Ik ben in een echt bloedmoment rood is altijd in het middelpunt geweest
hoewel ik veel treurige dingen heb gedaan toch was er rood en vreugdevol
rood is lichamelijk, maar het gaat naar zwart diep naar binnen
rood is een afdaling naar de hel de onbekende eeuwige herhaling
rood gaat ook naar geel waar het licht is, het leven
rood gaat van dood naar leven
Inua
Zie, ik sta als een trillende snaar voor u Raak mij aan, kalmeer mijn beven.
Bent u mijn god, ben ik uw schepsel Of ben ik de vrouw voor haar man De dichter voor zijn lezer?
Is dit de bestemming, het doel van mijn zingen? Wij groeien apart samen in bewustzijn.
Poolhaas
Hij zit, zeer wit, tussen de scherpe stenen van de eindmorene, zijn oren gespitst vangen de stilte, het geluidloos zwerven van de poolvos boven hem op de gletsjer het zweven van de sneeuwuil in de schemer.
Dit is zijn wereld, hij is tevreden met zijn vacht. Zijn sterke achterpoten trommelen bij gevaar. Voor de ijsbeer duikt hij weg in spleten vindt daar nog uitlopers van wilgen korstmos en als de kust weer veilig is rent hij snel naar het water, knabbelt aan zeewier.
Een raadsel is: waarom raakt bij het paren de moerhaas ernstig gewond?
“Een hartsvriendin van mij, die ik bij wijze van eerbetoon aan haar achtentachtig jaren met ‘tante’ aanspreek, is onlangs verhuisd naar een klein verzorgingshuis aan de Schumannlaan in Amsterdam-Zuid. Bijna vijftig jaar lang heeft zij als weduwe zonder kinderen op zichzelf gewoond, en door kamerverhuur en het geven van vioollessen in haar zelfstandigheid voorzien. Maar ondanks haar grote doorzettingsvermogen werd het de laatste tijd duidelijk dat zij – zelfs met geregelde hulp – zichzelf en haar huishouden niet meer goed kon verzorgen. Met een aantal vrienden – oud-leerlingen, ex-pensionaires en buren – hebben wij toen haar verhuizing naar dit niet eens zo onplezierige tehuis geregeld, waar ze tenminste een eigen kamer kreeg en een aantal vertrouwde meubels en spullen mocht meenemen. In haar verhouding tot de muziek, die altijd een intense is geweest, is door deze verhuizing wel het een en ander veranderd. Niet alleen had zij met haar reumatische handen het vioolspel al enige jaren tevoren moeten opgeven, maar nu moest zij ook nog afscheid nemen van haar geliefde vleugel, die nooit in haar nieuwe kamer aan de Schumannlaan zou hebben gepast. Nu zij daarmee haar mogelijkheden tot zelf musiceren kwijt was, kreeg zij sterker dan ooit de behoefte om haar levenslange enthousiasme voor muziek in conversatie tot uitdrukking te brengen. En een van haar grote muzikale voorliefdes was nu juist de figuur van Gustav Mahler. In hem zag zij de syntheticus-bij-uitstek van de negentiende-eeuwse tegenstelling tussen Brahms en Wagner, en tegelijk was hij – volgens haar meer dan Schönberg of Sjostakovitsj, Wolf of Strawinsky – de blijvende vernieuwer van het symfonische repertoire en de liedkunst in de twintigste eeuw. Het bijzondere van onze gesprekken – zij met het gewicht van haar innerlijk doorleefde overtuiging, ik met mijn gespeeld-jeugdige tegenspraak – was dat er nooit een noot bij klonk. Haar muziekinstrumenten waren er niet meer, een radio had ze niet en haar grammofoon was bij de verhuizing stukgegaan. ‘Alles wat ik zou willen horen, heb ik al in mijn hoofd zitten, en ik kan het moeiteloos voor mijzelf afspelen,’ was haar reactie als iemand voorstelde om de grammofoon te laten repareren of te vervangen. Zo zaten wij lange avonden thee te drinken – en daarna bij voorkeur iets sterkers – terwijl mijn tante mij met toenemend vuur symfonienummers of titels van liederencycli voorhield. Die moesten mij bewijzen dat de vroege Mahler zus, of dat Mahler later in zijn Weense tijd zo had gewerkt, waaruit dan weer een en ander te concluderen viel ten gunste van de waarde en de invloed van zijn kunstenaarschap.”
