Ernst Stadler, Wolf Wondratschek

De Duitse dichter Ernst Stadler werd geboren op 11 augustus 1883 in Colmar (Kolmar). Zie ook alle tags voor Ernst Stadler op dit blog.

 

Glück

Nun sind vor meines Glückes Stimme
alle Sehnsuchtsvögel weggeflogen.

Ich schaue still den Wolken zu,
die über meinem Fenster in die Bläue jagen –
Sie locken nicht mehr,
mich zu fernen Küsten fortzutragen,
Wie einst, da Sterne, Wind und Sonne
wehrlos mich ins Weite zogen.

In deine Liebe bin ich
wie in einen Mantel eingeschlagen.

Ich fühle deines Herzens Schlag,
der über meinem Herzen zuckt.

Ich steige selig
in die Kammer meines Glückes nieder,
Ganz tief in mir, so wie ein Vogel,
der ins flaumige Gefieder
Zu sommerdunklem Traum
das Köpfchen niederduckt.

 

Der Aufbruch

Einmal schon haben Fanfaren mein ungeduldiges Herz blutig gerissen,
Dass es, aufsteigend wie ein Pferd, sich wütend ins Gezäum verbissen.
Damals schlug Tamburmarsch den Sturm auf allen Wegen,
Und herrlichste Musik der Erde hieß uns Kugelregen.

Dann, plötzlich, stand Leben stille. Wege führten zwischen alten Bäumen.
Gemächer lockten. Es war süß, zu weilen und sich versäumen,
Von Wirklichkeit den Leib so wie von staubiger Rüstung zu entketten,
Wollüstig sich in Daunen weicher Traumstunden einzubetten.

Aber eines Morgens rollte durch Nebelluft das Echo von Signalen,
Hart, scharf, wie Schwerthieb pfeifend. Es war wie wenn im Dunkel plötzlich Lichter aufstrahlen.
Es war wie wenn durch Biwakfrühe Trompetenstöße klirren,
Die Schlafenden aufspringen und die Zelte abschlagen und die Pferde schirren.

Ich war in Reihen eingeschient, die in den Morgen stießen, Feuer über Helm und Bügel,
Vorwärts, in Blick und Blut die Schlacht, mit vorgehaltnem Zügel.
Vielleicht würden uns am Abend Siegesmärsche umstreichen,
Vielleicht lägen wir irgendwo ausgestreckt unter Leichen.

Aber vor dem Erraffen und vor dem Versinken
Würden unsre Augen sich an Welt und Sonne satt und glühend trinken.

 

Ernst Stadler (11 augustus 1883 – 30 oktober 1914)
Portret door Heinrich Beecke, 1910

 

De Duitse dichter en schrijver Wolf Wondratschek werd geboren op 14 augustus 1943 in Rudolstadt. Zie ook alle tags voor Wolf Wondratscheck op dit blog.

 

Een droom

In een boom zitten.
Uitkijken over de prairie.
Niet hoeven liefhebben.

De horizon opent zich
in de vorm van een vrouw,
die nooit dichterbij komt.

Niet hoeven liefhebben,
dan zou het gemakkelijk zijn
om lief te hebben.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Wolf Wondratschek (Rudolstadt, 14 augustus 1943)

 

Zie voor nog meer schrijvers ook mijn blog van 11 augustus 2025 en ook mijn blog van 11 augustus 2023 en ook mijn blog van 11 augustus 2019 en eveneens mijn blog van 11 augustus 2016 en ook mijn blog van 11 augustus 2011 deel 2.

Kees van Kooten, Mark Doty

De Nederlandse schrijver en cabaretier Kees van Kooten werd geboren op 10 augustus 1941 in Den Haag. Zie ook alle tags voor Kees van Kooten op dit blog.

Uit: Hedonia

“Kees van Kooten stond voor het raam, denk ik hardop; hij stond voor het raam, keek in de nacht en is dronken. Hij had een groot huis, twee gezonde kinderen, vier dito dieren en een knappe vrouw. Het huis is stil, de kinderen slapen en de vrouw is weg. — Maar daarom niet getreurd, bromt hij door het raam naar zijn spiegelend buitenbeeld, vaak kan even weg zijn heel verfrissend werken! Nu geen letargisch lanterfanten — laat ik liever leuke dingen doen! Hij draait zich om en ziet zijn riante kamers rond. De schuifdeuren staan open, waardoor je een geheel krijgt. Ongelooflijk luxe, leuke en moderne dingen laten zich doen, in dit geheel. Ze hebben hier radio, grammofoon, vijfhonderd platen, vier maal zoveel boeken, televisie, video en piano. Door het hele huis hangen leuke schilderijen, litho’s, etsen, tekeningen en zeefdrukken te kijken. Toch weet Kees van Kooten niet wat hij nu voor leuks zou willen doen en dit al voor de derde avond sinds zij weg is! Het leukste wat hij durft bedenken is nu de deur uitgaan, naar Amsterdam, en verder maar zien hoe het loopt. Maar ja, de kinderen. Hij zet zich aan de piano en probeert iets vrolijks te spelen. Dit lukt niet, want ik kan geen piano spelen. Als ik het wel kon, sloop toch in ieder loopje de larmoyante blue note. Ik zet My Favourite Classics op de klep — een muziekboek met Sixty Level One Easy Keyboard Masterworks, bedoeld voor kinderen van twee tot zeven jaar. Ik open met Melody van Friedrich Baumfelder, vervolg met The Fair van Carl Czerny en speel als uitsmijter de Russian Folk Song van niemand minder dan Ludwig van Beethoven. In de anderhalf jaar die ik Van Kooten nu pianoles geef, hebben mens en dier deze drie stukjes al zo vaak gehoord dat ze er dwars doorheen slapen, maar niet zodra begin ik te improviseren of de tent schrikt wakker. Dus dek ik de toetsen toe en druk de radio aan. Ik krijg een wanne oorvijg van een gemaskerde vrouwenstem die zingt: you can do what you want, you can tell me lies, but hold me tight tonight. Carly Simon, schat ik. Ik klap de klep weer open en stuur mijn rechterwijsvinger om de juiste noten. Niet van de melodie, maar die van de veiliger tegenstem. Zo loop ik, als ik niet oppas, bij excursies altijd een paar meter voor mijn gezin uit en wanneer ik meet ik met een muziekje is dat op de vrijblijvende afterbeat Ik ben het wijsje bijna op het spoor wanneer de plaat afloopt en de presentatrice met haar zwaar geschminkte nachtstem zegt: Hè, heerlijk moet dat zijn, om je zo helemaal uit te kunnen spreken en vooral uit te kunnen zingen. Wat een vrouw, die Emmylou Harris! En wie hebben wij daar? Elton John.”

