Booker Prize 2025 voor David Szalay

Booker Prize 2025 voor David Szalay

De Hongaars-Britse schrijver David Szalay heeft de Booker Prize in de wacht gesleept voor zijn roman “Flesh”. De Hongaars-Britse schrijver David Szalay werd geboren in 1974 in Montreal, Canada, als zoon van een Canadese moeder en een Hongaarse vader. Zie ook alle tags voor David Szalay op dit blog.

Uit: Flesh

“When he’s fifteen, he and his mother move to a new town and he starts at a new school. It’s not an easy age to do that – the social order of the school is already well established and he has some difficulty making friends. After a while he does make one friend, another solitary individual. They sometimes hang out together after school in the new Western-style shopping mall that has just opened in the town.‘Have you ever done it?’ his friend asks him.
‘No,’ István says.
‘Me neither,’ his friend says, making the admission seem easy somehow. He has a simple and natural way of talking about sex. He tells István which girls at school he fantasises about, and what he fantasises about doing to them. He says that he often masturbates four or five times a day, which makes István feel inadequate since he usually only does it once or twice. When he admits that, his friend says, ‘You must have a weak sex drive.’
It may be true, for all he knows.
He doesn’t know what it’s like for other people.
He only has his own experience.
One day his friend tells him that he did it with a girl who lives on the other side of the train tracks.
The news is disorienting.
István listens while his friend describes, in some detail, what happened. He tries to work out if his friend is telling the truth or if he’s lying. Though he would prefer him to be lying, he thinks that he’s probably telling the truth. Some of the things he says seem too specific, too surprising, for him to have made them up.
Then, a few days later, he says he talked to the girl and she said she’d do it with István as well.
‘Seriously?’ István says.
‘Yeah,’ his friend says.
István doesn’t know if this means that the three of them will do it together, or just that he’ll do it with the girl on his own.
He is too unsure of himself to ask.
After school the same day, they walk across the footbridge over the train tracks.
It’s already getting dark.
They go down the metal steps on the other side of the footbridge and walk for a while until they arrive at a housing estate. It’s not dissimilar to the one where István and his mother live, only here the buildings, although also made of prefabricated concrete panels, are taller. At the entrance of one of them his friend enters the doorbell number of one of the flats.”

 

David Szalay (Montreal, 1974)

 

Jan van Nijlen, Hans Magnus Enzensberger

De Vlaamse dichter en schrijver Jan van Nijlen werd geboren op 10 november 1884 in Antwerpen. Zie ook alle tags voor Jan van Nijlen op dit blog.

 

Dans

Het meisje danst in wit gewaad… en vaag
schemert dë avond in haar oogen vonken
die hel, gelijk ten hemel sterren, lonken.
Wel wetend dat ze mooi is wijl ze traag

heur hoofd omdraait naar iets dat heeft geklonken,
iets teeders, heel zacht als een minnevraag
richt zij haar armen strak-gestrekt omlaag
van lust en kuische zinnelijkheid dronken.

En wijl ze danst versteent ze plots tot marmer,
want zij die zich als vrouw zoo heerlijk dacht,
voelt zich aan blanke rijke schoonheid armer,

daar ze’ uit het witte schuim der groene baren
verrijzen ziet in ’t ijle van den nacht
de mooie Aphrodite goud van haren..

 

Liefdesprookje

Mijn droom heeft zich gezelfmoord in den nacht
bij ’t fluistrend bidden van uw mededogen
O vrouw! en naar de rijke, lang-verbeiden logen
die eens zou spreken uit uw zonnig oogen
heel lang gewacht.

Ik heb gestaard verlangens-onbewust
in ’t oog waar nooit een ander kon in staren
geen nacht kon grijnzen of geen morgen klaren.
– En ‘k heb in ’t duister uw goud-blonde haren
heel zacht gekust.

Gij hebt mij aangekeken zoo bedrukt
met om uw oog die rood-geweende randen
als smeekend om geluk in beter landen.
– En ‘k heb in ’t duister uw koud-witte handen
heel zacht gedrukt.

Gij hebt gesproken van een zaligheid,
iets als een vaag en onbestemd verlangen
naar satersliedren of naar englenzangen…
– En ‘k heb in ’t duister uw koorts-heete wangen
heel zacht gevleid.

