je had geen hand meer over om een hand te geven en om een houding aan te nemen zei je dat je me straks nog zag waar wist ik niet ik heb niet lang gewacht
soms proef ik de restanten van paté soms vallen schalen uit een hand in gruis soms hoor ik stemmen bezig bij de vaat maar die van jou breng ik daar niet uit thuis
Herfst in het hoofd
Alsof ik blijvend bloos, zo gloeit mijn hoofd. Geknield heb ik vandaag verstek gezaagd, de nieuwe vloer geplint, terwijl het goot.
Het is november; onder vrienden sprak je dan van hoe je dacht dat straks je dood zou komen – als een druppel.
Nu niet. Nu wordt de herfst benut om aan het werk een gladde rand te geven. Het hoofd voorziet zich nog wel van gedachten, maar door de mond komt geen ervan tot leven.
Vandaar die rode kleur? Of word ik oud? De dag loopt af. Wij drinken op het plint als op een kist met goudbeslag. ’t Werd tijd. ‘Altijd november,’ denk ik, ‘altijd regen.’ Zo’n regel loopt, en raakt mij nooit meer kwijt.
Winterlandschap
Vergeefs sla ik gesloten ogen op; daarmee sluit mij het landschap in zich op dat mij voor dag en dauw en kou voor ogen stond:
een man fietste voor ’t laatst de polder in op zoek naar stilte als een vruchtbegin, en wolkjes adem condenseerden bij zijn mond.
Winter als op een Hollands schilderij. Maar waar de mensen waren? Misschien bij de kachel thuis, of op de achtergrond in mist.
Vooroorlogse ontroering gaf deze verbeelding mij, als had ik mij, nu nevels dichter werden, in de tijd vergist.
Wat moest ik met de mensen? Gedachten vielen als een vormloos pak in zachte sneeuw – een witte vlek betekende: een man die afstapt.
Vergeefs sla ik gesloten ogen op; daarmee sluit zich de man in mijn geheugen op tot dit in fijne sneeuw verdwijnt. Wat blijft is landschap.
“Yesterday the bird of night did sit, Even at noon-day, upon the marketplace, Hooting and shrieking.”
—William Shakespeare
1.
Imagine waking to a scene of snow so new not even memories of other snow can mar its silken surface. What other innocence is quite like this, and who can blame me for refusing to violate such whiteness with the booted cruelty of tracks?
2.
Though I cannot leave this house, I have memorized the view from every window— 23 framed landscapes, containing each nuance of weather and light. And I know the measure of every room, not as a prisoner pacing a cell but as the embryo knows the walls of the womb, free to swim as its body tells it, to nudge the softly fleshed walls, dreading only the moment of contraction when it will be forced into the gaudy world.
3.
Sometimes I travel as far as the last stone of the path, but every step, as in the children’s story, pricks that tender place on the bottom of the foot, and like an ebbing tide with all the obsession of the moon behind it, I am dragged back.
4.
I have noticed in windy fall how leaves are torn from the trees, each leaf waving goodbye to the oak or the poplar that housed it; how the moon, pinned to the very center of the window, is like a moth wanting only to break in. What I mean is this house follows all the laws of lintel and ridgepole, obeys the commandments of broom and of needle, custom and grace. It is not fear that holds me here but passion and the uncrossable moat of moonlight outside the bolted doors.
Wilde bloemen
Je gaf me paardenbloemen. Ze namen ons gazon in bezit met het recht van kolonisten – ronde zonnen die opkomen in april, zachte manen die wegwaaien in juni. Je gaf me vrouwenschoentjes, bloedwortel, zijdeplant, trillium, waarvan het geheime aantal de kinderen die je me gaf vertellen. In de hiërarchie van bloemen staan de wilde op hun stengels om benoemd te worden. Noem ze onkruid. Ik pluk ze zoals ik jou plukte, vanwege hun felle, onstuimige vreugde.
