Laat de mens flexibel zijn, en moge hij rekbare kinderen meebrengen, tussen functieloosheid en een werkweek van 200 uur zet men de kluis op scherp, er zijn dingen die kan men niet kopen, aan de muur de kaart van Europa een verpletterd insect
in dit van boven tot onder gepureerd recreatiegebied, zijn de dansvloeren van Duitsland een halfbakken licht tussen ideaal en materieel begint het grote haar uittrekken als een aanvullend deel bij de volgende jeugdstudie
wanneer je met opa’s bramengezicht praat als een object, de kleinzoon die vrijwillig het vuilnis buiten zet papierversnipperaar als zijn gewenste beroep noemt de aan de keukentafel besproken dag gaat voorbij als een mislukt landschap
weet je niet meer dan voorheen, meer dan genoeg staan de haren in je nek rechtop tegen alles wat stil, spraakzaam is, alles wat al geweest is zwemt binnen na drie weken in het middelgebergte op de fiets een everzwijnkarkas in het zwembad, dat verder niets dan blauw is
Uit: Ik stuur deze brief maar op goed geluk weg. Brieven 1939-1950, s
“Brief aan Haasses ouders en broer in Batavia, 11 september 1939
Lieve Allemaal, Moesten jullie veel porto betalen voor mijn vorige brief? Ik wist niet precies hoeveel er op moest voor de zeepost, ik dacht 6 cent, dat had Oma gezegd, en ik had geen tijd meer om ’t op ’t postkantoor te gaan vragen, omdat de brief nog diezelfde avond met de Oranje weg moest. Maar de volgende dag las ik in de krant dat de vliegdienst weer ingesteld was en dat de Nandoe dien morgen was vertrokken. Ik hoorde ook dat mijn brief te laat was geweest voor de Oranje, zodat ik denk dat hij nu met het vliegtuig is meegegaan. Hoe gaat het met jullie? Hier is alles weer gewoon, je let niet eens meer op mobilisatie of zandzakken en ander oorlogstuig. Ze zeggen dat de oorlog wel een jaar of drie zal duren. Ik hoop het niet! – Anneke en ik hebben van kamer geruild. Ik heb nu de grote voorkamer met 3 ramen op de gracht. Mijn meubels staan er prachtig in, het ziet er zo artistiek en gezellig uit. Douwe heeft een vriend die binnenshuis foto-opnamen kan maken, misschien kan die mijn kamer ook eens nemen. Er is weer van allerlei gebeurd. Douwe en ik hebben het zotste avontuur van ons leven meegemaakt. Enfin, nu moeten wij er voor boeten. Het is een tragikomische geschiedenis, getiteld: ‘Wij gaan op een middag om 6 uur de stad in om goedkoop te eten’. Luistert! Zondagmiddag’s eten D. en ik gewoonlijk in de ‘Petite Marmite’ dat is een kantoormensen eetgelegenheid waar je voor 80 cent soep, voorgerecht, groenten, aard. en vlees, toetje en koffie krijgt, meer dan genoeg en uitstekend klaargemaakt. D. heeft daar een abonnement. Gisteren zouden wij ’t ook weer doen. Wij waren wat laat, zodat er geen plaats meer te krijgen was (er kunnen n.l. maar ± 25 mensen in). Wij hadden echter veel te veel honger om te wachten en besloten ons heil elders te zoeken. Nu waren wij eens op een avond in een café in de Leidse straat geweest dat ‘Fleur’ heet. Het was een goedkope gelegenheid, zoiets als Heck, en een bedevaartsoord voor soldaten + meisje, en Zaterdagavond-dagjesmensen. Op de tafeltjes lagen kaarten die ’t bestaan vermeldden van een, blijkbaar bij ‘Fleur’ horend, eet-restaurant in de straat daarachter. Dit nu herinnerden wij ons gisteren ter onzaliger ure.”
