Aan alle bezoekers en mede-bloggers een Vrolijk Pasen!
Paashoningdauw door Olga Sedykh, 2020
Das Osterei
Hei, juchei! Kommt herbei! Suchen wir das Osterei! Immerfort, hier und dort und an jedem Ort! Ist es noch so gut versteckt. Endlich wird es doch entdeckt. Hier ein Ei! Dort ein Ei! Bald sind’s zwei und drei.
Hoffmann von Fallersleben (2 april 1798 – 19 januari 1874) De St.-Nicolai-Kirche in Bothfeld. Op het kerkhof staan twee Hoffmann von Fallersleben eiken. De dichter stichtte in 1849 zijn familie in Bothfeld en schreef veel van zijn liederen over de heide hier.
’t Ligt omgord noch omboord met granieten, ’t Is van fortwerk noch vestwal omwand, Doch rifgruwlen van wreedst bloedvergieten Blijven zwak bij ’t verraad van dit zand; Bij de duizenden, weerloos verslagen: – Naar dees banken versleurd en verstouwd Heeft het schip, in d’opstandige vlagen, Geen kans van behoud.
Geen kans weer bij vloed vrij te spoelen Van de gronden der onheilskust, Los uit waatren die botsen en woelen: Geen kans dan een toevalsrust Van de wind, langs de grafmoerassen, Waar, nauw voor de golfslag bewaard, Lijken, dicht als de sprieten der grassen, In ’t slib zijn vergaard.
Van ontelbre, verhoopte gedrangen Als van uitgewied onkruid vol, Ligt het zwaar van hun zwijgen bevangen, Of dit zwijgen tot zangen zwol; En geheim, als van eeuwigheidsgeuren Verzoet, en van wijding doortrild, Zo het soms voor een wijl mocht gebeuren Dat alles verstilt;
Dat het eindeloos razen en schallen Zacht, als ’t grazen van vee, gerucht, En de wiekslag der zee valt, bij ’t vallen Des winds, als der vogelen vlucht – Als de vlucht ener meeuw, of eens raven, Die tegen hem krijst als hij krijst, Wijl wijd om de massa’s der graven Dag duistert of rijst.
Verloochening van Petrus door Nicolaes Knüpfer, 1750
Petrus
Hij naderde schoorvoetend aan het vuur, Waar de soldaten met een schor misbaar Zijn Heer beschimpten en vernam ’t onguur Geding en wankelde en voorzag gevaar.
‘De heiland had ook dezen knecht in huur’, Krijste een vrouw, doch hij bedreigde haar En vloekte doodsbleek en verkocht zich duur. ‘Ik zag hem nooit, nooit zag ik hem voorwaar’.
Maar aan zijn slapen duizelde het bloed; Want bij het rode schijnsel van het vuur Zag hij den Meester, en zijn stommen groet
En zijn gebukte schaduw aan den muur. En toen hij vluchtte, het duister tegemoet Kraaide de haan reeds in het bleeke uur.
Anthonie Donker (8 september 1902 – 26 december 1965) De Laurenskerk in Rotterdam, de geboorteplaats van Anthonie Donker
Dood is dwangvorst, gescepterd met ijzer, De zee mint hem innig en trouw; Bij hun liefdetaal grammer en grijzer Worstelt branding in jammer en rouw; En zijn siersel zweeft zwaar over ’t kustoord Waar zij ’t stormschuim geplengd heeft voor hem; Eén in doemzucht, in roofgier en lustmoord, Vermengt zich hun stem.
Van zijn rijksroem geniet zij bezeten, En haar luister maakt hem woest en trots; Door haar duister weerdaavren zijn kreten, Bij zijn adem juicht hoog haar geklots; -‘Zo uw almacht voor immer mij stom sloeg Waar mijn heiligste hunkring voldaan!’ – -‘’t Waar mijn leen, wat ik eindlijk weerom vroeg, Mijn liefste oceaan!’ –
Jaar op jaar ontwaakte ten leven, Eeuw op eeuw zeeg neer in de dood, En geen prooi, tot verzwelging gegeven, Blust of lest ooit haar dorstende nood; En de roep harer hongrende reeuwsheid En zijn schreeuw naar verdelging en moord, Of ’t gehuil van een wolf door de sneeuw schreit, Brult rusteloos voort.
