Rauschen mit geschlossenen Augen als läge man allein am Berg unruhig scharrt eine Taube vor dem Pool fliegt auf beim Heulen der Sirene trügerische Ruhe später kein Schrei beim Sprung ins kalte Wasser
Gehen im Wind
das Blatt ist nicht mehr festzumachen an dem Ast geht im Wind verloren uns hält nichts mehr wir gehen doch sind Teil davon so wie auch alles fällt und fallen wir so fallen wir uns zu
Herbstaugenblick
früher Reif auf der Parkbank in Ansätzen wird wieder spürbar woher der Wind weht der doch so fremd ist die Hände halten sich fest noch und warm während man zu Tauben am Strommast blickt fast schon berührt
Afscheid
zo stil als je bent, heb ik geen andere keus dan weg te gaan. Water rimpelt in het meer. bij ’t achterom kijken verlaten de tent wervelende vonken
„Die Flammen der Anpassung Unser Laden liegt dort, wo die Hektik des Basars auf die Stille der Medina trifft. Die Moschee al-Rahman thront über allem, ihre Minarette ein steinernes Mahnmal der Beständigkeit. Doch heute wankt selbst diese Standhaftigkeit. Rauch beißt in den Augen — riecht säuerlich nach verbranntem Stoff und geschmolzenem Kunststoff. Die Basarstraße brodelt: Pick-ups und Eselskarren stehen bereit, während Ladenbesitzer hastig ihre Auslagen sortieren. Als ich fast bei unserem Laden angekommen bin, sehe ich das Feuer und viele Menschen, die sich dort versammelt haben. Drei Männer in schlichten, uniformartigen Gewändern stehen mit Gewehren an den Schultern um das Feuer herum. Ihre Haltung ist starr, ihre Blicke sind streng, eine Aura absoluter Macht umgibt sie. Zigarettenstangen, Poster und Kleidungsstücke werden in die Flammen geworfen. Niemand schreit, niemand protestiert Es ist ein Schauspiel, dessen Premiere alle erwartet haben — der Tag, an dem die Reinheit des Glaubens alle unislamischen Farben und Formen verschlingen soll. Am Ende der Straße entdecke ich meinen Vater. Er sitzt auf einem niedrigen Hocker vor unserem Laden, den Kopf gesenkt, die Schultern nach vorne gebeugt. Seine Hände ruhen auf den Knien. Die Sonne MIR schräg auf sein Gesicht, schneidet scharfe Linien in die Haut, die einst von Wärme und Stolz geprägt war. Jetzt wirkt er blass. »Wo ist deine Mutter?“, fragt er, ohne den Blick zu heben. »Bei Suad. Sie hat Bauchschmerzen. Vielleicht kommt Mutter später.“ »Allein?« »Natürlich nicht“. Er nickt kaum merklich, erhebt sich und verschwindet im Laden. Ich bleibe draußen stehen und betrachte das Schaufenster. Wo einst leuchtende Stoffe und elegante Kleidung die Passanten anlocken, stehen je. Figuren, eingehüllt in Niqabs. Die Puppen wirken wie Gefangene in einem düsteren Albtraum. Ich frage mich, was passieren würde, wenn diese starren Kunststoffgestalten zum Leben erwachten. Würden sie sich auflehnen? In meinem Kopf formt sich eine Geschichte. Onkel Ali wäre begeistert, wenn ich ihm davon erzähl.. Vielleicht würde er mich sogar dazu ermutigen, sie aufzuschreiben.“
De ruiten flitsen, trillen door jouw spookachtige doortocht Erdoorheen golft een röntgenachtige helderheid, en ik ben opgestaan Maar kan niet spreken, me alleen herinnerend dat het de bedoeling was Om op te staan en niet te spreken. Jonge storm, dit huis is van jou. Laat onze ogen donker worden, laat je regen komen, de kaars wankelen Diep in wat nog steeds de beheersing zelf en mij weerspiegelt. De grote grijze, roestbruine irissen van de dageraad, nederig en trots Langs jouw pad zullen ze hun voorhoofden in het stof hebben gelegd.