Hella Haasse (2 februari 1918 – 29 september 2011)
Van mij naar jou is er een seconde, een lach, er is een volle waslijn die uitkijkt over de zee. Na het gekkigheid bij It-Toqba z-Zghira* probeerde ik je te bereiken. En misschien omdat er geen licht is in dit huis, in de nog steeds echoënde gang, in de kamers boven en beneden, op de bodem van deze put die jouw onvruchtbare woorden kreunt en mompelt , vond ik niemand. Alleen in jouw keuken, knallen mijn uitgehongerde ingewanden over de jongen die geboren wilde worden en zichzelf hangend aantrof aan de uitgedroogde borst die ontsproot in de woestijn; bijna als een stad waaruit iedereen is weggevlucht.
En het is nutteloos om je te verschuilen achter oude muren, en blootsvoets te lopen over de wegen van je moeder, en trots de ruïnes van je schoonheid te bewonen; want je bent nooit moeder geweest, en je zult het ook nooit worden.
Uit de deur van je buurman kwam een meisje tevoorschijn, haar ogen, twee kanonskogels gekruist op de cornetto bij de kleine opening van haar mond. Ze staart je aan, ze probeert je niet te bereiken. Als een mijn op de zeebodem van de haven die nooit ontploft bekijkt ze je, de afbladderende verf, en lacht een moment, naar jou, en liegt dat je mooi bent.
De aanbidding der koningen door Hendrick De Clerck, ca. 1610
The Masque of the Magi
Three Kings have come to Bethlehem With a trailing star in front of them. MARY What would you in this little place, You three bright kings? KINGS Mother, we tracked the trailing star Which brought us here from lands afar, And we would look on his dear face Round whom the Seraphs fold their wings. MARY But who are you, bright kings? CASPAR Caspar am I: the rocky North From storm and silence drave me forth Down to the blue and tideless sea. I do not fear the tinkling sword, For I am a great battle-lord, And love the horns of chivalry. And I have brought thee splendid gold, The strong man’s joy, refined and cold. All hail, thou Prince of Galilee! BALTHAZAR I am Balthazar, Lord of Ind, Where blows a soft and scented wind From Taprobane towards Cathay. My children, who are tall and wise, Stand by a tree with shutten eyes And seem to meditate or pray. And these red drops of frankincense Betoken man’s intelligence. Hail, Lord of Wisdom, Prince of Day! MELCHIOR I am the dark man, Melchior, And I shall live but little more Since I am old and feebly move. My kingdom is a burnt-up land Half buried by the drifting sand, So hot Apollo shines above. What could I bring but simple myrrh White blossom of the cordial fire? Hail, Prince of Souls, and Lord of Love! CHORUS OF ANGELS O Prince of souls and Lord of Love, O’er thee the purple-breasted dove Shall watch with open silver wings, Thou King of Kings. Suaviole o flos Virginum, Apparuit Rex Gentium. … “Who art thou, little King of Kings?” His wondering mother sings.
James Elroy Flecker (5 november 1884 – 3 januari 1915) De St Stephen church in Lewisham, de geboorteplaats van James Elroy Flecker
betraliede bunkerwanden liggen op de kop van het eiland geworpen, de zee kabbelt zachtjes voort vergane handen hebben enkele veren aan vinger sterke draden gebonden in de steen
na de zomer zullen ze vliegen hier zie je delen van de wortels van onderaf zonder te sterven, steil schilfert de kust af een roestige klok steekt uit het zand
zij is nat, voor haar vergaat deze tijd later heb ik de zwaan voor de veren gevonden zijn kop ontbrak, alleen op zijn lichaam viel het beeld van zijn schaduw te veranderen
Aan alle bezoekers en mede-bloggers een Vrolijk Kerstfeest!