Geografie is de stapel vanwaar mijn lyrische boten vertrekken op hun eerste reis.
Wat ik boten noem is Kon-Tilki met biotechnologie aan boord:
bevingen door buigzame rietstengels in seismografen uit gist gefluisterd —
Daar broeit het wanneer de aarde beeft omdat de volkomen normale waanzin aan politieke landgeografen elektroshocks toedient en de kleine kernproef op Bikini Atol de graten uit het lijf van besmette vissen scheurt —
(en natuurlijk houdt mijn boot tegen deze golfslag geen stand).
Stories are stories. Real life is real life. You hint that you might sue for defamation. It’s not illegal to dislike your wife.
Fictional bitch gets stabbed with made up knife and you perceive your stab-less situation. Stories are stories. Real life is real life.
Is ‘trouble’ just a few lines down from ‘strife’? That’s where you’re finding risk to reputation? It’s not illegal to dislike your wife.
Traduced ex-friends, from Oswestry to Fife, privately think she’s an abomination. Stories still stories. Real life still real life.
Discussion of her awfulness is rife (yet lawful) at Heathrow, at Cambridge station. It’s not illegal to dislike your wife.
I could invent a creature called a Spife (spindly-wife-esque and prone to pustulation). Stories remain just stories, life is life. The law allows me not to like your wife.
Let’s
Let’s steal a clapped-out camper van And push it to the edge Of occupied Afghanistan. Let’s perch it on a ledge Of sinking sand, and test how fast Its punctured wheels will spin. Whoever’s lung collapses last Must lift the van to win.
Let’s roast the carcass of a beast In sweat and single malt, Subject whoever eats the least To a prolonged assault, Blindfolded, beer cans in the face; Let’s scale the sharpest rock Straight from a polar ice floe race, In hypothermic shock.
Is it high-risk and ill-thought-out? Will victory equal pain? Will all involved be plagued by doubt Unless they are insane, And will this be dismissed as grounds To stop and think again? I only ask because it sounds Like a plan made by men.
hoort niet bij de groten van de wereldgeschiedenis, die met bloed, soms met hersensmeer werden geschreven. Hij staat op geen banier dat, stel dat my home my castle was, knetterend vanaf de kantelen, grootsheid zou suggereren.
Ik weiger de kleine menselijkheden van mijn leven te verploeteren als brandstof om vooruit te komen, wil de onvermijdelijkheid van de dood onder ogen kunnen zien, wetende dat mijn naam bij een paar mensen op de tong smelt als ze praten.
I I see the boys of summer in their ruin Lay the gold tithings barren, Setting no store by harvest, freeze the soils; Theire in their heat the winter floods Of frozen loves they fetch their girls, And drown the cargoed apples in their tides.
These boys of light are curdlers in their folly, Sour the boiling honey; The jacks of frost they finger in the hives; There in the sun the frigid threads Of doubt and dark they feed their nerves; The signal moon is zero in their voids.
I see the summer children in their mothers Split up the brawned womb’s weathers, Divide the night and day with fairy thumbs; There in the deep with quartered shades Of sun and moon they paint their dams As sunlight paints the shelling of their heads.
I see that from these boys shall men of nothing Stature by seedy shifting, Or lame the air with leaping from its hearts; There from their hearts the dogdayed pulse Of love and light bursts in their throats. O see the pulse of summer in the ice.
Dylan Thomas (27 oktober 1914 – 9 november 1953) Swansea, de geboorteplaats van Dylan Thomas
is it the cut glass of their eyes looking up toward the new gnarled branch of the black man hanging from a tree?
is it the white milk pleated collar of the woman smiling toward the camera, her fingers loose around a christian cross drooping against her breast?
is it all of us captured by history into an accurate album? will we be required to view it together under a gathering sky?
