Dolce far niente, Salman Rushdie, Anne Carson

 

 

Ode to Corvette Summer door Timothy Adry Emmanuel, 2022

 

40 Ounce

Summer has salted
our neighborhood to thirst;
tar that patches the wounds of roofs
heats to sluggish bubbles;
sun obligates
paint on car hoods to blotch.

Emphasized by the light
inside corner-store beer coolers,
your malt lusters.

You’re cold gold down throat.

Lush like storm-brim wind.

Foam-skinned as any cleansing.

Within thick glass, you swish oceanic
as we share you palm to palm.

You have helped
this dice game clank alive,
paper-wager and victory-rake,
players with obsidian eyes.

Through an uncurtained pane,
a music video is visible;
women’s shimmer slurs
like jewelry worn on a passerby.

Neighbors here and there snore,
hallway walls tacked
with flea-market art, closets
dehydrated by moth repellent.
They leave us to you.
They could plead tomorrow
in churches whose pipes
ramble behind brittle plaster.

We drink you to the pale bottom,
we drink until night sinks
into skin like silk,
until graveyard cops
circle our block like a clock arm,
until blood slides
like alloy through veins,
until words hammer
from the anvil of the brain,
until America’s
continental wheel unbolts
and everybody can see
we gleam like greased bearings.

 

Marcus Jackson (Toledo, Ohio, 9 september 1990)
Toledo, Ohio

 

De Indisch-Britse schrijver en essayist Salman Rushdie werd geboren in Bombay op 19 juni 1947. Zie ook alle tags voor Salman Rushdie op dit blog.

Uit: Middernachtskinderen (Vertaald door Max Schuchart)

“Ik ben geboren in de stad Bombay… eens op een dag. Nee, dat kan niet, aan de datum valt niet te ontkomen: ik ben geboren op 15 augustus 1947 in Dokter Narlikars kraamkliniek… En de tijd? De tijd komt er ook op aan. Goed dan: ’s avonds. Nee, het is van belang… Klokslag middernacht om precies te zijn. Wijzers van klokken vouwden zich als handen samen in een eerbiedige begroeting toen ik arriveerde. 0, verklaar je nader, verklaar je nader: precies op hetzelfde tijdstip dat India onafhankelijk werd, buitelde ik de wereld in. Er was het geluid van snikken. En, buiten het raam, van vuurwerk en menigten. Een paar seconden later brak mijn vader zijn grote teen, maar zijn ongeluk was een kleinigheid vergeleken met wat mij op dat nachtelijke ogenblik was overkomen, want dank zij de occulte tirannieën van die minzaam groetende klokken was ik op een geheimzinnige manier in de handboeien van de geschiedenis geslagen, mijn lot onlosmakelijk aan dat van mijn land geketend. De volgende drie decennia zou er geen ontsnapping mogelijk zijn. Waarzeggers hadden mij voorspeld, dagbladen mijn komst gevierd, politici mijn authenticiteit bekrachtigd. Ikzelf had er helemaal niets in tc zeggen. lk, Saleem Sinai — later afwisselend Snotneus, Vlekporum, Knalkop, Snotteraar, Boeddha en zelfs Stuk-van-de-Maan genoemd, was zwaar verwikkeld geraakt in het Noodlot — in het gunstigste geval een gevaarlijk soort betrokkenheid. En ik kon op dat tijdstip niet eens mijn eigen neus afvegen. Nu evenwel begint de tijd (waarvoor ik verder van geen nut ben) op te raken. Ik word binnenkort eenendertig. Misschien. Als mijn aftakelende, misbruikte lichaam dat toestaat. Maar ik heb niet de hoop dat ik mijn leven kan redden, en ik kan er zelfs niet op rekenen dat ik nog duizend-en-één nacht heb. Ik moet snel werken, sneller dan Sheherazade, als ik uiteindelijk iets wil betekenen — ja, betekenen. lk geef toe: ik ben bovenal bang om belachelijk te zijn. En er zijn zoveel verhalen te vertellen, te veel, zo’n overvloed aan verweven levens gebeurtenissen wonderen plaatsen geruchten, zo’n compacte vermenging van het onwaarschijnlijke met het wereldse! Ik ben een slokop van levens geweest, en om mij te kennen, alleen maar die ene ik, zul je de rest ook helemaal moeten slikken. Verorberde menigten zijn in me aan het dringen en duwen; en alleen geleid door de herinnering aan een groot wit beddelaken met een min of meer rond gat met een diameter van zo’n vijftien centimeter in het midden uitge-knipt, me vastklampend aan de droom van die toegetakelde rechthoek van linnen met een gat die mijn talisman, mijn sesam-open-u is, moet ik beginnen mijn leven te reconstrueren van het punt af waar het werkelijk begon, zo’n tweeëndertig jaar voor iets zo onmiskenbaars, zo aanwezigs als mijn door de klok beheerste, door misdaad bezoedel-de geboorte. (Het laken is, tussen twee haakjes, ook bevlekt met drie droppels van iets ouds, verbleekts, roods. Zoals de koran ons voorhoudt: Zeg, in de naam van de Heer, uw Schepper, die de Mens schiep uit klonters bloed.)”

