I I see the boys of summer in their ruin Lay the gold tithings barren, Setting no store by harvest, freeze the soils; Theire in their heat the winter floods Of frozen loves they fetch their girls, And drown the cargoed apples in their tides.
These boys of light are curdlers in their folly, Sour the boiling honey; The jacks of frost they finger in the hives; There in the sun the frigid threads Of doubt and dark they feed their nerves; The signal moon is zero in their voids.
I see the summer children in their mothers Split up the brawned womb’s weathers, Divide the night and day with fairy thumbs; There in the deep with quartered shades Of sun and moon they paint their dams As sunlight paints the shelling of their heads.
I see that from these boys shall men of nothing Stature by seedy shifting, Or lame the air with leaping from its hearts; There from their hearts the dogdayed pulse Of love and light bursts in their throats. O see the pulse of summer in the ice.
Dylan Thomas (27 oktober 1914 – 9 november 1953) Swansea, de geboorteplaats van Dylan Thomas
is it the cut glass of their eyes looking up toward the new gnarled branch of the black man hanging from a tree?
is it the white milk pleated collar of the woman smiling toward the camera, her fingers loose around a christian cross drooping against her breast?
is it all of us captured by history into an accurate album? will we be required to view it together under a gathering sky?
Notes to Clark Kent
if i should
enter the house and speak with my own voice, at last, about its awful furnitutre, pulling apart the covering over the dusty bodies; the randy father, the husband holding ice in his hand like a blessing, the mother bleeding into herself and the small imploding girl, i say if i should walk into that web, who will come flying after me, leaping tall buildings? you?
Further note to Clark
do you now how hard it is for me? do you know what you’re asking?
what i can promise to be is water, water plain and direct as Niagara. unsparing of myself, unsparing of the cliff i batter, but also unsparing of you, tourist. the question for me is how long can i cling to this edge? the question for you is what have you ever traveled toward more than your own safety?
mijn droom over de wederkomst
mary is een oude vrouw zonder schoenen. ze gelooft het niet. niet wanneer haar buik begint te borrelen en de afdruk van een vinger achterlaat op een plek die geen man aanraakt. niet wanneer de sneeuw in haar haar wegsmelt. niet wanneer de vreemdeling op wie ze altijd wachtte verschijnt, gekleed in lichtjes, aan haar keukentafel. ze is een oude vrouw en gelooft het niet.
wanneer er op een nacht iets op haar tenen valt, noemt ze het een vos, maar ze geeft het te eten.
De Nederlandse dichter, schrijver en theatermaker Jaap Robben werd geboren in Oosterhout op 22 juni 1984. Zie ook alle tags voor Jaap Robben op dit blog.
Jij was zoiets als kwijt
Niemand graaft om zand te vinden. We zochten jou omdat we je vergaten.
Alsof we op achtergelaten jassen klopten op zoek naar wat nog niemand was verloren.
En jij, stil en donker in de grond jij was zoiets als kwijt.
Al wist je misschien dat wij er waren door wat je boven je hoorde zoals iemand op zolder soms een doos verschuift.
Andermans ogen
Thuis hoor ik niet meer dat de kachel tikt en de kraan drupt.
Van mezelf zie ik enkel wat ik gewend ben te herkennen, wanneer ik in spiegels en winkelruiten kijk of naar foto’s en donkere tv’s.
Mij valt niets nieuws op, ik kijk naar wat ik al jaren zie omdat ik enkel mijn eigen ogen heb.
Maar samengevat in zesentwintig strepen merk ik pas hoe nieuw ik word, door andermans ogen en weet ik weer waar in het huis van mijn gelaat een traptree kraakt.
Wie plukt het laatste fruit?
Wie weet nog waar de paden waren? Dat onhandig vrijen het best in een Bongerd gaat waar je de witjes zonder handen van de bomen kon bijten?
Hier hangt de hemel hoger en is de bodem het beste voor bloemen.
Maar in nieuwe straten zijn de mensen groter dan de bomen.
En blijft mist wat langer hangen omdat niet alle wolken willen wennen dat hier voortaan geen veld meer is.
Jaap Robben (Oosterhout, 22 juni 1984)
De Canadese dichteres, essayiste en vertaalster Anne Carson werd geboren op 21 juni 1950 in Toronto. Zie ook alle tags voor Anne Carson op dit blog.
O Kleine Droevige Extase van de Liefde
Ik vind het fijn om de hele nacht met gesloten ogen bij je te zijn. Wat een geluk – daar kom je al aan langs de sterren!
Ik maakte een roadtrip door mijn gedachten en mijn hart en daar was je knielend langs de weg met je kleine gereedschapskistje iets aan het repareren.
