Christoph Meckel

De Duitse dichter, schrijver en graficus Christoph Meckel werd geboren op 12 juni 1935 in Berlijn. Zie ook alle tags voor Christopher Meckel op dit blog.

Uit: Suchbild. Über meinen Vater

„Mit Zuverlässigkeit und Pedanterie verwaltete er die eigene Lebenszeit. Alles Gelebte zu den Papieren. Er archivierte.
Er sammelte und pflegte mit Feingefühl. Ordnete, stapelte, bündelte, legte ab und bewahrte auf. Erinnerte, sichtete, reinigte und hielt zusammen.
Spinneneifer setzte die Daten seiner Biographie zueinander in Beziehung und nahm sie zum Anlaß für die beständige Frage, was vor sieben Jahren gewesen sei und was in wiederum sieben Jahren sein würde. Die Kopfschmerzen dieses Tages und Adalbert Stifters Geburtstag; das Weinglas dieses Abends und eine Zecherei in Blansingen vor zehn Jahren. Gleichermaßen konkret und irrational wurde dem Tageskalender Vergangenes als Folie unterlegt, wurde tote Zeit mit lebendiger Zeit verflochten. Seine Witterung für Vergangenes war untrüglich. Melancholische Verlebendigung.
Er sammelte Zeitungsausschnitte, Familienfotos, Rechnungen und Durchschläge aller Art. Er bündelte die Briefe seiner Familie, seiner Freunde und Bekannten, Gratulationen, Danksagungen, Rundschreiben und obskure Drucksachen.
Über die nötige Aktenordnung hinaus sammelte er selbstverfaßte Artikel und die Rezensionen anderer, seine Themen betreffend. Er hortete Hölzer, Steine und Trambahnbillette, sammelte die ersten oder letzten Ahornblätter des Jahres und ließ sie als Lesezeichen in Büchern zurück, versehen mit Datum und Ortsangabe. Er sammelte Bilder von Malern seiner Landschaft (Bizer, Scherer, Dinkelsbühler), Konzerteinladungen, Plakate und Ahnentafeln sowie Dokumente aller Art über Großväter, Tanten, Kusinen und ferne Verwandte. Er notierte die Todestage, Hochzeitstage, Geburtstage und Namenstage seiner Freunde, ihre Unfälle, Glücksfälle, Krankheiten und Telefonanrufe. Er verzeichnete die Todesursachen aller vom Hörensagen bekannten Leute und die Tode von Filmschauspielern, die er vor dreißig Jahren bewundert hatte.
Schubladen voll gebräunter Papierpakete. Er notierte Träume, Begegnungen mit Bekannten, die beiläufigen und die erfüllten Gespräche, Ergebnisse von Tennisspielen, Schießübungen und Blutsenkungen. Er notierte Vollmondnächte und Sternfall, sammelte die Locken seiner Kinder, verzeichnete die Zahl getrunkener Schoppen und das tägliche Wetter: Hochdruck, Tiefdruck und Körperreaktion; Regen und Föhn und die entsprechende Stimmung. Wetterkataloge, gesammelter neige d’antan aus vier Jahrzehnten. Speisezettel, Waschzettel, Flugscheine, Hotelrechnungen und Kinoprogramme.“

 

Ruimte

Sinds hij ademhaalde, zijn naam kende,
haalde hij goden naar zich toe op aarde,
plaatste hij lokvogellichamen op rotsen en aan de kust,
………………beelden, aas van steen, onbeweeglijk, stemloos,
die oneindigheid ontvingen
…………………………….in het ruisen van wind en branding,
en geen mens wist of er ooit een god was gekomen,
onontdekt bleef of een schaduw in het licht wierp.

De woede en de berusting van degenen op aarde lopen uit op niets.
Maar ze varen naar de beelden toe,
die aan de kust uit elkaar vallen, verwachten van de godheid niets,
en herkennen de zeevogel, altijd dezelfde,
zijn roep in de wind zonder uitleg.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Christoph Meckel (12 juni 1935 – 29 januari 2020)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 12e juni ook mijn blog van 12 juni 2020 en eveneens mijn blog van 12 juni 2019 en ook mijn blog van 12 juni 2016 deel 2.

