Robert Macfarlane

De Britse schrijver Robert Macfarlane werd geboren op 15 August 1976 in Halam, Nottinghamshire.  Macfarlane is internationaal bekend om zijn werk over natuur, mensen en plaatsen. Zijn bestsellers zijn onder andere “Underland”, “Landmarks”, “The Old Ways”, “The Wild Places” en “Mountains of the Mind”, evenals het prozagedicht “Ness”. Zijn werk is in meer dan dertig talen vertaald, heeft wereldwijd prijzen gewonnen en is veelvuldig bewerkt voor film, muziek, theater, radio en dans. Hij heeft ook opera’s, toneelstukken en films geschreven, waaronder “River and Mountain”, beide verteld door Willem Dafoe. Hij heeft nauw samengewerkt met kunstenaars zoals Olafur Eliasson en Stanley Donwood, en samen met kunstenaar Jackie Morris creëerde hij de internationaal bestverkochte boeken over natuurpoëzie en kunst, “The Lost Words” en “The Lost Spells”. Als tekstschrijver en performer schreef hij albums en liedjes met muzikanten als Cosmo Sheldrake, Karine Polwart en Johnny Flynn, met wie hij twee albums uitbracht: “Lost In The Cedar Wood” (2021) en “The Moon Also Rises” (2023). In 2017 kende de American Academy of Arts and Letters hem de E.M. Forster Prize for Literature toe en in 2022 was hij in Toronto de eerste winnaar van de Weston International Award voor een oeuvre op het gebied van non-fictie. Robert Macfarlane is Fellow van Emmanuel College.

Uit: De laatste wildernis (Vertaald door Nico Groen)

“De wind wakkerde aan en dus ging ik naar het bos. Het ligt ten zuiden van de stad, op anderhalve kilometer van mijn huis: een klein, naamloos stuk beukenbos, dat een lage heuvel bekroont. 1k ging er te voet heen, eerst door straten die me naar de rand van de stad leidden, vervolgens over paden tangs akkers, tussen meidoorn- en hazelaarhagen door. Er kibbelden roeken in de lucht boven de bomen. De hemel was van een helder, koel blauw, dat aan de rand vervaagde tot de kleur van melk. Al van een paar honderd meter hoorde ik het geluid van het bos in de wind: een zacht gebulder als van de zee. Het was het immense, meerstemmige geluid van wrijving – blad knistert tegen blad, tak tikt tegen tak. 1k betrad het bos via de zuidhoek. Er begon van alles uit het bewegende bladerdak te vallen: takjes en beukennootjes tikkelden neer op de koperkleurige laag bladeren. Zonlicht viel in uitbundige banen op de grond. Ik liep door het bos omhoog en bereikte halverwege de noordelijke rand mijn boom: een grote beuk met grijze schors, met wijd uitstaande takken waar je gemakkelijk in kunt klimmen. 1k was al vele keren eerder de boom in geklommen en was vertrouwd geraakt met al zijn merktekens. Onder aan de stam is de schors rondom uitgezakt en geplooid, waardoor hij lijkt op de huid van een olifantspoot. Op zo’n drie meter hoogte kromt een tak scherp naar zichzelf terug; daarboven staat de letter ‘h’, die jaren geleden met een mes in de stam is gekerfd en opgezwollen is doordat de boom is gegroeid; nog hoger bevindt zich de geheelde stomp van een verdwenen tak. Tien meter hoog, vlak onder de top van de beuk, waar de schors zachter en zilvergrijs is, bereikte ik wat ik het observatorium was gaan noemen: een gevorkte zijtak net onder een kromming in de stam. ik had ontdekt dat ik daar lekker kon zitten als ik met mijn rug tegen de stam steunde en mijn voeten op de tanden van de vork zette. Ms ik me een paar minuten stilhield, liepen er soms wandelaars onder me door zonder me op te merken.”

 

Robert Macfarlane (Halam, 15 August 1976)

 

Aleksej Salnikov, Roderick Six

De Russische schrijver en dichter Aleksej Salnikov werd geboren op 7 augustus 1978 in Tartu, Estische Socialistische Sovjetrepubliek, nu Estland) is.  Sinds 1984 woont Salnikov in de Oeral: eerst in het dorp Gornouralski in de oblast Sverdlovsk, vervolgens in Nizjni Tagil en sinds 2005 in Jekaterinenburg. Hij studeerde af aan de landbouwacademie en studeerde vervolgens bij Joeri Kazarin aan de faculteit literatuur van het Jekaterinenburg Theaterinstituut. Hij was ook een leerling van de dichter Jevgeni Toerenko, een prominent figuur in de literaire scene van Nizjni Tagil. Hij debuteerde als dichter en publiceerde in de tijdschriften Literaturnaya Gazeta, New Oeral, Vozduk, Oeral Review, Vavilon en in de bloemlezing Contemporary Oeral Poetry. Zoals Vasili Tsjepelev opmerkt, was het Salnikovs ervaring als dichter die de basis legde voor zijn latere succes als prozaschrijver. Hij verwierf voor het eerst bekendheid in Rusland met zijn roman *De Petrovs, (De Griep). Salnikov is winnaar van de Prijs van de Jury van de Kritiek van de NOS (Novaja Slovestnokt) en winnaar van de Nationale Bestsellerprijs (2018). Zie ook alle tags voor Aleksej Salnikov op dit blog.

Uit: Petrow hat Fieber (Vertaald door Bettina Kaibach)

