Silke Scheuermann, Olivier Guez

De Duitse dichteres en schrijfster Silke Scheuermann werd geboren op 15 juni 1973 in Karlsruhe. Zie ook alle tags voor Silke Scheuermann op dit blog.

Uit: Wovon wir lebten

„Aufwachen!« Ich tippe ihr auf die Schulter. Halte die Hand ins Flusswasser und bespritze ihr Gesicht.
Der Junge findet das total spannend, das merke ich. So schnell werde ich den nicht mehr los, also sage ich: »Hilf mir mal, wenn du schon da bist.«
Das muss man ihm nicht zweimal sagen. Er stürzt sich auf Mutter und zieht so heftig an ihrem Arm, dass er ihr fast die Schulter auskugelt. Aus ihrem Mund kommt ein Grunzen, sie blinzelt endlich. Zusammen gelingt es uns, sie hochzuziehen. Sie nuschelt etwas.
»Er hilft uns kurz«, erkläre ich.
»Warte«, sagt der Junge, »ich halte sie an der anderen Seite.«
Sie steht inzwischen, auf unsere Schultern gestützt, mühsam arbeiten wir uns die Anhöhe hoch. Auf dem Weg wird es leichter, und prompt schließen sich ihre Augen wieder halb, während sie wie ein Automat weiter Fuß vor Fuß setzt.
»Was sollte das mit der toten Nutte?«, frage ich.
»Tut mir leid. Ich wusste doch nicht, dass sie deine Mutter ist!«
Ich versuche es anders: »Ich meine, wie bist du darauf gekommen? Hast du schon einmal eine tote Nutte gesehen?«
»Klar. Zweimal. In Frankfurt.«
»Wow.«
»Na ja, nur vom Fenster aus, sie rannte aus einem Haus. Jemand hat auf sie geschossen. Dauernd war da was los auf der Straße, Polizeirazzien, Messerstechereien und so. Wir haben im Bahnhofsviertel gewohnt, das ist eine gefährliche Gegend.« Er klingt stolz.
»Hm.« Hier in der Stadt gibt es auch jede Menge fiese Ecken, aber da bin ich natürlich nachts nicht.
»Ich habe ein Fernglas«, sagt der Junge. »Ein Fernglas?« Ich stelle ihn mir damit am Fenster vor und muss grinsen.
Er grinst zurück: »Ja. Genau wie ein Spanner.«
Ich merke, dass er gern eine Pause machen würde, um sich zu unterhalten, aber den Gefallen kann ich ihm nicht tun. Wir gehen weiter. An der Seite wird das Ufer schnurgerade, und nur niedriges Grün wächst am Rand.
»Frankfurt ist sicher nicht schlecht, oder?«, frage ich. Eigentlich nur, weil man das eben so sagt, denn ich vermisse hier nichts.
»Na ja. Jetzt sind wir hier. Wir sind am Wochenende eingezogen. Da!« Er dreht sich um, soweit das mit Mutter an der Seite geht, und deutet zu den Blocks an der Mainstraße.“

 

Fluisterende dorpen

Hoewel onze steden voortdurend proberen
ons met de hemel vertrouwder te maken
doordat zij ons van uitzichtpunten,
balkons en terrassen voorzien
Hoewel ze beweren dat je van bovenaf
misschien wel het meest tedere
punt in de ruimte kunt zien,
een gigantische knikker met een blauw centrum,
en ze ons trappen op en liften in lokken,
ons de veiligheidsvoorzieningen laten zien,
leuningen en netten,
de schoonheid van
de neonreclames,
vrachtwagens zo klein dat we ons
gigantisch voelen
Hoewel we bijna betoverd worden
door het lawaai beneden,
horen we soms het gefluister van de dorpen,
en soms geloven we er iets van,
en springen we
als Superman

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Silke Scheuermann (Karlsruhe, 15 juni 1973)

 

De Franse schrijver,  essayist en journalist Olivier Guez werd geboren op 15 juni 1974 in Straatsburg. Zie ook alle tags voor Olivier Guez op dit blog.

Uit: Mesopotamië (Vertaald door Tatjana Daan)

“Basra, maart 1916
Miss Ben veegt op de drempel van de hal haar bemodderde rijglaarsjes schoon en slaat met een geërgerd gebaar de zwerm mugjes weg die om haar heen cirkelt. Een Somalische boy, gekleed in een tuniek en met een tulband op, snelt blootsvoets toe om haar schoudermantel en paraplu over te nemen. Hij verzoekt haar hem te volgen, Sir Percy Cox wacht op haar in zijn kantoor. Hij is die ochtend van zijn dienstreis teruggekeerd. Lang en mager, blauwe doordringende ogen: Cox is niet veranderd sinds hun laatste ontmoeting bij gemeenschappelijke vrienden in Londen, zeven jaar terug. Zijn golvende haar is misschien grijzer geworden, maar hij lijkt niet erg verouderd en ziet er in zijn uniform nog altijd even deftig uit. Op zijn kraag herkent Miss Bell de dubbele witte lipjes van de politiek officieren van het Brits-Indische leger. Na in Somalië, Perzië en verschillende emeritaten aan de Perzische Golf te hebben gediend is de eenenvijftigjarige Cox, doorgewinterd dienaar van het Britse Rijk, het hoofd van het civiel bestuur in het bezette Mesopotamië. Cox, vermaard om zijn tact en zijn onverstoorbaarheid, betoont zich zijn reputatie die middag onwaardig. Verscholen achter een stapel topografische kaarten en luchtfoto’s bepotelt hij onder een portret van koning George v zijn snor en scheldt op de regen die aanhoudend op het dak van zijn hoofdkwartier roffelt, een gebouw dat is opgetrokken langs een stinkend kanaal waaruit het oorverdovende gekwaak van kikkers en padden opklinkt, het vaste winterse deuntje van Basra, de op palen gebouwde stad aan het estuarium dat Perzië van Mesopotamië scheidt. Er heerst chaos, heeft Miss Ben vastgesteld in de week dat ze in de stad is. De logistiek van het Brits-Indische leger faalt, de Britten tasten rond in onzekerheid, improviseren, hebben aan alles een tekort. Het is moeilijk, zo niet onmogelijk, de honderdduizenden paarden, soldaten, artsen en brahmanen die aan land zijn gekomen te herbergen en dit grote leger van het Oosten te bevoorraden, bij gebrek aan loodsen en koelinstallaties voor de bederfelijke voedingswaren. Het zuiden van Mesopotamië heeft alleen dadels, wat groenten en vee te bieden, dus alles moet uit India, worden geïmporteerd. Maar de oude handelsstad is niet uitgerust om het eskader onder te brengen dat in haar wateren ronddobbert. De haven zit vol, de grote vaartuigen gaan op volle zee voor anker. Onder wolkbreuken en een verzengende zon zijn uren, zelfs dagen nodig om mensen, dieren, goederen en munitie op kleinere transportmiddelen als gondels en ranke kaïks over te schepen en naar de drabbige, van vliegen en muggen vergeven oevers te brengen. Miss Bell heeft het aan den lijve ondervonden en tijdens de overtocht is ze door haar kousen heen in haar benen gestoken. Ze heeft onderweg opgemerkt dat het enige hospitaalschip overvol is en dat de stroom aan bootjes nog lang niet ophoudt.”

 

Olivier Guez (Straatsburg, 15 juni  1974)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 15e juni ook mijn blog van 15 juni 2021 en eveneens mijn blog van 15 juni 2019 en ook mijn blog van 15 juni 2017 deel 1 en eveneens deel 2.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *