Het leven in juni (Marjoleine de Vos), Wiel Kusters, Ralf Thenior

 

 

Junidag door Antonín Slavíček, 1898

 

Het leven in juni

Om mij heen is alles luidkeels in leven
de boer op zijn maaier, blatende schapen
in de esdoorn een zwartkop die roept
om een vrouwtje, uit bloemkelken klinkt
het geronk van een bij.

En ik leef ook maar moet dat zelf zeggen
want niets van al wat ik waarneem noemt mij.
Zoals je met vrienden wel praat over vroeger:
We waren aan zee, in een tent, heel gelukkig –
vraagt iemand: was jij daarbij?

Dus ben ik alleen in de tuin in de wereld
en om mij heen ademt alles en in huis
zit een man. Dit is het leven, schrijft hij,
deze ochtend in juni, de zwartkop zingt
en in de tuin zit zij.

 

Marjoleine de Vos (Oosterbeek, 19 april 1957)
De Oude Kerk in Oosterbeek

 

De Nederlandse dichter, schrijver en letterkundige Wiel Kusters werd geboren in Spekholzerheide op 1 juni 1947. Zie ook alle tags voor Wiel Kusters op dit blog.

 

Langzame Wals

Wij dansten, moeder, door de keuken
je had mij lachend opgetild

vier jaar was ik ‘daar bij die molen
die mooie molen’ van de radio

geboren, losgeschild
je kleine vrucht, een zoet bestaan

een appel die zo rood moest glimmen
dat je ogen ervan glansden

opgenomen in een wals
tussen tafel stoelen pannen

dat het kleine wandkleed moeder
dat je in de keuken hing

geborduurd met wolken schaapjes
bomen en een molentje
plus een boertje met een pet

dat dat helder linnen kleedje
met zijn spichtige figuurtjes
draaiend mij voor ogen bleef
in de warmte van de keuken
langs de wanden van mijn geest

zozeer dat ik het ging zingen
en mijn ogen moest bedwingen
toen je stierf en ik je zag

jij mij zag ik wilde tillen
wat er van ons overbleef
op een stoel en in een bed

en wij zwierden en wij walsten
tot je grond verzonken was

 

Vlag

Een vlaggenmast houdt
vlaggen vast.
Een windvlaag vindt dat
ongepast.

Maar als de vlag
gestreken wordt,
is er geen windvlaag meer
die mort.

Dan wappert fier en vrij
de wind:
er is geen vlag die hem
nog bindt.

 

Maal

Van iedere hap eet ik nog maar de helft.
En lucifers die breek ik door. Voor thee
dient mij het zakje van de dag tevoor.
De tandpasta moet vier keer langer mee.

Ik zou gierig moeten zijn nu ik je mis.
Ik moet niet zo ademen, de rest is dan
voor jou. En minder slapen, minder waken.
Veel minder alles waar ik vol van ben.

Ik zie je door de kamer gaan en voel
hoe je een arm mij om de schouders slaat.
Je lacht, je legt je benen op de bank.

We praten, eten, slapen – dubbel dus
en zij aan zij. Daar schuilt het missen in,
zolang ons missen gretig wordt betwist.

 

Wiel Kusters (Spekholzerheide, 1 juni 1947)

 

De Duitse dichter en schrijver Ralf Thenior werd geboren op 4 juni 1945 in Bad Kudowa. Zie ook alle tags voor Ralf Thenior op dit blog.

 

Pijnlijk voorgevoel

en dan is het er weer, komt van ver weg
dichterbij NL-D na 15 minuten nog 0-0
in het nieuws komt het voort uit een zijspoor en
vergiftigt het mijn gemoed
Europa kan zich niet uit de crisis sparen
de markt heeft nieuw geld nodig
de banken worden niet genationaliseerd en
dan met de lotnummers 1 5 2 5 6 7 8 9
overvalt me een voorgevoel, een angstaanjagend beeld verschijnt als
een silhouet in het venster van de ziel
richting de straat in de deuropening de zieke moeder
rookt het kind slaapt naakt op de stoep

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Ralf Thenior (Bad Kudowa, 4 juni 1945)

 

Zie voor de schrijvers van de 1e juni ook mijn blog van 1 juni 2020 en eveneens mijn blog van 1 juni 2019 en ook mijn blog van 1 juni 2018.

Marjoleine de Vos, Manuel Bandeira

De Nederlandse dichteres en schrijfster Marjoleine de Vos werd geboren in Oosterbeek op 19 april 1957. Zie ook alle tags voor Marjoleine de Vos op dit blog.