Geef me een wereld, je hebt me de wereld afgenomen die ik was.
Summer Solstice – Crinan Canal door Fraser Maciver, 2019
Sonnenwende
Es fiel ein Blütenregen herab auf Wald und Feld, ein Netz von Sonnenstrahlen umspinnt die grüne Welt; das flammt und blüht und duftet und höhnt den Glockenschlag, als ging er nie zu Ende, der süße, goldene Tag …
O Tag der Sonnenwende, vollblühende Rosenzeit, du hast mir ins Herz geduftet berauschende Seligkeit! Das pocht und glüht und zittert und bebt im Vollgenuß, als ging er nie zu Ende, der süße, erste Kuß –
O Tag der Sonnenwende –
Clara Müller-Jahnke (5 februari 1860 – 4 november 1905) De Dorfstraße in Lenzen (Nu: Łęczno), de geboorteplaats van Clara Müller-Jahnke
De Canadese dichteres, essayiste en vertaalster Anne Carson werd geboren op 21 juni 1950 in Toronto. Zie ook alle tags voor Anne Carson op dit blog.
Chicago
Gekrijs (wit) en tinten (suède) van vuile kou. Ik liep Montrose af naar de oever van het meer. Voorbij een gesloten Park Bait Shop en een boot genaamd Temperance II, een boot genaamd Mr Bright Eye, modderige velden, een verroeste barbecue uit de middeleeuwen. Een hond springt somber rond op het strand. Het meer is zo lelijk als een motelkamer. Muren sluiten niet op elkaar aan. Vlekken zakken uit. Een engel gaapt in een geile hemel. Tegen de noordenwind worstel ik me terug naar de plek waar ik warm was toen ik wakker werd. Op de theepot een briefje van jou over ademhalen.
“Deel III – Brieven aan de condor We rijden naar Ch’iyara, de baai van het Laramameer. We eten een eenvoudige maaltijd bij vrienden van mijn man. Het zijn grove lieden die in de mijnen werken en naar mijn borsten staren. Madre mia wat een wolven! Ze doen het alleen als mijn man niet kijkt. Ik vind hen niet aardig, wil snel weer weg, een van hen, met een soort fonkeling in zijn ogen, geeft me een hoofdknik maar ik keur hen geen blik waardig. Na de maaltijd rijden we naar het meer. De baby leggen we op een deken naast het water. Haar bewegingen zijn opgewonden, het uitstapje doet haar zienderogen goed, we zingen liedjes voor haar en gooien druppeltjes water in haar gezicht en uiteindelijk valt ze in slaap. Mijn man bouwt een dam van stenen om haar heen zodat ze niet in het water kan rollen. Slaat met een stokje alle insecten weg. Ik kleed me uit om te zwemmen, ik zie mijn man kijken hoe ik alle kleren afleg, ik ben zo bloot als een vis, schud mijn krullende haren los en breek het roerloze oppervlak met mijn duik. Als een mes snijd ik door het koude water, er zijn talloze vissen als zilveren ringen. Onder water is het troebel, ik zie het wier als knoperig touw bewegen en raak de steentjes op de bodem met mijn vingers. Ik schrik van een grotere vis die tegen me opbotst en hapt in mijn middel, gil overeind om te zien dat het mijn man is, we vrijen als leeuwen een beetje hard en onstuimig en bovendien na enkele golven weer klaar. We waden terug naar de baby die nog steeds ligt te slapen. In de struiken zie ik een gestalte, sluike zwarte veren van een ineengedoken man, strakke ogen, het liefst wil ik me ergens verbergen en bedekken maar er is niets van hulsel, de enige andere mogelijkheid is dus mijn tepels te priemen richting de wolken. Soms lieve condor, amigo de alas negras, valt het leven als mens me zwaar, het is schraal van betekenis, het ontbreekt ons aan iets en het doet ons zo’n pijn. We rollen maar door in het veld van niet weten. We drinken niet, al zijn we dorstig maar we drinken niet, we zijn hongerig maar eten niet, werkelijk drinken bedoel ik en werkelijk eten met iets wat onze dorst echt kan lessen, onze honger kan stillen, ons verlangen dat zo brandend is, we zijn bevangen door een grote drang om zo snel mogelijk ergens een rand te bereiken.”
We spraken over kale bomen bij 30 graden, over de heldere kruimels die gram voor gram verdwenen in de subroutine, we gooiden koekjes uit onze mouwen en spraken over armoede alsof het geen deel uitmaakte van ons bezit.
