Es riecht nach Schnee und Pfefferkuchen, Nach Bienenwachs und Nadelduft. Schon denkt man an das Herbergssuchen, Den Christbaum, wenn das Glöcklein ruft.
In Gassen flimmern Weihnachtssterne, Die Straße säumt ein Lampenband. Auf Plätzen plaudern Leute gerne, Erwärmt vom Trunk am Glühweinstand.
Man muss nicht Kind sein, sich zu freuen, Nicht fromm und gläubig, auch nicht Christ, Es reicht, Gedanken einzustreuen, Was Frieden heißt und Hoffnung ist.
Vorweihnachtliche Ecke
Den Esstisch in der Stubenecke versieht man mit der Weihnachtsdecke, die Tannenbaum und Waldgetier am Saume trägt zu froher Zier.
Ein Kranz aus dichten Nadelzweigen bringt Flackerlicht ins Abendschweigen. Er weist dem Kinderblick als Ziel ein Wachsquartett mit Flammenspiel.
Da liegen Äpfel Aphrodites, die Glanzerheller des Gemütes. Ein Schmunzelengel trägt sein Haar als flachsgeflochtnes Zöpfepaar.
Der süße Seim des Bienenfleißes verbirgt sich, doch ein jeder weiß es, im Döschen aus gebranntem Ton, er kommt nicht unbenascht davon.
Adventlich steht nach alter Sitte ein Teller Backwerk in der Mitte, der leert sich schnell bis Mitternacht, wenn niemand diese Pracht bewacht.
Ingo Baumgartner (24 december 1944 – 16 juli 2015)
Onafhankelijk van geboortedata
Geboorte van Christus
Was er je eenvoud niet, hoe kon jou dan gebeuren wat nu de nacht verlicht? Zie, God hield volken toornend in zijn ban, maar Hij wordt mild, nu jij Hem baart: een wicht.
Verscheen Hij groter in je droomgedicht?
Wat is dat, grootheid? Dwars en uitermate recht is deze weg die ’t lot Hem bood. Zelfs voor een ster is zo geen baan gelaten, want, zie je, deze koningen zijn groot
en slepen schatten aan tot voor je schoot,
de schatten waar ze ’t meest van houden; dat die bestonden had je nooit gedacht – maar zie toch hoe Hij in je doek met vouwen ligt en nu al alles overtreft in kracht.
Van ver al d’amber over zee gebracht
en al het goud, de strelende en pure kruiden, bedwelmend in hun wazigheid: maar dit zijn alles dingen die niet duren, en aan het einde wacht je rouw en spijt.
Maar Hij (dat merk je nog wel), Hij verblijdt.
Vertaald door Piet Thomas
Rainer Maria Rilke (4 december 1875 – 29 december 1926) Cover
De Amerikaanse dichter en schrijver Robert Bly werd geboren op 23 december 1926 in Madison, Minnesota. Zie ook alle tags voor Robert Bly op dit blog.
THE LIFE OF WEEDS
The cry of those being eaten by America, Others pale and soft being stored for later eating
And Jefferson Who saw hope in new oats
The wild houses go on With long hair growing from between their tots The feet at night get up And run down the long white roads by themselves
Dams reverse themselves and want to go stand alone in the desert
Ministers who dive headfirst into the earth The pale flesh Spreading guiltily into new literatures
This is why these poems are so sad The long dead running over the fields
The mass sinking down The light in children’s faces fading at six or seven The world will soon break up into small colonies of the saved
ISEULT AND THE BADGER
The ink we use to write seeps in through our fingers. What we call reason is the way the parasite Learns to live in the saint’s intestinal tract.
Even the finest reason still contains the darkness From feathers packed together; General Patton Was a salmon who grew large in the Etruscan pool.
Poetry, being language, is woven from animal hair. The badgers and the thrushes soak up the stain of separation, Just as lanolin makes the shearer’s hands soft.