Kinderen bij de kerstboom door Leopold Graf von Kalckreuth, ca. 1912
Christmas Tree
To be Brought down at last From the cold sighing mountain Where I and the others Had been fed, looked after, kept still, Meant, I knew—of course I knew— That it would be only a matter of weeks, That there was nothing more to do. Warmly they took me in, made much of me, The point from the start was to keep my spirits up. I could assent to that. For honestly, It did help to be wound in jewels, to send Their colors flashing forth from vents in the deep Fragrant sables that cloaked me head to foot. Over me then they wove a spell of shining— Purple and silver chains, eavesdropping tinsel, Amulets, milagros: software of silver, A heart, a little girl, a Model T, Two staring eyes. Then angles, trumpets, BUD and BEA (The children’s names) in clownlike capitals, Somewhere a music box whose tiny song Played and replayed I ended before long By loving. And in shadow behind me, a primitive IV To keep the show going. Yes, yes, what lay ahead Was clear: the stripping, the cold street, my chemicals Plowed back into the Earth for lives to come— No doubt a blessing, a harvest, but one that doesn’t bear, Now or ever, dwelling upon. To have grown so thin. Needles and bone. The little boy’s hands meeting About my spine. The mother’s voice: Holding up wonderfully! No dread. No bitterness. The end beginning. Today’s Dusk room aglow For the last time With candlelight. Faces love-lit Gifts underfoot. Still to be so poised, so Receptive. Still to recall, praise.
James Merrill (3 maart 1926 – 6 februari 1995) Kerstmis in New York, de geboorteplaats van James Merrill
Onafhankelijk van geboortedata
Kerstmis
Ja, Kerstmis is de stilste dag van ’t jaar. Dan hoor je alle harten vurig slaan als klokken die de avond doen verstaan dat Kerstmis is de stilste dag van ’t jaar.
Dan worden alle kinderogen groot, alsof de dingen groeiden die ze zien, en moederlijker worden alle vrouwen en alle kinderogen worden groot.
Dan moet je buiten in het wijde land, wil je de kerstnacht zien, de onbezeerde, alsof je zinnen nooit de stad begeerden, zo moet je buiten in het wijde land.
Daar schemert menig hemel boven jou die op de verre witte bossen staat. Onder de schoen de weg die groeien gaat waar menig hemel schemert boven jou.
En in de grote luchten staat een ster die opbloeit als een felle gentiaan. De verten rollen als een golfslag aan en in de grote luchten staat een ster.
Vertaald door Piet Thomas
Rainer Maria Rilke (4 december 1875 – 29 december 1926) Kerstmis in Praag, de geboorteplaats van Rainer Maria Rilke
Es riecht nach Schnee und Pfefferkuchen, Nach Bienenwachs und Nadelduft. Schon denkt man an das Herbergssuchen, Den Christbaum, wenn das Glöcklein ruft.
In Gassen flimmern Weihnachtssterne, Die Straße säumt ein Lampenband. Auf Plätzen plaudern Leute gerne, Erwärmt vom Trunk am Glühweinstand.
Man muss nicht Kind sein, sich zu freuen, Nicht fromm und gläubig, auch nicht Christ, Es reicht, Gedanken einzustreuen, Was Frieden heißt und Hoffnung ist.
Vorweihnachtliche Ecke
Den Esstisch in der Stubenecke versieht man mit der Weihnachtsdecke, die Tannenbaum und Waldgetier am Saume trägt zu froher Zier.
Ein Kranz aus dichten Nadelzweigen bringt Flackerlicht ins Abendschweigen. Er weist dem Kinderblick als Ziel ein Wachsquartett mit Flammenspiel.
Da liegen Äpfel Aphrodites, die Glanzerheller des Gemütes. Ein Schmunzelengel trägt sein Haar als flachsgeflochtnes Zöpfepaar.
Der süße Seim des Bienenfleißes verbirgt sich, doch ein jeder weiß es, im Döschen aus gebranntem Ton, er kommt nicht unbenascht davon.
Adventlich steht nach alter Sitte ein Teller Backwerk in der Mitte, der leert sich schnell bis Mitternacht, wenn niemand diese Pracht bewacht.