Vertaald door Victor E. van Vriesland
Algernon Swinburne (5 april 1837 – 10 april 1909) Cover van een wetenschappelijke uitgave van een omvangrijke selectie uit het werk van Algernon Swinburne uit 2016
Christus wast de voeten van de apostelen door Peter Paul Rubens, 1632
The Feet of Judas
Christ washed the feet of Judas! The dark and evil passions of his soul, His secret plot, and sordidness complete, His hate, his purposing, Christ knew the whole. And still in love he stooped and washed his feet.
Christ washed the feet of Judas! Yet all his lurking sin was bare to him, His bargain with the priest, and more than this, In Olivet, beneath the moonlight dim, Aforehand knew and felt his treacherous kiss.
Christ washed the feet of Judas! And so ineffable his love ’twas meet, That pity fill his great forgiving heart, And tenderly to wash the traitor’s feet, Who in his Lord had basely sold his part.
Christ washed the feet of Judas! And thus a girded servant, self-abased, Taught that no wrong this side the gate of heaven Was ever too great to wholly be effaced, And though unasked, in spirit be forgiven.
And so if we have ever felt the wrong Of Trampled rights, of caste, it matters not, What e’er the soul has felt or suffered long, Oh, heart! this one thing should not be forgot: Christ washed the feet of Judas.
George Marion McClellan (29 september 1860 – 17 mei 1934) De Fisk University in Nashville, waar George Marion McClellan aan studeerde
Ik had een officiële functie, het paste slecht bij mij. Jammer genoeg was ik de enige die er zo over dacht. Mijn man was trots op me, maar wist aan het eind van de dag niet goed wat hij moest vragen. Voor de kinderen was het zoiets als Waterloo.
Medailles bloesemden op mijn uniform. Langzaam maar zeker verslapten mijn contouren onder invloed van het zittende bestaan. Ik maakte overuren met de lelieblanke secretaris, hij begreep ten minste wat incasseren betekende.
Tegen het eind van de oorlog bleek dat die rat gewoon hetero was. Ik ontsloeg iedereen: de secretaris, de ministers, mijn man, de kinderen en de golden retriever. Ik heb ze nooit meer teruggezien.
Ik ging weer sporten. De volkstribunalen kregen hoegenaamd geen vat op mij. Sinds ik een nieuwe markt van pensioengerechtigde vrouwen uit de westerse middenklasse heb aangeboord, kent mijn succes geen grenzen meer. Pensioengerechtigde vrouwen uit de westerse middenklasse lezen van allemaal misschien nog wel de meeste poëzie.
Heel erg hetzelfde
In veel opzichten ben je dus toch wel heel erg hetzelfde. Ik wrijf mijn vaders grauwe ogen uit, knijp in mijn moeders appelwang.
Ik richt me tot de man: ‘Het was de bedoeling dat ik iets anders werd, iets volkomen nieuws en onomwonden levensvatbaars. Zie je voor je hoe ze erbij stonden toen ze een tweedehandsje leverden, voorjaar 1979, op de oprit, onder de pergola, in hun schortjes, braaf braaf braaf, ontgoocheld, beteuterd, voor het blok gezet?’
De man knikt en streelt de borsten van mijn oma. Hij weet allang dat de beste dingen verre van democratisch zijn.
Anneke Claus (Doetinchem, 2 april 1979)
De Amerikaanse schrijver, dichter en essayist Jay Parini werd geboren in Pittston op 2 april 1948. Zie ook alle tags voor Jay Parini op dit blog.
Voorgevoel
Ik volg hem, de slak van de gedachte Ik verlaat het spoor, sla af van dit pad Ik hurk in de schaduw, onder varens Ik weiger elke vogel te antwoorden Ik zie de vloeistof glinsteren in zijn huis Ik proef de wind Ik ruik de rook van het vuur in het bos Ik hoor het geknetter van duizend doornen Ik voel de temperatuur stijgen Ik beschouw elke optie als geldig Ik doorloop elke fase Ik verkruimel in natte, zwarte grond Ik raak mijn plek kwijt in zand en grind Ik luister naar het gekletter van onkruid Ik vraag me af waar de slak vandaag heen zal gaan
Jongens in een Italiaanse kerk, Palmzondag door Kristian Zahrtmann, 1884
Palmsonntag
2.