“Geen repetitie die morgen, dus we bleven in bed liggen. Ik zette thee. We zaten rechtop met de kussens in onze rug en zochten op onze telefoons naar berichten over Mark. Ik weet niet precies waarom we die wilden lezen, dat je een beroemd iemand persoonlijk kent, maakt misschien dat je onderdeel wordt van het bericht, en als kijker wil je dat degene die het voorleest het belang ervan inziet en dat op adequate wijze weet te brengen. Het laatste onderwerp in het tv-journaal van gisteravond was ernstig van toon maar werd routineus gebracht gedurende vijfenveertig seconden door een jonge verslaggever die kennelijk niet beschikte over informatie uit de eerste hand. Het was confronterend om op die manier op de hoogte te worden gebracht van de dood van een vriend. Ik zette het geluid uit, Richard sloeg een arm om mij heen en we keken zwijgend toe toen het cricket begon en daarna het weerbericht. Richard had Mark maar één keer ontmoet, tijdens het diner ter gelegenheid van Marks negentigste verjaardag in de Tate Gallery, waar tweehonderd gasten in een zaal zaten die voor de gelegenheid was volgehangen met zijn eigen schenkingen aan het museum. Tijdens zijn toespraak klonk en oogde Mark zwak, maar alle aanwezigen waren op zijn hand, en hij was bescheiden en bracht ook een toost uit op Cara, die één dag ouder was dan hij. Toen we daarna even met hen spraken, was het ons niet duidelijk of ze gekwetst of stilletjes opgelucht waren dat Giles niet aanwezig was. In het levensverhaal van Mark Hadlow is er wat de pers betreft altijd een hinderlijk gebrek aan schandalen geweest: hij was een moreel hoogstaande zakenman, een belangrijke filantroop, zeventig jaar getrouwd met dezelfde vrouw, geen kluizenaar, een in alle opzichten genereuze gastheer, maar zonder hang naar publiciteit: er werd beweerd dat hij een ridderorde en verheffing in de adelstand had afgewezen, en geen van de galerieën en gebouwen die hij heeft gesubsidieerd is naar hem genoemd. Hij is slechts het slachtoffer van kwaadaardige roddels dankzij zijn kinderen. Niemand heeft iets negatiefs te melden over Lydia, behalve dat ze ooit topless optrad in een film van Warhol en vijf jaar geleden overleed bij een auto-ongeluk in Frankrijk. Maar Giles gaat natuurlijk alom over de tong, en hij verzet zich zo fel tegen alles waar zijn vader voor stond dat het verhaal over Mark uitsluitend nog gaat over de negatieve carrière van zijn zoon. ‘Mark Hadlow: miljonair en vader van de brexitminister, overleden’ meldde de Times, terwijl de Mail Giles als eerste noemde in de zin: ‘Giles Hadlows vader op 94-jarige leeftijd overleden’. De foto waarop beide mannen ietwat ongemakkelijk samen poseren, dateert uit de jaren tachtig. Het zou waanzin zijn om te stellen dat Giles verantwoordelijk was voor Marks dood, maar ik vroeg me af hoe hij nu over hem zou denken: nog steeds opstandig of met een mengeling van schuldgevoel en verdriet?”
Met sardonische nutteloosheid Vlucht de veelkleurige menigte, Opgejaagd door vurige sensualiteit, Voor iets dat op hun rug wordt gedragen. Eindeloos onderdrukt, stroomt een geluid Op uit de menigte, Alsof iemand naar adem snakt Om bevrijdende woorden uit te spreken. Door de kunstmatige vallei Gevormd door opzichtige ontwijkingen, Trekt de verstikte menigte op en neer, Gedachten doorborend met snelle geluiden. Vrouwen paraderen zoetgevooisd, Borduren hun onverzadigde verlangens, En mannen struikelen naar een vluchtig opiaat. Soms breekt een moment open En hoort men de knokkels Van kinderen die op torenhoge deuren kloppen: Kloppen op de snelweg Waar de beschaving paradeert Met haar bevroren vriendelijkheid!
Wat moet de geest geloven? – Hij bezit het hele lichaam; Ik, die aan liefde begin, Maak daar mijn studie van.
Wij zijn één en toch zijn we meer, Wordt mij verteld door wie het weten, – Soms gelukkig twee. Vandaag huppelde ik langs het water, Mijn blik hier noch daar, Mijn dunne armen op en neer, Een vogel mijn lichaam, Mijn vogelbloed klaar.
Uit: Op huizenjacht (Vertaald door Gerda Baardman)
“Het huis was totaal niet geschikt voor hen. Het was een met klimop begroeid Normandisch landhuis met een asymmetrische daklijn, een kort dik torentje met spits en op de begane grond ramen met kleine ruitjes, en het stond hoog op de noordwestelijke oever van Lake Washington, een paar straten ten oosten van het huis waar Christy was opgegroeid. De buurt was ten prooi aan regelmatige invallen van legers tuinlieden, landschapsarchitecten en mensen die echte Umbrisch granieten straatstenen kwamen leggen, maar toch was het huis overduidelijk opgetut voor de verkoop. De blauwe verf op de luiken zag er glanzend en nat uit, verse zwarte bloemenaarde kolkte rul rond de viooltjes langs de oprijlaan en het onmetelijke gazon aan de voorkant was opgepoetst tot het een harde glans vertoonde. Het bordje van de makelaar was een discreet rood-wit schildje op een zwart ijzeren paal, met alleen ‘Herman Silk’ en een telefoonnummer erop in een chic schreefloos lettertje. ‘Dit?’ vroeg Daniel Diamond en zijn hart maakte een sprongetje, met een duizelig makend getintel. Hoewel alle raampjes openstonden, hing er in de auto van meneer Hogue een verstikkende walm van aftershave, een scherp ruikend extract van wintergroenolie en pekel dat de makelaar heviger was gaan uitwasemen naarmate ze dichter bij het huis kwamen, als een soort angstzweet. Daardoor kreeg Daniel meer last van zijn allergie en hij wilde dat hij er die ochtend aan had gedacht een Claritin te nemen voordat hij de deur van de flat achter zich dichttrok. ‘Is dit het?’ ‘Dit is het,’ zei Hogue op vermoeide toon, alsof hij al de hele dag in zijn oeroude Mercedes met ze door de stad zeulde om hun een eindeloze hoeveelheid huizen te laten zien waar niets mis mee was en die ze niettemin om de willekeurigste, pietluttigste redenen stuk voor stuk afwezen. Maar het was pas tien uur ’s ochtends en dit was het eerste huis dat ze gingen bekijken. Bob Hogue was een gelooide man van onbestemde middelbare leeftijd met een groen polohemd, een beige broek en een geruite katoenen blazer in een kleurstelling die populair is bij fabrikanten van cellofaangras voor paasmandjes. Zijn rimpels als rechte lijnen, zijn stekeltjeshaar, zijn kin als twee knokkels en zijn neus met de minuscule rode kriebellettertjes gaven hem het aanzien van een aan lager wal geraakte straaljagerpiloot. ‘Wat is ermee? Is het je te min?”
De week na de dood van je vader, zie ik je na school naar huis lopen in je Wimpy Kid T-Shirt, en ik ken je niet eens, maar ik wil je roepen als een ontvoerder en je vertellen dat dit nog maar het begin is. Je hoofd zal altijd een brandende lucifer zijn, zoals de apostelen in het glas-in-loodraam toen Jezus terugkwam. Maar hij zal nooit terugkomen. Ik zeg dit omdat je het weet, maar toch zul je ervan dromen. Je zult dol zijn op boeken en tv-programma’s over tijdreizen. Zoals het blauwe politiehokje waar je in kunt stappen en terug kunt gaan naar de week ervoor. Of misschien vindt hij je wel, zoals hij doet op deze eerste ochtenden, voordat je het je herinnert. Hij zal altijd hetzelfde shirt dragen als hij je komt wakker maken, zoals mijn vader in zijn olijfgroene strepen, alsof hij nooit iets anders droeg.
De deur ging open en de bus reed binnen. Een hevig gebrom, iedereen sprakeloos niet in staat om het juiste te zeggen. Een bus? Zie je dat? Een bus.
Het was wachten op andere voertuigen of dat de kamer eigenlijk een plaats was waar bomen onder invallende duisternis een spoorwegovergang aan het oog onttrekken.
Dan is het een vreemde gewaarwording in een fauteuil wakker te worden met het boek nog op je schoot, een studie
naar de waarde van zeldzaamheid in een taal die je niet beheerst maar je bent halverwege en je hebt begrepen wat de auteur bedoelt.
Hij heeft hier gezeten, dat weet je en naast hem een engel of god, boven alle tijd verheven maar nu door en door nat met een lelijke hoest en vlekken van de koorts
niet te weten wat te doen met deze bus en diezelfde ontreddering daarna in de woorden waarmee hij alle buspassagiers om een paar stuivers vraagt.
Het ruikt niet fris meer, de benzinedampen zijn het sterkst waar de bus een bocht moest maken om bij het raam te kunnen parkeren.
Iemand aarzelt om hier uit te stappen naast de bezette fauteuil in de wetenschap van die engel of god en wat hij verder van plan is.
Iemand wil niet in hetzelfde stappen om iedere dag te voelen dat de bus bestaat.
Dan rennen om de bus te halen en de bus te missen.
Passie
De slager werpt zich op zijn altaar Hij verspreidt zijn dienende bestaan door merg en been Zijn mes komt op het hakblok neer (en neer en neer)
Het mes snijdt door zijn klanten – Hoor maar Het gelouter gaat tekeer en klettert op zijn bloedverwanten Onbeperkt de hartelust waar deze schepping zich mee tooit
Men wordt in bloed zoveel gewaar Vooral in mens en dier geschreven gaat het mes tevreden heen Er is geen heiliger gebaar
Verbindingskunstenaar
Strepen kunnen wel, maar lusjes?
Een mens loopt al vaak kreupel voor het hart daartoe noopt, mooi woord.
Een verbindingskunstenaar heeft dan zijn touw paraat en knoopt, denkt na
pitriet, ach ja en raffia – de wereld buigt.
Hebben we de handjes netjes gevouwen? Heeft iedereen de opdracht van verleden week al af?
Koolwitje, zij. Een witte maan ontsluiert en verbergt de nacht. De lucht is haast onadembaar. Draadloos loopt ze door het onplezierig labyrint. Ze schudt als zoetemelk en dwaalt, en dwaalt.
Meekraplak rozen bloeien om de oude Prachtbau. In tempelgroene wingerd gaat het museum schuil. Rood Knossos lijkt wel Guggenheim. Eénzelfde parasol, bordeaux van kleur, beschaduwt Adolf, Plato, captain Kirk. Zo draait in elke zaal een tafereel dat steeds, bij nadering, wordt uitgewist.
Zo boos een firmament. Eerst zingt Marie, dan treedt hij op: de glimmend zwarte faëton in wie haar stem ontslaapt, na oorverdovend roepen.
Is het een slederit? De Spessart, onder verse sneeuw. Rondom een bergland oogwitwit. Sneeuw vlokt alleen om nooit omhoog te gaan. In angst: ‘Marie! Marie! Houd je goed vast!’ De stem houdt bij de lippen stil. Een diepte gaapt. Dan gaat het steil bergaf, opeens.
Aurora in de herfst
April niet, en geen vogel met gevorkte staart. Susette zit. Het slot roest dicht, het spoor bewijst haar niet. Geen dotterbloem of espeblad bevrijdt en bindt haar ook. Een geel juweel wordt ganz umsonst gepoetst. Om niets glimt het azuur.