 

Venezia

II

Het Water

Wanneer de zon, o witte en roode stad!
in ’t fonklend paarlemoer schijnt der kanalen,
waar elk paleis door ’t lichte spel der stralen
een schaduw van zijn eigen beeld omvat,

dan kan alleen het blauwe water malen
wat niet een kon: uw allergrootste schat
waar, eeuwen lang, de hoogste om bad
in kleur verbeelden of in klank vertalen.

En daar niets roert die schoonheid, gloed noch storm
schijnt het den dichter die onmachtig is
om ’t beeld te gieten in zoo puur een vorm,

of ’t water zelf de stad in verzen zet
daar in dien spiegel kleur een rytmus is
en elke klank een rytmenzwaar sonnet.

 

Jan van Nijlen (10 november 1884 – 14 augustus 1965)

 

De Duitse dichter en schrijver Hans Magnus Enzensberger werd geboren op 11 november 1929 in Kaufbeuren. Zie ook alle tags voor Hans Magnus Enzensberger op dit blog.

 

Herinnering aan het indringende ogenblik

De morgen van de rouw, die in je kleren kruipt als het spit;
de dag waarop je jezelf voor eeuwig belachelijk hebt gemaakt;
de avond waarop je op de grond ligt en het bloed uitje neus vloeit;
het uur waarin je ontdekt dat je je veertien jaar, negen maanden
en twee weken lang hebt vergist;
de minuut waarop je eigen dochter je aankijkt als een vreemde;
het ogenblik waarop je meent de punt van het mes in je rug te voelen;
het moment waarop je de afscheidsbrief op de keukentafel vindt;
het tiende deel van een seconde waarin de lawine onder je voeten begint te schuiven;
en daarvoor en daarna de onvoorstelbaar talrijke ogenblikken van zorgeloosheid.

 

Vertaald door René Smeets

 

Hans Magnus Enzensberger (11 november 1929 – 24 november 2022)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 10e november ook mijn blog van 10 november 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Simon Vestdijk, Jan Wagner

De Nederlandse dichter en schrijver Simon Vestdijk werd geboren in Harlingen op 17 oktober 1898. Zie ook alle tags voor Simon Vestdijk op dit blog.

 

Juni

De maand is uitgebalanceerd en snel
En jong en snaat’rend als een eendenkom;
De nachten zijn te kort en noord’lijk hel
En kant’len makk’lijk naar de ochtend om.

Dit is het ergst: men kent die nachten wel,
Dat men zich wentelt om en om en om
In ’t lauwe bed, terwijl een Turksche trom
Van verre kermissen de zielsrust kwelt.

Alles in bloei, en alles hangt te bengelen
En daagt de zwaartekracht uitbundig uit
En vliegt en zweeft en doet wat ’t niet kan laten.

En wie des nachts een draaiorgel hoort jengelen
Droomt kort en bondig van de acrobaten
Die, vallend, door een koord worden gestuit.

 

Juli

Verwonderd vragen van de eerste vruchten:
Zijn wij voor ’t midden of voor ’t eind bestemd?
Reeds schallen onze bongerds van geruchten
Die het welvarend appelvolk niet kent.

Het najaar stooft met zijn verbleekte luchten
Ons zoo verwoed niet als dit licht ons temt
En zoet en vloeibaar maakt; wij willen vluchten,
Maar kunnen niet, door ’t rijpen overstemd.

Jong rijp jong rot: wij gaan de avond in,
En hangen pronkend achter meisjesooren,
Wij willen leven, en wij kunnen niet.

Wij werden niet als toovervrucht geboren,
Maar moeten bloeden in ons eerst begin,
En moeten sterven bij een kinderlied.

 

Augustus

De warmste dag, en dit merkwaardig korten
Der dagen, waar de dood de hand in heeft,
De dood van ’t jaar, die zich nog op wil schorten,
Doch reeds in koop’ren donderkoppen beeft.

En als de hondsdag ons het graan niet geeft,
Dan komen onverhoeds de ijscohorten
Van koning Winter grijnslachend en scheef
Zich op het onbeschermde bouwland storten.

Een grijsaard, heet en geil, verwarmt zijn leden
Aan de eigen brand, en brandt geweldig op,
Met heel zijn toekomst saamgeperst in ’t heden.

Maar als hij met zijn malsche prooi terneerligt,
Slaat hem de hitte, en op zijn kale kop
Buigen de laatste halmen onder ’t weerlicht.

