Wij zijn vrij, roept de Nederlandsche vlag die wapperend zich boven ons ontplooit, wij zijn vrij, roept zij, en zij riep dit nooit met dieper kleuren dan op dezen dag.
Want zie, het trotsche rood heeft zich getooid met bloed, dat in den dood de vrijheid zag, ’t wit blinkt van ijver zonder winstbejag, het blauw werd door beproefde trouw voltooid.
Waai uit, herwonnen driekleur, waai vrij uit, tezaâm met den oranjewimpelzwier van Haar, de Landsvrouwe, die gehandhaafd heeft.
Een nieuwe reis vangt aan, en gij beduidt hetgeen in ons, o heilige banier, trotseerend, zuiver en gestaald herleeft.
Martinus Nijhoff (20 april 1894 – 26 januari 1953) Bevrijdingsmonument in Den Haag, de geboorteplaats van Martinus Nijhoff
Geen dief overtrof, geen spion, hetgeen hij moeiteloos kon; en het gevederd leder waarop de god Hermes van zijn bergtop neer te dalen placht doorkruiste het ruim niet zo zacht als hij op straat kon gaan, gewoon lopend, met schoenen aan.
Hij maakte op het trottoir het onheilspellende maar onhoorbare gerucht van het hoog in de lucht verschoten vliegerbericht: in een wolkje ploft licht tot een blinkende ster uiteen, en langs heel de vuurlinie heen weet men: dit meldt het uur u, nu gaat het beginnen, nu verdwijnt de onzekerheid van de mij gegunde tijd, nu is het voor alles te laat. De stilte die dan ontstaat is een stilte, niet slechts naar de vorm een stilte voor de storm, maar een stilte van het soort waar dingen in worden gehoord die nog nimmer het oor vernam. Zo ook hier. Toen de man kwam en met zijn gestrekte pas voortliep, begon men het gas in de buizen onder het huis te horen, en het gesuis van water onder de straat, en, in de elektrische draad naar radio en telefoon, een vonkende zoemertoon als waren er bijen in de buurt. Er werd niet gegluurd.
De verbrandende lampion
Vannacht zag ik, door ’t raam op het balkon, Waar ’t maanlicht langs de natte planken glansde, Voorbij de balustrade, een lampion Van vreemd bleek licht, die in het donker danste, Kantelen op den wind – En plotseling Herkende ik: zijn gelaat, dat met vermoeide Wijd-open oogen daar voor ’t venster hing Terwijl de huid als dun doek openschroeide –
Martinus Nijhoff (20 april 1894 – 26 januari 1953)
De Duitse schrijfster en dichteres Sarah Kirsch (eig. Ingrid Hella Irmelinde Kirsch) werd geboren op 16 april 1935 in Limlingerode. Zie ook alle tags voor Sarah Kirsch op dit blog.
Aarde
Nieuws uit het leven van rupsen De koekoek stottert en de verdroogde bedden Scheuren open als ik gieters sjouw De mij toevertrouwde planten, groenten met bladluizen Hulpeloos bekijk, toen ik jaren geleden in de tuin van mijn vader kwam Waren er de zeven plagen Helachtig ongedierte niet en de bodem Deed nog zijn werk, deze hier Is een drop-out, smerig en lui Je moet hem vragen om de mest overal in te blazen, anders produceert hij niet eens een cantharel. Hoezeer moeten de mensen De aarde beledigd hebben mij verschijnt Om zevenentwintig rozenstruiken te redden Een verdwaalde engel, de gele jerrycan, over de beschimmelde vleugels gespannen De hemelse duim in de rubberen handschoen Draait het ventiel omlaag en het ruikt Urenlang naar bittere amandelen.
“Maart ’44 ben ik geboren, zeven jaar na onze Louis. De hele oorlog hadden ze geen nagel om aan hun gat te krabben, toch werd ik gemaakt. Ik heb dat lang niet begrepen. Was míjn eerste kind Louis, ik had meer dan genoeg. De gelukkigste mens op aarde zou ik zijn. Het schijnt dat ik bijna vanzelf ben gekomen. Ons vader was nog maar juist de kamer uit of hij mocht al terugkomen. Hij boog zich over de wieg en hij moet zo diep gezucht hebben dat ze hem aan de andere kant van het dorp konden horen. Geen schoner kind dan Juliette, moet hij gezegd hebben, dat híj zoiets kon maken, het was een wonder. Daarna trok hij zijn jas aan en hij verdween. Na drie dagen sloeg ons moeder een warme doek om mij heen, legde me in de wieg naast de kachel, stapte in haar schoenen en liep recht naar café ‘Onder Den Toren’, waar ze ons vader van de toog weg sleurde en hem niet meer losliet tot ze weer voor ons huis stond. Ze deed de voordeur open, schopte ons vader tegen zijn billen en wel zo hard dat hij knal met zijn gezicht tegen de vloer vloog, zijn voorste tanden brak en zijn neus ook. Ze deed de deur weer dicht, stapte over hem heen, nam mij uit de wieg, opende haar hemd en legde mij aan de borst. Een uur heeft hij op de grond gelegen. Toen deed hij zijn ogen open, sukkelde overeind, krabde het bloed van zijn lippen en wangen, van zijn neus en van de grond, draaide zich om en liep naar de voordeur. Ons moeder zat naast de kachel, ik lag nog altijd tegen haar aan. Wat hij van zin was, vroeg ze. Niks, zei ons vader, helemaal niks, waarop hij de voordeur opentrok. Ze kwam hem niet meer halen, zei ons moeder. Nooit meer. De voordeur ging weer dicht. Ons vader ging op de grond zitten, sloeg zijn handen voor zijn gezicht. Het schoonste kind van de wereld, zuchtte hij, en dat dat niet kon, hij moest zijn eigen kop nog maar bekijken of hij wist het al. Ons moeder glimlachte. En met die glimlach ging ze voor hem staan. Dat hij haar eens goed bekeek, zijn vrouw, de rapste, de slimste, de schoonste van uren in het rond. Zag ze eruit alsof ze haar hart zou geven aan de eerste de beste dwazerik? Het was hém die ze wilde, hem en geen ander.”