‘Is het waar, meneer, dat gij een tijdschrift wilt oprichten?’ ‘Ja, dat willen wij.’ ‘En hoe is dat plan zo plotseling gekomen?’ ‘Dat plan is niet plotseling gekomen. Het is gegroeid.’ ‘Mijn hemel, hoe merkwaardig! Wanneer?’ ‘Op een avond. Wij zaten bijeen, allemaal begaafde jonge kerels, die wat anders wilden. En opeens begrepen wij, wat het was: een tijdschrift.’ ‘Een literair tijdschrift?’ ‘Neen. Breder. Een tijdschrift van algemeen culturele strekking.’ ‘Bestaan er van zulke tijdschriften niet reeds meerdere?’ ‘Niet in de zin, waarin wij het bedoelen.’ ‘In welke zin bedoelt gij het dan?’ ‘In opbouwende zin.’ ‘Wie van U kwam het eerst op dit idee?’ ‘Niemand. Op een avond begrepen we, dat het tijd werd, de hand aan de ploeg te slaan.’ ‘Uw tijdschrift heet zeker “De Ploeg”?’ ‘Zeker. Hoe weet ge dit?’ ‘Omdat wij gisteravond ook bij elkaar gekomen zijn.’ ‘Begaafde jonge kerels?’ ‘Inderdaad.’ ‘Wilden zij wat anders?’ ‘Ja, dat wilden wij. En opeens begrepen we, dat het een tijdschrift was dat ons ontbrak.’ ‘Een letterkundig weekblad?’ ‘Neen. Breder. Iets van meer algemeen culturele strekking.’ ‘Ik moet U dat afraden.’ ‘Waarom?’ ‘Er bestaan daarvan reeds meerdere.’ ‘Jawel. Maar niet in de zin waarin wij het bedoelen.’ ‘U bedoelt toch niet in opbouwende zin?’ ‘Zeker, dat bedoelen wij.’ ‘Zeg eens, in welk café hebt gij vergaderd?’ ‘In De Kring.’ ‘Dank U. Wij waren in De Koepel. Er is dus wel degelijk een punt van verschil.’ ‘Dat is ook mijn mening. Ik groet U.’ ‘Ik groet U evenzeer.’
Hier komen ze allemaal om te sterven, Vloeiend, als in een vierde taal. Maar voor een jongeman nog niet van hun ras Was het een waanzin dat je moest liggen
Blind aan één oog en gevoed met Het bloed van een geboend gezicht; Het was een waanzin neer te zien Op de speelgoedstad waar
De glinsterende neutraliteit Van klok en chocola en meer en wolk Elke morgen maakte tot iets Minders dan je kon hebben;
Het doet mij hardop huilen Om de oude meesters van de ziekte Die hoog boven je aan een haar het zwaard Laten bungelen dat, nooit vallend, doodt
En je nog weg wilden lokken van dat sterrenland Onder de wereld, dat niemand ziet Zonder een dood, de glans en ’t scherp gewicht ervan flitsend in zijn eigen hand.
Hun eens per week gewassen voeten in veelvuldig gestopte sokken in eeuwig gepoetste bottines gingen tweemaal ’s zondags ter kerke in onwennig statige tred.
Jij, vader, sprong er nog uit in je dure lakense jas, je streepjesbroek die – hoe is het godsterwereld mogelijk – fantasiebroek genoemd werd (en misschien nog wel wordt).
Door een broeder werd je berispt toen jij, op klaarlichte zondag, een brief op de post ging doen en daarmee and’ren iiet werken terwijl het nog sabbat was (ook droeg je een zomerkostuum).
Tussen dat volk bleef je leven, goedsmoeds. Ik heb ’t ze nooit vergeven. Jou wel, maar veel te posthuum.