William Styron, Christoph Meckel

De Amerikaanse schrijver William Styron werd op 11 juni 1925 in Newport News in de staat Virginia geboren. Zie ook alle tags voor William Styron op dit blog.

Uit: Set This House on Fire

“My name is Peter Leverett. I am white, Protestant, Anglo-Saxon, Virginia-bred, just past thirty, in’ good health, tolerable enough looking though possessing no romantic glint or cast, given to orderly habits, more than commonly inquisitive, and strongly sexed—though this is a conceit peculiar to all normal young men. I have lived and worked for the past few years in New York. It is with neither pride nor distress that I confess that—in the idiom of our time—I am something of a square. By profession I am a law-yer. I am ambitious enough to wish to succeed at my trade, but I am no go-getter and, being constitutionally unable to scrabble and connive, I suspect that I shall remain at that decent, mediocre level of attainment common to all my ancestors, on both branches of the tree. This is not, on the one hand, cynicism, nor is it, on the other, self-abasement. I am a realist, and I wish to tell you on good authority that the law—even in my drab province, where only torts, wills, and contracts are at stake—demands as much simple deviousness, as much shouldering-aside of good friends, as any other business. No, I am not up to it. I am stuck, so to speak, with my destiny and I am making the pleasant best of it. While maybe not as satisfying as the role of the composer I once had an idea I might try to play, it is more than several times as lucrative; besides, in America no one listens to composers, while the law, in a way that is at once subtle and majestic and fascinating, still works its own mu-sic upon the minds of men. Or at least I hope to think so. A few years ago, when I came back from Italy and Sambuco and took a job in a New York firm (somewhat second-rate, I must admit, and not on Wall Street yet laggardly nearby, which caused our office wits to suggest the slogan “Walk a block and save”)—several years ago I found myself in a really rather bad state. The death of a friend—especially under the circumstances that befell Mason Flagg, even more especially when one has been on the scene, witnessed the blood and the tumult and the shambles—is not something that can be shaken off easily at all. And this applies even when, as in my case, I had thought myself alienated from Mason and all that he stood for. I will come to Mason’s ending presently, and it will be described, I hope, in all its necessary truth; for the moment let me say only that it left me quite desperately stunned.”

 

William Styron (11 juni 1925 – 1 november 2006)

 

De Duitse dichter, schrijver en graficus Christoph Meckel werd geboren op 12 juni 1935 in Berlijn. Zie ook alle tags voor Christopher Meckel op dit blog.

 

Fluisteren

Dat je haar hebt gekust, met haar langs de kust
hebt gewandeld en de maan was er—
Dat je jurken voor haar hebt gekocht,, rokken en lijfjes
sieraden en gouden prullaria zoals de mijne, en zomerhoeden,
wijn uit de heuvels en lepels zilver—

En dat je haar een naam hebt geschonken,
nachtdruppel van mijn ziel, vogelblauw—
dat je met haar onderweg was in de heldere maand juni,
onvindbaar in de herfst, in aards onkruid —

Maar dat je met haar hebt gefluisterd
in de nacht, de kaars brandde, de uil riep—
Het is het gefluister. Het is het gefluister.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Christoph Meckel (12 juni 1935 – 29 januari 2020)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 11e juni ook mijn blog van 11 juni 2020 en eveneens mijn blog van 11 juni 2019 en ook mijn blog van 11 juni 2017 deel 2.

Jan Brokken, Christoph Meckel

De Nederlandse schrijver Jan Brokken werd geboren op 10 juni 1949 in Leiden. Zie ook alle tags voor Jan Brokken op dit blog.