Ingo Baumgartner (24 december 1944 – 16 juli 2015)
Onafhankelijk van geboortedata
Geboorte van Christus
Was er je eenvoud niet, hoe kon jou dan gebeuren wat nu de nacht verlicht? Zie, God hield volken toornend in zijn ban, maar Hij wordt mild, nu jij Hem baart: een wicht.
Verscheen Hij groter in je droomgedicht?
Wat is dat, grootheid? Dwars en uitermate recht is deze weg die ’t lot Hem bood. Zelfs voor een ster is zo geen baan gelaten, want, zie je, deze koningen zijn groot
en slepen schatten aan tot voor je schoot,
de schatten waar ze ’t meest van houden; dat die bestonden had je nooit gedacht – maar zie toch hoe Hij in je doek met vouwen ligt en nu al alles overtreft in kracht.
Van ver al d’amber over zee gebracht
en al het goud, de strelende en pure kruiden, bedwelmend in hun wazigheid: maar dit zijn alles dingen die niet duren, en aan het einde wacht je rouw en spijt.
Maar Hij (dat merk je nog wel), Hij verblijdt.
Vertaald door Piet Thomas
Rainer Maria Rilke (4 december 1875 – 29 december 1926) Cover
Kerstboom met kaarsjes door Rudolf Bernhard Willman, 1905
Das Weihnachtsbäumlein
Es war einmal ein Tännelein mit braunen Kuchenherzlein und Glitzergold und Äpflein fein und vielen bunten Kerzlein: Das war am Weihnachtsfest so grün als fing es eben an zu blühn.
Doch nach nicht gar zu langer Zeit, da stands im Garten unten, und seine ganze Herrlichkeit war, ach, dahingeschwunden. Die grünen Nadeln war’n verdorrt, die Herzlein und die Kerzlein fort.
Bis eines Tags der Gärtner kam, den fror zu Haus im Dunkeln, und es in seinen Ofen nahm – Hei! Tat`s da sprühn und funkeln! Und flammte jubelnd himmelwärts in hundert Flämmlein an Gottes Herz.
Christian Morgenstern (6 mei 1871 – 31 maart 1914) Adventstijd in München, de geboorteplaats van Christian Morgenstern
Waarorn ben jij zo blauw, zo blauwer nog dan de zee?
Er is geen spiegel waarin je jezelf kunt bewonderen,
dus wat heeft het mooiste blauw voor zin? Alleen
aan die andere vis zie je hoe blauw je zelf eigenlijk bent.
Is dat verliefd? zien aan een ander hoe mooi je bent
Vier minuten
Een vlinder spartelde tegen het raam, zocht door de ruit een weg naar buiten. Ik vouwde mijn handen voorzichtig om hem heen en ving wat niet te vangen
leek. Ik liep naar de tuin en deed mijn handen open van ga! Hij bleef zitten op mijn vinger, klapte zijn vleugels open en weer dicht, open en dicht en tijd
ging voorbij. Kostbare tijd in een vlinderleven. Na vier minuten zei ik zacht: moet jij niet eens gaan? Toen vloog de vlinder de lucht in en verdween.
In het grote boek der levende natuur heb ik gezocht wat voor zeldzame vlinder het was. Een dagpauwoog. Die komen veel voor, behalve de Dagpauwoogopmijnhand.
Dat is een van de allerzeldzaamste soorten op aarde. In het korte leven van één ervan ben ik even, nee, lang, heel lang een veilig huis geweest.
“Neudorf im Advent (Erzgebirge)”door Dieter Jacob, 2009
Advent
Offenb. 3, 20. Siehe, ich stehe vor der Tür und klopfe an.
Ich klopfe an zum heiligen Advent Und stehe vor der Tür! O selig, wer des Hirten Stimme kennt, Und eilt und öffnet mir. Ich werde Nachtmahl mit ihm halten, Ihm Gnade spenden, Licht entfalten, Der ganze Himmel wird ihm aufgetan, Ich klopfe an.