2
Dan was er die kennis die niet naar de kerk ging maar wel steeds de schrift in het midden bracht. Hij heeft meer verstand dan menig predikant, zo werd van hem gezegd.
Ook hij stapte op zondag statiger dan anders maar wandelde liever – alleen, ongetrouwd – in ’t lommerrijk stadspark en sprak dan van ‘deez’ tempel van ongekorven hout.’
Iedere ketter heeft zijn letter, zei eens mijn moeder fel. Zo had ik haar nooit gehoord. Ik schrok, al bekoorden zulke snel rijmende woorden mij wel.
3
Ik heb dat rare geloof als een jasje uitgedaan. Ik was nog maar veertien jaar en voelde mij begenadigd, als was er een wonder geschied. Toch, zonder kleerscheuren is het niet gegaan. Later kwam het besef: je bent voorgoed beschadigd, te nauwer nood gered.
Ik trok geen jas uit maar een huid en moest het voortaan zonder doen, moest achter een – door de geest uit de fles – snel opgetrokken rookgordijn verdwijnen voor wie alles ziet, ook al bestaat hij niet.
Jan Eijkelboom (1 maart 1926 – 28 februari 2008)
De Zwitserse dichter, schrijver, cabaretier en liedjesmaker Franz Hohler werd geboren op 1 maart 1943 in Biel. Zie ook alle tags voor Franz Hohler op dit blog.
Turicum
Het eerste nieuws dat ons bereikte uit Zürich is in de 2e eeuw na Christus de dood van een kind de kleine Lucius Aelius zijn vader was een Romeinse hoofdbelastinginner geld was zeker geen probleem voor hem hij had een ambt, een vrouw en genoeg te eten en toch leefde de zoon niet langer dan 1 jaar, 5 maanden en 5 dagen en zijn moeder heette Secundina en haar verdriet is af te lezen aan de laatste regel van de grafsteen parentes dulcissimo filio de ouders aan hun geliefde zoon.
Vandaag is het slechts 5 minuten lopen van de kastelen van het geld en de winkels van de hoogste douanebeambten naar de Lindenhof waar oude mannen schaakstukken verplaatsen onder de bomen en soms stopt er iemand zoals ik en leest deze inscriptie en denkt ook al worden in deze stad dingen gebouwd, geboord, gegraven en opgehoopt totdat alles van goud, glas en staal is gemaakt dan ligt er helemaal onderin een dood kind en een verdriet dat eeuwen zal duren.
De Vlaamse schrijver Bart Koubaa (pseudoniem van Bart van den Bossche) werd geboren op 28 februari 1968 in Eeklo. Zie ook alle tags voor Bart Koubaa op dit blog.
Uit: De Brooklynclub
“Al negen maanden zit ik vast. De achterlijke gesprekken met mijn advocaat en het geroddel met Luigi niet meegerekend, heb ik hier al negen maanden gezwegen. Dat wat de mond uit gaat maakt de mens onrein, schrijft Mattheus, en ik kan hem geen ongelijk geven; ik ben liever stom dan blind. Ik ben te oud voor oude liedjes, heb geen zin om me met blabla te rechtvaardigen tegenover onbekenden, maar vandaag, hier op dit bed achter de tralies in Brooklyn, rekt mijn verhaal zich met een lange geeuw uit, trekt het zijn verkleefde oogjes open en zet het zijn lange gekromde klauwen in mijn schouder. ‘Nu ga jij eens goed naar me luisteren,’ fluistert het in mijn oor, ‘meer dan deze zondag heb ik niet nodig om je vrij te spreken. Ik zal je laten zien wie je bent, ik heb genoeg verzameld, je hoeft alleen maar je mond open te doen, ik zal er de woorden in leggen. Het is niet mijn bedoeling om aan je geweten te knagen, ik heb geen zin in spelletjes want ik ken je beter dan jij jezelf kent; ik weet waarom je je dubbelganger vernietigd hebt, ik weet waarom je de naam van je grote liefde op je borst getatoeëerd hebt en waarom je naar Groenland vertrokken bent, maar je hebt jezelf niets te verwijten, verwijten zouden alleen maar een beter mens van je maken. Ik kan je niet beloven dat ik na vandaag nog zal terugkomen, als ik al weerkeer zal het in een andere gedaante, in een andere tijd zijn en hopelijk niet te laat, je kunt maar beter nu met me meekomen… kom, van de hak op de tak,’ en ik grijp me vast aan de pluimstaart en spring terug naar de nacht waarin ik het bewustzijn verloor nadat