The old thinkers of quiddity remind us Of the fear the hogs feel hanging by their hind legs; For we know our throats are open to the unfaithful.
Iseult said, “I was climbing on the sounds of my lover’s Name toward God! Then a badger ran past. When I said, ‘Oh badger,’ I fell to earth.”
Perhaps if we used no words at all in poems We could continue to climb, but things seep in. We are porous to the piled leaves on the ground.
The Fat Old Couple Whirling Around
The drum says that the night we die will be a long night. It says the children have time to play. Tell the grownups They can pull the curtains around the bed tonight.
The old man wants to know how the war ended. The young girl wants her breasts to cause the sun to rise. The thinker wants to keep misunderstanding alive.
It’s all right if the earthly monk is buried near the altar. It’s all right if the singer fails to turn up for her concert. It’s good if the fat old couple keeps whirling around.
Let the parents sing over the cradle every night. Let the pelicans go on living in their stickly nests. Let the duck go on loving the mud around her feet.
It’s all right if the ant always remembers his way home. It’s all right if Bach keeps reaching for the same note. It’s all right if we knock the ladder away from the house.
Even if you are a puritan it would be all right If you join the lovers in their ruined house tonight. It’s good if you become a soul and then disappear.
Verbaasd over een opeenhoping van sneeuw
Ik had alleen in mijn verduisterde huis lopen zingen over een man die erin toestemt te lijden. De deur ging open, ik was verbaasd dat de lucht dik was; het paard had zijn romp naar het noorden gekeerd. Sneeuw glijdt langs de valleien van zijn rug. Het witte dak stond kalm tussen de zwarte bomen.
Het is schokkend dat de sneeuw op de hele boerderij viel terwijl de zanger alleen en op zichzelf in zijn woning bleef. Net alsof de Afrikaanse reiger, gesneden uit een buffelhoorn, plotseling zijn bek open zou doen en zou roepen, of een klok onder glas die op zou stijgen en slaan. De hoef van het paard schraapt een zeeschelp tevoorschijn en de boer vindt een Indiaanse steen met een gat dwars er doorheen.
de anderpoot sleept hij zwaar van de laars – de nog éne – want incompleet het paar
het zou de geweldenaar niet zijn als hij – bol, bliksem aan bast – zijn kans niet wachtte
splijt schors met leer het priemen van de hak zonder gezicht inktslag zwart tot pek het tere binnen zo kurkbestoft het binnen van de boom
in een nacht
treur niet mijn meisje – de botterik – hij heeft zijn zweetschans aan de wilg gehangen die kwijnt mét de kruin wie zou niet treuren de arme lede, lam zo moe ook daar nog bij
moe van jaren
korst, vuil, bloed traag als pek spoedt weg uit mij maak
de kruin weer vrij opdat ik treure en hete tranen laat een geiser gelijk
dit drek – wie kon bevroeden de ingehouden adem erachter
korst en bloed spoedt weg van mij opdat ik kijke en – leze de les – mijns gelijk
agressors die melkpoeder doneren
internetbruiden die zweren bij melkpoeder trilplaatfitness en de verholen agressie van een natuur die op de drempel van bed naar bad piketpaaltjes plaatst
het containerschip strandt
de menselijke waarden bereiken ons niet
niet eerder dan dat het bad ezelinnenmelk met een boel tamtam leegloopt een ik met een enkelband de haven ontmijnt
Maanlicht nu op Malibu De winternacht, de paar sterren Ver weg, miljoenen kilometers De zee die eindeloos doorgaat Voor altijd rond de aarde Ver zo ver, als je lippen dichtbij zijn Gevuld met hetzelfde licht als jouw ogen Liefje, liefje, liefje De toekomst is allang voorbij En het verleden zal nooit gebeuren We hebben alleen deze Onze ene voor altijd Zo klein, zo oneindig Zo vluchtig, zo immens Onsterfelijk als onze handen die elkaar aanraken Onsterfelijk als de wijn die we drinken bij het vuur Almachtig als deze ene kus Die geen begin heeft Die nooit Nooit Eindigt
Kerstboom met kaarsjes door Rudolf Bernhard Willman, 1905
Das Weihnachtsbäumlein
Es war einmal ein Tännelein mit braunen Kuchenherzlein und Glitzergold und Äpflein fein und vielen bunten Kerzlein: Das war am Weihnachtsfest so grün als fing es eben an zu blühn.