Sanften, warmen Sonnenregen Bracht’ uns des Palmsonntags Morgen, Kinder ziehn auf allen Wegen, Die um grüne Palmen sorgen.
Reiche Palmen, Liebesspenden, Für den Friedensfürst, den hehren, Schwingen bald sie in den Händen, Und die Scharen stets sich mehren.
Hosianna! Hörst du’s klingen Silberhell aus Kindermunde? Frommen Gruß die Glocken bringen Lieblich drein vom Dorf im Grunde.
Nun so geh auch du entgegen Jubelnd deinem Herrn mit Psalmen, Bringt er Frühling doch und Segen; Laß Ihm grünen deine Palmen!
Nun, so thu’ Ihm auf die Pforte, Wenn er anklopft, einzukehren! Heil dem milden Himmelshorte Preis dem Könige der Ehren!
Franz Alfred Muth (13 juni 1839 – 3 november 1890) De Liebfrauenkirche in Hadamar, de geboorteplaats van Franz Alfred Muth
De Amerikaanse dichteres Ada Limón werd geboren op 28 maart 1976 in Sonoma, Californië. Zie ook alle tags voor Ada Limón op dit blog.
CO-OUDERSCHAP
Waarom besefte ik nooit wat het eigenlijk was: overvloed. Twee gezinnen, twee verschillende keukentafels, twee verzamelingen regels, twee kreken, twee hoofdwegen, twee stiefouders met hun aquaria of cassettebandjes of sigarettenrook of kennis van koken of talent voor lezen. Ik kan het niet omdraaien, de bekraste plaat blijft hangen op dat oorspronkelijke chaotische lied. Toch moet ik zeggen, op zondag werd ik heen en weer gebracht en dat was best lastig maar op beide plekken hadden ze me lief. Zodoende heb ik nu twee paar hersenen. Twee complete tegenpolen. Eén paar dat altijd mist waar ik niet ben, één dat opgelucht denkt: ik ben eindelijk thuis.
We see so little, stayed on surfaces, We calculate the outsides of all things, Preoccupied with our own purposes We miss the shimmer of the angels’ wings,
They coruscate around us in their joy A swirl of wheels and eyes and wings unfurled, They guard the good we purpose to destroy, A hidden blaze of glory in God’s world.
But on this day a young girl stopped to see With open eyes and heart. She heard the voice; The promise of His glory yet to be,
As time stood still for her to make a choice; Gabriel knelt and not a feather stirred, The Word himself was waiting on her word.
Malcolm Guite (Ibadan, 12 november 1957) De St. Petruskathedraal in Aremo, Ibadan, Nigeria, de geboorteplaats van Malcolm Guite
“De galeriehoudster, vermaard om haar collectie wajangs, chinees aardewerk, een dikbuikige Boeddha en sinds kort, een ‘gedurfde verzameling moderne kunst’ (de plaatselijke pers) wist de kinderen tactisch van haar oosterse snuisterijen te weren. Ze stelde, mits ze goed naar hun onderwijzer luisterden, een kartonnetje in het vooruitzicht, waaruit ze hun eigen wajang konden prikken voor boven hun bed. Haar broze garnituur was maar schijn. Toen enkele belhamels te dicht in de buurt van haar porseleinkast kwamen, werden ze domweg terug geduwd. Hun onderwijzer zond ze een krisscherpe blik. De vorm van de bronzen dwong tot uitleg. Waarom geen armen maar stompjes? Waarom hadden de hoofden geen ogen, maar de borsten wel tepels? De jongens betrokken hem knipogend in een complot tegen de meisjes. Ze waren pas tien, maar hadden nu al van hun vaders geleerd over dit soort zaken vrijpostig te zwijgen. De onderwijzer had op zijn opleiding het een en ander over de kunst van het weglaten geleerd. Men kan, ook al is men pas tien, een ontwikkeling die inzette bij de Venus van Milo toch zomaar niet weghonen? Een keur van argumenten had hem kunnen wapenen tegen de spotlust van deze kinderen. Er waren manifesten geschreven, epaterende pamfletten vaak, die het mes zetten in de realistische verbeelding; niet een was er gericht tegen kinderen. Sprak er uit al die geschriften niet hetzelfde respect voor de onbezoedelde kinderblik, als een nostalgisch a priori? Hadden die pamfiettenschrijvers dan geen kinderen? Hij had te kiezen uit twee even uitzichtloze conclusies. Of de kinderblik was wel degelijk bezoedeld, vooringenomen en benepen en die van de moderne kunstenaar dus niet minder. Of de kinderlijke schamperheid gold een bij uitstek volwassen aangelegenheid, waarover zij niet oordelen konden, en waarvan men de drijfveren uit kiesheid verzweeg of met een zekere sprookjesachtigheid omgaf. Ook dan was deze excursie tijdverlies, verspilde moeite. Hij zocht houvast bij een paar meisjes, altijd dezelfde, die zich aan hun onderwijzer hadden gehecht. Ze knikten trouwhartig op alles wat hij hakkelend te berde bracht. Maar toen hij die befloerste oogjes zag, sloeg even de vlam in zijn betoog, dat oplaaide als de arabesk van gepolijst koper waar hij met zijn bespreking net aan toe was. ‘Dit’, riep hij uit, ‘is als het vuur dat nu nog smeult in jullie hartjes en in de kinderlijke grilligheid vergeefs een uitweg zoekt’.”