mij een masker werd opgezet in het bed van Mayer, mijn dubbelganger… …Ik heb me niet verroerd toen er in het appartement ingebroken werd. Ik heb de voetstappen in de hal gehoord, het wachten voor de slaapkamerdeur, de deurklink die naar beneden ging. Ik wist dat Paaluk de kamer binnen kwam en wat hij van plan was. Paaluk was een man van zijn woord, daarom had ik me voorbereid op de verdoving: een gasmengsel met veel CO2 waarmee varkens en runderen onder narcose 1 worden gebracht voordat de halsslagader wordt doorgesneden. En 1 ondanks dat ik ervan overtuigd was dat ik niet ging sterven omdat ik geld waard was, voelde ik me wit wegtrekken in dat grote bed en probeerde ik te reageren zoals ieder normaal mens die in zijn slaap een masker opgezet zou krijgen. Paaluk liep in de val.”
Een school is de plek waar ze het graan van het denken malen, en de kinderen malen die het denken moeten beheersen. Misschien zijn die twee maalprocessen één en hetzelfde, Zoals Shakespeares toneelstukken uit het alfabet voortkomen, Zoals de wet van Euler uit de getallen, Zoals uit het geheel, onlosmakelijk, de levens,
De gekrompen levens die niet bevrijd zijn Door de wet of door poëtische fantasie. Maar mogen ze dat wel zijn. Mijn kind is verdwenen Achter de deur van het klaslokaal. En mocht ik leven Om het weer te zien verschijnen, een leven verderop, Dan ken ik mijn hoop, maar ik ken niet de vorm ervan
Noch hoop ik die ooit te kennen. Mogen de vaders die hij vindt Onder zijn leraren voor hem zorgen, Meer dan zijn vader ooit kon. Hoe dat eruit zal zien Weet ik niet, ik hoef het niet te weten. Zelfs onze tranen horen bij het ritueel. Maar moge er uiteindelijk grote goedheid uit voortkomen.
“Toen de gedaante van de twee mannen verscheen, vlogen de vogels op, vreemd genoeg lichtgevend door de maan die nacht, van het ondiepe water waar de rivier bij de zee uitkwam. De mannen bereikten het strand, legden het pakket op de stenen, en toen ging de dikste terug om de motor te halen. Het licht van de maan had een diepe, blauwe toon, en de witte rand van de zee zag er poederachtig uit. Waar die brak was het net de rand van gescheurd papier. Het maakte niet meer dan een zacht ratelend geluid. Terwijl de dikkere man weg was, maakte de magere de banden van het pakket los, vouwde de opblaasboot uit en begon hem op te pompen. Hij zag eruit als een nerveuze waadvogel, extra mager door de wetsuit die hij droeg, staand op één been terwijl zijn andere been omhoog en omlaag ging op de pomp. De wetsuit zat vol vaalgrijze terriërhaartjes, alsof ze erdoor werden aangetrokken. Toen de dikkere man terugkwam, met de motor op zijn schouder, stegen de meeuwen weer op, en deze keer vertrokken ze naar de overkant van de rivier. Toen de boot was opgeblazen droegen ze hem naar het water. De grotere man ging in de boot zitten en ontving de rugzak en jassen, en de vishengels die ze hadden meegenomen voor het geval ze gezien zouden worden; toen liep de magere man tot aan zijn middel in het water en sleepte de boot naar zee. De kou stak door zijn wetsuit. Toen hij terugliep voor de buitenboordmotor vingen de hondenharen het maanlicht, zodat het leek alsof het pak op sommige plekken was geweven met gloeidraad. Samen monteerden de twee mannen de motor op de spiegel, hingen hem voorover zodat hij niet bleef hangen in het ondiepe water, en draaiden ze de klemschroeven vast. Toen klom de magere man onhandig aan boord. Door het extra gewicht zakte de boot een beetje tegen de keien onderwater, en de zwaardere man gebruikte de korte peddel om de boot af te duwen naar het kalme water voorbij de brandingsgolven. Toen ze los waren, liet hij de motor zakken. Gaf drie harde rukken aan het startkoord. Het plotselinge kabaal toen de motor tot leven kwam werd meteen gedempt toen hij het toerental verlaagde. De motor sputterde wat, murmelde, en toen stuurde hij de boot naar open zee.”