Doch nach nicht gar zu langer Zeit, da stands im Garten unten, und seine ganze Herrlichkeit war, ach, dahingeschwunden. Die grünen Nadeln war’n verdorrt, die Herzlein und die Kerzlein fort.
Bis eines Tags der Gärtner kam, den fror zu Haus im Dunkeln, und es in seinen Ofen nahm – Hei! Tat`s da sprühn und funkeln! Und flammte jubelnd himmelwärts in hundert Flämmlein an Gottes Herz.
Christian Morgenstern (6 mei 1871 – 31 maart 1914) Adventstijd in München, de geboorteplaats van Christian Morgenstern
Waarorn ben jij zo blauw, zo blauwer nog dan de zee?
Er is geen spiegel waarin je jezelf kunt bewonderen,
dus wat heeft het mooiste blauw voor zin? Alleen
aan die andere vis zie je hoe blauw je zelf eigenlijk bent.
Is dat verliefd? zien aan een ander hoe mooi je bent
Vier minuten
Een vlinder spartelde tegen het raam, zocht door de ruit een weg naar buiten. Ik vouwde mijn handen voorzichtig om hem heen en ving wat niet te vangen
leek. Ik liep naar de tuin en deed mijn handen open van ga! Hij bleef zitten op mijn vinger, klapte zijn vleugels open en weer dicht, open en dicht en tijd
ging voorbij. Kostbare tijd in een vlinderleven. Na vier minuten zei ik zacht: moet jij niet eens gaan? Toen vloog de vlinder de lucht in en verdween.
In het grote boek der levende natuur heb ik gezocht wat voor zeldzame vlinder het was. Een dagpauwoog. Die komen veel voor, behalve de Dagpauwoogopmijnhand.
Dat is een van de allerzeldzaamste soorten op aarde. In het korte leven van één ervan ben ik even, nee, lang, heel lang een veilig huis geweest.
Wat ik tot dusver heb gedaan met mijn leven is weinig, ik heb het niet op straat gegooid, niet geslagen, niet geaaid, niet één keer nauwkeurig bekeken.
Ik houd mijn handen thuis en sluit bij voorkeur mijn ogen.
Wat ik tot dusver heb gedaan met mijn leven is weinig, nee schudden, zuchten, steunen, uitblazen van niets, daar ben ik grotendeels mee bezig geweest.
Ik behoor bij uitstek tot de mensensoort die men oproept te ontwaken, ter verbetering van het één of ander.
Met het leven weinig doen is iets waarvan ik merk dat anderen dan ik zich er ongemakkelijk bij voelen.
Aangezien ik niet van plan ben me ongemakkelijk te gaan voelen ga ik gewoon door met het leven weinig te doen.
Ik zeg: laat het maar een opdracht voor die anderen zijn hun gevoelens van ongemak te leren beheersen terwijl ik mijn leven alweer niet oppak hangend in een stoel volle dagen naar iets staar waarvan ik niets verlang
het minste een droom of idee waaraan ik zou kunnen werken.
Kent u dat?
Kent u dat? Een soortgelijk gevoel?
Niet begrijpen volwassen te zijn op de snelweg in een auto te zitten in nette kleren achter het stuur met een – voor zover bekend – naadloos kloppend hart en het plotselinge verlangen het stuur om te gooien een eerstvolgende afslag te nemen om het even naar welke negorij?