Notes to Clark Kent
if i should
enter the house and speak with my own voice, at last, about its awful furnitutre, pulling apart the covering over the dusty bodies; the randy father, the husband holding ice in his hand like a blessing, the mother bleeding into herself and the small imploding girl, i say if i should walk into that web, who will come flying after me, leaping tall buildings? you?
Further note to Clark
do you now how hard it is for me? do you know what you’re asking?
what i can promise to be is water, water plain and direct as Niagara. unsparing of myself, unsparing of the cliff i batter, but also unsparing of you, tourist. the question for me is how long can i cling to this edge? the question for you is what have you ever traveled toward more than your own safety?
mijn droom over de wederkomst
mary is een oude vrouw zonder schoenen. ze gelooft het niet. niet wanneer haar buik begint te borrelen en de afdruk van een vinger achterlaat op een plek die geen man aanraakt. niet wanneer de sneeuw in haar haar wegsmelt. niet wanneer de vreemdeling op wie ze altijd wachtte verschijnt, gekleed in lichtjes, aan haar keukentafel. ze is een oude vrouw en gelooft het niet.
wanneer er op een nacht iets op haar tenen valt, noemt ze het een vos, maar ze geeft het te eten.
De Nederlandse dichter, schrijver en theatermaker Jaap Robben werd geboren in Oosterhout op 22 juni 1984. Zie ook alle tags voor Jaap Robben op dit blog.
Jij was zoiets als kwijt
Niemand graaft om zand te vinden. We zochten jou omdat we je vergaten.
Alsof we op achtergelaten jassen klopten op zoek naar wat nog niemand was verloren.
En jij, stil en donker in de grond jij was zoiets als kwijt.
Al wist je misschien dat wij er waren door wat je boven je hoorde zoals iemand op zolder soms een doos verschuift.
Andermans ogen
Thuis hoor ik niet meer dat de kachel tikt en de kraan drupt.
Van mezelf zie ik enkel wat ik gewend ben te herkennen, wanneer ik in spiegels en winkelruiten kijk of naar foto’s en donkere tv’s.
Mij valt niets nieuws op, ik kijk naar wat ik al jaren zie omdat ik enkel mijn eigen ogen heb.
Maar samengevat in zesentwintig strepen merk ik pas hoe nieuw ik word, door andermans ogen en weet ik weer waar in het huis van mijn gelaat een traptree kraakt.
Wie plukt het laatste fruit?
Wie weet nog waar de paden waren? Dat onhandig vrijen het best in een Bongerd gaat waar je de witjes zonder handen van de bomen kon bijten?
Hier hangt de hemel hoger en is de bodem het beste voor bloemen.
Maar in nieuwe straten zijn de mensen groter dan de bomen.
En blijft mist wat langer hangen omdat niet alle wolken willen wennen dat hier voortaan geen veld meer is.
Jaap Robben (Oosterhout, 22 juni 1984)
De Canadese dichteres, essayiste en vertaalster Anne Carson werd geboren op 21 juni 1950 in Toronto. Zie ook alle tags voor Anne Carson op dit blog.
O Kleine Droevige Extase van de Liefde
Ik vind het fijn om de hele nacht met gesloten ogen bij je te zijn. Wat een geluk – daar kom je al aan langs de sterren!
Ik maakte een roadtrip door mijn gedachten en mijn hart en daar was je knielend langs de weg met je kleine gereedschapskistje iets aan het repareren.
Geef me een wereld, je hebt me de wereld afgenomen die ik was.
Summer Solstice – Crinan Canal door Fraser Maciver, 2019
Sonnenwende
Es fiel ein Blütenregen herab auf Wald und Feld, ein Netz von Sonnenstrahlen umspinnt die grüne Welt; das flammt und blüht und duftet und höhnt den Glockenschlag, als ging er nie zu Ende, der süße, goldene Tag …
O Tag der Sonnenwende, vollblühende Rosenzeit, du hast mir ins Herz geduftet berauschende Seligkeit! Das pocht und glüht und zittert und bebt im Vollgenuß, als ging er nie zu Ende, der süße, erste Kuß –
O Tag der Sonnenwende –
Clara Müller-Jahnke (5 februari 1860 – 4 november 1905) De Dorfstraße in Lenzen (Nu: Łęczno), de geboorteplaats van Clara Müller-Jahnke
De Canadese dichteres, essayiste en vertaalster Anne Carson werd geboren op 21 juni 1950 in Toronto. Zie ook alle tags voor Anne Carson op dit blog.