That Frenchman really had the trick Of figure skating in this stanza But I, thank God, cannot read Gallic And so escape his influenza. Above my head his rhetoric Asks emulation. I do not answer. It is as though I had not heard Because I cannot speak a word. But I invoke him, dirty dog, As one barker to another: Lift over me your clever leg, Teach me, you snail-swallowing frog To make out of a spot of bother Verses that shall catalogue Every exaggerated human claim, Every exaggerated human aim.
I entreat you, frank villain, Get up out of your bed of dirt And guide my hand. You are still an Irreprehensible expert At telling Truth she’s telling lies. Get up liar; get up, cheat, Look the bitch square in the eyes And you’ll see what I entreat.
We share, frog, much the same well. I sense your larger spectre down Here among the social swill Moving at ease beside my own And the muckrakers I have known. No, not the magnitude I claim That makes your shade loom like a tall Memorial but the type’s the same.
You murdered with a knife, but I Like someone out of Oscar Wilde Commemorate with a child The smiling victims as they die Slewing in kisses and the lie Of generation. But we both killed. I rob the grave you glorify, You glorify where I defiled.
O most adult adulterer Preside, now, coldly over My writing hand, as to it crowd The images of those unreal years That, like a curtain, seem to stir Guiltily over what they cover – Those unreal years, dreamshot and proud, When the vision first appears.
The unveiled vision of all things Walking towards us as we stand And giving us, in either hand, The knowledge that the world brings To those her most beloved, those Who, when she strikes with her wings, Stand rooted, turned into a rose By terrestrial understandings.
Come, sulking woman, bare as water, Dazzle me now as you dazzled me When, blinded by your nudity, I saw the sex of the intellect, The idea of the beautiful. The beautiful to which I, later, Gave only mistrust and neglect, The idea no dishonour can annul.
Vanquished aviatrix, descend Again, long vanished vision whom I have not known so long, assume Your former bright prerogative, Illuminate, guide and attend Me now. O living vision, give The grave, the verity; and send The spell that makes the poem live.
I sent a letter to my love In an envelope of stone, And in between the letters ran A crying torrent that began To grow till it was bigger than Nyanza or the heart of man. I sent a letter to my love In an envelope of stone.
I sent a present to my love In a black bordered box, A clock that beats a time of tears As the stricken midnight nears And my love weeps as she hears The armageddon of the years. I sent my love the present In a black bordered box.
I sent a liar to my love With his hands full of roses But she shook her yellow and curled Curled and yellow hair and cried The rose is dead of all the world Since my only love has lied. I sent a liar to my love With roses in his hands.
I sent a daughter to my love In a painted cradle. She took her up at her left breast And rocked her to a mothered rest Singing a song that what is best Loves and loves and forgets the rest. I sent a daughter to my love In a painted cradle.
George Barker (26 februari 1913 – 27 oktober 1991)
De Franse dichter en schrijver Victor Hugo werd geboren in Besançon (Franche-Comté) op 26 februari 1802. Zie ook alle tags voor Victor Hugo op dit blog.