„Sie regierten im Tal der Iser, in Nordost-Böhmen, ohne daß man weiß, wie und wann sie zu ihrer Herrschaft gelangt waren: slawischer Uradel. Das Merkwürdige ist, daß sie im Ursprung dort regierten, wo 400 und 700 Jahre später noch die Besitzungen der Waldsteins lagen und daß wir von Gründungen der Markwartinger, wie zum Beispiel Stadt und Kloster Münchengrätz, noch hören werden. Im späten 13. Jahrhundert teilten sie sich in allerlei Familien, die eine gesonderte Identität zu pflegen begannen. Von Albrecht Wallenstein schrieb sein mährischer Schwager, Karl von Zierotin, den jungen Mann empfehlend: »Er ist hoch geboren (bien né) wie Sie wissen, und mit allen großen Häusern Böhmens verwandt.« Das traf zu. Nicht nur war einer seiner Ahnen Marschall am Hof des gewaltigen Tschechenkönigs, Georg von Podiebrad; er stammte auch selber von diesem Herrscher ab, und zwar so, daß eine seiner Urgroßmütter von Mutters Seite, eine schlesische Herzogin von Münsterberg, die Urenkelin des Königs war; dieser, zählen wir richtig, war Wallensteins Vorfahr in der siebten Generation. Was dann seine lebenden Verwandten betrifft, die Smiricky, Slawata, Wartenberg, Zierotin, Lobkowicz und andere gleich tönenden Namens, so wohnten sie ringsum in den Schlössern Böhmens und der Markgrafschaft Mähren; in Grenzburgen gegen Deutschland und Ungarn hin, uralten, den Felsen sich anschmiegenden Gemäuern, je nach Bedürfnis und Stil der Zeit erweitert mit Ecktürmen, Vorburgen und Ringmauern; in Schlössern neuen italienischen Stils, langen Fluchten steinerner Säle um Arkadenhöfe, reich geziert mit Holztäfelungen, vergoldetem Schnitzwerk, Wappen, kostbaren Stoffen, Fabelbildern und Ahnenbildern; am Marktplatz ihrer eigenen Städte, in den Gassen der Prager Kleinen Seite, oder zwischen waldumrauschten Höhen und dem Fluß im Tal – da wohnten sie; umgeben von Künstlern aus Welschland, die ihnen etwa gerade den Rittersaal mit Fresken auszumalen oder den Park mit Statuen und Brunnen zu schmücken hatten, von Leibärzten und Seelsorgern, von französischen, italienischen, deutschen Sekretären; bedient von Stall-, Jäger- und Haushofmeistern, von Ober- und Unterköchen, Pastetenmachern und Zuckerbäckern, von Kammerdienern, Lakaien, Haiducken, reitenden Boten; Souveräne so weit ihr Reich reichte, Herren über Leben und Tod ihrer Untertanen; Patrioten wohl auch, Hauptleute ihres Kreises, tätige Mitglieder des Landtages in Prag, Inhaber der obersten Landesämter, aber Patrioten auf ihre Art, so nämlich, daß sie des Landes Freiheit gleichsetzten mit ihren Freiheiten, welche in Jahrhunderten den Königen und Bürgern abgezwungene, ungeheuere Vorrechte waren.“
Ik steunde ’t hoofd op mijn ontladen jachtgeweer. Al mijmerend, verging de lust mij meer en meer nog zijn wolvin en welpen te vervolgen, die slechts node van hem scheidden, en, naar ik het zie, zou zeker ’t fiere wijfje, zonder haar twee jongen, in de ure des gevaars hem zijn te hulp gesprongen; maar zij had zich aan ’t redden van het kroost gewijd, moest hun nog leren, hoe men waardig honger lijdt, hoe men te allen tijde zich moet houden buiten ’t verdrag dat mensen met geknechte dieren sluiten, die jagen voor de mens, in ruil voor onderhoud, zij, voorheen zelf de meesters van gebergte en woud.
Vertaald door Martinus Nijhoff
Alfred de Vigny (27 maart 1797 – 17 september 1863) Standbeeld van Alfred De Vigny in zijn geboorteplaats Loches, departement Indre-et-Loire