„Petrow brauchte bloß in den Trolleybus zu steigen, und schon erschienen die Wahnsinnigen, um ihn, Petrow, zu piesacken. Der Einzige, der ihn nicht piesackte, war ein glattrasierter Greis, still und rundlich, der einem gekränkten Kind glich. Doch sobald
Petrow diesen Greis sah, kam ihn selbst die Lust an, sich von seinem Platz zu erheben und den Alten noch mehr zu kränken. Ein Gefühl war das, wild und durch nichts zu erklären, und es packte ihn jedes Mal wie ein Sturm, ein geballtes Etwas aus zottigen
darwinschen Trieben mit einer Dosis Dostojewski. Der Greis bemerkte Petrows interessierten Blick und drehte sich schüchtern weg.
Nun war selbiger Opa sozusagen der Stammgast unter den Verrückten, ihm begegnete Petrow praktisch seit seiner Kindheit ständig, und zwar nicht nur in den öffentlichen Verkehrsmitteln.
Von den übrigen Verrückten drang hingegen jeder exakt einmal in Petrows Leben, als hätte er sich zum ersten Mal in dreißig Jahren aus der städtischen Anstalt bei Kilometer acht des sibirischen Traktes losgerissen und wäre zum Trolleybus Nummer drei geeilt,
um Petrow ein paar Nettigkeiten an den Kopf zu werfen und für immer zu entschwinden.
Da gab es die Alte, die ihm ihren Platz mit der Begründung überließ, Petrow sei ein Invalide und habe Holzbeine und Holz-arme und Krebs (ohne Holz, einfach Krebs). Dann war da dieser Typ wie ein Schmied aus den sowjetischen Filmen, so ein Riesenkerl, der mit seiner Stimme das Blech des gesamten Trolley-busses ins Vibrieren zu bringen schien. Wie eine offene, halbleere Flasche vibriert, wenn ein Laster vorbeifährt. Während der Typ mit seiner Flanke Petrow an die Wand drückte, trug er der nicht mehr jungen Schaffnerin Gedichte vor, denn offenbar verbarg sich unter der wattierten Jacke, die nach Eisenspänen, Benzin und Dieselöl roch, ein zartes Poetenherz.
»Und fliegen vorbei, unsre Jahre, sie fliegen wie Vögel vorbei«, deklamierte der Typ mit zärtlicher Intonation der »Jahre« und »Vögel«.
Die Schaffnerin lauschte mit sanftem Lächeln.“

 

Aleksej Salnikov (Tartu, 7 augustus 1978)

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Vlaamse schrijver Roderick Six werd geboren in 1979 in Ieper en groeide op in het West-Vlaamse Woesten. Zijn debuutroman “Vloed” uit 2012 werd meteen onderscheiden met een premie van de Letterkunde Prijs van de Provincie West-Vlaanderen. In “Vloed”worden 4 studenten gegijzeld door wassend water, waarbij ze gaandeweg elk greintje optimisme kwijtspelen. Voor deze roman ontving hij in hetzelfde jaar ook de Bronzen Uil. Ook zijn tweede roman ‘Val’, die in 2015 verscheen, werd door de kritiek goed ontvangen. In 2019 volgde zijn derde roman “Volt”. Op 1 april 2020 – tijdens de Corona-pandemie – lanceerde Six het digitaal tijdschrift #VIRALEN, om zo ‘lezers én schrijvers in tijden van quarantaine samen te brengen’. Voor het eerste nummer leveren onder meer Ilja Leonard Pfeijffer, Radna Fabias, Charlotte Van Den Broeck, Fleur Pierets en Melissa Giardina een bijdrage. Een uit de hand gelopen rouwproces is het thema van de roman “Monster” uit 2021. In 2025 verscheen zijn vijfde roman “In het wit”.

Uit: In het wit

“Het sneeuwde.
Op de bus naar het rusthuis leunde M net niet met haar voorhoofd tegen het raam — de kou slechts een gedachtestreepjes van haar huid verwijderd. Haar adem legde een laagje damp over het glas; nu nog een hartje, een lachend gezichtje. Maar M raakte de wasem niet aan. Ze wreef de jeuk uit haar vingertop en keek naar de vlokken, naar het vrolijk gedwarrel, de winter die over de stad danste.
Op het voetpad ploegde een oude vrouw met haar boodschappenkar door de bleke smurrie. Met haar andere hand trok ze een groezelig wit hondje voort, de leiband strak gespannen. Zijn vacht een vale camouflage, zijn koolzwarte ogen gestolen van een blinde sneeuwpop.
Sneeuwen zou geen werkwoord mogen zijn, dacht M, net voor ze met een harde schok in haar zitting werd gedrukt. De bus, een harmonica op wielen en diesel, slipte en zwenkte, en de chauffeur trok het voertuig weer vloekend recht, de dood nog maar eens een halte afgewend. Al dat gedwarrel, die speelse kristallen die meer zweven dan vallen, het heeft niets met labeur te maken. Het verbum mist daadkracht en gewicht, het mist sleur. Sneeuwen — het klinkt als de wind die met vingers van licht de kruin van een kind streelt.
M kende sneeuw. Ze had veel sneeuwstormen meegemaakt, arctisch geraas en blizzards, het geril dat je tanden deed trillen, de vorstbeten en het rondvliegend ijs dat je gezicht aan flarden reet. Ze had het gevoeld, de gevoelloosheid. De vrieskou die je botten versplintert, die je lichaam bezet als een hellevuur, die elke zenuw verschroeit — Dante had gelijk toen hij de duivel verankerde in een ijsblok: kou is het ware inferno. M kende sneeuw. En ze kende de regen, en de bliksem in de Zwitserse bergen en een fatale picknick. Ze kende de wrede zon op het strand, de loop van een pistool, glimmend in het licht. Ze kende tropische stormen, hoe die op komst waren, donker aan de horizon, en hoe die later palmbomen uit de grond zogen. De herfst, natuurlijk kende M de herfst, met zijn scha-duw op de zonnewijzers en zijn rusteloos door lanen dwalen.”

 

Roderick Six (Ieper, 1979)

Gaël Faye

De Frans-Rwandese schrijver, zanger, rapper en singer-songwriter Gaël Faye werd geboren in Bujumbura, Burundi, op 6 augustus 1982 als zoon van een Franse vader en een Rwandese moeder. In 1995 verhuisde het gezin naar Frankrijk vanwege de burgeroorlog tussen de Hutu’s en de Tutsi’s. Hij bracht zijn jeugd door in het departement Yvelines, waar hij kennis maakte met de wereld van de rap en de hiphop.
Gaël Faye studeerde aan een école de commerce en behaalde een master. Later ging hij gedurende twee jaar bij een investeringsfonds werken in Londen. Vervolgens verliet hij Londen om van muziek en schrijven zijn beroep te maken. In zijn jeugd had hij immers de rap en de hiphop ontdekt. Later verhuisde hij naar de Rwandese hoofdstad Kigali, waar hij samen met zijn vrouw en twee kinderen leeft. In 2008 richtte Gaël Faye de hiphopgroep Milk Coffee and Sugar op, samen met Edgar Sekloka alias Suga. In 2009 bracht de groep een gelijknamig album uit dat gunstig ontvangen werd. In 2013 bracht hij zijn eerste soloalbum uit, genaamd Pili Pili sur un croissant au beurre. Voor dit album kreeg hij de Prix Charles-Cros des lycéens (2012-2014) vand de nieuwe Franse chanson.
Verder werkte samen met onder meer Mulatu Astatke, Ben l’Oncle Soul, Flavia Coelho en Christophe Maé.
In augustus 2016 publiceerde Grasset zijn debuutroman Petit Pays, die goed onthaald werd. Naast zijn nominatie voor de Prix Goncourt werd hij onder meer beloond met de volgende Franse literatuurprijzen:

Prix du roman FNAC
Prix du premier roman français
Prix Goncourt des lycéens
Prix du roman des étudiants France Culture-Télérama

Op 5 september 2017 werd deze roman in Nederlandse vertaling gepubliceerd met als titel “Klein land”. Het is het verhaal van Gaby, een kleine Burundees, zijn ouders en zijn zus. Het kleine land wordt een oorlogstoneel, door de strijd tussen de Hutu’s en Tutsi’s. In 2025 verscheen zijn roman “Jacaranda” over de Rwandese genocide.