 

Kees van Kooten (Den Haag, 10 augustus 1941)

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Mark Doty werd geboren op 10 augustus 1953 in Maryville, Tennessee. Zie ook alle tags voor Mark Doty op dit blog.

 

ARARAT

In goudfolie gewikkeld, in de zoektocht
en het gejuich van Paaszondag,
was het de bal van de prinses,
was het het lichaam van de farao
slapend in zijn gouden kist.
Aan de voet van de schutting,
in het gras dat slap was van de ochtendregen,
was het een prijs van de zondagsschool,
zilver voor de tweede plaats, goud
voor de triomfantelijke kleine koepel
van Ararat, en mijn zus
nam me bij de hand en leidde me
naar buiten, het brede, natte gazon op,
en liet me zien hoe ik moest bukken in de dichte nesten
van gras, in het donkerste groen.
Later moest ik het teruggeven,
in ruil voor een prijs,
hoewel ik het ei liever had gehouden.
Wat zou er binnenin gekruld hebben —
krokussen strak op hun klokveren?
Een vogel die zichzelf tot een engel zou zingen
in de hoogste regionen van de tuin,
de vlammende pijl van de ochtend?
Elk klein ding kan je redden.
Omdat het gouden ei ooit in mijn mandje
glinsterde, ook al werd mijn kindertijd
een immense, donker wordende laag water
was ik Noach, en ik was zijn ark,
en er waren twee van elk dier in mij.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Mark Doty (Maryville, 10 augustus 1953)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 10e augustus ook mijn blog van 10 augustus 2019 en eveneens mijn blog van 10 augustus 2017 en ook mijn blog van 10 augustus 2014 deel 2 en eveneens deel 3.

Wendell Berry, Conrad Aiken

De Amerikaanse dichter, schrijver, essayist en criticus Wendell Berry werd geboren op 5 augustus 1934 in Henry County, Kentucky. Zie ook mijn blog van 5 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Wendell Berry op dit blog.

 

Testament

And now to the Abyss I pass
Of that Unfathomable Grass…

1.
Dear relatives and friends, when my last breath
Grows large and free in air, don’t call it death —
A word to enrich the undertaker and inspire
His surly art of imitating life; conspire
Against him. Say that my body cannot now
Be improved upon; it has no fault to show
To the sly cosmetician. Say that my flesh
Has a perfect compliance with the grass
Truer than any it could have striven for.
You will recognize the earth in me, as before
I wished to know it in myself: my earth
That has been my care and faithful charge from birth,
And toward which all my sorrows were surely bound,
And all my hopes. Say that I have found
A good solution, and am on my way
To the roots. And say I have left my native clay
At last, to be a traveler; that too will be so.
Traveler to where? Say you don’t know.

2.
But do not let your ignorance
Of my spirit’s whereabouts dismay
You, or overwhelm your thoughts.
Be careful not to say
Anything too final. Whatever
Is unsure is possible, and life is bigger
Than flesh. Beyond reach of thought
Let imagination figure

Your hope. That will be generous
To me and to yourselves. Why settle
For some know-it-all’s despair
When the dead may dance to the fiddle

Hereafter, for all anybody knows?
And remember that the Heavenly soil
Need not be too rich to please
One who was happy in Port Royal.

I may be already heading back,
A new and better man, toward
That town. The thought’s unreasonable,
But so is life, thank the Lord!

 

Wendell Berry (Henry County, 5 augustus 1934)

 

De Amerikaanse schrijver en dichter Conrad Potter Aiken werd geboren in Savannah, Georgia op 5 augustus 1889. Zie ook mijn blog van 5 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Conrad Aitken op dit blog.

 

Ballingschap

Deze heuvels zijn zanderig. Bomen zijn hier klein. Kraaien
Krassen somber in een hemel van dorre glans,
Klagen in stoffige dennenbomen. Gele dageraad
Verlicht de lange bruine hellingen met een ijzige dauw,
Dauw zo zwaar als regen; de konijnenpootafdrukken
Zijn er scherp in te zien, zoals in sneeuw.
Maar het verdwijnt snel in de zon – wat heeft het voor zin?
De huizen, op de helling of tussen de bruine bomen,
Zijn grijs en verschrompeld. En de mannen die hier wonen
Zijn klein en uitgemergeld, spinachtig, met grote ogen.

