Kom, Heil’ge Geest, Gij vogel Gods (Ad den Besten), Theodore Roethke

 

 

Pentecost Version I door Sheila Diemert, 2016

 

Kom, Heil’ge Geest, Gij vogel Gods

Kom, Heil’ge Geest, Gij vogel Gods,
daal neder waar Gij wordt verwacht.
Verschijn, Lichtengel, in de nacht,
van onze geest, verward en trots.

Waar Gij niet zijt, is het bestaan,
is alle denken, alle doen,
zo leeg en woest, zo dood, als toen,
Gij, Geest, nog niet waart uitgegaan.

Er is geen licht dan waar Gij zijt,
uw vleugels breidt, uw vleugels strekt,
geen leven, dan waar Gij het wekt,
in een gemis dat naar U schreit.

Hoor, Heil’ge Geest, wij roepen U,
kom, wees aanwezig in het woord;
wek onze geest, opdat hij hoort,
wek ons tot leven, hier en nu.

O Heil’ge Geest, wij zijn verblijd,
Gij immers, eeuwig ondoorgrond,
legt zelf dit lied ons in de mond,
ten teken dat Gij bij ons zijt.

 

Ad den Besten (11 maart 1923 – 31 maart 2015)
De Domtoren in Utrecht, de geboorteplaats van Ad den Besten

 

De Amerikaanse dichter Theodore Huebner Roethke werd geboren in Saginaw, Michigan op 25 mei 1908. Zie ook alle tags voor Theodore Roethke op dit blog.

 

Het jonge meisje

Wat moet de geest geloven? –
Hij bezit het hele lichaam;
Ik, die aan liefde begin,
Maak daar mijn studie van.

Wij zijn één en toch zijn we meer,
Wordt mij verteld door wie het weten, –
Soms gelukkig twee.
Vandaag huppelde ik langs het water,
Mijn blik hier noch daar,
Mijn dunne armen op en neer,
Een vogel mijn lichaam,
Mijn vogelbloed klaar.

 

Vertaald door Ria Loohuizen

 

Theodore Roethke (25 mei 1908 – 1 augustus 1963)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 25e mei ook mijn blog van 25 mei 2025 en ook mijn blog van 25 mei 2020 en eveneens mijn blog van 25 mei 2019 en ook mijn blog van 25 mei 2017 en ook mijn blog van 25 mei 2015 deel 2.

Ad den Besten

De Nederlandse dichter, essayist en uitgever van poëzie Adriaan Cornelis (Ad) den Besten werd geboren in Utrecht op 11 maart 1923.   Den Besten studeerde van 1941 tot 1943 theologie. Op de ideeën van de protestantse theoloog Karl Barth reageerde hij toen nog kritisch, later zou hij hem gaan waarderen. In de oorlogsjaren leverde hij bijdragen aan het baldadige en surrealistische maandblad De Schone Zakdoek dat een oplage had van één exemplaar. Den Besten groeide op in een naar eigen zeggen deutschfreundlich milieu. Zijn vader, Cornelis den Besten, werd in 1933 lid van de NSB. Zelf tekende Den Besten als theologiestudent de loyaliteitsverklaring, met voorbehoud: ‘alleen voorzover in overeenstemming met mijn geloof in Jezus Christus’. Zijn vader werd door de nazi’s ontslagen als burgemeester van Apeldoorn omdat hij weigerde de fietsen van joodse burgers te vorderen. Niettemin is hij veroordeeld na de oorlog, met detentie als gevolg. Den Besten meldde zich eind 1942 aan bij de Nederlandse Kultuurkamer. Zijn literaire debuut had Den Besten op 16-jarige leeftijd in het tijdschrift Opwaartsche Wegen. Zijn eerste bundel, “Dubbel leven”, verscheen in 1946. Na een loopbaan in de uitgeverij studeerde hij vanaf 1958 Duits. Door zijn bloemlezing “Deutsche Lyrik auf der anderen Seite” speelde hij een belangrijke rol in de acceptatie van de Oost-Duitse poëzie in het Westen, vooral in de Bondsrepubliek. Ook was hij acquirerend redacteur van de Poëziereeks De Windroos, onder andere een springplank voor de vernieuwende Beweging van Vijftig in de Nederlandse poëzie. Den Besten promoveerde in 1983 met een proefschrift over de achtergrond en het auteurschap van het Wilhelmus (Wilhelmus van Nassouwe: het gedicht en zijn dichter). Zijn vertaling van de gedichten van Friedrich Hölderlin verscheen in 1988. Hij gaf zelf toe, dat dit inderdaad een werk van liefde was, daar het hem vele jaren gekost had, eer hij het aandurfde Hölderlin te vertalen: “Te groot leek Hölderlin en te groot vind ik hem nog.” Zijn bundel Poëzie om te zingen, met eigen liederen en vertalingen van (vooral Duitse) liederen, verscheen in 1998.  In 1989 kreeg hij de Martinus Nijhoff Prijs voor zijn vertaling van de gedichten van Friedrich Hölderlin (1988).

 

Tegen mijn verlies

De sterren staan hoger dan ik
in het heelal genoteerd.
O goden afgekeerd,
gij vindt in uw ogen van blik

geen spoor van mij, geen spoor
meer van mijn verschoten ster:
ik ben al sinds eeuwen her
alleen een vloek in uw oor.

Wat zou ik, o blind bestier,
klein onder uw sterren, klein?
– Ik kan niet tegen mijn
verlies, ik vloek en ik tier.

Maar dat is genoeg om te zijn.

 

Licht

Licht, – als ik uit het licht verdwijn,
wegzink van tussen zijn beminden
tot waar het mij niet meer kan vinden,
dan is het waar het niet kan zijn.

Licht – want het is zo goed geweest
dat ik het nergens kan vergeten:
het staat nog als een helder weten
in dode ogen, blinde geest.

O licht der wereld, het is goed
om zo te wachten, wétend onder
de domme waatren, op het wonder
dat tussen ons beginnen moet:

dat ik met al uw doden mee
die in het donker slapend waken
als plankton aan de dag zal raken;
dat gij uit mij zult wakker maken
het lichten van uw glazen zee.

 

Ad den Besten (11 maart 1923 – 31 maart 2015)