Uit: De tuinen van Buitenzorg

 “Op een late zomermorgen hoor ik op de radio een pianostuk dat geschreven is door een componist van Poolse origine en de titel ‘De tuinen van Buitenzorg’ draagt. Een wonderbaarlijk mooi stuk van een minuut of vijf dat ik onmiddellijk associeer met het ruisen van palmen, een specifiek geluid dat, schreef mijn moeder ooit in een brief, aan harken doet denken, aan geduldig bladeren harken. Ik zet de radio harder en ben in één keer terug in de Kebun Raya Bogor, de majestueuze hortus botanicus van Bogor. Tot 1949, het jaar van de Indonesische onafhankelijkheid, heette het ’s Lands Plantentuin te Buitenzorg. Ik hoorde mijn ouders er verscheidene malen over praten, ofschoon met grote tussenpozen, om niet toe te geven aan het onmogelijke verlangen naar wat voorbij was. Aan het begin van hun veertienjarig verblijf in Indië brachten ze afwisselend vijf maanden in Batavia en zes weken in Buitenzorg door. Dankzij de ligging op driehonderd meter hoogte was Buitenzorg merkbaar koeler dan Batavia, ook al regende en onweerde het er erg vaak voelde de lucht klam aan. De natuur was van een overweldigende pracht. Terwijl mijn vader ‘nastudeerde’ aan de Hogere Theologische School in Buitenzorg, wandelde mijn moeder – nu ja, de jonge vrouw die mijn moeder zou worden – alle dagen in de tuinen. Of speelde dicht bij ’s Lands Plantentuin haar eerste potjes badminton, een sport die toen net populair aan het worden was in Azië en door zowel vrouwen als mannen werd beoefend, al dan niet in gemengd dubbel, wat huiveringwekkend modern was in die jaren. Badminton wordt meestal binnen gespeeld vanwege de windgevoeligheid van de shuttle, maar in de nabijheid van zoveel palmen en bamboehagen in Buitenzorg deed mijn moeder het buiten. Olga was in 1935 een vrouw – ik zou bijna schrijven: een meisje – van drieëntwintig voor wie het leven plotseling vaart en diepgang begon te krijgen en voor wie de ene na de andere wereld openging, in een bijna duizelingwekkend tempo. Vierenveertig jaar later, toen ik op het punt stond naar Indonesië te vertrekken, vertelde ze me dat ze in de tuinen van Buitenzorg op slag verliefd was geraakt op de tropen, niet alleen gevoelsmatig maar ook zintuiglijk door alle peuren. De omvang van de hortus botanicus was enorm, zevenentachtig hectare, en ’s Lands Plantentuin liep over in de paleistuin van de Gouverneur-Generaal, waardoor het geheel nog veel groter oogde. Wandelend langs vijvers, met waterlelies zo groot en fel van kleur dat ze als vuurwerk uit het water leken te schieten, begon ze iets van de uitzinnigheid van de tropen te begrijpen.”

 

Jan Brokken (Leiden, 10 juni 1949)

 

De Duitse dichter, schrijver en graficus Christoph Meckel werd geboren op 12 juni 1935 in Berlijn. Zie ook alle tags voor Christopher Meckel op dit blog.

 

Ogen

Opgedragen aan de nagedachtenis van Klabund

De ogen van de gezonden
zien de wereld
tot aan de rand van de Atlantische Oceaan,
de ogen van de zieken
zien dwars door de wereld heen
tot aan het punt waar de schittering
van de noorderlichtflitsen ophoudt.

De blikken van de doden
overzien de hele aarde
en herkennen zelfs de ouder wordende engelen
die zich, achter de sleutelgaten,
stilletjes verdringen om een blik
in mijn verbijsterde ogen te werpen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Christoph Meckel (12 juni 1935 – 29 januari 2020)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 10e juni ook mijn blog van 10 juni 2024 en ook mijn blog van 10 juni 2021 en ook mijn blog van 10 juni 2020 en eveneens blog van 10 juni 2019 deel 1 en eveneens deel 2.