Ook dit gesprek verliep in geluidloze meeteenheden, we lieten elkaar de stigmata van onze honden zien, terwijl Mem vertelde hoe vroeger zogenaamde vliegende insecten op elk autoraam crepeerden. Over de correlatie, over hoe… des te…spraken we niet.
„Es war an der Art des Robert Perwald durchaus etwas Langsames, man hätte auch sagen können, etwas Behutsames. Sein noch jungenhaftes Ge-sicht, das zumeist vor Energie und Klugheit nur so strahlte, floss in manchen Momenten weich auseinander, die Lippen standen offen und seine blaugrauen Augen sahen dann zart und verletzlich aus. Für gewöhnlich war an seinem Gesicht wenig Besonderes, es sei denn sein waches und kluges Geschau und eben der Eindruck von Kraft, von dem es insgesamt zeugte. Seit Jahren lebte Robert jetzt mit seiner japanischen Frau Yoko in Tokyo. Bald nach der Hochzeit waren sie von Wien her übersiedelt. Yoko hatte in Wien studiert. Sie hatte sich aber eingeredet und bald auch den schwer in sie verliebten Robert davon überzeugen können, dass eine Japanerin auf Dauer im Ausland unglücklich werden muss. Dabei war sie durchaus keine Nesthockerin. Gleich nach der Hochzeit hatte sie mit Robert eine Weltreise unternommen. In Japan gelten Welt- reisen als schick. Aber wo ist das, bitte, nicht so? Im Übrigen: Die Ehe lief dann nicht sehr gut. Heimgekehrt von einer seiner Extratouren, die immer ganz unangekündigt und grausam über Yoko hereinbrachen, fand Robert in der Diele ihres gemeinsamen Hauses in Ebisu, einem angesagten Viertel in West-Tokyo, eingeschoben unter die gewöhnlichen Poststücke, einen Schrieb seiner Frau, auf dem sie ihm das gemeinsame Leben aufkündigte. »Mach, was du willst«, schrieb sie da, »mich siehst du nicht wieder.« Was für ein Wisch, dachte Robert. Solche Botschaften von Yoko waren nichts Neues für ihn. Der Groll, der sich anfänglich in ihm regte, zerfiel aber bald zu einem Gefühl der Schwäche, einer fast kindlichen Verzagtheit: Und wenn sie es diesmal ernst meint? — Seinem gedunsenen und leicht geröteten Gesicht war von diesen Regungen freilich kaum etwas anzumerken. Ich bin einfach müde, sagte er sich. Zu müde sogar, um mich zu fürchten. Das machte ihn lächeln, und er rief dann halbherzig und halblaut ein paar Mal Yokos Namen durch das Haus. Wo mag sie nur stecken? Er kochte sich in der Küche Kaffee, und während er so hantierte, ging er Yokos mögliche Fluchtorte und Schlupfwinkel durch, ohne indes zu einem Ergebnis zu kommen.“
Peter Rosei (Wenen, 17 juni 1946)
De Amerikaanse dichter, schrijver en vertaler Ron Padgett werd geboren op 17 juni 1942 in Tulsa, Oklahoma. Zie ook alle tags voor Ron Padgett op dit blog.
Dames en heren in de ruimte
Dit is mijn filosofie: Alles verandert (het woord “alles” is net veranderd, net als het woord “verandering”: het betekent nu geen verandering”) zo snel dat het letterlijk mijn geloof overstijgt, er recht langs raast zoals sommige van de gigantische ideeën op dit gebied. Ik had geen begin en ik zal geen einde hebben: de lichtstraal strekt zich voor en achter uit en ik kook de groenten slechts een paar minuten, hoe korter hoe beter. Doe er boter op en serveer. Dit is mijn filosofie: doe er boter op en serveer.
