Joy Ladin

De Amerikaanse dichteres, schrijfster en hoogleraar transgender-wetenschappen Joy Ladin werd geboren in Rochester, New York, op 24 maart 1961. Zie ook alle tags voor Joy Ladin op dit blog.

 

In the Beginning

There was love.  And out of love
Came graves and mountains,
Clefts in rocks, footsteps in gardens,
Warm-blooded creatures
Taking shape in darkness,
Peppermills and grocery lists,
Squirrels scrabbling on copper roofs,
The smalls of backs, the backs of necks,
Tea lights and tapers,
Badly sewn curtains,
Sobs in the night, policemen on lawns,
IVs and ambulances,
Skies full of stars
Waiting for eyes
To see them as constellations.

 

The World at Your Feet

What is man that you are mindful of him…
laying the world at his feet?
                                             — Psalm 8

Eden eyes you from afar.  Waterbirds
Flick their white-tipped wings

Shyly as they skim
The paradise ashiver

In the river’s ripples:  palm and eucalyptus,
Animals eager to receive their names,

Sheep and oxen, wild beasts, all the birds of heaven.
The Garden that’s longed for you

From the instant longing split you
Colors like a jilted lover, flashing

The iridescent eyes of peacocks, brushing your brow
With willow fingertips,

While you, who long to lose yourself
In the world that longs to take you

Where God is imperative to blossom
And thirst for the knowledge of sorrow

Becomes the sorrow of the knowledge
There was no need to thirst,

Find yourself
With the world at your feet

Choosing again
To betray her.

 

Making Love

I reach for God
and brush your breast,

reach for you
and brush God

dangling and tipped,
gathered over years

of concealment and revelation
into this teardrop of flesh

spilling toward my lips.
I don’t know

what is entering me.
I don’t know what I’ve entered,

or when God became
a shudder of pleasure,

compressing the universe’s exploding center
into this triangle of desire

so that touching you
is touching God

swaddled in arms and legs,
shy as a new-made planet

you and I, breath-filled clay,
were created to inhabit.

 

Een klein stukje oceaan

Kinderen hurken op een luchtbed midden in het water.
Het halfvolwassen hert verdwijnt

in een bosje jeneverbes en riet. We weten dat schelpen
ooit leefden, maar het is moeilijk voor te stellen

wat stenen ooit hebben meegemaakt. Moeilijk om een aards wezen te zijn
in een wereld bedekt met water. Ik maak me geen zorgen

over gelukkig zijn. Ik wilde voelen:
Missie volbracht.

Ik wilde de schaduw die ik wierp erkennen,
meer licht dan schaduw werpen. Mijn dochter en ik

bereiken de boeien die het touw drijvende houden. Onder ons,
duisternis, die oprukt.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Joy Ladin (Rochester, 24 maart 1961)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e maart ook mijn blog van 24 maart 2021 en ook mijn blog van 24 maart 2020 en eveneens mijn blog van 24 maart 2019 en ook mijn blog van 24 maart 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Yōko Tawada, Gary Whitehead

De Japanse dichteres en schrijfster Yōko Tawada werd geboren op 23 maart 1960 in Tokyo. Zie alle tags voor Yōko Tawada op dit blog.

Uit: De laatste kinderen van Tokyo (Vertaald door Luk Van Haute)