Chicago
Gekrijs (wit) en tinten (suède) van vuile kou. Ik liep Montrose af naar de oever van het meer. Voorbij een gesloten Park Bait Shop en een boot genaamd Temperance II, een boot genaamd Mr Bright Eye, modderige velden, een verroeste barbecue uit de middeleeuwen. Een hond springt somber rond op het strand. Het meer is zo lelijk als een motelkamer. Muren sluiten niet op elkaar aan. Vlekken zakken uit. Een engel gaapt in een geile hemel. Tegen de noordenwind worstel ik me terug naar de plek waar ik warm was toen ik wakker werd. Op de theepot een briefje van jou over ademhalen.
“Deel III – Brieven aan de condor We rijden naar Ch’iyara, de baai van het Laramameer. We eten een eenvoudige maaltijd bij vrienden van mijn man. Het zijn grove lieden die in de mijnen werken en naar mijn borsten staren. Madre mia wat een wolven! Ze doen het alleen als mijn man niet kijkt. Ik vind hen niet aardig, wil snel weer weg, een van hen, met een soort fonkeling in zijn ogen, geeft me een hoofdknik maar ik keur hen geen blik waardig. Na de maaltijd rijden we naar het meer. De baby leggen we op een deken naast het water. Haar bewegingen zijn opgewonden, het uitstapje doet haar zienderogen goed, we zingen liedjes voor haar en gooien druppeltjes water in haar gezicht en uiteindelijk valt ze in slaap. Mijn man bouwt een dam van stenen om haar heen zodat ze niet in het water kan rollen. Slaat met een stokje alle insecten weg. Ik kleed me uit om te zwemmen, ik zie mijn man kijken hoe ik alle kleren afleg, ik ben zo bloot als een vis, schud mijn krullende haren los en breek het roerloze oppervlak met mijn duik. Als een mes snijd ik door het koude water, er zijn talloze vissen als zilveren ringen. Onder water is het troebel, ik zie het wier als knoperig touw bewegen en raak de steentjes op de bodem met mijn vingers. Ik schrik van een grotere vis die tegen me opbotst en hapt in mijn middel, gil overeind om te zien dat het mijn man is, we vrijen als leeuwen een beetje hard en onstuimig en bovendien na enkele golven weer klaar. We waden terug naar de baby die nog steeds ligt te slapen. In de struiken zie ik een gestalte, sluike zwarte veren van een ineengedoken man, strakke ogen, het liefst wil ik me ergens verbergen en bedekken maar er is niets van hulsel, de enige andere mogelijkheid is dus mijn tepels te priemen richting de wolken. Soms lieve condor, amigo de alas negras, valt het leven als mens me zwaar, het is schraal van betekenis, het ontbreekt ons aan iets en het doet ons zo’n pijn. We rollen maar door in het veld van niet weten. We drinken niet, al zijn we dorstig maar we drinken niet, we zijn hongerig maar eten niet, werkelijk drinken bedoel ik en werkelijk eten met iets wat onze dorst echt kan lessen, onze honger kan stillen, ons verlangen dat zo brandend is, we zijn bevangen door een grote drang om zo snel mogelijk ergens een rand te bereiken.”
We spraken over kale bomen bij 30 graden, over de heldere kruimels die gram voor gram verdwenen in de subroutine, we gooiden koekjes uit onze mouwen en spraken over armoede alsof het geen deel uitmaakte van ons bezit.
Ook dit gesprek verliep in geluidloze meeteenheden, we lieten elkaar de stigmata van onze honden zien, terwijl Mem vertelde hoe vroeger zogenaamde vliegende insecten op elk autoraam crepeerden. Over de correlatie, over hoe… des te…spraken we niet.