Morgenvroeg
Als morgenvroeg de zon de velden gaat beschijnen, Ga ik hier weg, naar jou, want jij wacht daar op mij. Dan trek ik door het bos en langs diepe ravijnen. Hier blijven kan ik niet, want te ver weg ben jij.
Mijn blik is strak vooruit, verzonken in gedachten. Kijk ik niet op of om, en rond mij is het stil. Vergeten en alleen, de dagen en de nachten, Ze lijken op elkaar, ik zie niet het verschil.
Het goud dat ’s avonds valt, leidt niet mijn ogen af, En ook de zeilen niet die naar Harfleur toe glijden, En ben ik eenmaal daar, dan leg ik op je graf Een bosje groene hulst, vermengd met paarse heide.
Vertaald door Arie van der Krogt
Victor Hugo (26 februari 1802 – 22 mei 1885) Standbeeld door Laurent Marqueste, 1901, op de cour d’honneur van de Sorbonne, Parijs
“Het voltrekt zich altijd min of meer hetzelfde: ze zeggen een paar dingen tegen elkaar, ze drinken een glas bier of tonic of water, soms neemt hij een douche, en dan gaan ze naar bed. Het heeft de juiste verhouding tussen lichtheid en ernst. Het is opwindend, onbeschaamd, maar ook emotioneel. Soms snikt hij in haar armen. Daarna zijn ze ontspannen. Soms vallen ze bijna in slaap. Ze praten over hun werk, over hun kinderen, hij vertelt over de natuurramp, zij neemt het op voor zijn vrouw. Tijdens het eten kijken ze naar het uitzicht. Sev woont heel hoog, vanuit haar raam zie je de stad en hoe de rivier zich erdoorheen slingert. Als er tijd genoeg is gaan ze daarna weer naar bed. Hij neemt nooit iets mee, geen wijn, geen bloemen. Hij blijft nooit slapen. Hij zegt altijd dat het de laatste keer is. Zij belt een taxi voor hem en kijkt hoe hij beneden instapt en zich weg laat rijden. De balkondeuren staan open maar het gordijn is dichtgetrokken tegen de hitte van de zon. Sev leunt in de halfduistere keuken tegen het aanrecht en schrijft een bericht aan David. Ze stelt zich voor hoe hij thuis aan de Gorterlaan, waar ze nooit is geweest, in zijn keuken staat. Hoe hij de wanhoop te lijf gaat door te zorgen voor zijn dochters. Hoe die dat zich laten welgevallen, oud genoeg al om er ook het hunne van te denken. Ze heeft ze nooit ontmoet; alles wat zij weet van hen, van hem en van zijn vrouw, weet ze van hem. Ze stelt zich alles voor. Zijzelf heeft die middag Hendrik, haar zoon van acht, naar zijn vader gebracht. In haar vermengt het gevoel van ruimte die de vrijheid van de week in het verschiet haar geeft zich met een vaag gemis. Ze wacht tot David haar woorden ziet en haar laat weten dat die geland zijn, ze weet dat haar woorden dat doen, het is precies dat doel waarmee ze ze verstuurt. Via een draadloos geluidssysteem vult Satie de verschillende kamers van haar huis. David zegt dat zijn huwelijk vijfentwintig jaar gelukkig was, dat zijn leven gelukkig was, tot de natuurramp. Ze pakt een flesje bier, denkt na over wat ze zal eten, iets pittigs, iets kind-onvriendelijks. Ze leegt haar tas op tafel, ze kan wat werken nog, straks, als het eindelijk koeler geworden is. Vijfentwintig jaar geluk aan gruzelementen, Sev weet niet wat voor haar het grootste mysterie is, die vijfentwintig jaar of de genadeklap.”