Neem water mee als je hier komt wonen –
Koude, rinkelende waterreservoirs, of anders putten zo diep
Dat je naar de Ganges of de Himalaya kunt kijken.
Ja, en neem bergen mee, witte, maanverlichte,
IJsbergen. Je zult deze nodig hebben
Diepe diepten en pieken van nattigheid en kou.

Breng ook, in een kooi van draad of wilgentakken,
Goudkleurige vogels, die zullen zingen
Over bladeren die niet verdorren, waterige vruchten
Die zwaar hangen aan lange melodieuze takken
In de blauwzilveren bossen van diepe valleien.

Ik ben hier nu al – hoeveel jaar? Ontelbare jaren.
Mijn handen worden klauwachtig. Mijn ogen zijn groot en uitgehongerd.
Ik heb geen vogel meegenomen, ik heb geen waterput
Waarin ik de maan, een rivier of sneeuw zou kunnen vinden.
Op een dag, bij gebrek daaraan, zal ik een web spinnen
Tussen twee stoffige dennentoppen en daar hangen
Met mijn gezicht naar beneden, als een spin, zo lichtjes weggeblazen
Als een spook van een blad. Kraaien zullen om me heen krassen.
’s Morgens en ’s avonds zal ik de dauw drinken.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Conrad Aiken (5 augustus 1889 – 17 augustus 1973)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 5e augustus ook mijn blog van 5 augustus 2025 en ook mijn blog van 5 augustus 2019 en eveneens mijn blog van 5 augustus 2018 en ook mijn blog van augustus 2017 en ook mijn 2 blogs van 5 augustus 2011.

In August (Paul Laurence Dunbar), Stefan van Dierendonck, Martin Piekar

 

 

Middaglandschap in augustus door Pierre Bonnard, 1915

 

In August

When August days are hot an’ dry,
When burning copper is the sky,
I ‘d rather fish than feast or fly
In airy realms serene and high.

I ‘d take a suit not made for looks,
Some easily digested books,
Some flies, some lines, some bait, some hooks,
Then would I seek the bays and brooks.

I would eschew mine every task,
In Nature’s smiles my soul should bask,
And I methinks no more could ask,
Except—perhaps—one little flask.

In case of accident, you know,
Or should the wind come on to blow,
Or I be chilled or capsized, so,
A flask would be the only go.

Then could I spend a happy time,—
A bit of sport, a bit of rhyme
(A bit of lemon, or of lime,
To make my bottle’s contents prime).

When August days are hot an’ dry,
I won’t sit by an’ sigh or die,
I ‘ll get my bottle (on the sly)
And go ahead, and fish, and lie!

 

Paul Laurence Dunbar (27 juni 1872 – 9 februari 1906)
Dayton (Ohio), de geboorteplaats van Paul Laurence Dunbar

 

De Nederlands schrijver en gewezen priester Stefan Clemens Maria (Stefan) van Dierendonck werd geboren in Gemert op 4 augustus 1972. Zie ook alle tags voor Stefan van Dierendonck op dit blog.

Uit: En het regende brood

“De rozen lijken zich te herstellen,” zei ik. De doos was van karton, de zilveren tape zorgvuldig aangedrukt; op een hoek zag ik een grillige kring van opgedroogd water. “Weerbarstige planten zijn dat toch. Snoeien moet je Ieren, dat blijkt maar weer. Ik hoop dat ze in de toekomst weer het hoofdaltaar kunnen sieren.”
Ik zweeg.
“Goed. Dit pakket is verzonden door Clemens Driessen, en blijkbaar enkele maanden zoekgeraakt in de post. Het is een wonder dat het nog is opgedoken.” Even leek hij te grinniken; toen hernam hij zich. “Natuurlijk staat Clemens’ geval me nog helder voor ogen. Ik herinner me onze gesprekken over zijn coeliakie, over zijn onvermogen om die een plaats te geven in zijn priesterschap. Ik weet hoe aangeslagen je was door zijn ontijdige einde. Onze hele gemeenschap heeft voor jou en voor je leerling gebeden; we hebben je ondersteund in de verwerking van je verdriet. Vergeet dat niet nu ik je deze doos ga overhandigen. Jij hebt er recht op om de laatste boodschap van Clemens in te zien. Ik heb het in gebed voor de Heer gebracht en het besproken in dc raad van monniken. We zijn er zeker van dat Hij het zo wil. Moge je antwoorden vinden en vrede.”
Hij tilde zijn handen van de doos. De flappen veerden omhoog. De tape bleek doorgesneden; de abt had alles ingezien en beoordeeld, natuurlijk. Tenslotte is hij als vader door de gemeenschap gekozen, door God in die taak bevestigd, een goede herder voor zijn kudde. Ik begreep het maar al te goed. Niettemin bleef de oude slang mijn hart knellen, mijn longen pletten, mijn maag knijpen; mijn lijf was te klein voor mijn organen en het beest.
“Dank u,” zei ik, met mijn blik op de kiezels in de betonnen vloer, en ik nam het karton en liep naar de deur.
“Graag had ik de doos bij de vespers terug,” sprak de abt achter me.
Ik liep door naar mijn vrijwillige privé cel, mijn kamer in een anoniem gebouw. Nooit had ik die als mijn bezit beschouwd, zoals de regel voorschrijft; nu was hij veranderd in mijn domein. Ik sloot de deur achter me, draaide de sleutel om. Ook voor het eerst.
De verhuisdoos plaatste ik op mijn werktafel. Ik ging zitten, langzaam.”

