat ’t orgel stopte met spelen En de orgelspeler verborg zijn gezicht in zijn handen Zijn vingers leken afstammelingen van zijn bestemming Miniatuurfoetussen kwamen uit zijn baard Nieuw gegil van roodhuiden Engelenmuziek van bomen Verdwijning van het kind
De kunstenmakers hieven hun halters met gestrekte armen Ze jongleerden met de gewichten
Maar elke toeschouwer zocht in zichzelf het wonderbaarlijke kind Eeuw o eeuw van wolken
Vertaald door Wouter van der Land
Guillaume Apollinaire (26 augustus 1880 – 9 november 1918) La Muse inspirant le poète (dubbelportret van Apollinaire met zijn minnares Marie Laurencin) door Henri Rousseau, 1909