 

Salman Rushdie (Bombay, 19 juni 1947)

 

De Canadese dichteres, essayiste en vertaalster Anne Carson werd geboren op 21 juni 1950 in Toronto. Zie ook alle tags voor Anne Carson op dit blog.

 

Autobiografie van rood

10 Seksvraag

Is het een vraag!

Ik moet eens naar huis.
Oké.
Ze bleven zitten. Ze stonden ver van de stad geparkeerd langs de weg.
Koudenachtgeur kwam
door de raampjes. De maansikkel zweefde wit als een rib langs de rand van de lucht.
Ik ben geloof ik iemand die geen bevrediging kent,
zei Herakles. Geryon voelde hoe alle zenuwen in hem zich naar zijn huid verplaatsten.
Hoe bedoel je bevrediging?
Gewoon – bevrediging. Ik weet niet. Op de snelweg een eind verderop klonk het
schrapen van vishaken over de bodem van de wereld.
Bevrediging. Je weet wel. Geryon dacht diep na. Vuren kronkelden zich door hem heen.
Hij kwam voorzichtig
tot de seksvraag. Waarom is het een vraag? Hij begreep dat mensen
behoefte hebben aan elkaars daden van aandacht, doet het er dan toe welke daden dat zijn?
Hij was veertien.
Seks is een manier om een ander te leren kennen,
had Herakles gezegd. Hij was zestien. Brandende ongeordende delen van de vraag
likten op uit elke barst in Geryons lijf.
Hij sloeg ernaar terwijl hij nerveus en onwillekeurig moest lachen. Herakles keek.
Plotseling stil.
’t Zit wel goed, zei Herakles. Zijn stem spoelde
Geryon open.
Moet je horen, zei Geryon en hij wilde hem vragen: zitten mensen die dol zijn op seks
ook met een seksvraag?
maar de woorden kwamen er anders uit – denk je echt elke dag aan seks?
Herakles’ lichaam verstarde.
Dat is geen vraag dat is een aanklacht. Iets zwarts en zwaars als de geur van fluweel
viel tussen hen in.
Herakles startte de auto en ze sprongen vooruit op de rug van de nacht.
Elkaar niet rakend
maar verenigd in verbazing zoals twee sneden evenwijdig lopen over dezelfde huid.

 

Vertaald door Marijke Emeis

 

Anne Carson (Toronto, 21 juni 1950)

 

Zie voor de schrijvers van de 19e juni ook mijn blog van 19 juni 2022 en ook mijn blog van 19 juni 2020 en eveneens mijn blog van 19 juni 2019 en ook mijn blog van 19 juni 2018.