 

Stefan van Dierendonck (Gemert, 4 augustus 1972)

 

De Duits-Poolse dichter Martin Piekar werd geboren op 5 augustus 1990 in Bad Soden am Taunus. Zie ook alle tags voor Martin Piekar op dit blog.

 

Zie onder het vlees de poging om de urn op te blazen door afwezigheid

Het sensationele elders en zijn
Inclusieve duisternis van agitatie
Een sluisdeur in de natuur, een visval op
De tweede blik onder het vlees
Vreet stoffig geruis zich vrij
Eerst de stemmenvangst dan – alsjeblieft niet –
De moraal, ondermijnt geen kopieerfouten
Dit is het stempel van de vereniging
Der niet-stemmers

De verstomden
In het koor van de ongehoorden
Zijn niet de ontstemden, hun monden vol
Angst en rimpels, die zich druk maken over de
Ontgrenzing van stemloosheid en stem
Alleen stem en stemloosheid zijn onder
Het vlees te horen, fonemen
De bijl van de domheid ontstemt
Op de meest elliptische manier

Wat is dat
Voor 1 groep niet-stemmers?

Je redenen zullen worden genegeerd, dat beloof ik.

Nu is het
Party, party, partytijd met champagne-receptie.
Tot leedvermaak achteraf.
Alles is even onbestemd onder
Het vlees, kijk eens onder het vlees.
Is er nog utopie en hoop is er nog
Een bedelaar, bepaald door gisteren, voordat
Het geschiedenis voordat het voorbij is. Het maakt
Niet uit dat feiten niet met gevoelens
Overeenkomen, dat dat een feit is
Klopt niet dat morgen
Een nieuwe dag is klopt ook niet.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Martin Piekar (Bad Soden am Taunus, 5 augustus 1990)

 

Zie voor de schrijvers van de 4e augustus ook mijn blog van 4 augustus 2020 en eveneens mijn blog van 4 augustus 2019 en ook mijn blog van 4 augustus 2017 en ook mijn blog van 4 augustus 2013 en mijn drie blogs van 4 augustus 2011 en mijn blog over Robert Beck.

Sommersonate (Georg Trakl), Marica Bodrozić, Mirko Wenig

 

 

Een vijver in de zomer door Peder Mørk Mønsted, 1906

 

Sommersonate

Täubend duften faule Früchte.
Busch’ und Bäume sonnig klingen,
Schwärme schwarzer Fliegen singen
Auf der braunen Waldeslichte.

In des Tümpels tiefer Bläue
Flammt der Schein von Unkrautbränden.
Hör’ aus gelben Blumenwänden
Schwirren jähe Liebesschreie.

Lang sich Schmetterlinge jagen;
Trunken tanzt auf schwülen Matten
Auf dem Thymian mein Schatten.
Hell verzückte Amseln schlagen.

Wolken starre Brüste zeigen,
Und bekränzt von Laub und Beeren
Siehst du unter dunklen Föhren
Grinsend ein Gerippe geigen.

 

Georg Trakl (3 februari 1887 – 4 november 1914)
Salzburg, de geboorteplaats van Georg Trakl

 

De Duitse dichteres en schrijfster Marica Bodrozić werd geboren op 3 augustus 1973 in Zadvarje in het toenmalige Joegoslavië. Zie ook alle tags voor Marica Bodrozić op dit blog.

Uit: Pantherzeit: Vom Innenmaß der Dinge

„Der Frühling ist gekommen. Seine Schönheit und sein Licht sind überirdisch wirksam. Mit der wärmenden Sonne ist unsere Innenzeit einhergegangen. Auf der ganzen Welt sitzen die Menschen in ihren Wohnungen fest. COVID-19 hat uns alle auf die gleiche Weise getroffen: als atmende Einzelwesen, die mit dem empfindlichsten Organ ihres Körpers mit allen anderen Einzelwesen verbunden sind. Vielleicht haben wir das vergessen, diese Verbindung, die die Luft uns zuweist. „Alles, was man vergessen hat”, schreibt Elias Canetti, „schreit im Traum um Hilfe.” Diese Pandemie trägt traumhafte Züge, sie fühlt sich auf eine merkwürdige Weise zeitgleich wirklich und unwirklich an, sie agiert nach Gesetzen, die wir nicht oder noch nicht genau genug kennen. Sie hat die Regie über unsere Gedanken übernommen. Aber es gibt immer noch die Innenwelt, den Blick, der mitgestaltet, weil er genauer sieht und ein Sehen ermöglicht, das alles ändern kann.
Meine Innenwelt möchte dieser äußeren Regie der kollektiven Gedanken widerstehen, ich kann sie lesen, das genügt; also verschlingt sie mich auch nicht. Eine starke Ruhe kehrt in mich ein. Mein Kind sieht mich in diesem Augenblick an, in dem sich alles in mir neu sortiert. Gregor schaut erst unsere Tochter, dann lange und ausdauernd mich an. Ohne zu sprechen wissen wir beide, was wir in diesem Augenblick denken. Denn so viele Jahre haben wir uns immer wieder gefragt, was in unserer Zeit an der Stelle eines Kriegs auf uns zukommen könnte, das unser al-ler Leben verändert. Wir haben über Wasserknappheit nachgedacht, über Klima-katastrophen, über die Gier der wenigen Reichen, über Diktaturen. Aber so etwas haben wir uns nie vorstellen können. Jetzt ist eine Zeitenwende da, und wir sind ihr Anfang, der anderen einmal Geschichte sein wird. Es könnte lange dauern, denke ich. Mein inneres Leben greift gleichsam von alleine auf tiefere Flüge der Seele zurück, die Brücke ist einmal mehr das Buch, diese Welt aus Blättern, die mir schon so viele Male das Leben gerettet hat, die mich zum Atem geführt hat, der aus der Ruhe kommt.“