Uit: Het boek van de Baltimores (Vertaald door Manik Sarkar)
“Ik ben de schrijver. Zo word ik door iedereen genoemd. Door mijn vrienden, mijn ouders, mijn familie en zelfs in het openbaar, door mensen die ik niet ken maar die me herkennen en dan vragen: “Bent u niet die schrijver…?” Ik ben de schrijver, dat is mijn identiteit. Men denkt dat je als schrijver een vredig leventje leidt. Niet zo lang geleden beklaagde een van mijn vrienden zich erover hoe lang hij onderweg was van huis naar kantoor, en hij besloot met: <Tja, jij staat ’s ochtends op, gaat aan je bureau zitten en schrijft. Dat is alles.’ Ik zei niets terug, misschien omdat ik te murw was van het besef hoezeer mijn werk in de collectieve verbeelding bestaat uit nietsdoen. Iedereen denkt dat je niets uitvoert, terwijl je juist als je niets doet het hardste werkt. Het schrijven van een boek is als het organiseren van een zomerkamp. Het leven, dat gewoonlijk eenzaam en stil is, wordt plotseling overrompeld door een groot aantal personages dat op een dag onaangekondigd komt aanzetten en je hele leven overhoophaalt. Op een ochtend komen ze in een grote touringcar aangereden, ze stappen lawaaiig uit, opgewonden over de rol die ze hebben gekregen. En daar moet je het mee doen, je moet ze bezighouden, te eten geven en onderdak bieden. Je bent overal verantwoordelijk voor. Want jij bent de schrijver. Het verhaal begon in februari zon, toen ik New York verliet om mijn nieuwe roman te gaan schrijven in een huis dat ik net had gekocht in Boca Raton, Florida. Ik had het drie maanden eerder aangeschaft van de filmrechten van mijn laatste boek, en afgezien van een paar korte bezoekjes in december en januari om het in te richten, was dit de eerste keer dat ik er zou verblijven. Het was een ruim huis, een en al glas, met uitzicht op een meer dat in trek was bij wandelaars. Het lag in een heel rustige, groene wijk, waar bijna uitsluitend gepensioneerden woonden, tussen wie ik detoneerde. Ik was half zo oud als zij, maar ik had deze plek juist uitgezocht voor de absolute rust. Het was de plek die ik nodig had om te schrijven. Anders dan bij mijn vorige bezoeken, die heel kort waren geweest, had ik ditmaal een zee van tijd, en ik ging met de auto naar Florida. De rit van twaalfhonderd mijl boezemde me geen enkele angst in: in de loop van de voorgaande jaren had ik die tocht vanuit New York onnoemelijk vaak gemaakt om bij Saul Goldman langs te gaan, mijn oom, die zich na het Drama dat zijn familie ten deel was gevallen in een voorstad van Miami had gevestigd. Ik kende de route uit mijn hoofd. Ik liet New York achter onder een dun laagje sneeuw, de thermometer gaf tien graden onder nul aan; twee dagen later bereikte ik Boca Raton in de zachtheid van de tropische winter. Toen ik in deze bekende omgeving van zon en palmbomen kwam, kon ik de gedachte aan oom Saul niet onderdrukken. Ik miste hem verschrikkelijk. “
“Au commencement, il connut la Yakoutie du Nord et Mirny où il travailla trois années. Mirny, une mine de diamants à ouvrir sous la croûte glaciale, grise, sale, toundra désespérante salopée de vieux charbon malade et de camps de déportés, terre déserte baignée de nuit à engelures, cisaillée onze mois l’an d’un blizzard propre à fendre les crânes, sous laquelle sommeillaient encore, members épars et cornes géantes bellement recourbées, rhinoceros en fourrure, bélougas laineux et caribous congelés – cela il se l’imaginait le soir attablé au bar de l’hôtel devant un alcool fort et translucide, la même pute subreptice lui prodiguant mille caresses tout en arguant d’un mariage en Europe contre loyaux services mais jamais ne la toucha, pouvait pas, plutôt rien que baiser cette femme qui n’avait pas envie de lui, il s’en tint à ça. Les diamants de Mirny, donc, il fallut creuser pour aller les chercher, casser le permafrost à coups de dynamite, forer un trou dantesque, large comme la ville elle-même – on y aurait plongé tête en bas les tours d’habitation de cinquante étages qui y naissance d’un pont poussèrent bientôt tout autour –, et, muni d’une torche frontale, descendre au fond de l’orifice, piocher les parois, excaver la terre, ramifier des galeries en une arborescence souterraine latéralisée au plus loin, au plus dur, au plus noir, étayer les couloirs et y poser des rails, électrifier la boue, alors fouir la glèbe, gratter la caillasse et tamiser les boyaux, guetter l’éclat splendide. Trois ans. Son contrat expiré, il rentra en France à bord d’un Tupolev peu démocratique – son siège en classe économique est complètement défoncé, une pelote de fils métalliques se promène sous la toile du dossier, la perce çà et là pour faire sortir une tige qui lui meurtrit les reins –, quelques contrats s’ensuivent et chef de chantier à Dubaï on le retrouve, un palace à faire jaillir du sable, vertical comme un obélisque mais laïc comme un cocotier, et du verre cette fois, du verre et de l’acier, des ascenseurs comme des bulles coulissant le long de tubulaires dorés, du marbre de Carrare pour le lobby circulaire dont la fontaine bruitait son glouglou de luxe pétrodollar, le tout assorti de plantes vertes cirées, de canapés croûte de cuir et d’air conditionné.”
al wat ik terug wou hebben was het blauw van de zee het groen va de winter het geel van de zon de afstand van de maan het water van de regen de klank van de wind mijn plekje achter moeders rug
Vertaald door Alfred Schaffer
Ronelda Kamfer (Blackheath, 16 juni 1981)
En als toegift bij een andere verjaardag:
Psalm
Voor hem bestond er geen voortijdig sterven – wie bood ook aan het sterven tegenstand? – de dood begroetend met dezelfde hand die ooit gods naam in elke boom zou kerven.