 

Schoksgewijs

Zoals je haar vandaag ineens te lang is
de iep op deze ochtend lentegroen

Aan alles is een grens die steeds genaderd
langzaam, zeggen we, geleidelijk
maar op een dag er overheen

Toont de wereld zich geheel veranderd
bloeit de prunus
bladdert verf
je moeder oud en
in de sloot weer eendjes – ‘toch nog onverwacht’

Elke dag staat alles op het punt maar blijft
nog even heel lang voor altijd

Je volgt de weg tot je hem kwijt
hij ligt nu eensklaps elders
en jij verdwaald, geeft niet zeg je,
gewoon opnieuw

Zo schoksgewijs. Noem het de levensreis.

 

Waartoe is de mens op aarde

Ik at een boterbloem met dooie kip
dat was geluk een beek van wijn
dronk ik erbij en ook nog knappersla
verlucht met zoute vis en stralend ei.

Is ongeluk dan vieze saus of sliertjesdeeg
waar plastic smeltend draad in trekt
andijviesnot en grijs gehakt, het lauwe bier
de zak vol meelpatat in smerig ossenvet?

Hoe heilig is die rosse goudglans jou
van spattend visfrituur, garnaalkroket
het juiste uur voor camembert en peer
de geur van drank de klank van mossel in de pan?

Wou jij niet inkeer zijn, de wijn
bewaard voor mis en bloed wou jij niet
vasten, zelden zoet maar bitter in de mond
het hart gezond en steeds de geest getrouw?

Moet ik beseffen dus de duivel in de boerenkaas
verleidt de haas mijn heilige in haar woestijn
zou ik veel liever mysticus met kalme blik
een mager mens met niets tevreden kunnen zijn.

Oh lieve room oh trouwe soep oh dom geluk
van groot gebraad – ik ben onthecht
van elke wens bij witte wijn en ene mens
met mul aan zee, zo fijn gevuld, voorgoed getwee.

 

Mevrouw Despina bezoekt Hefaistos

De man in het café weet hoe het moet:
daar waar de bus stopt links, er staat een bord
er is een trap, je daalt, kopella mou, je daalt.
Steeds dieper langs de bergwand, gure wind
en losse rots die laffe knieën knikken doet
wankelt haar voet en stoot zich naar benee
waar zwijgend haar de aarde wacht.
Het doel is wel te zien maar niet te grijp
een wond van ongenezen grond te rauw
om toe te dekken, stinkende kristallen
in ziekelijk geel en stromen vers geronnen zwart.
De god niet thuis – wie kan er wonen
in dit eerlijk hart van wat ons voortbracht,
hoe kan hij smeden uit dit sissend steen
het mooiste zilverwerk en sierlijk goud
hoe kan dit werkplaats zijn voor kunst, dit
zo angstaanjagend echt, zo gruwelijk jong en veel te oud.

 

Marjoleine de Vos (Oosterbeek, 19 april 1957)

 

De Braziliaanse dichter, schrijver en vertaler Manuel Carneiro de Souza Bandeira Filho werd geboren op 19 april 1886 in Recife. Zie ook alle tags voor Manuel Bandeira op dit blog.

 

Ik ga naar Pasárgada

Ik ga naar Pasárgada
Daar is de koning mijn vriend
Daar ligt de vrouw die mij gerieft
In het bed dat mij belieft
Ik ga naar Pasárgada

Ik ga naar Pasárgada
Hier ben ik niet gelukkig
Daar is het leven avontuur
En wel zo inconsequent
Dat Johanna de Waanzinnige van Spanje
Koningin en zogenaamd dement
Familie is van de schoondochter
Die ik nooit heb gekend.

En wát zal ik aan gymnastiek doen
Wát zal ik uit fietsen gaan
Op ongetemde ezels rijden
In kokanjemasten klimmen
Wát zal ik zwemmen in zee!
En als ik moe word ga ik liggen
Aan de kant van de rivier
Ik laat de watermoeder komen
Om mij de verhalen te vertellen
Die toen ik nog kleine jongen was
Rosa mij vertellen kwam
Ik ga naar Pasárgada

In Pasárgada heb je van alles
’t Is een ander soort beschaving
Er is daar een feilloze methode
Ter voorkoming van bevruchting
De telefoon werkt automatisch
Er zijn alkaloïden naar believen
Er zijn mooie prostituees
Waar je mee vrijen kunt

En als ik eens wat droever ben
Zo droevig dat het niet te harden is
Wanneer mij ’s nachts de lust bekruipt
Mijzelf van kant te maken
– Daar is de koning mijn vriend –
Dan ligt de vrouw die mij gerieft
Daar in het bed dat mij belieft
Ik ga naar Pasárgada.

 

Vertaald door August Willemsen

 

Manuel Bandeira (19 april 1886 – 13 oktober 1968)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 19e april ook mijn blog van 19 april 2022 en ook mijn blog van 19 april 2020 en eveneens mijn blog van 19 april 2019 en ook mijn blog van 19 april 2018 en ook mijn blog van 19 april 2015 deel 2.