Paul Meeuws (Roermond, 25 maart 1947)
De Amerikaanse dichteres, schrijfster en hoogleraar transgender-wetenschappen Joy Ladin werd geboren in Rochester, New York, op 24 maart 1961. Zie ook alle tags voor Joy Ladin op dit blog.
Psalm
[III]
De voetstappen van de Heer in de tuin. Ik weet wat me te doen staat, trek mijn huid aan
en doe een poging tot mens, wetend dat jij allang weet wat er scheelt tussen het schepsel dat ik ben
en het schepsel waarvan jij dacht dat je jezelf er naar binnen zou blazen op de avond van de zesde dag. Ik weet,
je zal mijn naaktheid teder bedekken, maar ook ontgoocheld dat ik mij iets moet voelen
anders dan naakt, want naaktheid is het beeld waarin ik ben geschapen, het beeld
te kijk door je doorkijkvoile van verlegen jonge sterren die heel stilletjes zingen
om maar niet te smoren wat jouw beeld binnenin hen zingt. Je wilt dat ik jou zie,
hoe je je weg plukt daar door de tuin binnen mijn huid. Je doet zo je best
te worden gezien. Ik doe zo mijn best niet iets te zijn waar je op hoopt als ik hongerig tussen de blaadjes door spied.
Niet tegen je praten kan ik niet maar je kunt op de vingers narekenen van de hand die je niet hebt
hoe vaak je hebt geantwoord. Soms misschien verblind je mij met al je staatsie. Eén zweem,
en het geruststellend levensooglid knijpt zich weer op je toe. Nu
lijd ik geen enkel leven over het grimmig continent van je verlangen naar een staren
naar jouw staren naakt en onbeschaamd, een beeld van jou dat niet wegkijkt
Laat de mens flexibel zijn, en moge hij rekbare kinderen meebrengen, tussen functieloosheid en een werkweek van 200 uur zet men de kluis op scherp, er zijn dingen die kan men niet kopen, aan de muur de kaart van Europa een verpletterd insect
in dit van boven tot onder gepureerd recreatiegebied, zijn de dansvloeren van Duitsland een halfbakken licht tussen ideaal en materieel begint het grote haar uittrekken als een aanvullend deel bij de volgende jeugdstudie
wanneer je met opa’s bramengezicht praat als een object, de kleinzoon die vrijwillig het vuilnis buiten zet papierversnipperaar als zijn gewenste beroep noemt de aan de keukentafel besproken dag gaat voorbij als een mislukt landschap
weet je niet meer dan voorheen, meer dan genoeg staan de haren in je nek rechtop tegen alles wat stil, spraakzaam is, alles wat al geweest is zwemt binnen na drie weken in het middelgebergte op de fiets een everzwijnkarkas in het zwembad, dat verder niets dan blauw is
Uit: Ik stuur deze brief maar op goed geluk weg. Brieven 1939-1950, s
“Brief aan Haasses ouders en broer in Batavia, 11 september 1939