Augustus niet. Geen leeuwerik die klimt en het voor haar begeeft. Ze schrijft, terwijl ze door de zeef van herfsten gaat. Afwezig werkt een spin aan zilverdraad. Haar ochtend gloort van nevel. Dood gaan voortdurend varens.
Ze schrijft. Haar letter vangt wat hij verliest, de pen herhaalt: Hier – weg! Hier – weg! Aurora is ze, zuster van de maan. Titonus werd (de man uit Bern) als stro door vuur verteerd. Vergrijsd dronk hij de ambrozijn, tot hij een sprinkhaan werd.
(Steeds kwelt Susette een onbestemde dorst. De bekers zijn met goud gevuld. Haar hand beklemt een ruit van blauw, onbreekbaar glas.)
Een dag op het land
(Dit is geweest. Een koets ontvoert haar uit ‘Het witte hert’. Een wolk van stof waait op en gaat terneer. Gontard, de stad getrouw, telt reukloos geld en buigt voor lakenhandelaars.)
Susette woont op de Pinksterwei, en lijkt wel uit de doden opgestaan. Weer etst ze zich een Eden aan de Main. Opent de rozen om het huis, legt mist in de kastanjelaar. Slurpt mensenschuwe rust. En eet een laat ontbijt met hem, in het jasmijnprieel.
Damast, waarbij de glans van zilver hoort. Een blik, versteend bij haar entree. Maar zij ontwijkt het oog en loopt vertraagd de kamer in. De crinoline weegt als zink, terwijl ze ziet: een lauw, doorzond prieel, gordijnen open op een gletsjerblauwe dag. Op tafel rinkelt vliesdun Meissner-porselein. Dan zit ze, schept drie lepels suiker in haar thee. Wat zoet is lijkt, per definitie, goed voor haar.
‘U schrijft, mijnheer?’ Bloedjong is hij in Frankfurts middenstand, een dichter met het marmeren lijf en wezen van een Phidias. (Een rode mist trekt daarom voor haar ogen.) Toch schijnt hij bang, en zonder moed op haar.
Maar onderhoudend wel. Geen Klopstock, Schiller doet het hem ooit na. Boven de sterren zwijgt de golfslag van de strijd. Al eeuwen had hij haar van ver gekend. Voor hem is zij Urania. En dit gesprek: de Rijn die uit zijn bedding breekt. Nou goed, dat klinkt alvast niet gek.
“Gisteren is het gebeurd. We kunnen het nog steeds niet geloven, vader en ikzelf. Vader dat is mijn man. We noemen elkaar vader en moeder, omdat we vinden dat zoiets ons des te inniger tot een gezin aaneensmeedt en op den duur zijn vruchten af zal werpen. Vaderlijke autoriteit en moederschap – zoiets ga je toch niet ondergraven door een willekeurige voornaam te gebruiken. Als je een kind er op tijd van doordringt: dit is moeder, en niets anders dan moeder en niet zekere Lucy, Margot, Elsbeth, of noem maar op, dan zal dat vast en zeker invloed hebben op het instinct en zo; tenminste zo denken wij erover. Wij zijn waarachtig niet het soort mensen dat bij de dag leeft. Hoeveel families zie je niet om je heen, waarin de bejaarde ouders het moeten stellen zonder de alleszins gerechtvaardigde dankbaarheid van hun kinderen. Anders uitgedrukt: in tehuizen of in andere oorden zie je ze terugvallen op de hulp van derden. Is het gek dat vader en ik vinden dat die beklagenswaardige mensen – dat wel – hun lot per slot van rekening aan zichzelf hebben te wijten. Je moet je kind vanaf de eerste dag – ik zou haast zeggen: zó uit de moederschoot – opvoeden tot dankbaarheid. Tenslotte schenk je hun toch maar het leven, anders gezegd: een geschenk, waarvan je maar moet afwachten hoe het uitpakt. De liefde voor vader en moeder kun je nog het