Met Auden gegeten. Hij was net terug van drie dagen Milwaukee, hij had voor studenten gesproken. ‘Ze vonden het prachtig. Ik had ze in trance.’ Zijn gezicht Verlichtte het tafereel. Ik kreeg daar de foto te zien, hij In vagebondplunje gepropt, op trijpen pantoffels, Zijn gezicht alleen levend alleen boven hen. Blijkbaar heeft hij zichzelf dat vertrek in weten te krijgen Als object, als een prijs, een geschenk dat weet wat het waard is, En dat voor hen zijn waarde afmat op een weegschaal, Woorden die woorden wogen, verdiept in zijn eigen stem. Hij weet dat zij jong zijn en, meer nog, dat hij oud is. Hij deelt, als een grap, in de afstand die hen scheidt. Daarom houden ze van hem. Omdat ze voelen dat hij Aan niemand toebehoort en toch alles geeft. Ze zien hem als object, artefact, een gezicht Dat tijd met al die groeven kriskras doorkerfd heeft, Dat ondoorschijnend is, maar wel een kern heeft die brandt, Met albastachtig licht door barnsteen. Met al hun ogen en oren omgeven ze hem, En kennen een tederheid gehouwen uit steen.
„Der Teller, fast eine Platte, war bis über den Rand bepackt mit drei Scheiben Blutwurst, in ihnen rötliche Streifen von Zunge, zwei Stück Leberwurst, einer kleinen, scharf geräucherten Knackwurst, zwei Gürkchen, vier Quadraten Schnittkäse und einem Würfel Butter, den Mannschatz auf knapp fünfzig Gramm schätzte. Es war tatsächlich Butter und keine Margarine, das merkte er beim Streichen und dem ersten Bissen, den die Zunge drehte und wendete, gegen den Gaumen drückte, durchspeichelte, dem alle Geschmacksnerven überrascht beizukommen suchten und die ans Gehirn meldeten: Genuß, Hochgenuß, Mann, wann hast du zum letzten Mal derartig duftige Knacker zwischen die Kiemen gequetscht, zur Hälfte Speckbrocken, und dir bleiben noch dreißig, vierzig Bissen. Nun Leberwurst kosten, Lebenswurst hatte sie ein Kumpel in der Gefangenschaft gepriesen. In der Mitte des Tischs, an dem sie zu sechst saßen, waren Brotscheiben getürmt, pro Nase nicht weniger als acht; hoffentlich führte sich keiner unverschämt auf. Schüsseln mit Kartoffelsalat, für jeden eine Flasche Bier – der Genosse ihm gegenüber fand den treffenden Ausdruck: Total friedensmäßig! Mannschatz richtete schon die zweite Scheibe her, während er noch an der ersten kaute. Er überlegte, wann er sich zum letzten Mal ähnlich üppig hatte vollschlagen können, in Rußland organisierten sie zwei Schweine für dreißig Mann, hatten aber weder Brot noch Kartoffeln und mampften wochenlang Makkaroni – Völlerei und Barbarei in einem. Jetzt paßte alles zueinander, höchstens Senf fehlte zur Blutwurst, aber schon dieser Gedanke grenzte an Meckerei. Behaglichkeit überkam ihn, er ließ Bier einlaufen und hatte vergessen, daß man dabei das Glas schief halten muß; gerade noch rechtzeitig schlürfte er Schaum ab. Als auf seinem Teller ein wenig Platz geworden war, hob er Kartoffelsalat in die Lücke und reichte die Schüssel weiter, schmeckte Zwiebel, Möhre auch und mahnte sich zur Vorsicht: Mayonnaise konnte steinern im Magen liegen. Rascher, peinigender Gedanke: Bloß nicht alles rauskotzen müssen. Ihm gegenüber saß einer mit Schlips und grobkariertem Jackett, hell die Augen über freundlichen Grübchen, und Mannschatz wunderte sich beim Aufblicken: Der Genosse belegte geruhsam eine Scheibe Brot mit Schnittkäse und bedeckte sie mit einer anderen.“
Erich Loest (24 februari 1926 – 12 september 2013)
Omdat ik vrouw ben en behoorlijk heb te lijden van al de grillen en behoeften van mijn soort, laat jouw nabijheid iemand in mij aan het woord die zegt (wat ze niet meent) hoe goed ze met je vrijde.