Niets meer verhopend van het eeuwig zwerven Naar dat beloofd, maar steeds verschuldigd land, Het zaad verspillend aan onvruchtbaar zand, Liet hij de duivel al zijn steden erven.
Voor hem was er geen spreken en geen woord. Hij had geen stem tenminste ooit gehoord. De dood verloste al wie er voor kozen.
Was hij een kind van god of vaderloze, het leven had gelijk gewicht noch waarde. Gods zoon zag pas postuum het licht der aarde.
Frans Roumen (Wessem, 16 juni 1957) David speelt harp voor koning Saul, door Julius Kronberg, 1885
„Aufwachen!« Ich tippe ihr auf die Schulter. Halte die Hand ins Flusswasser und bespritze ihr Gesicht. Der Junge findet das total spannend, das merke ich. So schnell werde ich den nicht mehr los, also sage ich: »Hilf mir mal, wenn du schon da bist.« Das muss man ihm nicht zweimal sagen. Er stürzt sich auf Mutter und zieht so heftig an ihrem Arm, dass er ihr fast die Schulter auskugelt. Aus ihrem Mund kommt ein Grunzen, sie blinzelt endlich. Zusammen gelingt es uns, sie hochzuziehen. Sie nuschelt etwas. »Er hilft uns kurz«, erkläre ich. »Warte«, sagt der Junge, »ich halte sie an der anderen Seite.« Sie steht inzwischen, auf unsere Schultern gestützt, mühsam arbeiten wir uns die Anhöhe hoch. Auf dem Weg wird es leichter, und prompt schließen sich ihre Augen wieder halb, während sie wie ein Automat weiter Fuß vor Fuß setzt. »Was sollte das mit der toten Nutte?«, frage ich. »Tut mir leid. Ich wusste doch nicht, dass sie deine Mutter ist!« Ich versuche es anders: »Ich meine, wie bist du darauf gekommen? Hast du schon einmal eine tote Nutte gesehen?« »Klar. Zweimal. In Frankfurt.« »Wow.« »Na ja, nur vom Fenster aus, sie rannte aus einem Haus. Jemand hat auf sie geschossen. Dauernd war da was los auf der Straße, Polizeirazzien, Messerstechereien und so. Wir haben im Bahnhofsviertel gewohnt, das ist eine gefährliche Gegend.« Er klingt stolz. »Hm.« Hier in der Stadt gibt es auch jede Menge fiese Ecken, aber da bin ich natürlich nachts nicht. »Ich habe ein Fernglas«, sagt der Junge. »Ein Fernglas?« Ich stelle ihn mir damit am Fenster vor und muss grinsen. Er grinst zurück: »Ja. Genau wie ein Spanner.« Ich merke, dass er gern eine Pause machen würde, um sich zu unterhalten, aber den Gefallen kann ich ihm nicht tun. Wir gehen weiter. An der Seite wird das Ufer schnurgerade, und nur niedriges Grün wächst am Rand. »Frankfurt ist sicher nicht schlecht, oder?«, frage ich. Eigentlich nur, weil man das eben so sagt, denn ich vermisse hier nichts. »Na ja. Jetzt sind wir hier. Wir sind am Wochenende eingezogen. Da!« Er dreht sich um, soweit das mit Mutter an der Seite geht, und deutet zu den Blocks an der Mainstraße.“
Fluisterende dorpen
Hoewel onze steden voortdurend proberen ons met de hemel vertrouwder te maken doordat zij ons van uitzichtpunten, balkons en terrassen voorzien Hoewel ze beweren dat je van bovenaf misschien wel het meest tedere punt in de ruimte kunt zien, een gigantische knikker met een blauw centrum, en ze ons trappen op en liften in lokken, ons de veiligheidsvoorzieningen laten zien, leuningen en netten, de schoonheid van de neonreclames, vrachtwagens zo klein dat we ons gigantisch voelen Hoewel we bijna betoverd worden door het lawaai beneden, horen we soms het gefluister van de dorpen, en soms geloven we er iets van, en springen we als Superman
“Basra, maart 1916 Miss Ben veegt op de drempel van de hal haar bemodderde rijglaarsjes schoon en slaat met een geërgerd gebaar de zwerm mugjes weg die om haar heen cirkelt. Een Somalische boy, gekleed in een tuniek en met een tulband op, snelt blootsvoets toe om haar schoudermantel en paraplu over te nemen. Hij verzoekt haar hem te volgen, Sir Percy Cox wacht op haar in zijn kantoor. Hij is die ochtend van zijn dienstreis teruggekeerd. Lang en mager, blauwe doordringende ogen: Cox is niet veranderd sinds hun laatste ontmoeting bij gemeenschappelijke vrienden in Londen, zeven jaar terug. Zijn golvende haar is misschien grijzer geworden, maar hij lijkt niet erg verouderd en ziet er in zijn uniform nog altijd even deftig uit. Op zijn kraag herkent Miss Bell de dubbele witte lipjes van de politiek officieren van het Brits-Indische leger. Na in Somalië, Perzië en verschillende emeritaten aan de Perzische Golf te hebben gediend is de