Ich klopfe an, da draußen ists so kalt In dieser Winterszeit; Von Eise starrt der finstre Tannenwald, Die Welt ist eingeschneit, Auch Menschenherzen sind gefroren, Ich stehe vor der verschlossnen Toren, Wo ist ein Herz, den Heiland zu empfahn? Ich klopfe an.
Ich klopfe an, sähst du mir nur einmal Ins treue Angesicht, Den Dornenkranz, der Nägel blutig Mahl, — O du verwärst mich nicht! Ich trug um dich so heiß Verlangen, Ich bin so lang dich suchen gangen, Vom Kreuze her komm ich die blut’ge Bahn: Ich klopfe an.
Ich klopfe an, der Abend ist so traut, So stille nah und fern, Die Erde schläft, vom klaren Himmel schaut Der lichte Abendstern; In solchen heilgen Dämmerstunden Hat manches Herz mich schon gefunden; O denk, wie Nikodemus einst getan: Ich klopfe an!
Ich klopfe an und bringe nichts als Heil Und Segen für und für, Zachäus ‘ Glück, Marias gutes Teil Bescheert‘ ich gern auch dir, Wie ich den Jüngern einst beschieden In finstrer Nacht den süßen Frieden, So möchte‘ ich dir mit holdem Gruße nahn; Ich klopfe an.
Ich klopfe an, bist, Seele du, zu Haus, Wenn dein Geliebter pocht? Blüht mir im Krug ein frischer Blumenstrauß, Brennt deines Glaubens Docht? Weißt du, wie man den Freund bewirtet? Bist du geschürzet und gegürtet? Bist du bereit mich bräutlich zu umsahn? Ich klopfe an.
Ich klopfe an, klopft dir dein Herze mit Bei meiner Stimme Ton? Schreckt dich der treusten Mutterliebe Tritt Wie fernen Donners Drohn? O hör‘ auch deines Herzens Pochen, In deiner Brust hat Gott gesprochen: Wach‘ auf, der Morgen graut, bald kräht der Hahn, Ich klopfe an.
Ich klopfe an; spricht nicht: es ist der Wind, Er rauscht im dürren Laub; — Dein Heiland ists, dein Herr, dein Gott, mein Kind, O stelle dich nicht taub; Jetzt komm‘ ich noch im sanften Sausen, Doch bald vielleicht im Sturmesbrausen, O glaub‘, es ist kein eitler Kinderwahn: Ich klopfe an.
Ich klopfe an, jetzt bin ich noch dein Gast Und steh vor deiner Tür, Einst, Seele, wenn du hier kein Haus mehr hast, Dann klopfest du bei mir; Wer hier getan nach meinem Worte, Denn öffn‘ ich dort die Friedenspforte, Wer mich verstieß, dem wird nicht aufgetan; Ich klopfe an.