„Es war an der Art des Robert Perwald durchaus etwas Langsames, man hätte auch sagen können, etwas Behutsames. Sein noch jungenhaftes Ge-sicht, das zumeist vor Energie und Klugheit nur so strahlte, floss in manchen Momenten weich auseinander, die Lippen standen offen und seine blaugrauen Augen sahen dann zart und verletzlich aus. Für gewöhnlich war an seinem Gesicht wenig Besonderes, es sei denn sein waches und kluges Geschau und eben der Eindruck von Kraft, von dem es insgesamt zeugte. Seit Jahren lebte Robert jetzt mit seiner japanischen Frau Yoko in Tokyo. Bald nach der Hochzeit waren sie von Wien her übersiedelt. Yoko hatte in Wien studiert. Sie hatte sich aber eingeredet und bald auch den schwer in sie verliebten Robert davon überzeugen können, dass eine Japanerin auf Dauer im Ausland unglücklich werden muss. Dabei war sie durchaus keine Nesthockerin. Gleich nach der Hochzeit hatte sie mit Robert eine Weltreise unternommen. In Japan gelten Welt- reisen als schick. Aber wo ist das, bitte, nicht so? Im Übrigen: Die Ehe lief dann nicht sehr gut. Heimgekehrt von einer seiner Extratouren, die immer ganz unangekündigt und grausam über Yoko hereinbrachen, fand Robert in der Diele ihres gemeinsamen Hauses in Ebisu, einem angesagten Viertel in West-Tokyo, eingeschoben unter die gewöhnlichen Poststücke, einen Schrieb seiner Frau, auf dem sie ihm das gemeinsame Leben aufkündigte. »Mach, was du willst«, schrieb sie da, »mich siehst du nicht wieder.« Was für ein Wisch, dachte Robert. Solche Botschaften von Yoko waren nichts Neues für ihn. Der Groll, der sich anfänglich in ihm regte, zerfiel aber bald zu einem Gefühl der Schwäche, einer fast kindlichen Verzagtheit: Und wenn sie es diesmal ernst meint? — Seinem gedunsenen und leicht geröteten Gesicht war von diesen Regungen freilich kaum etwas anzumerken. Ich bin einfach müde, sagte er sich. Zu müde sogar, um mich zu fürchten. Das machte ihn lächeln, und er rief dann halbherzig und halblaut ein paar Mal Yokos Namen durch das Haus. Wo mag sie nur stecken? Er kochte sich in der Küche Kaffee, und während er so hantierte, ging er Yokos mögliche Fluchtorte und Schlupfwinkel durch, ohne indes zu einem Ergebnis zu kommen.“
Peter Rosei (Wenen, 17 juni 1946)
De Amerikaanse dichter, schrijver en vertaler Ron Padgett werd geboren op 17 juni 1942 in Tulsa, Oklahoma. Zie ook alle tags voor Ron Padgett op dit blog.
Dames en heren in de ruimte
Dit is mijn filosofie: Alles verandert (het woord “alles” is net veranderd, net als het woord “verandering”: het betekent nu geen verandering”) zo snel dat het letterlijk mijn geloof overstijgt, er recht langs raast zoals sommige van de gigantische ideeën op dit gebied. Ik had geen begin en ik zal geen einde hebben: de lichtstraal strekt zich voor en achter uit en ik kook de groenten slechts een paar minuten, hoe korter hoe beter. Doe er boter op en serveer. Dit is mijn filosofie: doe er boter op en serveer.