 

Marica Bodrozić (Zadvarje, 3 augustus 1973)

 

De Duitse dichter Mirko Wenig werd geboren op 3 augustus 1977 in Gera. Zie ook alle tags voor Mirko Wenig op dit blog.

 

Kleinsteedse Indianen

Ze rijden niet. Maar
ze bewaken
de maan als ze ’s avonds
samenkomen beneden
op de parkeerplaats waar
de bezorgauto’s staan:
ze worden bespied
door de ogen van buren
achter de gordijnen.

En de een schreeuwt in de wind,
de ander voert kunstjes uit
op de achterkant van zijn skateboard.
O, ze vertrouwen de stilte niet,
hebben geen bivak opgeslagen,
en steeds weer,
het bij elkaar steken van de hoofden,
het uitwisselen van kusjes
met bleke meisjes.
aan de overkant, op de spoordijk,
groeien kabels uit het gras;
hier zijn geen treinvonken meer te zien.

Dan plotseling, het vertrek.
Ze gaan naar huis of
naar een café
waar geen bier meer is: onderweg
veranderen de scheuren in het asfalt
in kleine slangetjes.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Mirko Wenig (Gera, 3 augustus 1977)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 3e augustus ook mijn blog van 3 augustus 2023 en ook mijn blog van 3 augustus 2020 en eveneens mijn blog van 3 augustus 2016 en mijn blog van 3 augustus 2015 en eveneens van 3 augustus 2011 deel 1 en eveneens deel 2.

Cees Nooteboom, Triztán Vindtorn

De Nederlandse dichter en schrijver Cees Nooteboom werd geboren in Den Haag op 31 juli 1933. Zie ook alle tags voor Cees Nooteboom op dit blog.

Uit: De omweg naar Santiago

“Door Aragón naar Soria
Het is niet te bewijzen en toch geloof ik het: op sommige plaatsen in de wereld wordt je aankomst of vertrek op geheimzinnige wijze vermeerderd door de emoties van al diegenen die daar eerder zijn vertrokken of aangekomen. Wie een ziel heeft die licht genoeg is, voelt een zachte weerstand in de lucht rond de Schreierstoren, die te maken heeft met de hoeveelheid verdriet van de afscheid-nemers, een soort verdriet dat wij niet meer kennen. Onze reizen duren geen jaren meer, wij weten exact waar wij heen gaan, en onze kans op terugkeer is veel groter. Bij de ingang van de kathedraal van Santiago de Compostela staat in het portaal een marmeren zuil met diepe vingerindrukken, een emotionele, expressionistische klauw, gemaakt door miljoenen handen, waaronder de mijne. Maar het is al een vertroebeling als ik zeg ‘waaronder de mijne, want ik heb nooit met zoveel emotie na het eind van een voettocht die meer dan een jaar duurde die zuil beetgegrepen. Ik was geen middeleeuwer, ik geloofde niet, en ik kwam met de auto. Als je mijn hand daar wegdenkt, als ik er nooit geweest ben, staat die klauw daar nog steeds, door de vingers van al die doden in het harde marmer uitgesleten. Toch had ik, door mijn hand in die negatieve hand te leggen, op een geheimzinnige manier deel aan een gezamenlijk kunstwerk. Een gedachte wordt zichtbaar in materie; dat is altijd wonderlijk. De kracht van een idee dreef vorsten, boeren en monniken ertoe hun hand juist op die plaats aan die zuil te slaan, elke afzonderlijke hand verwijderde de allergeringste hoeveelheid keihard marmer waardoor er, juist omdat dat marmer er niet meer was, een hand zichtbaar werd.
Ik bedenk die dingen terwijl ik langzaam, in de zeer vroege juli-ochtend, op Barcelona afvaar. Daar zal ik een auto huren en dwars of met een slinger over de hele breedte van Spanje voor de derde maal in mijn leven naar Santiago de Compostela rijden. Geen pelgrimage naar de apostel, zoals die van de anderen, eerder naar een vroeger, schimmig geworden zelf, het hernemen van een voorbije passage. Op zoek naar wat? Een van de weinige constante dingen in mijn leven is mijn liefde, een mindere uitdrukking is er niet, voor Spanje. Vrouwen en vrienden zijn uit mijn leven verdwenen, maar een land loopt niet zo gauw weg. Toen ik als twintigjarige in 1953 voor het eerst in Italië kwam, dacht ik dat ik alles gevonden had waar ik, zonder dat bewust te weten, naar had gezocht. De mediterrane schittering sloeg in als een bom, het hele leven één geniaal, openbaar theater tussen de achteloze decorstukken van duizenden jaren grote kunst.”

 

Cees Nooteboom (31 juli 1933 – 11 februari 2026)

 

De Noorse dichter Triztán Vindtorn werd geboren als Kjell Erik Vindtorn in Drammen op 31 juli 1942. Zie ook alle tags voor Triztán Vindtorn op dit blog en ook mijn blog van 31 juli 2010.