Februari (Marjoleine de Vos), Hugo von Hofmannsthal

 

 

Denim serie. Blauwe schaduwen van februari door Nadezda Stupina, 2018

 

Februari

De keuze, zegt hij, is niet groot, er is verdriet
om bij te blijven, of kies je voor het leven.
Zo makkelijk klinkt hij, lacht moeilijk
en wenst geloof ik alle dingen nieuw.
Achter het raam zit het huiselijk leven
onder de lamp bij de hagelslag
luistert slordig naar elkaar en de muziek;
vier jaargetijden, eerste deel. Hoor de lente.
Wat al ruikbaar is moet nog te voorschijn komen
het kan eenvoudig toegevroren, februari,
verijsde rietpluimen aan metalen water.
Toch doet een reeds vergeten geur geloven
dat het komen zal. De dolle pimpelmees
weet er al van, net als de vlier aan het diepje
dat zich een weg slingert door modderig gras.

Het is zo ver weg, wij zijn zo stram vertederd
het huiverig oog stuit op de kerktoren
in de verte tussen onzichtbaar bezige bomen.
Gehoorzaam halen wij onze adem in en
als koolzuur in de Spa zo onbedwingbaar
groeit alles zich een weg naar boven
feestelijk bereid tot bijna niets.

 

Marjoleine de Vos (Oosterbeek, 19 april 1957)
Uitzicht op de Oude Kerk van Oosterbeek

 

De Oostenrijkse dichter en schrijver Hugo von Hofmannsthal werd geboren op 1 februari 1874 in Wenen. Zie ook alle tags voor Hugo von Hofmannsthal op dit blog.

 

Leben, Traum und Tod …

Leben, Traum und Tod …
Wie die Fackel loht!
Wie die Erzquadrigen
Über Brücken fliegen,
Wie es drunten saust,
An die Bäume braust,
Die an steilen Ufern hängen,
Schwarze Riesenwipfel aufwärts drängen …

Leben, Traum und Tod …
Leise treibt das Boot …
Grüne Uferbänke
Feucht im Abendrot,
Stiller Pferde Tränke,
Herrenloser Pferde …
Leise treibt das Boot …

Treibt am Park vorbei,
Rote Blumen, Mai …
In der Laube wer?
Sag, wer schläft im Gras?
Gelb Haar, Lippen rot?
Leben, Traum und Tod.

 

Für mich…

Das längst Gewohnte, das alltäglich Gleiche,
Mein Auge adelt mirs zum Zauberreiche:
Es singt der Sturm sein grollend Lied für mich,
Für mich erglüht die Rose, rauscht die Eiche.
Die Sonne spielt auf goldnem Frauenhaar
Für mich – und Mondlicht auf dem stillen Teiche.
Die Seele les ich aus dem stummen Blick,
Und zu mir spricht die Stirn, die schweigend bleiche.
Zum Traume sag ich. »Bleib bei mir, sei wahr!«
Und zu der Wirklichkeit: »Sei Traum, entweiche!«
Das Wort, das Andern Scheidemünze ist,
Mir ists der Bilderquell, der flimmernd reiche.
Was ich erkenne. ist mein Eigentum,
Und lieblich locket, was ich nicht erreiche.
Der Rausch ist süß, den Geistertrank entflammt,
Und süß ist die Erschlaffung auch, die weiche.
So tiefe Welten tun sich oft mir auf,
Daß ich drein glanzgeblendet, zögernd schleiche,
Und einen goldnen Reigen schlingt um mich
Das längst Gewohnte, das alltäglich Gleiche.

 

De jongeling in het landschap

De hoveniers legden hun perken bloot
en overal liepen er bedelaars
met zwart verbonden ogen en met krukken –
maar ook met harpen en met nieuwe bloemen,
de sterke geur van zwakke voorjaarsbloemen.

De naakte bomen lieten alles bloot:
men keek stroomafwaarts en zag ginds de markt
en kinderscharen spelend langs de vijvers.
Hier in dit landschap ging hij langzaam voort,
voelde de macht ervan en wist – dat zich
op hem het lot der wereld had betrokken.

Hij naderde die vreemde kinderen
en was bereid, daar in het onbekende
een nieuw bestaan al dienend door te brengen.
Het kwam niet in hem op zijn zielerijkdom,
wegen van toen, herinneringen aan
vervlochten vingers en verruilde zielen
als méér te zien dan als nietig bezit.

Het geuren van de bloemen sprak hem slechts
van vreemde schoonheid – en de nieuwe lucht
ademde hij stil, maar zonder smachten:
slechts dat hij dienen mocht, verheugde hem.

 

Vertaald door Victor Bulthuis

 

Hugo von Hofmannsthal (1 februari 1874 – 15 juli 1929)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 1e februari ook mijn blog van 1 februari 2022 en ook mijn blog van 1 februari 2019 en ook mijn blog van 1 februari 2015 deel 2.