eenenvijftigjarige Cox, doorgewinterd dienaar van het Britse Rijk, het hoofd van het civiel bestuur in het bezette Mesopotamië. Cox, vermaard om zijn tact en zijn onverstoorbaarheid, betoont zich zijn reputatie die middag onwaardig. Verscholen achter een stapel topografische kaarten en luchtfoto’s bepotelt hij onder een portret van koning George v zijn snor en scheldt op de regen die aanhoudend op het dak van zijn hoofdkwartier roffelt, een gebouw dat is opgetrokken langs een stinkend kanaal waaruit het oorverdovende gekwaak van kikkers en padden opklinkt, het vaste winterse deuntje van Basra, de op palen gebouwde stad aan het estuarium dat Perzië van Mesopotamië scheidt. Er heerst chaos, heeft Miss Ben vastgesteld in de week dat ze in de stad is. De logistiek van het Brits-Indische leger faalt, de Britten tasten rond in onzekerheid, improviseren, hebben aan alles een tekort. Het is moeilijk, zo niet onmogelijk, de honderdduizenden paarden, soldaten, artsen en brahmanen die aan land zijn gekomen te herbergen en dit grote leger van het Oosten te bevoorraden, bij gebrek aan loodsen en koelinstallaties voor de bederfelijke voedingswaren. Het zuiden van Mesopotamië heeft alleen dadels, wat groenten en vee te bieden, dus alles moet uit India, worden geïmporteerd. Maar de oude handelsstad is niet uitgerust om het eskader onder te brengen dat in haar wateren ronddobbert. De haven zit vol, de grote vaartuigen gaan op volle zee voor anker. Onder wolkbreuken en een verzengende zon zijn uren, zelfs dagen nodig om mensen, dieren, goederen en munitie op kleinere transportmiddelen als gondels en ranke kaïks over te schepen en naar de drabbige, van vliegen en muggen vergeven oevers te brengen. Miss Bell heeft het aan den lijve ondervonden en tijdens de overtocht is ze door haar kousen heen in haar benen gestoken. Ze heeft onderweg opgemerkt dat het enige hospitaalschip overvol is en dat de stroom aan bootjes nog lang niet ophoudt.”
Uit: De honden die we zijn (Samen met Leon Verdonschot)
“Ik weet niet meer precies hoe oud ik was toen we weer op vakantie naar Limburg gingen en ik Tobie leerde kennen. Voor mij was Limburg het enige ‘buitenland’ dat ik de eerste zestien jaar van mijn leven kende. Elke vakantie probeerde ik in een grot een stuk mergel los te bikken en als een schat mee te nemen naar onze tent, waar ik een kunstwerk van het zachte gesteente hoopte te maken. Mijn moeder brulde elke keer dat ik niet te ver de grotten in mocht, omdat ik anders zou verdwalen. “Laat dat kind!” zei mijn vader: “Zo wordt het tenminste een vent.” “Wat? Als hij verdwaalt in een grot?” Mijn vader keek mijn moeder hoofdschuddend aan. ”Als hij zijn weg vindt,” zei hij, en daarna zette hij het flesje bier weer aan zijn mond, en keek hij naar de andere campinggasten, die aan het badmintonnen waren, lagen te sudderen in de zon of die de barbecue in de fik probeerden te steken. We gingen elk jaar naar een veld in Meerssen dat eigendom was van een boer die wat extra geld wilde verdienen en een bord in de grond had gestoken met daarop de nieuwe functie van het veld: ‘CAMPING’. Nadat we de camping hadden bereikt, zei mijn moeder: “Wat een achenebbisj! Dit is gewoon een boerenveld.” “Een paradijs”, zei mijn vader glunderend. “En goedkoop!” De locatie was gunstig gelegen, tegenover het bos en de grotten, aan de rand van de rivier de Geul, omringd door koeien die ons elke ochtend wakker loeiden. Het veld was hobbelig door de vele molshopen, en als de wind verkeerd stond, dan rook je de stank van koeienvlaaien. De boer had bij zijn huis provisorisch vier douches aangelegd en in een gat in de grond een betonnen kikkerbad laten storten waar de kinderen konden zwemmen en spelen. Tijdens een van onze eerste vakanties op de camping werden we elke ochtend begroet door een hond die langs de tenten zwierf en om wat eten bedelde. Toen ik voor de tent aan het spelen was kwam hij ineens aanwandelen en bekeek hij wat ik aan het doen was. Misschien wilde hij weten of er iets te bietsen viel. Hij liet zich moeilijk aanhalen en bleef mij op afstand gadeslaan. Ik vroeg aan mijn vader, die met zijn blote, harige buik voor de opening van de tent stond, wat voor hond het was. “Dat is geen hond, dat is een rat,” zei hij.”Misschien is het een poedel,’ zei ik.”