“Mumei, nog steeds in zijn blauwe zijden pyjama, zat met zijn achterste tegen de tatami geplakt. Dat hij wat aan een kuiken deed denken, kwam misschien doordat zijn hoofd zo groot was in verhouding tot zijn lange, smalle hals. Zijn haar, zo dun als zijdedraad, was nat van het zweet en kleefde in klitten aan zijn huid.
Hij hield zijn oogleden bijna gesloten en bewoog zijn hoofd om met zijn oren de ruimte af te tasten, en zo het geknars van de zware voetstappen buiten op het grindpad met zijn trommelvliezen op te vangen. Het geluid klonk steeds harder en hield toen plotseling op.
De schuifdeur begon te ratelen als een goederentrein en Mumei deed zijn ogen open, waarop het zonlicht kwam binnengestroomd, geel als gesmolten paardenbloemen. Mumei trok zijn schouders krachtig naar achteren, stak zijn borst vooruit en hief zijn gespreide armen de hoogte in, alsof hij zijn vleugels uitsloeg.
Yoshiro kwam hijgend in zijn richting. Een glimlach trok diepe rimpels in zijn ooghoeken. Zodra hij een been optilde en omlaagkeek om zijn schoen uit te trekken, druppelde het zweet van zijn voorhoofd.
Yoshiro huurde elke ochtend een hond bij de ‘hondenverhuurder’ aan het kruispunt voor de dijk. Met de hond aan zijn zij rende hij dan een halfuur op die dijk. De rivier was als een bundel zilveren linten. Als het waterpeil door schaarste heel laag stond, stroomde hij verrassend ver van de oever vandaan. Op die manier zomaar zonder reden hardlopen op de weg noemden de mensen vroeger ‘joggen’, maar met het verdwijnen van de leenwoorden werd het vanaf een bepaald moment ‘weglopen’ genoemd. Eerst was het een modewoord dat voor de grap werd gebruikt, in de zin van: ‘Als je hard loopt, gaat je hoge bloeddruk weg’, maar na een poosje was het ingeburgerd. Mumeis generatie had er nooit bij stilgestaan dat ‘weglopen’ vroeger ook een romantische connotatie kon hebben.
Ook al werden leenwoorden dan niet langer gebruikt, bij de hondenverhuurder waren de fonetische tekens waarin de namen van de buitenlandse rassen werden geschreven nog overvloedig aanwezig. Toen Yoshiro begon als ‘wegloper’, had hij weinig vertrouwen in de snelheid die hij aankon, en dus ging hij ervan uit dat hij het best een zo klein mogelijk hondje kon kiezen.”

 

Yōko Tawada (Tokyo, 23 maart 1960)

 

De Amerikaanse dichter Gary Joseph Whitehead werd geboren op 23 maart 1965 in Pawtucket, Rhode Island. Zie alle tags voor Gary Whitehead op dit blog.

 

Peren plukken

Ik sta op de bovenste sport en de ladder
trilt; boven me hangen de winterperen net buiten
bereik, schoon en zwaar aan de takken geregen
en wiegend als de schorten van mijn grootmoeder
die aan de waslijn hangen te drogen. Ik laat er een vallen in
de tas die ze onder me openhoudt. Ze glimlacht,
en ik word meegetrokken in de omhelzing van haar blik –
naar beneden, naar handenvol aarde, seizoenen, de lege
beker van een verloren dochter, een verloren borst.
Ik ben verweven in kilometers aan quilts, gordijnen,
tafelkleden, zomen van broeken, rokken.
Ik zit aan haar vast als een knoopje aan een borstzak,
en ik ruik zeep, tomaten, kippensoep,
Portugees zoet brood, geitenkaas, peren…
en ik laat me zakken langs de knoestige
tak, de ladder af om de volle
zak met fruit te pakken waar ik zo van houd, warm van
de zon en gevlekt als haar handen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Gary Whitehead (Pawtucket, 23 maart 1965)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e maart ook mijn blog van 23 maart 2023 en ook mijn blog van 23 maart 2020 en eveneens mijn blog van 23 maart 2019 en ook mijn blog van 23 maart 2015 deel 1 en eveneens mijn blog van 23 maart 2014 deel 1 en ook deel 2.

Willem de Mérode, Pim te Bokkel, Hermann Lenz

Dit Romenu Blog bestaat vandaag precies twintig jaar! Dank weer aan alle oude en nieuwe bezoekers voor hun interesse en reacties van het afgelopen jaar. De eerste bijdrage in 2006 ging over de dichter en schrijver Willem de Mérode. Traditiegetrouw, omdat hij aan de wieg stond van dit blog, ook nu weer een gedicht van hem. Zie ook alle tags voor Willem de Mérode op dit blog en Romenu’s eerste lustrumpagina.

 

De vrienden

Bij ’t portret van Jaap en Okke
Hun houding drukt hun diepste wezen uit
De grootste zit, in wakkren droom verloren,
Op ’t rijzen van de stem des bloeds te hooren,
De nachtegaal die in harts meinacht fluit.

