Jan Baeke, Jane Kenyon

De Nederlands dichter Jan Baeke werd geboren in Roosendaal op 23 mei 1956. Zie ook alle tags voor Jan Baeke op dit blog.

 

Een engel of god

De deur ging open en de bus reed binnen.
Een hevig gebrom, iedereen sprakeloos
niet in staat om het juiste te zeggen.
Een bus? Zie je dat? Een bus.

Het was wachten op andere voertuigen
of dat de kamer eigenlijk een plaats was
waar bomen onder invallende duisternis
een spoorwegovergang aan het oog onttrekken.

Dan is het een vreemde gewaarwording
in een fauteuil wakker te worden
met het boek nog
op je schoot, een studie

naar de waarde van zeldzaamheid
in een taal die je niet beheerst
maar je bent halverwege
en je hebt begrepen wat de auteur bedoelt.

Hij heeft hier gezeten, dat weet je en naast hem
een engel of god, boven alle tijd verheven
maar nu door en door nat
met een lelijke hoest en vlekken van de koorts

niet te weten wat te doen met deze bus
en diezelfde ontreddering
daarna in de woorden waarmee hij alle buspassagiers
om een paar stuivers vraagt.

Het ruikt niet fris meer, de benzinedampen
zijn het sterkst waar de bus
een bocht moest maken
om bij het raam te kunnen parkeren.

Iemand aarzelt om hier uit te stappen
naast de bezette fauteuil
in de wetenschap van die engel of god
en wat hij verder van plan is.

Iemand wil niet in hetzelfde stappen
om iedere dag te voelen dat de bus bestaat.

Dan rennen om de bus te halen
en de bus te missen.

 

Passie

De slager werpt zich op zijn altaar
Hij verspreidt zijn dienende bestaan
door merg en been
Zijn mes komt op het hakblok neer
(en neer en neer)

Het mes snijdt
door zijn klanten – Hoor maar
Het gelouter gaat tekeer
en klettert op zijn bloedverwanten
Onbeperkt de hartelust
waar deze schepping zich mee tooit

Men wordt in bloed zoveel gewaar
Vooral in mens en dier geschreven
gaat het mes tevreden heen
Er is geen heiliger gebaar

 

Verbindingskunstenaar

Strepen kunnen wel, maar lusjes?

Een mens loopt al vaak kreupel
voor het hart daartoe noopt, mooi woord.

Een verbindingskunstenaar heeft dan
zijn touw paraat en knoopt, denkt na

pitriet, ach ja en raffia – de wereld buigt.

Hebben we de handjes netjes gevouwen?
Heeft iedereen
de opdracht van verleden week al af?

 

Jan Baeke (Roosendaal, 23 mei 1956)

 

De Amerikaanse dichteres en vertaalster Jane Kenyon werd geboren op 23 mei 1947 in Ann Arbor, Michigan. Zie ook alle tags voor Jane Kenyon op dit blog.

 

Even komt het binnen, en even spreekt het

Ik ben de bloesem geperst in een boek,
na tweehonderd jaar teruggevonden. . . .

Ik ben de schepper, de minnaar en de bewaarder. . . .

Wanneer het jonge meisje dat honger lijdt
aan tafel gaat zitten,
zal ze naast mij zitten. . . .

Ik ben het eten op het bord van de gevangene. . . .

Ik ben het water dat naar de bron stroomt,
dat de kruik vult tot hij overloopt. . . .

Ik ben de geduldige tuinman
van de droge en onkruidrijke tuin. . . .

Ik ben de stenen trede,
de grendel en het werkende scharnier. . . .

Ik ben het hart dat samentrekt van vreugde. . .
het langste haar, wit
vóór alle anderen . . .

Ik ben daar in de fruitmand
die aan de weduwe wordt aangeboden. . .

Ik ben de muskusroos die zich opent,
onbeheerd, de varen op de drassige top.

Ik ben degene wiens liefde
je overweldigt, die al bij je is
wanneer je eraan denkt mijn naam te roepen….

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Jane Kenyon (23 mei 1947 – 22 april 1995)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e mei ook mijn blog van 23 mei 2020 en eveneens mijn blog van 23 mei 2019.

Erik Spinoy, Jane Kenyon

De Vlaamse dichter en schrijver Erik Spinoy werd geboren op 22 mei 1960 in Sint-Niklaas. Zie ook alle tags voor Erik Spinoy op dit blog.

 

Een nachtmerrie

Koolwitje, zij. Een witte maan ontsluiert en
verbergt de nacht. De lucht is haast onadembaar.
Draadloos loopt ze door het onplezierig labyrint.
Ze schudt als zoetemelk en dwaalt, en dwaalt.