Karl Gerok (30 januari 1815 – 14 januari 1890) Advent in Vaihingen an der Enz, de geboorteplaats van Karl Gerok
“Berlijn-Zehlendorf, Paaszondag 1962. Naarmate de trein de grens van Oost-Duitsland – waar men, zoals bekend, doorheen moet reizen om West-Berlijn te bereiken – nadert, groeit er, met mijn nieuwsgierigheid over wat ik te zien zal krijgen, ook een zonderlinge hoop: de hoop, dat alles zich veel betrekkelijker en veel minder ernstig zal laten aanzien, en dat de voorstelling die ik uit de berichtgeving van vele jaren heb opgebouwd, veel meer een projektie van mijn eigen, dikwijls zeer absoluut gestelde problematiek zal blijken te zijn, dan een met de werkelijkheid vergelijkbaar beeld. Men kent de voorstelling van de Duitse Bondsrepubliek zoals die wordt gekoesterd door de mensen voor wie de in de bezetting ondergane verschrikking een levenvullende tijdloosheid heeft gekregen; een voorstelling waaraan ook, vooral uit gemakzucht, wordt vastgehouden door mensen die politiek nooit volwassen willen worden; een voorstelling die haar voortbestaan in veel grotere mate aan de communistiese propaganda dankt dan men in het algemeen wel vermoedt. Volgens deze voorstelling is de Westduitse democratie een schijndemocratie, waarin de nazi’s en het grootkapitaal bezig zijn een nieuwe autoritaire Duitse staat naar een nieuwe veroveringsoorlog te voeren. De kracht van deze voorstelling berust in niet geringe mate op het ontbreken van een redelijke hoeveelheid feitelijk bewijsmateriaal: materiaal dat er niet is, kan men immers niet aanvechten. In werkelijkheid wordt slechts een handvol voorvallen gebruikt om de al van te voren axiomaties aangenomen agressiviteit van West-Duitsland te illustreren. Feiten zoals de nog nooit in de Duitse geschiedenis vertoonde impopulariteit van de Westduitse dienstplicht – waarvoor iedereen zich probeert te drukken – en de verbijsterend geringe percentages stemmen, die neo-, semi-nazistiese of andere ultra-rechtse groeperingen, voordat ze bij de wet werden verboden, bij verkiezingen behaalden zelfs in die deelstaten, die indertijd de typiese voedingsbodem waren van het nationaal-socialisme – die feiten zeggen de politieke dommelaar niets. Voor het handhaven van zijn op onvruchtbare moffenhaat steunende visie heeft hij slechts een paar berichten per jaar over geschonden Joodse begraafplaatsen, op muren geschilderde hakenkruisen of over de ontmaskering van een op een verantwoordelijke post gekomen oorlogsmisdadiger nodig.”
Gerard Reve (14 december 1923 – 8 april 2006) Reve met Woelrat en kat op schoot
Ik houd van je om alle vrouwen Die ik niet heb gekend Ik houd van je om alle tijden Dat ik niet heb geleefd Om de geur van het ruime sop En de geur van warm brood Om de sneeuw die smelt Om de eerste bloemen Om de zuivere dieren Die de mens niet verschrikt Ik houd van je om lief te hebben Ik houd van je om alle vrouwen Die ik niet liefheb
Wie anders spiegelt mij dan jij zelf Ik zie ik mij amper Zonder jou zie ik enkel Een verlaten vlakte Tussen vroeger en vandaag Waren al die doden Waar ik doorheen Loop op stro Ik kon geen gat boren In de muur van mijn spiegel Ik moest het leven leren Woord voor woord Zoals men vergeet
Ik houd van je om jouw wijsheid Die niet van mij is Om de gezondheid houd ik Van je ondanks alles dat enkel illusie is Om het onsterfelijke hart Dat ik niet beheer Je meent twijfel te zijn En je bent slechts rede Je bent de grote zon Die mij naar het hoofd stijgt Als ik zeker ben van mezelf Als ik zeker ben van mezelf.
St. Johannes de Doper als jongen door Andrea del Sarto, ca. 1525
Der Täufer
Siehe! Das ist Gottes Lamm. Dieser wird für unsre Sünde sterben an des Kreuzes Stamm, dass er allen Völkern künde: Gott nimmt ihr Gebrest auf sich. Dass fortan die Menschheit wisse: Träger ihrer Finsternisse ist nicht nur ihr kleines Ich.
Christian Morgenstern (6 mei 1871 – 31 maart 1914) Christkindlmarkt in München, de geboorteplaats van Christian Morgenstern
Kleine ronde harde stenen klikken onder mijn hielen, zaaiend gras duwt baardzaadjes in broekspijpen, blikjes, waarop getrapt wordt, knarsen in hoog, paars bloeiend, vriendelijk onkruid.
District zes. Geen bord zegt dat het zo is: maar mijn voeten weten het, en mijn handen, en de huid rond mijn botten, en het zachte gezwoeg van mijn longen, en de hete, witte, naar binnen draaiende woede van mijn ogen.