Uit: Het boek van de Baltimores (Vertaald door Manik Sarkar)
“Ik ben de schrijver. Zo word ik door iedereen genoemd. Door mijn vrienden, mijn ouders, mijn familie en zelfs in het openbaar, door mensen die ik niet ken maar die me herkennen en dan vragen: “Bent u niet die schrijver…?” Ik ben de schrijver, dat is mijn identiteit. Men denkt dat je als schrijver een vredig leventje leidt. Niet zo lang geleden beklaagde een van mijn vrienden zich erover hoe lang hij onderweg was van huis naar kantoor, en hij besloot met: <Tja, jij staat ’s ochtends op, gaat aan je bureau zitten en schrijft. Dat is alles.’ Ik zei niets terug, misschien omdat ik te murw was van het besef hoezeer mijn werk in de collectieve verbeelding bestaat uit nietsdoen. Iedereen denkt dat je niets uitvoert, terwijl je juist als je niets doet het hardste werkt. Het schrijven van een boek is als het organiseren van een zomerkamp. Het leven, dat gewoonlijk eenzaam en stil is, wordt plotseling overrompeld door een groot aantal personages dat op een dag onaangekondigd komt aanzetten en je hele leven overhoophaalt. Op een ochtend komen ze in een grote touringcar aangereden, ze stappen lawaaiig uit, opgewonden over de rol die ze hebben gekregen. En daar moet je het mee doen, je moet ze bezighouden, te eten geven en onderdak bieden. Je bent overal verantwoordelijk voor. Want jij bent de schrijver. Het verhaal begon in februari zon, toen ik New York verliet om mijn nieuwe roman te gaan schrijven in een huis dat ik net had gekocht in Boca Raton, Florida. Ik had het drie maanden eerder aangeschaft van de filmrechten van mijn laatste boek, en afgezien van een paar korte bezoekjes in december en januari om het in te richten, was dit de eerste keer dat ik er zou verblijven. Het was een ruim huis, een en al glas, met uitzicht op een meer dat in trek was bij wandelaars. Het lag in een heel rustige, groene wijk, waar bijna uitsluitend gepensioneerden woonden, tussen wie ik detoneerde. Ik was half zo oud als zij, maar ik had deze plek juist uitgezocht voor de absolute rust. Het was de plek die ik nodig had om te schrijven. Anders dan bij mijn vorige bezoeken, die heel kort waren geweest, had ik ditmaal een zee van tijd, en ik ging met de auto naar Florida. De rit van twaalfhonderd mijl boezemde me geen enkele angst in: in de loop van de voorgaande jaren had ik die tocht vanuit New York onnoemelijk vaak gemaakt om bij Saul Goldman langs te gaan, mijn oom, die zich na het Drama dat zijn familie ten deel was gevallen in een voorstad van Miami had gevestigd. Ik kende de route uit mijn hoofd. Ik liet New York achter onder een dun laagje sneeuw, de thermometer gaf tien graden onder nul aan; twee dagen later bereikte ik Boca Raton in de zachtheid van de tropische winter. Toen ik in deze bekende omgeving van zon en palmbomen kwam, kon ik de gedachte aan oom Saul niet onderdrukken. Ik miste hem verschrikkelijk. “
“Au commencement, il connut la Yakoutie du Nord et Mirny où il travailla trois années. Mirny, une mine de diamants à ouvrir sous la croûte glaciale, grise, sale, toundra désespérante salopée de vieux charbon malade et de camps de déportés, terre déserte baignée de nuit à engelures, cisaillée onze mois l’an d’un blizzard propre à fendre les crânes, sous laquelle sommeillaient encore, members épars et cornes géantes bellement recourbées, rhinoceros en fourrure, bélougas laineux et caribous congelés – cela il se l’imaginait le soir attablé au bar de l’hôtel devant un alcool fort et translucide, la même pute subreptice lui prodiguant mille caresses tout en arguant d’un mariage en Europe contre loyaux services mais jamais ne la toucha, pouvait pas, plutôt rien que baiser cette femme qui n’avait pas envie de lui, il s’en tint à ça. Les diamants de Mirny, donc, il fallut creuser pour aller les chercher, casser le permafrost à coups de dynamite, forer un trou dantesque, large comme la ville elle-même – on y aurait plongé tête en bas les tours d’habitation de cinquante étages qui y naissance d’un pont poussèrent bientôt tout autour –, et, muni d’une torche frontale, descendre au fond de l’orifice, piocher les parois, excaver la terre, ramifier des galeries en une arborescence souterraine latéralisée au plus loin, au plus dur, au plus noir, étayer les couloirs et y poser des rails, électrifier la boue, alors fouir la glèbe, gratter la caillasse et tamiser les boyaux, guetter l’éclat splendide. Trois ans. Son contrat expiré, il rentra en France à bord d’un Tupolev peu démocratique – son siège en classe économique est complètement défoncé, une pelote de fils métalliques se promène sous la toile du dossier, la perce çà et là pour faire sortir une tige qui lui meurtrit les reins –, quelques contrats s’ensuivent et chef de chantier à Dubaï on le retrouve, un palace à faire jaillir du sable, vertical comme un obélisque mais laïc comme un cocotier, et du verre cette fois, du verre et de l’acier, des ascenseurs comme des bulles coulissant le long de tubulaires dorés, du marbre de Carrare pour le lobby circulaire dont la fontaine bruitait son glouglou de luxe pétrodollar, le tout assorti de plantes vertes cirées, de canapés croûte de cuir et d’air conditionné.”