 

Simon Vestdijk (17 oktober 1898 – 23 maart 1971)
Mieke en Simon Vestdijk met Harry Mulisch en Hugo Claus

 

De Duitse dichter, schrijver en vertaler Jan Wagner werd geboren op 18 oktober 1971 in Hamburg. Zie ook alle tags voor Jan Wagner op dit blog.

 

Heers

Niet te onderschatten: heers
met verlangen al in de naam – vandaar
de bloesems, die zo zwevend wit zijn, kuis
als een tirannendroom.

Keert altijd terug als een oude schuld,
zendt zijn geheime boodschappen
door de duisternis onder het gazon, onder het veld,
tot ergens een nieuw wit nest

van verzet opschiet. Achter de garage,
bij het knarsende grind, de kers: heers
als schuim, als bruis, dat geruisloos

gebeurt, omhoog naar de gevel kruipt, totdat heers
bijna overal ontspruit, door de hele tuin heers
over heers schuift, verslindt met niets anders dan heers.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Jan Wagner (Hamburg, 18 oktober 1971)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 17e oktober ook mijn blog van 17 oktober 2018 en ook mijn blog van 17 oktober 2017 en eveneens mijn blog van 17 oktober 2015 deel 2.

Nobelprijs voor Literatuur 2025 voor László Krasznahorkai

Nobelprijs voor Literatuur 2025 voor László Krasznahorkai

De Hongaarse schrijver en scenarist László Krasznahorkai krijgt dit jaar de Nobelprijs voor Literatuur. De prijs wordt in december uitgereikt in Stockholm. László Krasznahorkai werd geboren in Gyula op 5 januari 1954. Zie ook alle tags voor László Krasznahorkai op dit blog.

Uit: Oorlog en oorlog (Vertaald door Mari Alföldy)

“Niemand had hem gevraagd om te praten, zij wilden dat hij hun  zijn geld zou geven, maar hij gaf het hun niet, hij zei dat hij geen geld had, en hij begon te praten, eerst hakkelend, later steeds vloeiender en ten slotte onstuitbaar, maar hij praatte dus, omdat hij zichtbaar geschrokken was van de ogen van die zeven kinderen, of, zoals hij zelf later uitlegde: omdat zijn maag ineengekrompen was van angst, en als de angst zijn maag samendrukte moest hij, zo zei hij, altijd praten, en aangezien die angst nog steeds niet geweken was, omdat hij niet kon weten of zij een wapen bij zich hadden, werd hij steeds verder meegesleurd door de stroom van het praten en in die stroom wilde hij hun nu alles vertellen, eindelijk alles aan iemand vertellen, want sinds hij – en wel op het allerlaatste moment! – was begonnen aan ‘de grote reis; zoals hij het noemde, had hij met niemand een woord gewisseld, geen woord, want hij vond het te gevaarlijk, en er was ook niemand om mee te praten, aangezien hij onderweg weinig kans had om mensen te ontmoeten die ongevaarlijk waren of voor wie hij niet bang hoefde te zijn; voor hem was namelijk niemand ongevaarlijk genoeg, en hij moest voor iedereen bang zijn, want hij zag, zo zei hij aan het begin, in iedereen dezelfde persoon, iemand die rechtstreeks of op de achtergrond in verbinding stond met zijn achtervolgers, iemand die intensief of oppervlakkig, maar onmiskenbaar contact had met diegenen van wie hij meende dat ze van elke stap op de hoogte waren die hij zette, maar hij was sneller, vertelde hij later, hij was hun altijd ’ten minste een halve dag’ voor, maar de prijs die hij betaalde voor de vluchtige overwinningen met betrekking tot de tijdstippen en de plaatsen was dat hij met niemand een woord kon wisselen, echt niet één, pas nu kon dat, uit angst, terwijl hij onder de natuurlijke druk van de angst inging op steeds belangrijker terreinen van zijn leven, waarbij hij vertrouwelijk en steeds vertrouwelijker werd en hun diepe en steeds diepere inzichten verschafte, met het doel om hen daarmee om te kopen en hen voor zich te winnen, om de aanvaller in hen uit zijn aanvallers weg te spoelen en hen alle zeven ervan te overtuigen dat iemand zich hier niet alleen had overgegeven, maar door die overgave zijn aanvallers als het ware tegemoet was getreden.”