Vervolgens de luxe te proeven de tijd te hebben het stuur daadwerkelijk om te gooien en in een vreemde omgeving met bekende attributen – Shell station, verkeersborden, Albert Heijn, zebra’s – terecht te komen alles op te nemen ieder detail niet te weten waarom slechts het vermoeden iets belangrijks te doen?
En daarna – weer terug op de snelweg – niet weten trots of misplaatste trots te voelen de negorij tegen alle statistieken in en zonder aanwijsbare reden bezocht te hebben?
van ’t omarmen van een aloë-, een laurierboompje in de behandelkamer van mijn fysiotherapeute
ik kan op geen plaats i bloem ik bedoel ik kan geen bloem zien in m’n tuin in m’n huis, ook de ogen van m’n ziel die als bloemen zijn bloeiden op geen plek op de grassen van verleden zomer hebben gewaaid en ik heb ze aangeraakt en heb ze geplukt en ze hebben me aangestaard en ik heb ze aangestaard en de maan heeft de hl. grassen naar zich toegehaald en de maan heeft de golven van de zee naar zich toegehaald namelijk aan zijn borst en de golven van de zee hebben mijn voeten overspoeld en de golven van de zee hebben het aloë- en laurierboompje aangehaald en de tranen van de maan hebben mij beweend en mij in de diepe slaap / de doodsslaap, en als i lieve tijger overvalt mij de slaap geheimzinnig namelijk iriserend en vreemd, en de mistflard van kalmoesgeur aan de voetjes van de onooglijk kleine bloempjes / iets van de geur van een fijngewreven notelaarsblad
Vertaald door Ton Naaijkens
Friederike Mayröcker (20 december 1924 – 4 juni 2021)
“In die tijd ging mijn kleine persoonlijke catastrofe me veel meer aan het hart dan de planetaire, dan de ophoping van broeikasgassen in de atmosfeer, de terugtrekking van de gletsjers en de stijging van de oceanen. Het was vooral om er even tussenuit te kunnen dat ik aan de Corriere della Sera vroeg of ze een accreditatie voor me wilden aanvragen bij de klimaatconferentie in Parijs, ook al was de inschrijftermijn al verstreken. Ik moest dan ook echt bij ze smeken, alsof dit iets was wat ik absoluut niet mocht missen. Ze hoefden alleen maar te betalen voor de vlucht en de artikelen die ik zou schrijven. Een slaapplaats zou ik wel regelen bij een vriend. Giulio woonde in een donker tweekamerappartement in het veertiende, de Rue de la Gaîté. De Straat van de Vrolijkheid? zei ik toen ik binnenkwam. Niet echt toepasselijk. Nee, inderdaad. Ik zou me maar niet te veel illusies maken als ik jou was. Jaren eerder hadden we in Turijn een flat gedeeld, Giulio als student van buiten de stad, ik als rijkeluiszoon die graag op kamers wilde ook al was de uni maar een halfuur met de bus vanaf mijn ouders. In tegenstelling tot mij was Giulio na zijn afstuderen wel in de natuurkunde bezig gebleven. Hij had in talloze steden gewerkt, uitsluitend in Europa omdat hij politiek gezien een onoverkomelijke weerstand koesterde jegens de Verenigde Staten. Intussen was hij getrouwd en gescheiden, had een zoontje gekregen en was ten slotte in Frankrijk neergestreken, met een onderzoeksbeurs aan de École Polytechnique, waar hij zich bezighield met chaostheorieën toegepast op de financiële wereld. We schepten allebei een bord pasta vol alsof we twintigers waren en aten aan een ongedekte tafel, terwijl ik hem vertelde over de reden van mijn bezoek, de officiële reden tenminste. Giulio ging op een schap naar een boek zoeken. Heb je dit gelezen? Ik zei nee en liet de rand van de pagina’s onder mijn duim door glijden. Ondergang, mompelde ik, dat klinkt perfect. Hij heeft een interessante kijk op uitsterving. Hou het maar. Het woord ‘uitsterving’ bleef even in mijn hoofd hangen, als het label van een persoonlijk lot. Ik ruimde af terwijl Giulio me snel bijpraatte over Adriano, die alweer vier jaar was. Ik was een beetje slaperig geworden door de koolhydraten, maar de wijn was op, dus gingen we de deur uit zodat we konden blijven drinken.”