 

De wereld is een prachtige blauwe citroen

De wereld is een prachtige blauwe citroen
zo gewichtloos als alle woorden
wanneer we haar proberen te beschrijven…
wat bevrijd is, draagt ook de verlangens met zich mee
en de angst dat het doel niet bereikt zal worden
tot nu toe kun je de vingers van je geliefde tellen
en op je tenen uit je slaap sluipen alsof je uit een bos komt
tot nu toe kun je de voordeur horen kraken…

binnenkort zal er een vuur door
al je kamers razen en je huis verwoesten…
alle taalparasieten zullen exploderen
en ons gefabriceerde beeld van geluk verbrijzelen
jij half verstikt in de meedogenloze nacht van kleuren
jij te midden van de schuimkoppen van woorden en zinnen
jij alleen op de kust met een omgekeerde zee
als enige zichtbare buur.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Triztán Vindtorn (31 juli 1942 – 4 maart 2009)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 31e juli ook mijn blog van 31 juli 2018 en ook mijn blog van 31 juli 2017 en ook mijn blog van 31 juli 2016 deel 1 en eveneens deel 2.

Remco Campert, Claudia Gabler

De Nederlandse dichter en schrijver Remco Campert werd op 28 juli 1929 in Den Haag geboren. Zie ook alle tags voor Remco Campert op dit blog.

 

Leven met je

Van top tot teen gloeien
alsof ik word geslagen en gestreeld
door een zon en een storm.

Hoe je mij vult, zoete regen,
beide oren in,
tot ik huid over liefde ben.

Zoals verhalen mij bewogen,
toen ik jong was,
doe je mijn aarde beven.

Bossen branden
en wij openen onze huizen
voor elkanders vlammen.

 

Impasse op de heide

een kempse zon schijnt hier
de wereld ontdaan van de franje
der stadse bijgeluiden
ligt als een hersenloos zoogdier
eeuwen te herkauwen
ver van de ijle bomen
der gedachten, eronder
ligt de weg op mij te wachten
wat doe ik in dit niemandsland
ik loop over het dier
dat niet beweegt maar
het speeksel van de uren
van haar kaken druipen laat
ik denk niet meer dan:
pierre laat de zon weer stevig branden.

 

Zo blijf je aan de gang

Wat zich afspeelt in de schaduw
in de slaapkamer, in dat huis
waar ze steeds ingaan
– muziek gaat open en dicht –
is voor mij niet na te gaan

volop in de zomer
speel ik met houtjes, met mieren, met knikkers
graaf gangen
nooit langer dan mijn arm

Nu zelf een schaduw
een bed, een huis
muziek zonder begin of eind
mier op weg naar een stroopvlek

maar wat zich daarbuiten afspeelt
is voor mij niet na te gaan.

 

Remco Campert (28 juli 1929 – 4 juli 2022)

 

De Duitse dichteres Claudia Gabler werd op 28 juli 1970 geboren in Lörrach. Zie ook alle tags voor Claudia Gabler op dit blog.

 

Mijn mouwloze truien hingen ineens in alle grote
musea ter wereld. Ik kon zoveel drinken als ik wilde
en had nog steeds dorst.
Ze hadden me kamers met ramen beloofd waar de
regen tegenaan kletterde, en toen hadden ze kleine stukjes lever
gewikkeld in spek.
Ik wilde in een hoek spugen, maar er was geen hoek vrij. Iedereen
om me heen sprak Russisch, en ik vroeg me af
of ze er ooit genoeg van zouden krijgen.
De beschaving eiste het, en er waren buttons voor iedereen.
Op het allerlaatste moment lukte het me om uit de bus te springen
voordat hij naar Joegoslavië terugreed.
Eerst namen ze geen hand voor de mond, en toen vroeg iedereen
ineens om ongewassen ingewanden op
tandenstokers. Maar er was alleen maar vettig fingerfood en
we zaten meteen vol.
De gedachte aan slapen werd obsessief, als dat
al niet zo was.
Nutteloos oververhitte hotelkamers en gekke Serviërs die de
hele nacht aan hun auto’s sleutelden.
Toen viel het water uit en moesten we ongewassen vertrekken,
wat ik niet zou vermelden als er niet op hetzelfde
moment een telefoontje uit Duitsland was gekomen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Claudia Gabler (Lörrach, 28 juli 1970)

 

Zie voor de schrijvers van de 28e juli ook mijn blog van 28 juli 2020 en eveneens mijn blog van 28 juli 2019 en ook mijn blog van 28 juli 2017 en ook mijn blog van 28 juli 2011 deel 2.

Michael Longley

De Ierse dichter Michael Longley werd geboren op 27 juli 1939 in Belfast. De dichter overleed op 22 januari jongstleden op 85-jarige leeftijd. Zie ook alle tags voor Michael Longley op dit blog.

 

THE LEVERET

This is your first night in Carrigskeewaun.
The Owennadornaun is so full of rain
You arrived in Paddy Morrison’s tractor,
A bumpy approach in your father’s arms
To the cottage where, all of one year ago,
You were conceived, a fire-seed in the hearth.
Did you hear the wind in the fluffy chimney?
Do you hear the wind tonight, and the rain
And a shore bird calling from the mussel reefs?
Tomorrow I’ll introduce you to the sea,
Little hoplite. Have you been missing it?
I’ll park your chariot by the otters’ rock
And carry you over seaweed to the sea.
There’s a tufted duck on David’s lake
With her sootfall of hatchlings, pompoms
A day old and already learning to dive.
We may meet the stoat near the erratic
Boulder, a shrew in his mouth, or the merlin
Meadow-pipit-hunting. But don’t be afraid.
The leveret breakfasts under the fuchsia
Every morning, and we shall be watching.
I have picked wild flowers for you, scabious
And centaury in a jam-jar of water
That will bend and magnify the daylight.
This is your first night in Carrigskeewaun.

 

Fifty Years

You have walked with me again and again
Up the stony path to Carrigskeewaun
And paused among the fairy rings to pick
Mushrooms for breakfast and for poetry.

You have pointed out, like a snail’s shell
Or a curlew feather or mermaid’s purse,
The right word, silences and syllables
Audible at the water’s windy edge.

We have tracked otter prints to Allaran
And waited for hours on our chilly throne,
For fifty years, man and wife, voices low,
Counting oystercatchers and sanderlings.

 

A Hundred Doors

God! I’m lighting candles again, still
The sentimental atheist, family
Names a kind of prayer or poem, my muse
Our Lady of a Hundred Doors.

Supervised by a xenophobic
Sacristan, I plant in dusty sand
Names and faces that follow me
As far as windows in the floor:

Marble stumps aching through glass
For their pagan temple, the warm
Inwardness Praxiteles brought out.
The intelligence of stone.

The sacristan who picks my flame-
Flowers and blows them out, only minutes
Old, knows I am watching and he
Doesn’t care as he shortens my lives.

 

DE WATERVAL

Als je mijn gedichten zou lezen, allemaal, bedoel ik,
Mijn levenswerk, in één keer, op één plek,
Laat het dan hier zijn, bij deze halfslachtige waterval
Die elk kiezelbekken zijn eigen stem gunt,
Vochtige stenen en lettergrepen, en dan, als het donker wordt
En je naar huis gaat langs verwilderde wijngaarden en
Kastanjebomen, ooit leveranciers van dwarsbalken, maan
Vormige noten, meel en knisperende vulling voor matrassen,
Laat ze dan hier achter, op de pagina, in je geestesoog, verlicht
Als de vuurvliegjes bij de waterval, een muur van sterren.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Michael Longley (27 juli 1939 – 22 januari 2025)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 27e juli ook mijn blog van 27 juli 2020 en eveneens mijn blog van 27 juli 2018 en ook mijn blog van 27 juli 2017 en ook mijn blog van 27 juli 2011 deel 2.

Arthur Japin, Dan Coman

De Nederlandse schrijver Arthur Japin werd geboren in Haarlem op 26 juli 1956. Zie ook alle tags voor Arthur Japin op dit blog.

Uit: Honden in het museum

“Basso is mijn eigen hond. Het is dankzij hem dat al die honden in museums me begonnen op te vallen. Honden op straat trouwens ook. Als je zelf een hondje hebt, herken je dat misschien: vanaf de eerste dag begin je anders naar de wereld te kijken. Met meer aandacht en meer liefde. Waar ik ook kom, sinds Basso bij ons is komen wonen, zijn honden het eerste wat me opvalt, overal. Sinds Basso’s komst bekijk ik de dingen met zijn blik. Daar worden ze mooier van. Ik vertrouw hem volledig en laat me graag door hem leiden. Door de stad, door het bos of dit verhaal, hij is de beste gids die je je kunt wensen.
We zullen Basso hard nodig hebben, want ons onderwerp — museumhonden — is ongelooflijk leuk, maar ook grenzeloos. Iemand moet ons richting geven! In de loop der eeuwen zijn er namelijk zoveel honden voor kunstenaars onmisbaar geweest, en zoveel hebben er hun plaats in de kunstgeschiedenis verdiend, dat het mij al begint te duizelen zodra ik erover nadenk.
Basso is ook de enige hond die ik ken die wél eens een museum heeft bezocht. Twee keer zelfs mocht hij met ons mee naar binnen. In Toscane. Daar begrijpen ze kennelijk beter wat een plezier een hond aan kunst beleeft. Kortom: Basso is een ervaringsdeskundige. Hij zal ons rondleiden en zorgt ervoor dat wij niet verdwalen in dit eindeloze labyrint van hondenkunst. En dat is maar goed ook, want voor het eerste deel van ons verhaal moeten we naar binnen in… een koude, oeroude, griezelig verlaten en pikdonkere grot.
In een grot is het allemaal begonnen, de vriendschap tussen mens en hond. Ergens diep in een rots rond het begin der tijden. Basso weet hier alles van omdat hij een deel van het jaar zelf tussen de overblijfselen van de oertijd woont. Samen met ons. In Zuid-Frankrijk. In een vallei vol prehistorische grotten. Hij is daar ook wel eens in geweest en hij weet er de weg. Bovendien: ’s ochtends plast Basso vaak even tegen Cro-Magnon.
Cro-Magnon is de grot waar voor het eerst botten van een oermens zijn gevonden. Naast hem lagen de resten van zijn hond. Dat klinkt een beetje naar, maar als je erover nadenkt, is het eigenlijk juist heel mooi. Ze lagen daar samen al vijftigduizend jaar. Zo lang en innig hielden ze elkaar gezelschap. Je kunt rustig zeggen dat de eeuwige vriendschap tussen hond en mens in die grot werd geboren.”

