August (Lizette Woodworth Reese), Luuk Gruwez, Philip Larkin

 

 

Reflections of August door Emil Atanasov, 2022

 

August

No wind, no bird. The river flames like brass.
On either side, smitten as with a spell
Of silence, brood the fields. In the deep grass,
Edging the dusty roads, lie as they fell
Handfuls of shriveled leaves from tree and bush.
But ’long the orchard fence and at the gate,
Thrusting their saffron torches through the hush,
Wild lilies blaze, and bees hum soon and late.
Rust-colored the tall straggling briar, not one
Rose left. The spider sets its loom up there
Close to the roots, and spins out in the sun
A silken web from twig to twig. The air
Is full of hot rank scents. Upon the hill
Drifts the noon’s single cloud, white, glaring, still.

 

Lizette Woodworth Reese (9 januari 1856 – 17 december 1935)
Waverly, Baltimore, de geboorteplaats van Lizette Woodworth Reese

 

De Vlaamse dichter, prozaïst en essayist Luuk Gruwez werd geboren op 9 augustus 1953 te Kortrijk. Zie ook alle tags voor Luuk Gruwez op dit blog.

 

Kapper

Hij weet niet wie er woont onder mijn schedel,
maar zorgt met schaar en scheermes en tondeuse
dat het er onherbergzaam wordt en ieder mij
verlaat en op de vlucht slaat naar de verre plek

waar men maar beter zonder mij kan wonen.
Mijn kapper zwijgt zo traag dat hij zich peinzen
hoort en vraag na vraag welt pijnlijk in hem op.
O, alle vragen die hij mij niet stelt.

Maar sta ik uit zijn kapstoel op, voel ik mij
niettemin beroofd en kaal en leeggevraagd.
Daar waait mijn laatste engel uit mij weg: zie hoe
die zich te pletter vliegt tegen het spiegelglas.

 

Solo e pensoso

Ben ik een zanger of een godje uit een shoarmatent,
een mankementige charmeur, een potentaat?
Ik slenter op een vrijdagochtend in april
met opgezette kraag langs de kapellen

van de wellust in de Aarschotstraat. Ik gluurde en loer
als was ik op een jachtrevier waar ik die lepe rotnatuur
incognito betrappen wil op – zonder meer –
haar mooiste wild. En dat het hier niet Brussel is,

ondermaans en vies en met een lucht van pis,
maar een welriekend hemel dal bij Avignon
in dertienhonderd zevenentwintig, heel precies:
dit alles leert mij, domme dichter, mijn lectuur.

Toch wenkt er mij van tijd tot tijd een draadloze pausin
met gsm die achter glas daareven nog te breien zat
en die in Blue Lagoon of in Bar Edelweiss
een kusmond zet (als van een goudvis in een kom)

en naar mij glimlacht met haar hedendaagse kont.
Maar het is Lore niet die naar mij lonkt.
Mijn Lore ging compleet voor mij verloren
vanaf het ogenblik dat ik haar vond.

 

Zuster maan

Mijn zus hield in haar nachtkastje een regenboog
gevangen. Een regenboog en een dood paard.
Tussen tampons en maandverband.
Ik kon, ik wilde haar maar niet geloven.

Zo kwam het dat ik minder van haar hield.
Een regenboog en een dood paard. In haar nachtkastje!
Gevangen! Zij had het sleuteltje aan een halssnoer gehangen,
pal tussen pas begonnen borsten, veelbelovend,

die zij bewaarde en liet groeien voor een latere.
Geen mens heeft ooit zo’n zus gehad als ik,
zo een die wapperde met haar gedachten
of borsten kweekte voor de allerbeste

en kwispelstaartte met haar liefdesverdriet.
Tot zij hoogzwanger in de hitte van augustus
in een madammenjurk van Pierre Cardin
onder de intercity tussen Gent en Kortrijk liep.

 

Luuk Gruwez (Kortrijk, 9 augustus 1953)

 

De Engelse dichter Philip Larkin werd op 9 augustus 1922 geboren in Coventry. Zie ook alle tags voor Philip Larkin op dit blog.

 

Naar de kerk

Zodra ik zeker weet, dat ik alleen ben
stap ik hier binnen, trek de deur achter me dicht.
Alweer zo’n kerk met rijen banken, oude steen,
overal boekjes; bloemen, afgeknipt
voor zondag, nu verkleurd; glimmende dingen,
daar, waar het heilige gebeurt; een orgeltje;
een oude stilte, vol tastbare spanning
die, God weet al hoe lang, hier hangt. Ik heb geen hoed
maar haal beleefd de fietsklem van mijn broek

en loop naar voren, strijk over het doopvont.
Het dak ziet er, van onderaf gezien, goed uit.
gerestaureerd? Geverfd? Ik weet het niet, hoe het komt.
Ik ga de preekstoel op. Ik declameer
een paar loodzware verzen, en besluit
met tot zover. Ik klink toch harder dan ik dacht.
De echo doet me na, en ik loop naar de uitgang,
teken het boek, doneer een klein bedrag,
ik weet niet goed meer waar ik hier voor kwam

en toch kwam ik hier weer. Zoals in feite vaak
en altijd weer zonder idee, uiteindelijk,
niet wetend waar te kijken, met de vraag,
als kerken ooit volledig uit de tijd zijn,
wat wij met die gebouwen doen, houden we dan
sommige kathedralen open voor publiek,
met al dat heiligs mooi tentoongesteld,
en sloopt de regen en het vee de andere –
wil niemand dan nog op die onheilsplaatsen komen?