Uit: Klein land (Vertaald door Liesbeth van Nes)

“Proloog
Ik weet echt niet hoe dit verhaal is begonnen. Toch had papa het ons op een dag allemaal uitgelegd, in de bestelwagen. ‘In Burundi is het net als in Rwanda, weet je. Er zijn drie verschillende groepen, etnische bevolkingsgroepen heet dat. De Hutu zijn de grootste groep, ze zijn klein, met een dikke neus.’ ‘Zoals Donatien?’ had ik gevraagd. ‘Nee, hij is een Zaïrees, dat is iets heel anders. Prothé bijvoorbeeld wel, onze kok. Je hebt ook de Twa, de pygmeeën. Die slaan we over, ze zijn met zo weinig dat ze niet meetellen, zeg maar. En dan heb je de Tutsi, zoals jullie mama. Daarvan zijn er veel minder dan de Hutu, ze zijn lang en mager met een spitse neus en je weet nooit wat er in hun hoofd omgaat. Jij, Gabriel,’ had hij gezegd en hij wees naar me, lij bent een echte Tutsi, ik weet nooit wat je denkt.’ Nou, ik wist zelf ook niet wat ik dacht. Trouwens, wat kun je over dat alles denken? Dus vroeg ik: ‘Is er oorlog tussen de Tutsi en de Hutu omdat ze niet hetzelfde grondgebied hebben?’ ‘Nee, dat is het niet, ze hebben hetzelfde land.’ ‘Eh… omdat ze niet dezelfde taal hebben, dan?’ ‘Nee hoor, ze spreken dezelfde taal.’ ‘Omdat ze niet dezelfde god hebben, dan?’ ‘Nee hoor, ze hebben dezelfde god.’
‘Maar… waarom voeren ze dan oorlog tegen elkaar?’ `Omdat ze niet dezelfde neus hebben.’ Daar stopte het gesprek. Maar het was toch een vreemde zaak. Ik geloof dat papa er ook niet veel van begreep. Vanaf die dag begon ik te letten op de neus en de lengte van de mensen op straat. Als ik met mijn zusje Ma boodschappen deed in het centrum van de stad, probeerden we onopvallend te raden wie er Hutu of Tutsi was. We fluisterden: Die met die witte broek, dat is een Hutu, hij is klein met een dikke neus.’ ‘Ja, en die daar, met die hoed, dat is een lange dunne met een heel spitse neus, dat is een Tutsi.’ ‘En die daar met zijn gestreepte overhemd, dat is een Hutu.’ ‘Welnee, kijk dan, hij is lang en mager.’ Ja, maar hij heeft een dikke neus!’ Op dat punt begonnen we te twijfelen aan het verhaal over de bevolkingsgroepen. En bovendien wilde papa niet dat we erover praatten. Van hem mochten kinderen zich niet met politiek bemoeien. Maar we konden niet anders. Van dag tot dag breidde de vreemde sfeer zich uit. Zelfs op school begonnen kameraden om de haverklap te kibbelen en elkaar als Hutu of Tutsi te behandelen. Tijdens de vertoning van Cyrano de Bergerac hoorden we zelfs een leerling zeggen: ‘Kijk, het is een Tutsi, met die neus.’ Er was iets in de lucht komen te hangen. Je kon het ruiken, maakte niet uit wat voor neus je had.”

 

Gaël Faye (Bujumbura, 6 augustus 1982)

Anne Mieke Backer

De Nederlandse schrijfster en landschapsarchitecte Anne Mieke Backer werd op 1 augustus 1950 op Surabaja (Indonesië) geboren. Van 1968 tot 1969 volgde zij haar opleiding aan de Academie Maximilien de Meuron in Neuchâtel in Zwitserland. Van 1969 tot 1974 studeerde Backer aan de Academie voor Beeldende Kunsten (AKI) in Enschede. Al tijdens haar studie was Anne Mieke Backer geïnteresseerd in de culturele vormgeving van de omgeving. Kort na haar afstuderen zocht de kunstenares naar mogelijkheden om haar levende huizen te realiseren. Aanleiding voor “Levende Huizen” was het verhaal van een jong stel dat een nieuw huis betrok, waarbij vervolgens aan een kozijn een scheut ontsproot. In Almere verwezenlijkte zij één van haar eerste projecten. Verder heeft Anne Mieke Backer in Bernisse, Zwartewaal, Elahuizen en Ridderkerk Levende Huizen gerealiseerd. In 2025 verscheen haar debuutroman “Ik was dat meisje”.