al wat ik terug wou hebben was het blauw van de zee het groen va de winter het geel van de zon de afstand van de maan het water van de regen de klank van de wind mijn plekje achter moeders rug
Vertaald door Alfred Schaffer
Ronelda Kamfer (Blackheath, 16 juni 1981)
En als toegift bij een andere verjaardag:
Psalm
Voor hem bestond er geen voortijdig sterven – wie bood ook aan het sterven tegenstand? – de dood begroetend met dezelfde hand die ooit gods naam in elke boom zou kerven.
Niets meer verhopend van het eeuwig zwerven Naar dat beloofd, maar steeds verschuldigd land, Het zaad verspillend aan onvruchtbaar zand, Liet hij de duivel al zijn steden erven.
Voor hem was er geen spreken en geen woord. Hij had geen stem tenminste ooit gehoord. De dood verloste al wie er voor kozen.
Was hij een kind van god of vaderloze, het leven had gelijk gewicht noch waarde. Gods zoon zag pas postuum het licht der aarde.
Frans Roumen (Wessem, 16 juni 1957) David speelt harp voor koning Saul, door Julius Kronberg, 1885
„Aufwachen!« Ich tippe ihr auf die Schulter. Halte die Hand ins Flusswasser und bespritze ihr Gesicht. Der Junge findet das total spannend, das merke ich. So schnell werde ich den nicht mehr los, also sage ich: »Hilf mir mal, wenn du schon da bist.« Das muss man ihm nicht zweimal sagen. Er stürzt sich auf Mutter und zieht so heftig an ihrem Arm, dass er ihr fast die Schulter auskugelt. Aus ihrem Mund kommt ein Grunzen, sie blinzelt endlich. Zusammen gelingt es uns, sie hochzuziehen. Sie nuschelt etwas. »Er hilft uns kurz«, erkläre ich. »Warte«, sagt der Junge, »ich halte sie an der anderen Seite.« Sie steht inzwischen, auf unsere Schultern gestützt, mühsam arbeiten wir uns die Anhöhe hoch. Auf dem Weg wird es leichter, und prompt schließen sich ihre Augen wieder halb, während sie wie ein Automat weiter Fuß vor Fuß setzt. »Was sollte das mit der toten Nutte?«, frage ich. »Tut mir leid. Ich wusste doch nicht, dass sie deine Mutter ist!« Ich versuche es anders: »Ich meine, wie bist du darauf gekommen? Hast du schon einmal eine tote Nutte gesehen?« »Klar. Zweimal. In Frankfurt.« »Wow.« »Na ja, nur vom Fenster aus, sie rannte aus einem Haus. Jemand hat auf sie geschossen. Dauernd war da was los auf der Straße, Polizeirazzien, Messerstechereien und so. Wir haben im Bahnhofsviertel gewohnt, das ist eine gefährliche Gegend.« Er klingt stolz. »Hm.« Hier in der Stadt gibt es auch jede Menge fiese Ecken, aber da bin ich natürlich nachts nicht. »Ich habe ein Fernglas«, sagt der Junge. »Ein Fernglas?« Ich stelle ihn mir damit am Fenster vor und muss grinsen. Er grinst zurück: »Ja. Genau wie ein Spanner.« Ich merke, dass er gern eine Pause machen würde, um sich zu unterhalten, aber den Gefallen kann ich ihm nicht tun. Wir gehen weiter. An der Seite wird das Ufer schnurgerade, und nur niedriges Grün wächst am Rand. »Frankfurt ist sicher nicht schlecht, oder?«, frage ich. Eigentlich nur, weil man das eben so sagt, denn ich vermisse hier nichts. »Na ja. Jetzt sind wir hier. Wir sind am Wochenende eingezogen. Da!« Er dreht sich um, soweit das mit Mutter an der Seite geht, und deutet zu den Blocks an der Mainstraße.“
Fluisterende dorpen