Hij wond zijn arm los om zijn makker heen
In groote goedheid, niet om steun te ontvangen.
Wie luistert naar zijn innigste verlangen,
Hij vindt zijn vastheid in zichzelf alleen.

De jongste staat, zijn oogen moedig open,
Gereed om met zijn onbevlekte kracht
Het schoone leven naar zijn wil te dwingen.

Gelukkigen! Zij hebben wat zij hopen:
De reine houdt de wereld in zijn macht,
En die gelooft, bezit reeds alle dingen.

 

Willem de Mérode (2 september 1887 – 22 mei 1939)

 

De Nederlandse dichter Pim te Bokkel werd geboren in Winterswijk op 21 maart 1983. Zie ook alle tags voor Pim te Bokkel op dit blog.

 

Dan dooft de kleine prins het licht

We woonden nog op het kasteel
en vader stapte binnen
met wat voor ons
de eerste teletijdmachine was
een commodore
een plastic bak met vensterglas
waarachter
ik de nieuwe wereld zag
met broertjes vocht ik
om de aandacht van het ding
de gunst
van de betovering –
het spel
met de Perzische prins

We belden later
later eenzaam in
als onverbonden wezen
weifelend zocht de modem
vertraging
van het verlangen
contact

Maar we leefden net zolang
tot elk van ons
zichzelf
in de ban van het ding
volledig omringde met schijn
met de glans van de ring
met het schijnsel
van schermen
online scheen alles
onmiddellijk
nabij

Op een kleine planeet groeide toen het idee
dat je in deze wereld
helemaal
je hele zelf kan zijn
astronaut
in het diepst van je gedachten
ongebonden
tijdloos tollend om je eigen as
planeet
zonder zon

Alleen
je blijkt niet alleen zo alleen
in de ruimte woekert
oneindig
de braamstruik
ik zie het aan
en breid mijn databundel uit
schrijf
en schrijf
om
er te zijn

We tasten, we zweven
soms lijkt iets dichtbij
maar weet jij
of weet ik veel
want wat is er waar
dit hier
jij daar
zonder nabijheid
is alles verhaal

 

Pim te Bokkel (Winterswijk, 21 maart 1983)

 

De Duitse dichter en schrijver Hermann Lenz werd op 26 februari 1913 in Stuttgart geboren. Zie ook alle tags voor Hermann Lenz op dit blog.

 

Terugblik

Geen huis gebouwd,
Geen zoon gekregen,
Alleen boeken geschreven.

Is dat genoeg?
Nee, dat is niet genoeg.

Zelfs bezittingen
zijn een lastig iets voor je,
Een twijfelachtig iets uiteraard.

Je woonde op zolder
Met meubels uit het verleden.
Die heb je lang gekend.

Wat anderen “leven” noemen,
Was hard werken voor jou.
Gelukt is het je nooit.

Als je het maar net redt.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Hermann Lenz (26 februari 1913 – 12 mei 1998)

 

Zie voor de schrijvers van de 21e maart ook mijn blog van 21 maart 2022 en ook mijn blog van 21 maart 2021 en ook mijn blog van 21 maart 2020 en eveneens mijn blog van 21 maart 2019 en ook mijn blog van 21 maart 2018 deel 2 en ook Romenu’s 1e lustrum pagina.

Ben Okri, Andreas Okopenko

De Nigeriaanse dichter en schrijver Ben Okri werd geboren op 15 maart 1959 in Minna, Nigeria. Zie ook alle tags voor Ben Okri op dit blog.