Uit: Dit boek redt je leven (Vertaald door Wim Scherpenisse en Gerda Baardman)
“Hij kwam niet op het idee iemand te roepen, wie had hij moeten roepen, wat had hij moeten zeggen, hoe had hij het moeten beschrijven — waar zat de pijn precies? Overal, desoriënterend, zweterig, duizelingwekkend. Zo snel mogelijk, nu hij het nog kon, kleedde hij zich aan. Hij liep de slaapkamer in en trok een mooie broek met een riem aan, een trui, schoenen en sokken. Hij kleedde zich alsof hij met vrienden uit zou gaan of bij iemand ging eten, iets informeels, gedempte kleuren, zachte stoffen. Onder het aankleden bedacht hij dat hij misschien de heuvel af moest, naar een dokter, zonder zich te realiseren dat iedereen op dit late uur ongetwijfeld allang naar huis was. Hij ging op de bank liggen, wat hij nog nooit had gedaan; dat was tegen de regels, de eigen persoonlijke regels die iedereen voor zichzelf opstelt: liggen mag alleen in bed en nooit overdag. Hij lag op de bank en probeerde een prettige houding te vinden; had hij op de hometrainer iets raars gedaan, een verkeerde beweging gemaakt? Had hij iets onder de leden, een virus, een griepje? De pijn bleef. Waar kwam die vandaan? Was die pa, ontstaan of was hij er altijd en viel hij hem nu pas op? Hij stond op, nam een paar ibuprofentabletten en bleef bij hei raam over de stad staan uitkijken, naar de auto’s op de boulevard beneden die de bocht namen en de heuvels in reden. De. lucht begon al te verbleken, de koplampen waren aan, de huizen lichtten op, vol leven. De coyotes huilden. De stad in de verte was tegelijk heel groot en heel klein. Hij stond voor het raam – bevangen door pijn. Alles klapte in, alle bloedvaten, alle zenuwen, alle vezels van zijn lichaam krompen ineen alsof ze uitgehongerd, uitgedroogd waren. Hij stond bij het raam en leed ondraaglijke pijn, en het vreemdste was dat hij niet wist waar het pijn deed, dat hij niets voelde. Hij begon te huilen. Hij huilde geluidloos en toen hij merkte dat hij huilde, concludeerde hij uit dat feit, of uit de angst die dat opriep, dat er iets heel erg mis was. Toen moest hij nog erger huilen. Was het dan nu zover? Ging het zo? Was hier iets aan vooraf. gegaan, iets wat hij had moeten merken, een waarschuwing? Of was dit de waarschuwing? Dit was de waarschuwing of het uur U. Hij toetste het alarmnummer in. ‘Politie, brandweer, ambulance.’ ‘Dokter,’ zei hij. ‘Politie, brandweer, ambulance.’ ‘Noodgeval,’ zei hij. ‘Politie, brandweer, ambulance.’ Het was een computer. ‘Ambulance,’ zei hij. ‘Ogenblikje.’ Hij wachtte tot hij werd doorverbonden en in dat moment van stilte hield de pijn op. De pijn ging over en hij dacht al haast dat het een nachtmerrie was geweest, een dagdroom, een slechte maaltijd die verkeerd was gevallen.”
Adem van vuur in de keel van de sneeuw, Wortels die de diepe kleur oproepen – Uit welke ballingschap komt deze kreet van lente en bladeren?