Uit: Ik was dat meisje

“Autun, november 1961. Hij, de Amerikaan, stapte mijn leven binnen als iemand die een onbekende kamer in komt en in het halfduister naar de lichtschakelaar tast. Hij vond die snel en zodra hij hem had overgehaald stond ik in een aangenaam schijnsel, alsof ik zelf licht gaf. Ik besloot op alles wat hij mij zou vragen ja te zeggen. Ja, ja en nog eens ja. Geen aarzelend ja, waarmee ik zou veinzen dat ik een moeilijk te versieren meisje was. Geen gretig ja, zodat het zou lijken alsof ik op hem had gewacht. Geen ongeïnteresseerd ja, alsof ik geen verwachtingen koesterde, maar een eerlijk en zelfbewust ja. Er hoefde namelijk alleen maar bevestigd te worden wat al lang geleden was beschikt. Een simpele formaliteit, zoals partners die al jaren samenwonen elkaar het jawoord geven in een zijkamer van het stadhuis, zonder genodigden, op een doordeweekse dag terwijl het zonlicht door de gebrandschilderde ruiten valt. Gewoon: ‘Ja:
Een meisje dat opgroeit in een provinciestad weet dat zij uiteindelijk zal trouwen met een jongen uit de omgeving. Soms heeft ze zelfs met hem op school gezeten. Maar ik keek al op jonge leeftijd dagelijks het speelplein rond en stelde keer op keer vast dat er niet één bij was die daarvoor in aanmerking kwam. Autun is een stadje met amper vijftienduizend inwoners in Midden-Frankrijk aan de rivier de Arroux. Er zijn een bioscoop, een enorme kathedraal waar botresten van de heilige Lazarus worden bewaard, drie kerken, een statig stadhuis met een marktplein, een hotel waar Napoleon nog heeft gelogeerd, een voetbalclub, elf cafés waarvan twee met een biljart, een lyceum, een agrarische school, een militaire academie, een muziektent, een station, een museum, een ijssalon, een atletiekvereniging en een monument voor gevallen soldaten uit de Eerste, Tweede en Algerijnse Oorlogen. We hebben geen overdekt zwembad, maar wel overblijfselen uit de Romeinse tijd, zoals een tempel gewijd aan de god Janus, de man met de twee gezichten. Voor ons was Autun de grote stad, want ons huis stond aan een kanaal in de gemeente Saint-Léger-sur-Dheune, op drie kwartier rijden. Iedere morgen, meer dan tien jaar lang, liepen wij door de ochtendnevel naar het kleine station aan de spoorlijn Nevers-Chagny om daar om acht minuten over zeven de trein naar Autun te nemen, mijn moeder en ik. Dat waren vanaf onze deurdrempel ongeveer duizend stappen, wat ik als kind veel vond, maar toen ik ze eenmaal kon tellen gaf dat rust in mijn hoofd. In de trein gingen we met onze tassen op schoot tegenover elkaar zitten en tijdens het rijden observeerde ik via de reflectie in de ruiten de andere reizigers. Dat deed ik liever dan de mensen recht aankijken.”

 

Anne Mieke Backer (Surabaja, 1 augustus 1950)

Teddy Tops, Nisrine Mbarki Ben Ayad, Alara Adilow

De Nederlandse schrijver, programmamaker en cultuurjournalist Teddy Tops werd geboren op 20 juli 1989 in Den Bosch. Tops host en programmeert Mensen Zeggen Dingen in EKKO (Utrecht) en Paradiso (Amsterdam). Ze is opgeleid aan de academie voor journalistiek in Tilburg, waarna ze bureauredacteur was van de redactie Cultuur en Leven van de Volkskrant. Ze was betrokken bij Festival Boulevard en bij Het Zuidelijk Toneel. Haar artikelen, columns en korte verhalen zijn gepubliceerd in De Standaard, de Volkskrant en VPRO Tegenlicht. In september 2025 verscheen haar debuutroman “Egelskop”.

Uit: Egelskop

“Kinderen zijn getuigen van ouders die zeggen: kijk naar me, let goed op, ik doe het maar één keer voor. Ouders die denken: zolang een ziel zo puur als die van een kind kijkt naar hoe ik mijn leven leid en dat voor waar aanneemt, kan het niet verkeerd zijn wat ik doe. Ouders zoeken in kinderen hun medestanders, bevestiging van hun goede bedoelingen en verdiensten als opvoeder. Vrouwen die geen kinderen kregen hebben deze getuigen niet gehad, ze zijn niet bewaard gebleven in het brein van onschuldige hoofdjes, in hun archieven opgeslagen. Wat deze vrouwen deden bleef binnenshuis, kwam niet in musea of boekenkasten terecht, maar bleef achter in de keuken of slaapkamer achter stof of steen. De meeste vrouwelijke kunstenaars, de zorgverleners, de bouwers, de vrouwen die niet konden schrijven, die geen klein verzet pleegden zoals goudsbloemen in de berm planten — oranje in het straatbeeld was verboden — de vrouwen die het huishouden van anderen deden, die pasten op de kinderen van anderen, die de kinderen niet konden krijgen, de vrouwen die ze niet wilden hebben, de vrouwen die van vrouwen hielden: ze blijven anoniem achter, met hun liedjes, hun liefjes, hun eigenaardigheden en hun meisjesnamen. Met hun twee slaapkamers, de eerste om in te slapen en de tweede om te zorgen dat niemand vragen stelde bij twee vrouwen die in één huis wonen. Er hingen schilderijen aan de muur en het bed was onbeslapen, de onbewoonde kamer was er om hun recepten, ambities, herinneringen in te bewaren. Ze worden niet omschreven in geschiedenisboeken, zijn geen onderzoeksgroep in een wetenschappelijk tijdschrift, gaven geen dagboeken, oorlogstrauma’s of fotoalbums door aan nakomelingen. Of ze kozen voor het kunstenaarschap, het kunstmonsterschap, het verzet, de rebellie, tegen kind en tegen hoeksteen, en kregen een plek aan de muur van een museum. Maar meestal maakten we er ook dan heksen of heiligen van, gum de vrouwen die niet baren, kunst of kind, hun hele le lang alles wat na hen had kunnen komen uit, alsof z< geschiedenis achterstevoren schrijven. De navelstret intrekken en dichtknopen op hun buik. Mijn oma’s stierven ongelukkig, omdat ze moest leven naar wat van hen verwacht werd. Wanneer ze : mijn opa’s maar elkaar hadden ontmoet, zouden mij: ouders niet geboren zijn, zou ik niet geboren zijn, h2 zij misschien een vol leven kunnen leiden.”