Hoewel onze steden voortdurend proberen ons met de hemel vertrouwder te maken doordat zij ons van uitzichtpunten, balkons en terrassen voorzien Hoewel ze beweren dat je van bovenaf misschien wel het meest tedere punt in de ruimte kunt zien, een gigantische knikker met een blauw centrum, en ze ons trappen op en liften in lokken, ons de veiligheidsvoorzieningen laten zien, leuningen en netten, de schoonheid van de neonreclames, vrachtwagens zo klein dat we ons gigantisch voelen Hoewel we bijna betoverd worden door het lawaai beneden, horen we soms het gefluister van de dorpen, en soms geloven we er iets van, en springen we als Superman
“Basra, maart 1916 Miss Ben veegt op de drempel van de hal haar bemodderde rijglaarsjes schoon en slaat met een geërgerd gebaar de zwerm mugjes weg die om haar heen cirkelt. Een Somalische boy, gekleed in een tuniek en met een tulband op, snelt blootsvoets toe om haar schoudermantel en paraplu over te nemen. Hij verzoekt haar hem te volgen, Sir Percy Cox wacht op haar in zijn kantoor. Hij is die ochtend van zijn dienstreis teruggekeerd. Lang en mager, blauwe doordringende ogen: Cox is niet veranderd sinds hun laatste ontmoeting bij gemeenschappelijke vrienden in Londen, zeven jaar terug. Zijn golvende haar is misschien grijzer geworden, maar hij lijkt niet erg verouderd en ziet er in zijn uniform nog altijd even deftig uit. Op zijn kraag herkent Miss Bell de dubbele witte lipjes van de politiek officieren van het Brits-Indische leger. Na in Somalië, Perzië en verschillende emeritaten aan de Perzische Golf te hebben gediend is de eenenvijftigjarige Cox, doorgewinterd dienaar van het Britse Rijk, het hoofd van het civiel bestuur in het bezette Mesopotamië. Cox, vermaard om zijn tact en zijn onverstoorbaarheid, betoont zich zijn reputatie die middag onwaardig. Verscholen achter een stapel topografische kaarten en luchtfoto’s bepotelt hij onder een portret van koning George v zijn snor en scheldt op de regen die aanhoudend op het dak van zijn hoofdkwartier roffelt, een gebouw dat is opgetrokken langs een stinkend kanaal waaruit het oorverdovende gekwaak van kikkers en padden opklinkt, het vaste winterse deuntje van Basra, de op palen gebouwde stad aan het estuarium dat Perzië van Mesopotamië scheidt. Er heerst chaos, heeft Miss Ben vastgesteld in de week dat ze in de stad is. De logistiek van het Brits-Indische leger faalt, de Britten tasten rond in onzekerheid, improviseren, hebben aan alles een tekort. Het is moeilijk, zo niet onmogelijk, de honderdduizenden paarden, soldaten, artsen en brahmanen die aan land zijn gekomen te herbergen en dit grote leger van het Oosten te bevoorraden, bij gebrek aan loodsen en koelinstallaties voor de bederfelijke voedingswaren. Het zuiden van Mesopotamië heeft alleen dadels, wat groenten en vee te bieden, dus alles moet uit India, worden geïmporteerd. Maar de oude handelsstad is niet uitgerust om het eskader onder te brengen dat in haar wateren ronddobbert. De haven zit vol, de grote vaartuigen gaan op volle zee voor anker. Onder wolkbreuken en een verzengende zon zijn uren, zelfs dagen nodig om mensen, dieren, goederen en munitie op kleinere transportmiddelen als gondels en ranke kaïks over te schepen en naar de drabbige, van vliegen en muggen vergeven oevers te brengen. Miss Bell heeft het aan den lijve ondervonden en tijdens de overtocht is ze door haar kousen heen in haar benen gestoken. Ze heeft onderweg opgemerkt dat het enige hospitaalschip overvol is en dat de stroom aan bootjes nog lang niet ophoudt.”