Meekraplak rozen bloeien om de oude Prachtbau.
In tempelgroene wingerd gaat het museum schuil.
Rood Knossos lijkt wel Guggenheim. Eénzelfde parasol,
bordeaux van kleur, beschaduwt Adolf, Plato,
captain Kirk. Zo draait in elke zaal
een tafereel dat steeds, bij nadering,
wordt uitgewist.

Zo boos een firmament. Eerst zingt Marie,
dan treedt hij op: de glimmend zwarte faëton
in wie haar stem ontslaapt, na oorverdovend roepen.

Is het een slederit? De Spessart, onder verse sneeuw.
Rondom een bergland oogwitwit. Sneeuw vlokt alleen
om nooit omhoog te gaan. In angst: ‘Marie! Marie!
Houd je goed vast!’ De stem houdt bij de lippen stil.
Een diepte gaapt. Dan gaat het steil bergaf, opeens.

 

Aurora in de herfst

April niet, en geen vogel met gevorkte staart.
Susette zit. Het slot roest dicht, het spoor
bewijst haar niet. Geen dotterbloem of espeblad
bevrijdt en bindt haar ook. Een geel juweel
wordt ganz umsonst gepoetst. Om niets glimt
het azuur.

Augustus niet. Geen leeuwerik die klimt en het
voor haar begeeft. Ze schrijft, terwijl ze door
de zeef van herfsten gaat. Afwezig werkt een spin
aan zilverdraad. Haar ochtend gloort van nevel. Dood
gaan voortdurend varens.

Ze schrijft. Haar letter vangt wat hij verliest,
de pen herhaalt: Hier – weg! Hier – weg! Aurora
is ze, zuster van de maan. Titonus werd (de man
uit Bern) als stro door vuur verteerd. Vergrijsd
dronk hij de ambrozijn, tot hij een sprinkhaan werd.

(Steeds kwelt Susette een onbestemde dorst.
De bekers zijn met goud gevuld. Haar hand
beklemt een ruit van blauw, onbreekbaar glas.)

 

Een dag op het land

(Dit is geweest.
Een koets ontvoert haar uit ‘Het witte hert’.
Een wolk van stof waait op en gaat terneer.
Gontard, de stad getrouw, telt reukloos geld
en buigt voor lakenhandelaars.)

Susette woont op de Pinksterwei, en lijkt wel uit
de doden opgestaan. Weer etst ze zich een Eden
aan de Main. Opent de rozen om het huis, legt mist
in de kastanjelaar. Slurpt mensenschuwe rust. En eet
een laat ontbijt met hem, in het jasmijnprieel.

Damast, waarbij de glans van zilver hoort.
Een blik, versteend bij haar entree. Maar zij
ontwijkt het oog en loopt vertraagd de kamer in.
De crinoline weegt als zink, terwijl ze ziet:
een lauw, doorzond prieel, gordijnen open op
een gletsjerblauwe dag. Op tafel rinkelt
vliesdun Meissner-porselein. Dan zit ze, schept
drie lepels suiker in haar thee. Wat zoet is
lijkt, per definitie, goed voor haar.

‘U schrijft, mijnheer?’ Bloedjong is hij
in Frankfurts middenstand, een dichter met
het marmeren lijf en wezen van een Phidias.
(Een rode mist trekt daarom voor haar ogen.)
Toch schijnt hij bang, en zonder moed op haar.

Maar onderhoudend wel. Geen Klopstock, Schiller
doet het hem ooit na. Boven de sterren zwijgt
de golfslag van de strijd. Al eeuwen had hij haar
van ver gekend. Voor hem is zij Urania. En dit
gesprek: de Rijn die uit zijn bedding breekt.
Nou goed, dat klinkt alvast niet gek.

 

Erik Spinoy (Sint-Niklaas, 22 mei 1960)

 

De Amerikaanse dichteres en vertaalster Jane Kenyon werd geboren op 23 mei 1947 in Ann Arbor, Michigan. Zie ook alle tags voor Jane Kenyon op dit blog.

 

Koekje

De hond heeft zijn bak leeggegeten
en zijn beloning is een koekje,
dat ik in zijn bek stop
als een priester die de hostie aanbiedt.

Ik kan die kop vol vertrouwen niet uitstaan!
Hij vraagt om brood, verwacht
brood, en ik met mijn macht
had hem een steen kunnen geven.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Jane Kenyon (23 mei 1947 – 22 april 1995)
Met haar hond Gus

 

Zie voor meer schrijvers van de 22e mei ook mijn blog van 22 mei 2020 en eveneens mijn blog van 22 mei 2018.