 

Teddy Tops (Den Bosch, 20 juli 1989)

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Nederlandse schrijfster, dichteres, programmamaakster en vertaalster Nisrine Mbarki Ben Ayad werd geboren in 1977 in Tilburg. Haar poëziebundel ‘Oeverloos’ werd genomineerd voor de C.Buddingh’-prijs en de Grote Poëzieprijs in 2021. Mbarki Ben Ayad is programmamaker voor het literatuurfestival ‘Winternachten’. In oktober 2025 verscheen haar nieuwe roman ‘Kookpunt’,

 

oorlog

de oorlog slaapt al jaren naast me in bed houdt me vast in zijn slaap 
ik ben minstens vijftienhonderd nachten gestorven 
hij zet ’s ochtends vroeg sterke koffie met veel suiker 
draagt manchetknopen en paradeert graag op hoge hakken 

ik deel onbevangen mijn zout wijn en dromen met hem 
hij zwaait met zijn sigarettenhouder en turquoise vingers 
drinkt uit gouden glazen eet delicaat met zilveren lepels 
leunt in de deurpost en loert uit zijn glanzende khol ogen 

in het hart van de nacht beraamt en tekent hij zijn offensief 
ik zie zijn ambitieuze plannen en snijd onmiddellijk m’n tong af 
zachte stemmen mesten het wapenarsenaal in zijn lichaam 
hij spint taal tot stalen strengen in zijn verfijnde handen 

rondom mijn keel plant ik geurende jasmijn als omheining 
ik borduur met zilverdraad een harnas aan mijn zachte armen 
op de bruine flanken van mijn rug galopperen wilde paarden 
in de schaduw van mijn borsten bouw ik een noodhospitaal 

ik heb het oorlogsrecht nageleefd en dwaas gewacht op de strijd 
hij wekt me in alle vroegte en leidt me de trap af naar de keuken 
staat stil achter me en steekt een fors vleesmes tussen mijn ribben 
’t gif en de immense zege verspreiden zich in mijn romp 

hij fluistert karmozijnzacht in mijn haar 
‘kijk de eerste sneeuw’ 
het tellen van de slachtoffers en het graven mag beginnen

 

Nisrine Mbarki Ben Ayad (Tilburg, 1977)

 

De Somalisch- Nederlandse prozaïste en dichteres Alara Adilow werd geboren in 1988. Ze studeert deeltijd Rechtsgeleerdheid aan de Open Universiteit en volgt de schrijfopleiding aan de Schrijversvakschool Amsterdam met studierichting proza. In 2019 haalde ze de finale van het NK Poetry Slam. Ze publiceerde onder andere in De Gids, Het liegend konijnDe Revisor en Tirade. In april 2022 is haar debuutbundel “Mythen en Stoplichten” verschenen. Momenteel werkt ze aan haar debuutroman, “Kijk es naar al dit licht”, die in februari 2025 zal verschijnen bij De Bezige Bij. Voor haar debuutbundel Mythen en stoplichten ontving ze de C. Buddingh’-prijs en de Herman de Coninckprijs 2023. Ze is door de De Volkskrant uitgeroepen tot literatuur talent van 2024.

 

De kamer deint in mij

Ik lig tegen de borst van een oude visser
en streel zijn ballen zoals golven kliffen.

Het is heet en we zweten allebei.
De jasmijnstruik die langs het raam groeit staat in bloei.
Nabij hoor je de zee en

ik wil hem bezitten. Ik wil hem bezitten
ook de reizen in zijn ogen.

De wind steekt zijn lange arm door het raam
rust zijn geparalyseerde hand tussen onze lichamen.

We lijken gebonden aan elkaar
maar het hart in de kamer is niet meer dan een idee.

Doradeschubben plakken aan zijn schouders.
Zijn vingers nog vuil van de vangst die hij vanmiddag heeft schoongemaakt.

Hij houdt mijn billen vast zoals een stroming een boei.
Mijn huid liegt tegen de jaren die hem veranderd hebben.

Ik druk mijn lippen op zijn grijze wenkbrauwen,
verander mezelf in een hangklok, een anemoon, koraal, een ree.
Daarna een panter, een zeester.

De versleten deur in de hoek dreigt een metafoor te worden.
De zon kijkt weemoedig op ons neer.

 

Alara Adilow (1988)

Tom McCarthy

De Engelse schrijver en kunstenaar Tom McCarthy werd geboren op 22 mei 1969 in Londen. Zijn vader, Sir Callum McCarthy, werkte in de financiële sector. Hij was ambtenaar, eerst bij het Ministerie van Handel en Industrie, en vervolgens (in zijn laatste decennium) als financieel toezichthouder. Tom McCarthy groeide op in Greenwich en volgde onderwijs aan Dulwich College van 1978 tot 1986 en later aan New College, Oxford, waar hij Engelse literatuur studeerde. Hij woonde in Praag, waar hij werkte als naaktmodel en in een Amerikaanse bar; in Berlijn, waar hij in een Ierse pub werkte; en in Amsterdam, waar hij in de vroege jaren 90 in een restaurantkeuken werkte en boeken recenseerde voor de lokale editie van Time Out magazine, voordat hij terugkeerde naar Londen. McCarthy’s tijd in Praag vormt de basis voor zijn roman Men in Space. McCarthy heeft ook gewerkt als scriptredacteur voor televisie en was mederedacteur van Mute magazine. Sinds 2022 bekleedde McCarthy de functie van Miller Scholar aan het Santa Fe Institute, samen met Ted Chiang en Andrea Wulf. Na de Brexit verkreeg hij de Zweedse nationaliteit. Zijn debuutroman, “Remainder”, werd gepubliceerd in 2005. McCarthy is tweemaal genomineerd voor de Man Booker Prize en ontving in 2013 de eerste Windham-Campbell Literature Prize van Yale University. Hij won in 2008 een Believer Book Award voor “Remainder”. Hij schreef ook een kritische studie over Kuifje, getiteld “Tintin and the Secret of Literature”, en publiceerde in 2017 een essaybundel, “Typewriters, Bombs, and Jellyfish”. Zijn roman, “The Making of Incarnation”, werd gepubliceerd in 2021. In 2025 verscheen “The Threshold and the Ledger”.

Uit: Remainder

“About the accident itself I can say very little. Almost nothing. It involved something falling from the sky. Technology. Parts, bits. That’s it, really: all I can divulge. Not much, I know.
It’s not that I’m being shy. It’s just that—well, for one, I don’t even remember the event. It’s a blank: a white slate, a black hole. I have vague images, half-impressions: of being, or having been—or, more precisely, being about to be—hit; blue light; railings; lights of other colours; being held above some kind of tray or bed. But who’s to say that these are genuine memories? Who’s to say my traumatized mind didn’t just make them up, or pull them out from somewhere else, some other slot, and stick them there to plug the gap—the crater—that the accident had blown? Minds are versatile and wily things. Real chancers.
And then there’s the Requirement. The Clause. The terms of the Settlement drawn up between my lawyer and the parties, institutions, organizations—let’s call them the bodies—responsible for what happened to me prohibit me from discussing, in any public or recordable format (I know this bit by heart), the nature and/or details of the incident, on pain of forfeiting all financial reparations made to me, plus any surplus these might have accrued (a good word that, “accrued”) while in my custody—and forfeiting quite possibly, my lawyer told me in a solemn voice, a whole lot more besides. Closing the loop, so to speak.
The Settlement. That word: Settlement. Set-l-ment. As I lay abject, supine, tractioned and trussed up, all sorts of tubes and wires pumping one thing into my body and sucking another out, electronic metronomes and bellows making this speed up and that slow down, their beeping and rasping playing me, running through my useless flesh and organs like sea water through a sponge—during the months I spent in hospital, this word planted itself in me and grew. Settlement. It wormed its way into my coma: Greg must have talked about it to me when he came round to gawk at what the accident had left.
As the no-space of complete oblivion stretched and contracted itself into gritty shapes and scenes in my unconscious head—sports stadiums mainly, running tracks and cricket pitches—over which a commentator’s voice was playing, inviting me to commentate along with him, the word entered the commentary: we’d discuss the Settlement, though neither of us knew what it entailed.