Maar het is niet omdat ik op mijn borsten duldde jouw tachtig kilo en jouw pompen en jouw zweten – passie verheldert ’t bloed en verduistert ’t weten – dat ik mij niet herinner hoe je lulde.
Je moet niet denken dat dit zielige verraad van mijn sterk bloed tegen mijn zwak verstand volstaat om jou in liefde te gedenken.
Dit hitsige gedoe van ’t wijf dat in mij praat vind ik hoegenaamd geen reden tot een konversatie als ik je nog eens tegenkom op straat.
Vertaald door Herman de Coninck
Edna St. Vincent Millay (22 februari 1892 – 19 oktober 1950) Portret door Charles Ellis, 1934
“Zijn trein gaat om 17.56 uur, elke dag weer. Toch loopt hij nooit rechtdoor naar het perron. Hij heeft de gewoonte op het laatste moment links af te slaan, alsof het een ingeving is, snel de trap op, om aan de bar van het Italiaanse restaurant, waar een bord pasta net zo duur is als een nacht in een fatsoenlijk motel, een cocktail te drinken, en vervolgens neemt hij de trein van 18.34 uur naar huis. Eigenlijk mist hij vijf dagen per week zijn trein en rent hij de trap van het restaurant op alsof hij niet een trein maar een cocktail moet halen. ‘Er gaat altijd een volgende trein, Tom,’ zegt de barkeeper, maar later dan 18.34 uur wil Tom het niet maken. Hij heet trouwens helemaal niet Tom, ze zijn hem hier Tom gaan noemen en hij heeft zich dat laten aanleunen. Hij laat zich veel aanleunen, niet uit gemakzucht maar omdat het zijn manier van leven is. Hij volgt wegen die anderen voor hem hebben uitgestippeld, maar op werkdagen tussen 17.56 en 18.34 uur is hij Tom en drinkt hij een gin-tonic of een martini, afhankelijk van zijn stemming. Verder drinkt hij nooit, verder permitteert hij zich geen uitspattingen. Het is niet meer van deze tijd, hoe hij leeft. Het is niet meer van deze tijd om tussen 17.56 en 18.34 uur Tom te zijn en een cocktail te drinken; zijn hoed is niet meer van deze tijd, zijn schoenen evenmin. Hij heeft drie dochters, de middelste belt hem geregeld op en zegt dan: ‘Even kijken hoe het met mijn favoriete bejaarde gaat.’ Ook dat laat hij zich aanleunen, terwijl hij helemaal niet bejaard is, hij heeft nog niet eens de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. Hij is uit de tijd gevallen, maar dat was al zo bij zijn geboorte. Toen zijn oudste dochter trouwde moest hij vreselijk huilen, wat niets voor hem is, hij is geen man die te koop loopt met zijn emoties, hij is überhaupt geen man van grote emoties, althans dat heeft hij lang gedacht. Maar hij kon het niet helpen, hij liep over het grasveld van een hotel tussen allemaal mensen die hij amper kende, met zijn oudste dochter aan zijn hand, en de tranen stroomden over zijn wangen.”
Kleine vlinders, wit en blauw. Heel het veld voor mij en jou. Geef me éénmaal nog je hand, Eéns voor ’t laatst. – De dood komt gauw.
As zal wezen, lauw en grauw, Wat ons ’t leven bood en biedt. Morgen is de vlinder dood, Die daar van zijn bloem geniet.
Geef me éénmaal nog je hand. Laat me zijn je liefst’ en vrouw, Eéns nog tot aan ’t morgenrood! Of ik ontrouw ben of trouw – Hoe dan ook – de dood komt gauw.
Vertaald door S. Fischer-Kunst
Edna St. Vincent Millay (22 februari 1892 – 19 oktober 1950)