Ruw met glas, naam wapperend als een vlag, hurkt het in het gras en onkruid, ontluikende Port Jackson-bomen: nieuwe, chique haute cuisine, wachter bij de poort, herberg alleen voor blanken.
Geen bord zegt dat het zo is: Maar we weten waar we thuishoren.
Vertaald door Frans Roumen
Tatamkhulu Afrika (7 december 1920 – 23 december 2002) Cover
“Kijk, het was al dadelijk een stroeve Sinterklaasavond – dat zat in de lucht. In de eerste plaats harmonieerde het gezelschap niet, want oom Kees was erbij en die heeft laatst een geruchtmakende inklimming gepleegd, zodat tante Magda uit Zeist, die érg fel is op die dingen, dadelijk toen ze met neef Henk binnenkwam tegen hem zei: ‘Zo, Kees, zit jij niet meer?’ Dat was natuurlijk een beetje pijnlijk, vooral omdat oom Kees meteen met Henk wilde gaan vechten, ten einde iets terug te doen. Die kleine Henk had zijn jasje zó uit, maar toen gooide ik me ertussen, want tenslotte was ik de gastheer. Toen we weer zaten, begon opa over de begrafenis van tante Wilma en hij zei, dat hij het gedrag van Frits ‘knap schofterig’ had gevonden. Frits was namelijk boos geweest, omdat we een andere begrafenisonderneming hadden genomen dan door hem was aanbevolen. Hij wilde niet mee in rijtuigen die tegen zijn advies ingingen en stond, toen we op het kerkhof kwamen, al met zijn gehele egoïsme à quatre bij het open graf keurig opgepoetst te demonstreren tegen onze firma, die tante er toch heus heel netjes in hielp. Nu had ik het ook niet soepel gevonden van Frits, maar om nu dadelijk zo scherp te worden op Sinterklaasavond leek me toch niet juist van opa. De oude man had echter niet in de gaten dat Frits met zijn vrouw in onze kamer zat, want als je die jaren hebt onthoud je de gezichten allemaal niet meer zo goed. ‘Frits hoeft niet achter mijn kist te lopen, straks,’ riep de grijsaard of het een pretje was. Ik zat al te ssst’en en maakte een reeks van sprekende gebaren, maar hij begreep het niet, de goeierd, en zaagde maar door over zijn kist en wie erachter mocht en wie niet. Frits niet. ‘Kom, opa,’ riep ik, ‘nou niet over de dood praten telkens. ’t Is toch zeker Sinterklaas. Laten we nou gezellig een liedje zingen. Vooruit, Mien, speel er eens eentje.’ Mien is een nicht van ons, een fikse kwekeling met akte. Ze speelt een soort piano waarop je goed heilgymnastiek kunt doen, maar alles leek me beter dan conversatie. Spoedig klonk het lied over het heerlijk avondje en ik zong uit volle borst, inviterend wenkend dat ze moesten meedoen. Op het laatst galmde de hele club, met zwartgallige koppen, want ze waren nog niet uitgepraat, dat zag je zó. Ik liep de kamer uit om voor de pakjes te zorgen. Ze hadden allemaal wat meegebracht, voor eigen vrouw of man en ik stopte de hele boel in een wasmand en zette deze, krachtens de aardige methode die er elk jaar weer ingaat, voor de deur van ons huis. Een jongetje, dat passeerde, gaf ik een kwartje. ‘Jij belt straks even aan vent,’ zei ik met een knipoog. Het duurde wel vijf minuten, eer de bel klonk. Ik was blij dat ik het eindelijk hoorde, want ik was bepaald beroerd van dat zingen.”
Simon Carmiggelt (7 oktober 1913 – 30 november 1987) Illustratie bij “Het heerlijk avondje” uit Carmiggelts bundel “Onzin” uit 1979