Lieve Allemaal, Moesten jullie veel porto betalen voor mijn vorige brief? Ik wist niet precies hoeveel er op moest voor de zeepost, ik dacht 6 cent, dat had Oma gezegd, en ik had geen tijd meer om ’t op ’t postkantoor te gaan vragen, omdat de brief nog diezelfde avond met de Oranje weg moest. Maar de volgende dag las ik in de krant dat de vliegdienst weer ingesteld was en dat de Nandoe dien morgen was vertrokken. Ik hoorde ook dat mijn brief te laat was geweest voor de Oranje, zodat ik denk dat hij nu met het vliegtuig is meegegaan. Hoe gaat het met jullie? Hier is alles weer gewoon, je let niet eens meer op mobilisatie of zandzakken en ander oorlogstuig. Ze zeggen dat de oorlog wel een jaar of drie zal duren. Ik hoop het niet! – Anneke en ik hebben van kamer geruild. Ik heb nu de grote voorkamer met 3 ramen op de gracht. Mijn meubels staan er prachtig in, het ziet er zo artistiek en gezellig uit. Douwe heeft een vriend die binnenshuis foto-opnamen kan maken, misschien kan die mijn kamer ook eens nemen. Er is weer van allerlei gebeurd. Douwe en ik hebben het zotste avontuur van ons leven meegemaakt. Enfin, nu moeten wij er voor boeten. Het is een tragikomische geschiedenis, getiteld: ‘Wij gaan op een middag om 6 uur de stad in om goedkoop te eten’. Luistert! Zondagmiddag’s eten D. en ik gewoonlijk in de ‘Petite Marmite’ dat is een kantoormensen eetgelegenheid waar je voor 80 cent soep, voorgerecht, groenten, aard. en vlees, toetje en koffie krijgt, meer dan genoeg en uitstekend klaargemaakt. D. heeft daar een abonnement. Gisteren zouden wij ’t ook weer doen. Wij waren wat laat, zodat er geen plaats meer te krijgen was (er kunnen n.l. maar ± 25 mensen in). Wij hadden echter veel te veel honger om te wachten en besloten ons heil elders te zoeken. Nu waren wij eens op een avond in een café in de Leidse straat geweest dat ‘Fleur’ heet. Het was een goedkope gelegenheid, zoiets als Heck, en een bedevaartsoord voor soldaten + meisje, en Zaterdagavond-dagjesmensen. Op de tafeltjes lagen kaarten die ’t bestaan vermeldden van een, blijkbaar bij ‘Fleur’ horend, eet-restaurant in de straat daarachter. Dit nu herinnerden wij ons gisteren ter onzaliger ure.”
Hella Haasse (2 februari 1918 – 29 september 2011)
Van mij naar jou is er een seconde, een lach, er is een volle waslijn die uitkijkt over de zee. Na het gekkigheid bij It-Toqba z-Zghira* probeerde ik je te bereiken. En misschien omdat er geen licht is in dit huis, in de nog steeds echoënde gang, in de kamers boven en beneden, op de bodem van deze put die jouw onvruchtbare woorden kreunt en mompelt , vond ik niemand. Alleen in jouw keuken, knallen mijn uitgehongerde ingewanden over de jongen die geboren wilde worden en zichzelf hangend aantrof aan de uitgedroogde borst die ontsproot in de woestijn; bijna als een stad waaruit iedereen is weggevlucht.
En het is nutteloos om je te verschuilen achter oude muren, en blootsvoets te lopen over de wegen van je moeder, en trots de ruïnes van je schoonheid te bewonen; want je bent nooit moeder geweest, en je zult het ook nooit worden.
Uit de deur van je buurman kwam een meisje tevoorschijn, haar ogen, twee kanonskogels gekruist op de cornetto bij de kleine opening van haar mond. Ze staart je aan, ze probeert je niet te bereiken. Als een mijn op de zeebodem van de haven die nooit ontploft bekijkt ze je, de afbladderende verf, en lacht een moment, naar jou, en liegt dat je mooi bent.