beste vergelijken met de terugbetaling van een schuld, maar van een prachtschuld, ik zou haast willen zeggen van de mooiste schuld die er bestaat. Gisteren is het dus allemaal gebeurd. Ik begrijp er nog steeds niets van. Vader, die ik trouwens erg bewonder, komt er klaarblijkelijk eerder overheen – tenminste dat denk ik, want dat hij nu alweer aan de gang is gegaan met nieuwe ideeën voor grootmoeders testament, diep erover heen gebogen, op kladjes krabbelend en belust op veranderingen, dat hij dat doet en op die manier ons gezinsleven verrijkt met het uitzicht op een erfenis, daarop heeft zijn verdriet, terwijl hij toch Koens vader is, kennelijk geen invloed. Als het nu maar bij verdriet bleef; behalve dat zijn we allemaal ook erg verbolgen, heel erg verbolgen. Verschrikkelijk gewoon. Alles liep tot nu toe zo gesmeerd. Speciaal sinds ons dochtertje Gitti, werd geboren, de beloning voor vier zoontjes. Gittekind is werkelijk nog schattiger dan we hadden durven dromen. En bovendien gewoonweg ideale peetouders.”
“Mijn moeder groeide op waar de Rijn ons land binnenkomt, in Tolkamer. Haar autoritaire vader was douanier, haar moeder had een zwak hart en lag vaak op de bank. Het onstuimige karakter van mijn moeder zorgde in haar jeugd al voor conflicten. Als tiener werd ze daarom naar een instelling voor gemankeerde jongens gestuurd, waar ze zonder noemenswaardige opleiding groepsleidster werd. Het was een manier om haar het huis uit te werken. Door mijn vader te trouwen, kon ze ontsnappen aan die omstandigheden. Ik weet niet of het echt liefde was, ze waren voor elkaar misschien eerder een paspoort naar een ander leven. Mijn vader wist niet wat hem overkwam: hij was onzeker en brildragend en had opeens zo’n flamboyante meid aan de haak. Twee jaar nadat ik werd geboren, emigreerden ze naar Aruba. Mijn vader ging daar lesgeven, mijn moeder leidde er het leven van een expatvrouw. Die jaren hebben onlangs met terugwerkende kracht kleur gekregen dankzij de brieven van mijn moeder, die ik op haar uitvaart van een vriend van haar kreeg. Een doos vol dichtbeschreven luchtpost, die ze hem destijds stuurde. Het was een ontremde toestand, daar op Aruba: mensen gingen er getrouwd heen en kwamen bijna zonder uitzondering gescheiden terug. In haar brieven beschrijft mijn moeder de losbandige feesten. Mijn vader deed nog aan huwelijkse trouw, maar mijn moeder nam het ervan. Ze is altijd roekeloos geweest, niet alleen op seksueel vlak. Ze reed steevast veel te hard en verspeelde kapitalen door te investeren in krankzinnige, idealistische projecten. Als moeder van mijn zus, mij en ons uit Colombia geadopteerde zusje was ze grillig. Haar temperament kon vlug verschieten van enorme woede naar grote liefheid. Ze was geen traditionele moeder, van een echte opvoeding was eigenlijk niet zozeer sprake. Meer een laisser-faire. Op mijn negende keerden we terug naar Nederland – ik had mijn heup gebroken en die kon alleen hier worden gerepareerd. Twee jaar daarna scheidden mijn ouders. Aanvankelijk nam mijn moeder niet alleen alle kinderen maar ook de volledige inboedel mee, mijn vader hield het huis. Zij trok in de woning van haar nieuwe man. Ik vond het daar unheimlich, had geen zin in het nieuwe bestaan dat me werd opgedrongen, en besloot bij mijn vader te gaan wonen.”