Alex Boogers (Vlaardingen, 14 juni 1970) Alex Boogers en Leon Verdonschot
In mijn tweede kamer sliep heel schattig een kerkhof toen ik ’s avonds terugkwam De meubels zijn bleek en al lang tamelijk koud Ze verspreiden nog steeds een vleugje lavendelgeur
Ik besteed al lang geen aandacht meer aan de crisissen in mijn kamer Kamers doen constant alsof ze dood zijn ze willen niet eens mijn bomen terug naar het raam transporteren ze weigeren hardnekkig mij meer te bieden
dan de winterromantiek van de kasten een appartement vol ijskoude kleren geplooide gordijnen en massa’s motten uitgerekend deze insecten
Ik moet me tevredenstellen met hun kleine moorden in het weefsel van de tijd
kan zolang kussens en poppen je voodoo-gezicht geven
af en toe een mot doodslaan die zich in de stof vreet
Ik zal ’s morgens met mijn tweede kamer
ontwaken om me heen kijken, me eenzaam voelen en weer in slaap vallen
“4 maart Op Aswoensdag begon het gedenken, het vasten en het overpeinzen. Vandaag werd er gezondigd. Voor het Café du Monde stonden lange rijen; mannen en vrouwen uitgedost met boa’s, kleurrijke pruiken, eindeloos veel kralenkettingen. Iets verderop, in Bourbon Street, trokken toeristen en stedelingen over de natte straatstenen. Linten van rode lampjes en lampionnen hingen tussen de huizen, cocktails in groene bekers gingen van hand tot hand, vrouwen met ontbloot bovenlichaam lieten hun borsten aanraken in ruil voor absint. En toen de zoveelste hoosbui over de stad raasde, trok iedereen zich terug in cafés of schuilde onder een afdakje. Alle chaos die er in een mensenleven te vinden was, kwam hier samen, op deze ene avond. Mardi Gras, Vette Dinsdag, in New Orleans. Het was iets over elven toen Nathalie Underwood, in een witte spijkerbroek en een wit hemdje met glitters op de schouders, zich langs een groepje studenten wrong, richting de bar van Café du Monde. Ze bestelde een Sazerac, extra bourbon. Toen ze een hand op haar schouder voelde, verstijfde ze en keek achterom. Een paar seconden stonden ze, te midden van al dat geruis, roerloos tegenover elkaar, Nathalie en de man verkleed als skelet. Zwart textiel maskeerde zijn lichaam, de getekende botten waren fluorescerend wit. Om zijn nek hing een ketting van afgestreken lucifers. Langzaam trok hij zijn masker af. Nathalie keek schichtig om zich heen, niemand besteedde aandacht aan hen. “Ik wist niet dat jij het was,” zei ze. Waar is jouw masker?” “Daar had ik geen zin in. Waarom wilde je hier afspreken?” ”Ik wil je iets in de buurt laten zien. Een halfuurtje rijden, hooguit. Mijn auto staat in een zijstraat.” Om hen heen klonk ‘When the Saints Go Marching In’, een zwalkende uitvoering. “Binnen een uur wil ik terug zijn,”zei ze. “Ik wil zo min mogelijk missen.” “Je zult niets missen, dat beloof ik.” Hij trok zijn masker weer over zijn hoofd, Nathalie liet haar Sazerac op de bar staan en nam van niemand afscheid. Louisiana. Beekjes en rivieren kronkelen als opgezette aderen door de dalen, met op de achtergrond de fabriekstorens die dag en nacht roken. Akkers staan blank, riet groeit net zo lang tot de deining het doet knakken. En heel af en toe doorkruist een eenzame auto het landschap, als een vlieg die over een landkaart kruipt. “Kun je wel goed zien met dat masker op?” vroeg ze. “Mijn ogen zijn vrij.”