Uit: Songs of Enchantment

“YES, THE SPIRIT-CHILD is an unwilling adventurer into chaos and sunlight, into the dreams of the living and the dead. But after dad’s last fight, after his magnificent dream, my adventures got deeper and stranger. My spirit-companions were the invisible causes of this deepening. They persisted in trying to lure me back to their realm, but now they chose another method, a method more terrifying than any they had employed before. They chose to draw me deeper into the horrors of ex-istence as a way of forcing me to recoil from life. But they didn’t count on the love that made me want to stay on this earth. They didn’t count on my curiosity either. It took dad a long time to recover from his mythic battle with the man from the Land of Fighting Ghosts. He became withdrawn, and something about him changed irrevocably. After dad’s fight, and after the good wind stopped blowing, a new cycle launched itself into our universe. In those days it didn’t rain, but I didn’t go to school any more. I stopped be-cause even at school my spirit-companions tormented me. Their songs distracted and confused me, and when I copied down the wrong things I got into trouble. There was a history class, for example, in which the teacher was horrified to find my exercise book covered in complex mathematical equations. I didn’t know where they had come from. When we were being taught mathematics under a dying silk-cotton tree the face of a penitent oppressor of our people stared at me from the trunk. On one day I saw the radiant face of Pharaoh Akhnaton, on another the faces of the unborn. When I stared at them, mesmerised, the teacher flogged me for not paying attention. In the English class my spirit-companions sang polyphonic chorales at me in a blending of seven traditional languages. It became impossible to concentrate. There were even times when the spirits whis-pered things in my ears and I blurted out what the teacher was going to say mo-ments before he did. The worst thing was that I seemed to know our examination questions before they were set, and I knew the answers as well. The teachers found this very peculiar. Suspicious of the accuracy of my answers, they often failed me because they thought I had been cheating. In short, my spirit-companions played havoc with my education. They made me seem strange to the other children, and so I didn’t have many friends.”

 

Ben Okri (Minna, 15 maart 1959)

 

De Oostenrijkse dichter en schrijver Andreas Okopenko werd in Košice (Slowakije) geboren op 15 maart 1930. Zie ook alle tags voor Andreas Okopenko op dit blog.

 

Een proces in rode inkt

Rode inkt wordt in wit water gegoten.
In het avondlicht keert Odysseus terug naar huis in Ithaca.
In zijn parken spelen de kinderen van vreemden.

Hij stelt een vraag die jullie moeten begrijpen:
Waar zijn de lichten van het uitgebrande Chicago?
Hij stelt de vraag veelbetekenend, baardig en zwaarlijvig.

Boven zijn haar zoemen muggen van de bosrand.
De lijnen die ze trekken gloeien als venkel in de wind.
Uit het bos sjouwen mannen houten emmers met boomhars.

Aan de horizon klinkt onophoudelijk een scheepshoorn.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Andreas Okopenko (15 maart 1930 – 27 juni 2010)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 15e maart ook mijn blog van 15 maart 2024 en ook mijn blog van 15 maart 2023 en ook mijn blog van 15 maart 2020 en eveneens mijn blog van 15 maart 2019 en ook mijn blog van 15 maart 2015 deel 2.

Jochen Schimmang, Volker von Törne

De Duitse schrijver Jochen Schimmang werd geboren op 14 maart 1948 in Northeim. Zie ook alle tags voor Jochen Schimmang op dit blog.

Uit: Mein Ostende

„Auf einer Rückreise aus dem englischen Südwesten erwischte ich in Dover nicht mehr die Fähre, die ich eigentlich hatte nehmen wollen, sondern erst die folgende, und kam damit schon am sehr fortgeschrittenen Abend in Ostende an. Dort plagte mich der Hunger, und da ich wusste, dass ich ohnehin erst mitten in der Nacht nach Hause kommen und um diese Zeit selbst in Köln wohl kaum noch etwas zu essen finden würde, fuhr ich mit dem Auto erstmals in meinem Leben die endlos lange Promenade mit ihren zahllosen Restaurants ab. Unglücklicher-weise handelte es sich gerade um die Wochen im Jahr, in denen die meisten von ihnen geschlossen hatten, bevor sie rechtzeitig vor Weihnachten zur Wintersaison wieder öffneten. Nur sehr wenige waren erleuchtet, und als ich zögernd das einladendste von ihnen betrat, den Old Fisher, wäre ich am liebsten gleich wieder gegangen, denn es saß dort kein einziger Gast. Am Meer isst man bekanntlich zeitig, weil der Appetit schon am frühen Abend kommt: eines der unabdingbaren Kapitel in der großen Erzählung von der Heilkraft des Meeres und der Seeluft. Es ging auf halb elf zu, ich war ersichtlich zu spät. Doch eine Frau in den Dreißigern, mit rötlichen Locken, wasserblauen Augen und einem leichten Rosenteint, als sei sie einem Gemälde von Franwis Boucher entsprungen, kam auf mich zu und bedeutete mir freundlich, Platz zu nehmen. Ich wählte einen Tisch direkt am Fenster und ahnte hinter der menschenleeren Promenade im Dunkel das Meer. Ich meine mich zu erinnern, dass ich ein Seezungenfilet aß. Es war nicht die ganz große Küche, aber ausgezeichnet zubereitet und präsentiert, wie in Belgien nicht anders zu erwarten, zu einer Zeit, als man in (West-)Deutschland das Essen als kulturellen Akt gerade erst zu entdecken begann. Niemand schien ungeduldig darauf zu warten, dass ich fertig wurde; auch meinen Kaffee konnte ich in aller Ruhe trinken und mich von einem sehr anstrengenden Tag erholen, der frühmorgens noch in Dorset begonnen hatte. Fast schien es mir, als sei dieses Restaurant an diesem Novemberabend nur für mich geöffnet gewesen und habe den ganzen Tag auf mich gewartet. Deshalb bleibt es für mich bis heute eines der besten der Welt. Dann fuhr ich zwei Stunden lang über die bekannten hell erleuchteten belgischen Autobahnen, verfuhr mich auch nicht im verknoteten Wirrwarr des Brüsseler Autobahnnetzes, fiel an der Grenze bei Aachen in die Dunkelheit zurück und war eine weitere Stunde später zu Hause.“