 

Tom McCarthy (Londen, 22 mei 1969)

Piet Thomas

De Belgische rooms-katholieke priester, dichter, schrijver en hoogleraar Piet Thomas werd geboren in Aalst op 20 april 1929. Hij volgde lager onderwijs en deed zijn Latijns-Griekse humaniora aan het Sint-Jozefscollege in Aalst. Na wijsbegeerte aan het filosoficum van het Klein Seminarie in Sint-Niklaas en theologie aan het Groot Seminarie in Gent werd hij in 1953 tot priester gewijd. Hij vervolgde zijn studies aan de Katholieke Universiteit Leuven en promoveerde in 1957 tot licentiaat Germaanse filologie. Van 1957 tot 1961 was hij leraar Engels, Duits, Nederlands en kunstgeschiedenis aan het Sint-Vincentiuscollege in Eeklo. In 1960-1961 was hij ook docent psychologie aan de school voor verpleegsters van het Instituut voor Verpleegkunde bij de Heilig Hartkliniek in Eeklo. In 1961-1962 verbleef hij in Wenen en München. Hij was bursaal voor navorsingen en studies aan de universiteit van Wenen, aan de Wiener Arbeitskreis für Tiefenpsychologie en aan het postuniversitair centrum Wiener Psychoanalytische Gesellschaft. Van 1962 tot 1964 was hij literair adviseur van de Interdiocesane Commissie voor Liturgische Zielzorg bij de Belgisch-Nederlandse werkgroep belast met de eindredactie van het altaarmissaal. In 1966 werd hij assistent aan de K.U.Leuven Afdeling Kortrijk (KULAK) en leraar godsdienst aan het Sint-Maartensinstituut in Aalst. In 1969 promoveerde hij tot doctor in de Germaanse filologie met het proefschrift De literatuurpsychologische opvattingen en interpretaties van Sigmund Freud en zijn eerste leerlingen. Daarop werd hij docent, vanaf 1973 hoogleraar en in 1975 gewoon hoogleraar aan de K.U.Leuven en de K.U.Leuven Afdeling Kortrijk. Hij doceerde er: geschiedenis van de moderne Nederlandse letterkunde, moderne Nederlandse teksten, inleiding tot de wereldletterkunde, literaire analyse en kritiek en inleiding tot de freudiaanse literatuurpsychologie. In de jaren 70 richtte hij het knipselarchief op voor hedendaagse Nederlandse letterkunde, alsook de literaire mediatheek van de Campus Kortrijk, waarvan hij Van 1972 tot 1994 het diensthoofd was. In 1980 werd onder zijn impuls het ‘Cobra en ’50’-archief’ opgericht, dat ondergebracht werd in de campusbibliotheek. Piet Thomas was ook de oprichter of medeoprichter van: Vertaalcentrum Oostenrijkse poëzie van de twintigste eeuw, het Stijn Streuvels Genootschap (1994) en het Gery Helderenberg Genootschap (2001).

 

Met Johannes op Patmos

Schrijvend dromen op een eiland 
van een nieuw Jeruzalem, 
dromen van een heuvelrug 
en daarop die stad van Hem.

Schrijvend ook de zee vergeten 
die zo vol gevaren is, 
blij dat men niet langer vreest 
voor de macht der duisternis.

Dromend schrijven op een eiland
waar het nooit meer donker is, 
waar de nacht niet meer bestaat 
met zijn angst en ergernis.

Poorten zien met goud beslagen 
en een stad als bruid versierd 
waar men tot Gods welbehagen 
Christus als Messias viert.

Als we met Johannes dromen
van dit nieuw utopia, 
is dan niet het uur gekomen 
dat we zeggen: amen, ja?

 

Tussen Genesis

Tussen Genesis 
en Apocalyps 
vloeien de wateren 
van de Styx.

Tussen Jezus’ dood 
en verrijzenis 
bloeit de doornloze roos 
vergiffenis.

 

Ik weet dat mijn Verlosser leeft

Hoezeer ik ook door angst en pijn
verwond en overweldigd ben,
ik die verward in schone schijn
te laat de gaven Gods erken,
ik weet dat mijn Verlosser leeft.
 
Hoezeer ik telkens weer ervaar
dat al wat ademt moet vergaan
en dat wat eerlijk is en waar
moet onderdoen voor list en waan.
Ik weet dat mijn Verlosser leeft.
 
Zoals het duister voor het licht
verdween de dag dat Hij verrees,
zo breekt ook eens het vergezicht
doorheen de mist van haat en vrees.
Ik weet dat mijn Verlosser leeft.
 
De wereld is nog steeds verdeeld,
verziekt door oorlog en verraad,
maar eens rijst uit dit ziektebeeld
een vrede die nooit meer vergaat.
Ik weet dat mijn Verlosser leeft. 

