Dit is voor jou; nu ik je niet meer spreken kan nu ik je zoeken moet in sporen je volgend op een afstand, steeds erop bedacht mij niet te verraden –
spreek ik voor jou; al zul je het nooit weten.
Ik ben niet wanhopig, ik ben je niet onwaardig. Ik heb een leven gevonden nu en hier. Maar een leegte heerst, als een duizeling, in de kringloop der planeten.
“Hallo muur. Je ziet er nog precies zo uit als gisteren. Ik niet, ik ben veranderd. Ik heb andere kleren aan, ik kijk anders. Ik voel me ook anders. Gisteren kon ik de wereld aan. Ik droeg mijn bruine laarzen, waarmee ik door het winkelcentrum liep als over een erf. Ik kwam iemand tegen die ik niet heel goed ken, maar toch op de wang zoende. Hij liet het gebeuren. De eerste avocado die ik in de supermarkt van het schap nam was behoorlijk rijp, maar zeker niet rot. De tweede was nog niet rijp, maar wel bijna. Zo had ik een avocado voor vandaag en een voor morgen. Ik woog ze niet af, want ze werden per stuk verkocht. Het ging niet op gewicht. De caissière hoefde daarom ook niet van haar kruk te draaien om alsnog een prijsstickertje op de vrucht te plakken. Thuis legde ik de nog niet rijpe avocado weg, de andere sneed ik doormidden tot aan de pit. De boel liet gelijk los, de pit wipte er uit zichzelf uit. Ik deed dure olijfolie op beide helften en schoot niet uit. Er kwam zout en peper bij en toen begon ik het vruchtvlees met de zijkant van mijn eierlepeltje in parten te hakken en daarna at ik de avocado op en hij smaakte goed. De schillen gingen in de afwasteil om later in de gft-bak leeg te kieperen. Met een doekje nam ik het aanrecht af. Daarna ging ik een minuut of tien op de bank liggen om te mijmeren. Dat was gisteren. Vanmorgen opende ik de andere avocado, maar deze bleek harder dan gisteren, alsof hij was versteend. De pit verzette zich, de schil hield het vruchtvlees vast. Met de nodige kracht lukte het allemaal wel, maar de smaak bleek week; ik had te veel olijfolie uitgeschonken en veel te kwistig met zout gestrooid. Ik at het allemaal wel op, maar zonder ook maar iets van die verrukkelijke victorie van gisteren. Ik ruimde de boel af en wandelde het winkelcentrum in, dit keer op de te klein gekochte dure gympen die mijn beide grote tenen afknellen, waardoor er donkere vlekken verschenen onder de nagels, die voorlopig niet meer weggaan. Iemand groette me en ik groette terug, maar pas een paar meter verder wist ik met wie ik te maken had en realiseerde ik me dat ik veel te enthousiast hallo had gezegd. De ander zal wel gedacht hebben: wat is er met die man aan de hand, is hij dronken? Ik drink al anderhalf jaar niet meer, muur. Dat is waar, al kan het ook voor de bühne zijn en sluip ik in werkelijkheid elke nacht naar het schuurtje om daar een fles Bacardi aan mijn mond te zetten. Misschien doe ik dat zelfs wel onbewust, wandelend in mijn slaap, al is het dan wel de vraag wie steeds de Bacardi bijvult die daar zou moeten staan. Sinds ik het besluit heb genomen om nuchter te blijven, ontmoet ik heel veel mensen die niet meer drinken. Waren die er altijd al en zag ik ze in mijn dronkenschap over het hoofd?”
Misser tamelijk veel; de seizoenen kloppen nog steeds. Bladeren. Dus november. November tussen Tiergarten en Kensington Gardens; nutteloze zomer. Nu ook al sneeuw, de eerste verdwijnende sneeuw, en ik blijf niet waar ik ben. Meeuwen echter, blijven ’s winters, rusteloosheid boven de rustige Spree. Wie sprong er als laatste, draaikolk van wanhoop, nee, de zon weer op mijn gezicht, en tederheid, de middag. Vergelijkingen van de stemming. Wind. Elk uur verandert het aandeel van de schaduwen, daar, veranderend landschap, in mijn hoofd en daarachter, vrijmaking van het luchtruim. Voorbij aan een woord voor iets wat ik niet weet, als ik zeg, voorbij de misser, de schaduw, de wind. Nog steeds november. Het klopt, wat men ziet, het klopt niet, ten behoeve van de hoop, en men ziet niet de hoop, de duizeligheid, maar de sneeuw nou ja, daar beneden, verdwijnend.