Of komen in de nacht dan vreemde vrouwen
hun kinderen een steen aan laten raken
om zo van kanker te genezen; zouden ze
een dode rond zien lopen, ’s avonds laat?
Iets van de kracht zal wel blijven bestaan
in spelletjes en schijnbaar onlogische namen;
maar bijgeloof, net als geloof, dat blijft niet duren,
wat blijft, als ook het ongeloof voorbijgegaan is?
Gras, onkruid op de tegels, een paar muurtjes, lucht

en elke week iets minder van de vorm,
een minder duidelijke functie. Wie,
vraag ik me af, is dan de laatste die hier komt,
voor wat dit was. Iemand, misschien, die
wat op het hout klopt, weet dat dit het koor heet?
Een zuiplap, zoekend naar antiek,
een kerstliefhebber, die nog hoopt
op het geluid van orgels en de lucht van wierook?
Of iemand namens mij, meer zoals ik,

die hier verveeld en ondeskundig komt, maar weet
wat het gehalte geest is op dit kruispunt, deze grond,
die hier, gemengd met stadsstof, zuinig is geweest,
die heeft bewaard wat nu alleen nog voorkomt
in afscheid, trouwerijen en geboortes,
in dood en denken aan de dood – omdat daarvoor
dit ding gebouwd is? Ik heb geen idee
wat deze opgetuigde klamme huls nog waard is,
ik sta hier graag in stilte, en alleen.

Een serieus gebouw op serieuze grond,
hier hangt de lucht van al onze obsessies
die hier, als noodlot aangekleed, tot rust komen.
En dat is dan toch iets dat niet verdwijnt,
want steeds is er weer iemand die zichzelf verrast
met de behoefte voortaan serieus te zijn,
zijn aandacht zal op deze grond worden gericht:
hij hoorde, dat dit goede grond voor wijsheid was,
alleen al door de vele doden die hier liggen.

 

Vertaald door Menno van der Beek

 

Philip Larkin (9 augustus 1922 – 2 december 1985)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 9e augustus ook mijn blog van 9 augustus 2020 en eveneens mijn blog van 9 augustus 2019 en ook mijn blog van 9 augustus 2017 en ook mijn blog van 9 augustus 2015 deel 2.

Lizette Woodworth Reese

De Amerikaanse dichteres en lerares Lizette Woodworth Reese werd geboren op 9 januari 1856  in de toenmalige voorstad Waverly, vlakbij Baltimore, Maryland, als dochter van Louisa Gabler en David Reese, die in de Amerikaanse Burgeroorlog in het leger van de Confederatie had gevochten. Ze had een tweelingzus genaamd Sophia. Reese volgde onderwijs aan de openbare scholen van Baltimore en studeerde af aan Eastern High School (Baltimore), waar vandaag de dag een monument voor haar staat. Na haar afstuderen werd ze in 1873 lerares aan de St. John’s Parish School. Het jaar daarop publiceerde Reese haar eerste gedicht, “The Deserted House”, in Southern Magazine. Ze bleef publiceren in diverse tijdschriften tot haar eerste zelf gepubliceerde bloemlezing, “A Branch of May”, in 1887. Vervolgens verschenen in 1891 en 1896 respectievelijk “A Handful of Lavender” en “A Quiet Road”. Eind jaren 1890 en begin jaren 1900 schreef Reese weinig. Haar sonnet “Tears”, gepubliceerd in Scribner’s Magazine in 1899, leverde haar echter lof en erkenning op, met name van haar collega-schrijver H. L. Mencken uit Baltimore, die stelde dat Reese’s werk “one of the imperishable glories of American literature.” was. In 1918 ging Reese met pensioen na haar laatste jaren les te hebben gegeven aan Western High School (Baltimore). De Amerikaanse componisten Mildred Barnes Royse (1952) en Margaret Shelley Vance (1966) zetten Reese’s tekst op muziek in composities die beide de titel “A Christmas Folk Song” droegen. Ook de componisten Gary Bachlund, Fritz Hart, Margaret Ruthven Lang, Marilyn Rinehart en Mildred Souers zetten teksten van Reese op muziek. In 1931 werd Reese door de General Federation of Women’s Clubs benoemd tot Poet Laureate van Maryland. Ze was tevens erevoorzitter van de Poetry Society of Maryland en een van de oprichters van de Woman’s Literary Club of Baltimore in 1890. Reese overleed op 17 december 1935. Ze is begraven in de St. John’s Episcopal Church.

 

A Violin at Dusk

Stumble to silence, all you uneasy things,
That pack the day with bluster and with fret.
For here is music at each window set;
Here is a cup which drips with all the springs
That ever bud a cowslip flower; a roof
To shelter till the argent weathers break;
A candle with enough of light to make
My courage bright against each dark reproof.
A hand’s width of clear gold, unraveled out
The rosy sky, the little moon appears;
As they were splashed upon the paling red,
Vast, blurred, the village poplars lift about.
I think of young, lost things: of lilacs; tears;
I think of an old neighbor, long since dead.

 

A Song

Oh, Love, he went a-straying,
A long time ago!
I missed him in the Maying,
When blossoms were of snow;
So back I came by the old sweet way;
And for I loved him so, wept that he came not with me,
A long time ago!
Wide open stood my chamber door,
And one stepped forth to greet;
Gray Grief, strange Grief, who turned me sore
With words he spake so sweet.
I gave him meat; I gave him drink;
(And listened for Love’s feet.)
How many years? I cannot think;
In truth, I do not know—
Ah, long time ago!
Oh, love, he came not back again,
Although I kept me fair;
And each white May, in field and lane,
I waited for him there!
Yea, he forgot; but Grief stayed on,
And in Love’s empty chair
Doth sit and tell of days long gone—
’Tis more than I can bear!

 

Lizette Woodworth Reese (9 januari 1856 – 17 december 1935)