 

Piet Thomas (Aalst op 20 april 1929)

Cressida Cowell

De Britse schrijfster Cressida Cowell werd geboren op 15 april 1966 in Londen. Ze is vooral bekend van de boekenreeks “How to Train Your Dragon”, die later een mediafranchise werd en door DreamWorks Animation werd bewerkt. In 2015 waren er wereldwijd meer dan zeven miljoen exemplaren van de serie verkocht. Naast haar andere publicaties werkt Cowell samen met illustrator Neal Layton aan de lopende reeks verhalen van Emily Brown. Het eerste deel in de serie, “That Rabbit Belongs to Emily Brown”, won een Nestlé Children’s Book Award. Cressida Cowell is de dochter van Michael Hare, 2nd Viscount Blakenham. Haar oom, getrouwd met Stephen Breyer, is voormalig rechter bij het Hooggerechtshof van de Verenigde Staten. Als kind, zegt Cowell, groeide ze op in Londen en op een klein, onbewoond eiland voor de westkust van Schotland. Tijdens de zomers die ze doorbracht op de Binnen-Hebriden, begon ze haar schrijf- en tekenvaardigheden te ontwikkelen: “Als kind bracht ik veel tijd door op een piepklein, onbewoond eiland voor de westkust van Schotland… Tegen de tijd dat ik acht was, had mijn familie een klein stenen huis op het eiland gebouwd, en met de boot konden we bijna genoeg voedsel vangen om het gezin de hele zomer te voeden.” “Vanaf dat moment brachten we elk jaar vier weken van de zomer en twee weken van de lente op het eiland door. Het huis was verlicht met kaarslicht en er was geen telefoon of televisie, dus ik bracht veel tijd door met tekenen en verhalen schrijven.” Cowell studeerde Engels aan Keble College in Oxford, en ook aan de Saint Martin’s School of Art en Brighton University, waar ze illustratie studeerde. Ze studeerde eveneens aan Marlborough College (1982-1984).

Uit: How to Train Your Dragon

“Long ago, on the wild and windy isle of Berk, a smallish Viking with a longish name stood up to his ankles in snow.
Hiccup Horrendous Haddock the Third, the Hope and Heir to the Tribe of the Hairy Hooligans, had been feeling slightly sick ever since he woke up that morning.
Ten boys, including Hiccup, were hoping to become full members of the Tribe by passing the Dragon Initiation Program. They were standing on a bleak little beach at the
bleakest spot on the whole bleak island. A heavy snow was falling.
“PAY ATTENTION!” screamed Gobber the Belch, the soldier in charge of teaching Initiation. “This will be your first military operation, and Hiccup will be commanding the team.”
“Oh, not Hic-cup,” groaned Dogsbreath the Duhbrain and most of the other boys. “You can’t put’: Hiccup in charge, sir, he’s USELESS.”
Hiccup Horrendous Haddock the Third, the Hope and Heir to the Tribe of the Hairy Hooligans, wiped his nose miserably on his sleeve. He sank a little deeper into the snow.
“ANYBODY would be better than Hiccup,” sneered Snotface Snotlout. “Even Fishlegs would be better than Hiccup.”
Fishlegs had a squint that made him as blind as a jellyfish, and an allergy to reptiles.
“SILENCE!” roared Gobber the Belch. “The next boy to speak has limpets for lunch for the next THREE WEEKS!”
There was absolute silence immediately. Limpets are a bit like worms and a bit like snot and a lot less tasty than either.
“Hiccup will be in charge and that is an order!” screamed Gobber, who didn’t do noises quieter than screaming. He was a seven-foot giant with a mad glint in his one working eye and a beard like exploding fireworks. Despite the freezing cold he was wearing hairy shorts and a teeny weeny deerskin vest that showed off his lobster-red skin and bulging muscles. He was holding a flaming torch in one gigantic fist.”

 

Cressida Cowell ( Londen, 15 april 1966)

Wiesław Myśliwski

De Poolse schrijver Wiesław Myśliwski werd geboren op 25 maart 1932 in Dwikozy nabij Sandomierz. Myśliwski kwam uit een Pools gezin uit de middenklasse. Zijn vader was officier en diende in de Polen-Sovjetoorlog van 1920. Na het einde van de Tweede Wereldoorlog studeerde Myśliwski van 1951 tot 1956 Poolse filologie aan de Katholieke Universiteit van Lublin. Van 1955 tot 1976 werkte hij als adjunct-hoofdredacteur, uitgever en hoofdredacteur bij uitgeverij Ludowa Spółdzielnia Wydawnicza. Van 1975 tot 1999 was hij hoofdredacteur van het kwartaalblad Regiony en van 1993 tot 1999 stond hij aan het hoofd van het tijdschrift Sycyna. Van 1971 tot 1983 was Myśliwski lid van de Poolse Schrijversbond. Hij woont momenteel in Warschau. Zijn eerste roman, “Nagi sad” (De Naakte Tuin), werd in 1967 in Polen gepubliceerd en won de Stanisław Piętakprijs. Sindsdien heeft hij verschillende romans en toneelstukken gepubliceerd, die doorgaans worden aangeduid als ‘boerenliteratuur’. Ze behandelen de identiteitsproblemen van dorpen en hun inwoners in tijden van historische verandering.” Myśliwski’s werken zijn vertaald in het Engels, Duits, Nederlands, Russisch, Hongaars, Tsjechisch, Slowaaks, Roemeens, Bulgaars, Lets, Litouws, Ests, Oekraïens en Georgisch. Hij ontving de Nike Literatuurprijs, de meest prestigieuze literaire prijs van Polen, voor “Widnokrąg” (De heldere horizon, 1997) en “Traktat o łuskaniu fasoli” (Verhandeling over de geschiedenis van het dorp, 2006). Verschillende romans en toneelstukken van Myśliwski zijn verfilmd, waaronder “Klucznik” (Rentmeester) in 1980, geregisseerd door Wojciech Marczewski; “Pałac’ (Het paleis) in 1980, geregisseerd door Tadeusz Junak; en “Kamień na kamieniu” (Steen op steen) in 1995, geregisseerd door Ryszard Ber. Myśliwski schreef zelf ook verschillende scenario’s voor televisiefilms.

Uit: Het paleis (Vertaald door Karol Lesman)