De aanbidding der koningen door Hendrick De Clerck, ca. 1610
The Masque of the Magi
Three Kings have come to Bethlehem With a trailing star in front of them. MARY What would you in this little place, You three bright kings? KINGS Mother, we tracked the trailing star Which brought us here from lands afar, And we would look on his dear face Round whom the Seraphs fold their wings. MARY But who are you, bright kings? CASPAR Caspar am I: the rocky North From storm and silence drave me forth Down to the blue and tideless sea. I do not fear the tinkling sword, For I am a great battle-lord, And love the horns of chivalry. And I have brought thee splendid gold, The strong man’s joy, refined and cold. All hail, thou Prince of Galilee! BALTHAZAR I am Balthazar, Lord of Ind, Where blows a soft and scented wind From Taprobane towards Cathay. My children, who are tall and wise, Stand by a tree with shutten eyes And seem to meditate or pray. And these red drops of frankincense Betoken man’s intelligence. Hail, Lord of Wisdom, Prince of Day! MELCHIOR I am the dark man, Melchior, And I shall live but little more Since I am old and feebly move. My kingdom is a burnt-up land Half buried by the drifting sand, So hot Apollo shines above. What could I bring but simple myrrh White blossom of the cordial fire? Hail, Prince of Souls, and Lord of Love! CHORUS OF ANGELS O Prince of souls and Lord of Love, O’er thee the purple-breasted dove Shall watch with open silver wings, Thou King of Kings. Suaviole o flos Virginum, Apparuit Rex Gentium. … “Who art thou, little King of Kings?” His wondering mother sings.
James Elroy Flecker (5 november 1884 – 3 januari 1915) De St Stephen church in Lewisham, de geboorteplaats van James Elroy Flecker
betraliede bunkerwanden liggen op de kop van het eiland geworpen, de zee kabbelt zachtjes voort vergane handen hebben enkele veren aan vinger sterke draden gebonden in de steen
na de zomer zullen ze vliegen hier zie je delen van de wortels van onderaf zonder te sterven, steil schilfert de kust af een roestige klok steekt uit het zand
zij is nat, voor haar vergaat deze tijd later heb ik de zwaan voor de veren gevonden zijn kop ontbrak, alleen op zijn lichaam viel het beeld van zijn schaduw te veranderen
Aan alle bezoekers en mede-bloggers een Vrolijk Kerstfeest!
Kinderen bij de kerstboom door Leopold Graf von Kalckreuth, ca. 1912
Christmas Tree
To be Brought down at last From the cold sighing mountain Where I and the others Had been fed, looked after, kept still, Meant, I knew—of course I knew— That it would be only a matter of weeks, That there was nothing more to do. Warmly they took me in, made much of me, The point from the start was to keep my spirits up. I could assent to that. For honestly, It did help to be wound in jewels, to send Their colors flashing forth from vents in the deep Fragrant sables that cloaked me head to foot. Over me then they wove a spell of shining— Purple and silver chains, eavesdropping tinsel, Amulets, milagros: software of silver, A heart, a little girl, a Model T, Two staring eyes. Then angles, trumpets, BUD and BEA (The children’s names) in clownlike capitals, Somewhere a music box whose tiny song Played and replayed I ended before long By loving. And in shadow behind me, a primitive IV To keep the show going. Yes, yes, what lay ahead Was clear: the stripping, the cold street, my chemicals Plowed back into the Earth for lives to come— No doubt a blessing, a harvest, but one that doesn’t bear, Now or ever, dwelling upon. To have grown so thin. Needles and bone. The little boy’s hands meeting About my spine. The mother’s voice: Holding up wonderfully! No dread. No bitterness. The end beginning. Today’s Dusk room aglow For the last time With candlelight. Faces love-lit Gifts underfoot. Still to be so poised, so Receptive. Still to recall, praise.
James Merrill (3 maart 1926 – 6 februari 1995) Kerstmis in New York, de geboorteplaats van James Merrill
Onafhankelijk van geboortedata
Kerstmis
Ja, Kerstmis is de stilste dag van ’t jaar. Dan hoor je alle harten vurig slaan als klokken die de avond doen verstaan dat Kerstmis is de stilste dag van ’t jaar.
Dan worden alle kinderogen groot, alsof de dingen groeiden die ze zien, en moederlijker worden alle vrouwen en alle kinderogen worden groot.
Dan moet je buiten in het wijde land, wil je de kerstnacht zien, de onbezeerde, alsof je zinnen nooit de stad begeerden, zo moet je buiten in het wijde land.
Daar schemert menig hemel boven jou die op de verre witte bossen staat. Onder de schoen de weg die groeien gaat waar menig hemel schemert boven jou.
En in de grote luchten staat een ster die opbloeit als een felle gentiaan. De verten rollen als een golfslag aan en in de grote luchten staat een ster.
Vertaald door Piet Thomas
Rainer Maria Rilke (4 december 1875 – 29 december 1926) Kerstmis in Praag, de geboorteplaats van Rainer Maria Rilke