 

Jochen Schimmang (Northeim, 14 maart 1948)

 

De Duitse dichter Volker von Törne werd geboren op 14 maart 1934 in Quedlinburg. Zie ook alle tags voor Volker von Törne op dit blog.

 

ROOK

Voor Reuwen

Ooit leefde het land. Groene wagens
reden door het dorp. In het vroege licht
snoven de paarden
aan de rivier.

Waar zijn ze gebleven, de ketelmakers
en de muzikanten? Aan welke oever
grazen hun paarden? Onder welke maan zingen hun
violen?

Niemand heeft ze gezien. Spoorloos,
rook in de wolken,
zijn ze
vertrokken.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Volker von Törne (14 maart 1934 – 30 december 1980)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 14e maart ook mijn blog van 14 maart 2020 en eveneens mijn blog van 14 maart 2019 en ook mijn blog van 14 maart 2015 deel 2.

Yuri Andrukhovych

De Oekraïense dichter en schrijver Yuri Andrukhovych werd geboren op 13 maart 1960 in Iwano-Frankiwsk. Zie ook alle tags voor Yuri Andrukhovych op dit blog.

 

Rib

I’d like to donate a rib
to an anatomy workshop.
There one finds the giant hearts of butchers and lovers,
the sagging and bloated lungs of smokers,
trumpeters and glass-blowers,
the melancholy innards of drunks,
a tattooed order of a hero (right above the nipple)
and the hands of the last executioner
after the twelfth sentence…
Not another word about the rest of the creatures.
I’d like to donate a rib.
Perhaps something would come out of it —
a fish,
or a woman,
or a branch of
a forgotten tree
gingko…

 

Heorgian Family

Kikabidze, she said, firmly,
His name was Kikabidze.

What a ridiculous idea – to buy a prostitute a beer
at 2 a.m.,
pretending to be a businessman from the Baltic States
on delegation in Kiev!

On the other hand – what a chance
to listen to what these people know
about the country they live in,
about those who will never live in it,
about those who won’t be able to live at all.

They killed him, she tells me,
he stuck his nose into lots of things,
he was the best journalist
in our country.

I can’t correct her mistake,
I can’t know how it really was,
what his name really was.

I just want to believe in my own lie:
I am a businessman from the Baltic States
(yes, a businessman from the Baltic States!),
and all day long
in this country
I’ve got to sign contracts, drink to them,
down coffee, Cognac, sip Atenol,
send faxes and text messages
to get out of here all the sooner
and back to my Riga.

And she
repeats and repeats:

Kikabidze,
Kikabidze was his name.

 

In het thuisland van Roodkapje

Men zegt dat er in januari niemand komt.
Geen ziel te bekennen in het paleis of de bijgebouwen,
hangsloten op de deuren, tuinplanten in zakken,
de beelden eveneens, de bomen kaal.
Ik heb het ergens eerder gezien.