 

Arthur Japin (Haarlem, 26 juli 1956)

 

De Roemeense dichter en schrijver Dan Coman werd geboren op 27 juli 1975 in Gersa in de provincie Bistrita-Nasaud. Zie ook alle tags voor Dan Coman op dit blog.

 

Koekjes met appelmoes

Ik blijf bij Mara bij het raam.
Een prachtige winterdag.
Het sneeuwt terwijl we koekjes met appelmoes eten.
Zonder iets te zeggen.
Ieder met de hele winterochtend voor zich.
Soms stoppen we met eten en
drukken we onze neuzen tegen het glas.
We blijven zo staan zonder iets te zeggen.
Haar adem verwarmt langzaam mijn gezicht.
En langzaam, heel langzaam, verspreidt Mara’s adem
warmte door het park.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Dan Coman (Gersa, 27 juli 1975)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 26e juli ook mijn blog van 26 juli 2020 en eveneens mijn blog van 26 juli 2018 en ook mijn blog van 26 juli 2017 en eveneens mijn blog van 26 juli 2015 deel 2.

Lieke Marsman, Claudia Gabler

De Nederlandse dichteres Lieke Marsman werd op 25 juli 1990 geboren te Den Bosch. Zie ook alle tags voor Lieke Marsman op dit blog.

 

Oergeknal

’s Avonds zegt een natuurkundige op televisie
dat het ook mogelijk is dat het heelal op een dag
niet langer zal groeien, maar langzaam, sneller
dan het licht, ineen zal klappen. In dat geval
zouden er na ons nog triljoenen heelallen
kunnen ontstaan en hangen we nu slechts
onderaan een stamboom van universa. Stel je voor
dat je jezelf enkel voort kunt planten
door niet meer te bestaan.

’s Ochtends, wanneer ik bij de start
van een dag zie hoe ik opnieuw ben gaan
ademhalen, vergelijk ik dit heen en weer
gegooi van sterren met mijn op en neer
gaande borsten, met de antenne van
een radio, die je doelloos in en uit
kunt blijven schuiven en vervolgens,
vooralsnog mijn meest geslaagde poging,
met een zeeanemoon.

 

Sneeuwuilen

Soms, zegt iemand, is het niet uit weerwil,
maar omdat me iets is afgenomen – laatst,
met die documentaire over het uitsterven
van de huismus, bijvoorbeeld, kon ik dat
gevoel toch niet langer negeren. Daar moet ik
even over nadenken.

Er is eens een picknick geweest waarbij ik
honderd keer werd gestoken door mieren en toch
niet kon stoppen met lachen, want er was een picknick.
Mijn vader leerde me hoe je het geluid van een uil
met je handen kunt nabootsen en nog diezelfde dag
verbrandde ik mijn vingers. Niettemin kan ik nu klinken
als een uil. Soms wordt je dus onrecht aangedaan, maar
maakt het je niet zoveel uit. Het is niet erg om bang te zijn
als het een goed verhaal oplevert. Van de andere kant,
ik heb eens gezien hoe vissen elkaar de ogen uitaten en daar
werd helemaal niemand beter van. Zoiets mag je
inderdaad niet negeren, denk ik. En zoals er vissen zijn
met gaten in het hoofd, verlies ik iedere nacht een deel
van mijzelf in de dromen die ik heb, die ik ’s ochtends
aan het ontbijt, of bij het aankleden, nog maar half weet
en dan later nog maar voor een kwart. Deze dingen gebeuren
en we hebben geen invloed. Zo sta je opeens

in een bos bij Berlijn een uil na te doen en het donker
antwoordt met krekels. Het donker antwoordt met kikkers
en kraaien, maar zijn uilen geeft het niet prijs. Je zou de
vissenogen wel van je huid willen wassen, alle uitstervende
vogels niet meer dan ondergesneeuwde herinneringen
laten zijn, sneeuwuilen, misschien nog één keer
niet durven zwemmen in een vijver vol karpers, maar daarna
volwassen worden. Onrecht rechtvaardigt
al deze wensen. Je kunt niet treuren om een mus
die nog overal rondvliegt. Laatst draaide ik me vastberaden om
om te zeggen dat ik vissen niet langer eng vond en keek recht
in de ogen van een middelgrote waterslang. Godallejezus
hoe bang ik ben voor slangen valt niet goed te praten.

 

Lieke Marsman (25 juli 1990 – 3 juni 2026)

 

De Duitse dichteres Claudia Gabler werd op 28 juli 1970 geboren in Lörrach. Zie ook alle tags voor Claudia Gabler op dit blog.

 

Houd je van de microscopische hoeveelheden sproeiwater?

Houd je van de microscopische hoeveelheden sproeiwater,
die uit de bloesems van steden opstijgen,
die zich vestigen,
en ons over bucolische landschappen vertellen,
waar ze langs zullen zijn geslingerd tijdens hun pesttochten,
die zich verspreiden
in onze badkuipen vol geluk?

———
Maar we zijn allang in de tuinen getrokken,
waar vroeger monniken graasden,
bij hun aard passend en hongerig in hun gezang.
Wij, ooit metropoolneurs.
Als wij mensenkinderen nu schoenen aantrekken,
krijgen we er soms blaren in.

———
Liefde, zeg je,
is het verkeerde woord.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Claudia Gabler (Lörrach, 28 juli 1970)

 

Zie voor de schrijvers van de 25e juli ook mijn blog van 25 juli 2020 en eveneens mijn blog van 25 juli 2018 en eveneens mijn blog van 25 juli 2017.