“Het had al lang oorlog moeten zijn. Jaar in, jaar uit, maand aan maand, dag na dag werd hij verwacht. Met Nieuwjaar, met Pasen, met Pinksteren, met Kerstmis, op de naamdagen van Maria, van Johannes, van Petrus en op alle, alle andere dagen. Hij werd besproken, voorspeld, afgesmeekt. Sinds enige tijd was hij zelfs tc horen. Je hoefde je oor maar tegen dc grond te leggen of als het helder weer was je oren te spitsen richting het oosten of jc hoorde het verre gerommel, het denderen, soms zelfs afzonderlijke explosies dichterbij komen. Zo nu en dan kon ik hem, op een sterreloze nacht, als je op een heuvel ging staan, zelfs zien. Ergens ver, ver weg, aan dc rand van de nacht als het ware, verschenen allerlei nogal vreemde lichtflitsen en een rode gloed die op een gewoon onweer leken, maar er werd gezegd dat dat nu juist de oorlog was. En gezegd werd dat hij helemaal niet ver meer was en dat het slechts een kwestie van dagen was voordat hij ons bereikte. En als je nog wat langer naar hem uitkeek kwam hij zo dichtbij dat het leek alsof hij hier vandaag al zou zijn, midden in dc nacht, tegen dc ochtend, op zijn laatst morgen, maar hij werd ook gevreesd. Sommigen gingen hem al over lange wegen tegemoet, om te horen, om te zien van welke kant hij zeker zou komen. En anderen zeiden dat het nog geen oorlog was, dat dit nog maar een voorgevoel was. Toch werden er al kuilen, holen, schuilkelders gegraven, in drasland, op hellingen, aan de voet van een berg, hele inboedels werden naar buiten gedragen, in de grond gestopt, en sommigen brachten de nachten al buitenshuis door, voerden het vee naar de boomgaarden, naar de rivier, naar de velden, naar het bos. Ook in het paleis werden vanaf de eerste geruchten over een naderende oorlog voorbereidingen getroffen voor een mogelijk vertrek. Niemand wist echter waarheen, want alles gebeurde in het grootste geheim. Zelfs de lakeien konden niet veel vertellen, behalve dan dat de edele juffertjes al waren weggevoerd, dat de edele mevrouw in tranen rondliep en onder de kamermeisjes haar jurken verdeelde, en de edele heer enkel voor het raam stond en nadacht. Dat er koffers en valiezen werden gepakt, die ’s nachts ergens naartoe werden gebracht.”

 

 

Wiesław Myśliwski (Dwikozy, 25 maart 1932)

Wiesław Myśliwsk

De Poolse schrijver Wiesław Myśliwski werd geboren op 25 maart 1932 in Dwikozy nabij Sandomierz. Myśliwski kwam uit een Pools gezin uit de middenklasse. Zijn vader was officier en diende in de Polen-Sovjetoorlog van 1920. Na het einde van de Tweede Wereldoorlog studeerde Myśliwski van 1951 tot 1956 Poolse filologie aan de Katholieke Universiteit van Lublin. Van 1955 tot 1976 werkte hij als adjunct-hoofdredacteur, uitgever en hoofdredacteur bij uitgeverij Ludowa Spółdzielnia Wydawnicza. Van 1975 tot 1999 was hij hoofdredacteur van het kwartaalblad Regiony en van 1993 tot 1999 stond hij aan het hoofd van het tijdschrift Sycyna. Van 1971 tot 1983 was Myśliwski lid van de Poolse Schrijversbond. Hij woont momenteel in Warschau. Zijn eerste roman, “Nagi sad” (De Naakte Tuin), werd in 1967 in Polen gepubliceerd en won de Stanisław Piętakprijs. Sindsdien heeft hij verschillende romans en toneelstukken gepubliceerd, die doorgaans worden aangeduid als ‘boerenliteratuur’. Ze behandelen de identiteitsproblemen van dorpen en hun inwoners in tijden van historische verandering.” Myśliwski’s werken zijn vertaald in het Engels, Duits, Nederlands, Russisch, Hongaars, Tsjechisch, Slowaaks, Roemeens, Bulgaars, Lets, Litouws, Ests, Oekraïens en Georgisch. Hij ontving de Nike Literatuurprijs, de meest prestigieuze literaire prijs van Polen, voor “Widnokrąg” (De heldere horizon, 1997) en “Traktat o łuskaniu fasoli” (Verhandeling over de geschiedenis van het dorp, 2006). Verschillende romans en toneelstukken van Myśliwski zijn verfilmd, waaronder “Klucznik” (Rentmeester) in 1980, geregisseerd door Wojciech Marczewski; “Pałac’ (Het paleis) in 1980, geregisseerd door Tadeusz Junak; en “Kamień na kamieniu” (Steen op steen) in 1995, geregisseerd door Ryszard Ber. Myśliwski schreef zelf ook verschillende scenario’s voor televisiefilms.

Uit: Het paleis (Vertaald door Karol Lesman)

“Het had al lang oorlog moeten zijn. Jaar in, jaar uit, maand aan maand, dag na dag werd hij verwacht. Met Nieuwjaar, met Pasen, met Pinksteren, met Kerstmis, op de naamdagen van Maria, van Johannes, van Petrus en op alle, alle andere dagen. Hij werd besproken, voorspeld, afgesmeekt. Sinds enige tijd was hij zelfs tc horen. Je hoefde je oor maar tegen dc grond te leggen of als het helder weer was je oren te spitsen richting het oosten of jc hoorde het verre gerommel, het denderen, soms zelfs afzonderlijke explosies dichterbij komen. Zo nu en dan kon ik hem, op een sterreloze nacht, als je op een heuvel ging staan, zelfs zien. Ergens ver, ver weg, aan dc rand van de nacht als het ware, verschenen allerlei nogal vreemde lichtflitsen en een rode gloed die op een gewoon onweer leken, maar er werd gezegd dat dat nu juist de oorlog was. En gezegd werd dat hij helemaal niet ver meer was en dat het slechts een kwestie van dagen was voordat hij ons bereikte. En als je nog wat langer naar hem uitkeek kwam hij zo dichtbij dat het leek alsof hij hier vandaag al zou zijn, midden in dc nacht, tegen dc ochtend, op zijn laatst morgen, maar hij werd ook gevreesd. Sommigen gingen hem al over lange wegen tegemoet, om te horen, om te zien van welke kant hij zeker zou komen. En anderen zeiden dat het nog geen oorlog was, dat dit nog maar een voorgevoel was. Toch werden er al kuilen, holen, schuilkelders gegraven, in drasland, op hellingen, aan de voet van een berg, hele inboedels werden naar buiten gedragen, in de grond gestopt, en sommigen brachten de nachten al buitenshuis door, voerden het vee naar de boomgaarden, naar de rivier, naar de velden, naar het bos. Ook in het paleis werden vanaf de eerste geruchten over een naderende oorlog voorbereidingen getroffen voor een mogelijk vertrek. Niemand wist echter waarheen, want alles gebeurde in het grootste geheim. Zelfs de lakeien konden niet veel vertellen, behalve dan dat de edele juffertjes al waren weggevoerd, dat de edele mevrouw in tranen rondliep en onder de kamermeisjes haar jurken verdeelde, en de edele heer enkel voor het raam stond en nadacht. Dat er koffers en valiezen werden gepakt, die ’s nachts ergens naartoe werden gebracht.”

 

Wiesław Myśliwski (Dwikozy, 25 maart 1932)