Zo bescheiden dat zelfs de zon de betekenis van trots in twijfel trekt, maar ongeduldig, oh ja, zelfs de uitspraken die ze doet over de winter zijn ademloos, een ruisen dat weinig met wind te maken heeft, meer met taal, stille kracht. Ze kunnen allemaal als beloftes worden gelezen. Geven aan dat de Serengeti slechts een halte in een spannend leven was en dat ze nu hier haar paraplu uitspreidt, silhouet van veiligheid. Niets eindigt snel genoeg, geen enkele dag: er is alleen ongeduld, wachten – totdat de zon eindelijk in slaap valt. Samen met haar bewering: wachten, dat maakt niet uit, wachten is overgang. De natuur is niet donker, de wereld is donker.
„Mit Zuverlässigkeit und Pedanterie verwaltete er die eigene Lebenszeit. Alles Gelebte zu den Papieren. Er archivierte. Er sammelte und pflegte mit Feingefühl. Ordnete, stapelte, bündelte, legte ab und bewahrte auf. Erinnerte, sichtete, reinigte und hielt zusammen. Spinneneifer setzte die Daten seiner Biographie zueinander in Beziehung und nahm sie zum Anlaß für die beständige Frage, was vor sieben Jahren gewesen sei und was in wiederum sieben Jahren sein würde. Die Kopfschmerzen dieses Tages und Adalbert Stifters Geburtstag; das Weinglas dieses Abends und eine Zecherei in Blansingen vor zehn Jahren. Gleichermaßen konkret und irrational wurde dem Tageskalender Vergangenes als Folie unterlegt, wurde tote Zeit mit lebendiger Zeit verflochten. Seine Witterung für Vergangenes war untrüglich. Melancholische Verlebendigung. Er sammelte Zeitungsausschnitte, Familienfotos, Rechnungen und Durchschläge aller Art. Er bündelte die Briefe seiner Familie, seiner Freunde und Bekannten, Gratulationen, Danksagungen, Rundschreiben und obskure Drucksachen. Über die nötige Aktenordnung hinaus sammelte er selbstverfaßte Artikel und die Rezensionen anderer, seine Themen betreffend. Er hortete Hölzer, Steine und Trambahnbillette, sammelte die ersten oder letzten Ahornblätter des Jahres und ließ sie als Lesezeichen in Büchern zurück, versehen mit Datum und Ortsangabe. Er sammelte Bilder von Malern seiner Landschaft (Bizer, Scherer, Dinkelsbühler), Konzerteinladungen, Plakate und Ahnentafeln sowie Dokumente aller Art über Großväter, Tanten, Kusinen und ferne Verwandte. Er notierte die Todestage, Hochzeitstage, Geburtstage und Namenstage seiner Freunde, ihre Unfälle, Glücksfälle, Krankheiten und Telefonanrufe. Er verzeichnete die Todesursachen aller vom Hörensagen bekannten Leute und die Tode von Filmschauspielern, die er vor dreißig Jahren bewundert hatte. Schubladen voll gebräunter Papierpakete. Er notierte Träume, Begegnungen mit Bekannten, die beiläufigen und die erfüllten Gespräche, Ergebnisse von Tennisspielen, Schießübungen und Blutsenkungen. Er notierte Vollmondnächte und Sternfall, sammelte die Locken seiner Kinder, verzeichnete die Zahl getrunkener Schoppen und das tägliche Wetter: Hochdruck, Tiefdruck und Körperreaktion; Regen und Föhn und die entsprechende Stimmung. Wetterkataloge, gesammelter neige d’antan aus vier Jahrzehnten. Speisezettel, Waschzettel, Flugscheine, Hotelrechnungen und Kinoprogramme.“
Ruimte
Sinds hij ademhaalde, zijn naam kende, haalde hij goden naar zich toe op aarde, plaatste hij lokvogellichamen op rotsen en aan de kust, ………………beelden, aas van steen, onbeweeglijk, stemloos, die oneindigheid ontvingen …………………………….in het ruisen van wind en branding, en geen mens wist of er ooit een god was gekomen, onontdekt bleef of een schaduw in het licht wierp.
De woede en de berusting van degenen op aarde lopen uit op niets. Maar ze varen naar de beelden toe, die aan de kust uit elkaar vallen, verwachten van de godheid niets, en herkennen de zeevogel, altijd dezelfde, zijn roep in de wind zonder uitleg.