 

László Krasznahorkai (Gyula, 5 januari 1954)

Anne Mieke Backer

De Nederlandse schrijfster en landschapsarchitecte Anne Mieke Backer werd op 1 augustus 1950 op Surabaja (Indonesië) geboren. Van 1968 tot 1969 volgde zij haar opleiding aan de Academie Maximilien de Meuron in Neuchâtel in Zwitserland. Van 1969 tot 1974 studeerde Backer aan de Academie voor Beeldende Kunsten (AKI) in Enschede. Al tijdens haar studie was Anne Mieke Backer geïnteresseerd in de culturele vormgeving van de omgeving. Kort na haar afstuderen zocht de kunstenares naar mogelijkheden om haar levende huizen te realiseren. Aanleiding voor “Levende Huizen” was het verhaal van een jong stel dat een nieuw huis betrok, waarbij vervolgens aan een kozijn een scheut ontsproot. In Almere verwezenlijkte zij één van haar eerste projecten. Verder heeft Anne Mieke Backer in Bernisse, Zwartewaal, Elahuizen en Ridderkerk Levende Huizen gerealiseerd. In 2025 verscheen haar debuutroman “Ik was dat meisje”.

Uit: Ik was dat meisje

“Autun, november 1961. Hij, de Amerikaan, stapte mijn leven binnen als iemand die een onbekende kamer in komt en in het halfduister naar de lichtschakelaar tast. Hij vond die snel en zodra hij hem had overgehaald stond ik in een aangenaam schijnsel, alsof ik zelf licht gaf. Ik besloot op alles wat hij mij zou vragen ja te zeggen. Ja, ja en nog eens ja. Geen aarzelend ja, waarmee ik zou veinzen dat ik een moeilijk te versieren meisje was. Geen gretig ja, zodat het zou lijken alsof ik op hem had gewacht. Geen ongeïnteresseerd ja, alsof ik geen verwachtingen koesterde, maar een eerlijk en zelfbewust ja. Er hoefde namelijk alleen maar bevestigd te worden wat al lang geleden was beschikt. Een simpele formaliteit, zoals partners die al jaren samenwonen elkaar het jawoord geven in een zijkamer van het stadhuis, zonder genodigden, op een doordeweekse dag terwijl het zonlicht door de gebrandschilderde ruiten valt. Gewoon: ‘Ja:
Een meisje dat opgroeit in een provinciestad weet dat zij uiteindelijk zal trouwen met een jongen uit de omgeving. Soms heeft ze zelfs met hem op school gezeten. Maar ik keek al op jonge leeftijd dagelijks het speelplein rond en stelde keer op keer vast dat er niet één bij was die daarvoor in aanmerking kwam. Autun is een stadje met amper vijftienduizend inwoners in Midden-Frankrijk aan de rivier de Arroux. Er zijn een bioscoop, een enorme kathedraal waar botresten van de heilige Lazarus worden bewaard, drie kerken, een statig stadhuis met een marktplein, een hotel waar Napoleon nog heeft gelogeerd, een voetbalclub, elf cafés waarvan twee met een biljart, een lyceum, een agrarische school, een militaire academie, een muziektent, een station, een museum, een ijssalon, een atletiekvereniging en een monument voor gevallen soldaten uit de Eerste, Tweede en Algerijnse Oorlogen. We hebben geen overdekt zwembad, maar wel overblijfselen uit de Romeinse tijd, zoals een tempel gewijd aan de god Janus, de man met de twee gezichten. Voor ons was Autun de grote stad, want ons huis stond aan een kanaal in de gemeente Saint-Léger-sur-Dheune, op drie kwartier rijden. Iedere morgen, meer dan tien jaar lang, liepen wij door de ochtendnevel naar het kleine station aan de spoorlijn Nevers-Chagny om daar om acht minuten over zeven de trein naar Autun te nemen, mijn moeder en ik. Dat waren vanaf onze deurdrempel ongeveer duizend stappen, wat ik als kind veel vond, maar toen ik ze eenmaal kon tellen gaf dat rust in mijn hoofd. In de trein gingen we met onze tassen op schoot tegenover elkaar zitten en tijdens het rijden observeerde ik via de reflectie in de ruiten de andere reizigers. Dat deed ik liever dan de mensen recht aankijken.”

 

Anne Mieke Backer (Surabaja, 1 augustus 1950)