Dit is voor jou; nu ik je niet meer spreken kan nu ik je zoeken moet in sporen je volgend op een afstand, steeds erop bedacht mij niet te verraden –
spreek ik voor jou; al zul je het nooit weten.
Ik ben niet wanhopig, ik ben je niet onwaardig. Ik heb een leven gevonden nu en hier. Maar een leegte heerst, als een duizeling, in de kringloop der planeten.
De Nederlandse schrijfster, dichteres en vertaalster Frida Vogels werd geboren in Soest op 9 januari 1930 als dochter van ir. Frederik Christiaan Matthias Vogels (1903-1971), onder andere directeur van de Telefoondienst te Amsterdam, en diens eerste echtgenote Cornelia Adriana Johanna Druyvesteyn, lid van de Haarlemse regentenfamilie Druyvesteyn, met wie hij tussen 1928 en 1935 getrouwd was en welk huwelijk door echtscheiding werd ontbonden. Vogels is de auteur van het driedelige boek “De harde kern”, waarvan het derde deel uit poëzie bestaat. In 1994 werd haar voor het tweede deel van dat werk de Libris Literatuur Prijs toegekend. Haar werk wordt gekenmerkt door een sterk autobiografisch karakter. In mei 2005 publiceerde ze het eerste deel van haar Dagboeken, waarvan elf delen zijn verschenen. Ze hield sinds de jaren 1950 een dagboek bij. De schrijfster verscheen niet in de media en verkoos de Libris Literatuur Prijs niet zelf in ontvangst te nemen. Er werden zelden afbeeldingen van haar gepubliceerd. Al haar eigen werk verscheen bij uitgeverij Van Oorschot. Vogels was bevriend met onder meer collega-schrijver J.J. Voskuil, die model stond voor het personage van haar oude vriend Jacob in “De harde kern”. Andersom speelt Vogels ook een rol in het werk van Voskuil: ze vormde de inspiratie voor het personage Henriëtte Fagel in Voskuils werken Bij nader inzien, Het Bureau en Binnen de huid.
Je weigert de strijd
Je weigert de strijd waar ik meester in ben: in holle wegen, in struikgewas besluipen, bespringen, met onbesliste uitslag. Op open terrein daag je me uit, overwint gemakkelijk en rust naast me uit in vol vertrouwen.
Gelukkig zijn
Gelukkig zijn; en niet weten waarom; en soms naar buiten kijken waar de lucht donkerder is dan de steen, alleen een fabriekspijp nog donkerder afsteekt, en bang en gelukkig zijn.
Een geluk dat geen raad weet; men bekijkt een glas met aandacht, er is een barst in en lacht en wiegelt het hoofd als een kindse oude vrouw die een broodkorst van tafel stoot, en lacht.
Ik leg mijn hoofd op mijn armen en kijk op en leg het weer neer. Ik weet zelf niet of ik gelukkig ben.