Een woord barst los in onze vuisten in de voren van vogels, Op paden van sterren rijst wilde hoop. Onze handen rijden op de jonge dauw, O, de rivier viert al eilanden en zwaluwen! Met één enkele eeuwigheid bewonen we de wereld. Een tak ontsproot bij de eerste stap van de tijd, Gloeiend rood zwaard in de ogen van onze geschiedenis, De aarde beeft tot aan onze kindertijd. We worden geboren – horizon van levendige golven, De dag staat in de menselijke strijd. Voor altijd sluit de april van vuur onze wonden, Van mond tot mond openen we de drempel van een vaderland. Nog steeds bloedend onder de vleugel van de zon, Met de eerste tak van het jaar, Vindt een volk zijn vrijheid op aarde.
Vertaald door Frans Roumen
Gatien Lapointe (18 décember 1931 – 15 september 1983)
De Nederlandse schrijfster Yvonne Keuls werd geboren op 17 december 1931 in Batavia, toen nog een onderdeel van Nederlands-Indië. Zie ook alle tags voor Yvonne Keuls op dit blog. Yvonne Keuls overleed op 16 november jongstleden op 93-jarige leeftijd..
Uit: Koningin van de nacht
“Toen Daan klein was, dacht hij dat er binnen in zijn hoofd plaatjes zaten, die hij in zijn droom verzamelde. Als hij zijn ogen sloot, kon hij naar binnen kijken en navertellen wat hij zag. Dat noemden de mensen fantaseren. ‘Daan is een kleine fantast,’ zei Isabel, die voor hem en zijn vijf jaar oudere zusje Roos zorgde, en ze lachte erbij, dus vond ze het leuk. Later, toen hij al op school zat en ‘groot’ was, begreep hij dat hij die plaatjes in zijn hoofd zelf maakte. Van alle gebeurtenissen in zijn leven hield hij zo’n plaatje over. ‘Gebeurtenis’ was ook niet zomaar een woord, het betekende: er gebeurt iets wat belangrijk genoeg is om in een nis te bewaren. Want niets mag vergeten worden. Wat gezien wordt of gevoeld, heeft betekenis en kan het leven een andere wending geven. En als je doodging, zei Isabel, zag je die plaatjes nog één keer langskomen, dan wist je wat je op de wereld gedaan had. Er was natuurlijk niet één wereld. Er waren er twee. In de ene gebeurde er van alles met Daan en kon hij alleen maar verwonderd toekijken, en in de andere kon hij fantaseren, kon hij zélf alles laten gebeuren. Als hij dat wilde, kon hij zelfs zijn moeder laten bestaan in álle dingen. Dan was ze overal in huis. In haar boeken, haar muziekboeken, die ze met rond appeltjeshandschrift in de kantlijn van aantekeningen had voorzien. In de foto’s, waarin ze de tijd doorliep. In haar toneelkijker, die ze meenam naar de opera. In haar verzameling vingerhoedjes, die hij op al zijn vingers zette, waarna hij net zolang op het tafelblad trommelde tot Isabel riep: ‘Daan, schei ermee uit en leg ze terug!’ En in de slaapkamerspiegel, waarin hij ieder ogenblik haar beeld verwachtte. In al die kleine dingen, de parfumkaartjes tussen haar zakdoeken, de gedroogde rozen, de poederdons met de onvergelijkelijke geur, maar vooral in haar klerenkast, die zo groot was dat hij erin kon lopen, haar luchtje opsnuivend – alweer die geur. Hij bevoelde de glanzende stof van haar jurken, die zij droeg wanneer ze een concert gaf. Ze waren versierd met borduursel en glitters, en terwijl hij zich er een weg doorheen baande, was het alsof zijzelf langs zijn gezicht gleed. Zie je wel, ze bestond! Omdat híj het wilde!”
Yvonne Keuls (17 december 1931 – 16 november 2025)
De Nederlandse schrijver en televisiemaker Adriaan van Dis werd op 16 december 1946 geboren in het Noord-Hollandse Bergen aan Zee. Zie ook alle tags voor Adriaan van Dis op dit blog.
Uit: Indische duinen
“De meisjes wilden de kust zien. Ze hoorden opgewonden stemmen op de gang en een luidspreker galmde over alle dekken: Nederland in zicht. De stoomfluit loeide, voetstappen bonkten op de trap, meeuwen krijsten. De meisjes klommen uit hun kooi en schoven de hutkoffer voor de patrijspoort. De kleinste mocht eerst, haar twee zusters tilden haar op. Ze drukte haar neus tegen het glas en zei: ‘Alleen maar golven.’ De ruit besloeg. In de hoek van de hut, naast de deur, waste de moeder zich boven het fonteintje, het water spatte op de plankenvloer, ze nam haar handdoek van de haak en keek in de spiegel. Ze zuchtte, elke morgen stond ze bekaf op en het was een troost dat het dampende water ook de spiegel besloeg, zodat ze onder het afdrogen niet de diepe lijnen in haar gezicht hoefde te zien. Het was benauwd in de hut, ze liep naar de patrijspoort en draaide de vleugelmoeren los. Een zilte koude lucht stroomde de kamer binnen, de meisjes rilden en trokken een trui over hun pyjama aan. Een meeuw vloog langs, vadsiger dan het soort dat hun schip gewoonlijk volgde; dit moest een landmeeuw zijn. ‘Nu ik,’ zei het middelste meisje, ze duwde haar moeder opzij en stak haar hoofd door de patrijspoort. Ze trok een vies gezicht. Geen land te bekennen. ‘Je moet naar omlaag kijken,’ zei de oudste, ‘Nederland ligt onder de zeespiegel.’ Ze ging wijdbeens op de koffer staan, duwde haar billen naar achter en maakte een verrekijker van haar handen. Iemand klopte op de deur. Een kale man kwam binnen, hij was al aangekleed en hield een korte militaire jas in zijn hand. De kleinste rende op hem toe en sprong in zijn armen. Ze klemde haar benen om zijn middel en liet zich met uitgestoken armen achterover vallen: ‘Justin, Justin,’ riep ze, ‘ik heb de Hollandse zee gezien!’ Hij legde het kind voorzichtig op bed en knuffelde haar bruine buik. ‘Dat is de Noordzee,’ zei hij, ‘nog een paar uur en we zijn in Amsterdam.’ Hij kuste de moeder en bukte zich naar het middelste meisje. Ze dook opzij. ‘Ada,’ zei de moeder, ‘zeg dag als Justin je groet.’ ‘Dag,’ snauwde Ada. Ze liep naar het fonteintje en begon haar tanden te poetsen. De kale man haalde lachend zijn schouders op en liep naar het raam: ‘Kom Jana, je vat kou’, hij sloeg zijn arm om haar heupen en drukte haar tegen zich aan, ‘je kijkt de verkeerde kant op, de kust ligt aan stuurboord.’ De moeder zag in het tegenlicht hoe mager Jana’s benen door haar pyjamabroek schenen.”
Adriaan van Dis (Bergen aan Zee, 16 december 1946)
Mensen op de straathoeken van steden en landen die op geen kaait staan bespraken het: – Die man is gestorven En hij weet het niet. Hij wil de banken bestormen, wolken, sterren, gouden kometen stelen, het allermoeilijkste kopen: de hemel.
En die man is gestorven. Onderaardse schokken schudden zijn slapen. dolzinnige echo’s, verwarde klank van schoppen en houwelen treffen zijn oren; en zijn ogen acyteleenlampen, klamme, goudglanzende gaanderijen, en zijn hart explosies van stenen, gejuich, dynamiet. Hij droomt van mijnen.
Vertaald door G. J. Geers
Rafael Alberti (16 december 1902 – 27 oktober 1999)