Maar in mei bloeit alles
met patiënten.
Hele stoeten Duitsers
op rolschaatsen, op fietsen.
Verliefde stelletjes, de eerste brigade gepensioneerden
in korte broeken. Oh, en nog eentje,
een kunstenaarsgemeenschap,
een nest van romantiek! Ze kopen
frisdrank in de orangerie en, eindeloos verrukt
door de uniekheid van de plek, de tijd, zichzelf en anderen,
volgen ze het programma verder –
naar het standbeeld
van Roodkapje.
(Blijkbaar vond in dit bos
dat ongelukkige incident met de wolf plaats).

Wat de patiënten zelf betreft,
ze trekken drie keer per dag naar het terras
op het afgesproken tijdstip,
volgens het programma van het naar binnen schrokken van eten,
en vullen de tijd met gesprekken in alledaagse talen
(Bettina von Arnim, zeggen ze, Bettina von Arnim.
Dat is het wachtwoord). Het is hier zo mooi, in mei,
dat je niets wilt doen.

“Bettina von Arnim” – zeg ik tegen het wijnglas
en tegen de asbak. O, wat heb ik een pech!
O, wat ben ik toch ondankbaar! En waarom dit ongemak?
En waarom blijf ik zo koppig denken
aan ontsnapping, aan een dwangbuis,
aan gestreepte gevangenispyjama’s?

Niemand weet wat hij
van iemand kan verwachten. Dat is tenslotte waarom we patiënten zijn –
om de boel op stelten te zetten.

De eerste drie dagen
merkte niemand zijn verdwijning op.

Op de vierde dag vroeg iemand zich af
waar hij in vredesnaam gebleven was, die joviale dikbuikige Fin
met zijn gulp permanent open
en de geur van bier onder zijn oksels. (Bovenstaande
details zullen uit beleefdheid niet hardop worden uitgesproken.
Natuurlijk zal er iets gezegd worden,
iets neutralers, zoals bijvoorbeeld
“En waar is onze Finse vriend?”)

Op de vijfde dag is het tijd voor het personeel
om zijn kamer leeg te halen.

En dan komt de waarheid aan het licht.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Yuri Andrukhovych (Iwano-Frankiwsk, 13 maart 1960)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 13e maart ook mijn blog van 13 maart 2021 en eveneens mijn blog van 13 maart 2019 en ook mijn blog van 13 maart 2016 deel 1 en eveneens deel 2 en ook deel 3.

Dave Eggers, Naomi Shihab Nye, Raoul de Jong

De Amerikaanse schrijver Dave Eggers werd geboren op 12 maart 1970 in Chicago. Zie ook alle tags voor Dave Eggers op dit blog.

Uit: De cirkel (Vertaald door Gerda Baardman, Liedwien Biekmann, Brenda Mudde en Elles Tukker)

“Mijn god, dacht Mae. Dit is het paradijs. De campus was immens en grillig, een explosie van Stille Oceaan-kleuren, en toch tot in het kleinste detail zorgvuldig overwogen, door de meest expressieve handen vormgegeven. Op een stuk land waar ooit een scheepswerf had gezeten, toen een drive-inbioscoop, toen een rommelmarkt, toen drie keer niks, bevonden zich nu zachtgroene heuvels en een fontein van Calatrava. En een picknickterrein met in concentrische cirkels opgestelde tafels. En tennisbanen, gravel én gras. En een volleybalveld waarop de peuters van de bedrijfs-crèche gillend ronddartelden, meanderend als waterstroompjes. Te midden van dit alles was ook nog plek om te werken: anderhalve vierkante kilometer geborsteld staal en glas, het hoofdkantoor van het machtigste bedrijf ter wereld. De hemel erboven was strakblauw. Dit alles passeerde Mae toen ze van de parkeerplaats naar het hoofdgebouw liep en erg haar best deed eruit te zien alsof ze daar thuishoorde. Het wandelpad kronkelde om citroen- en sinaasappelbomen heen en de steenrode kinderkopjes waren hier en daar vervangen door tegels met dwingende, inspirerende teksten. ‘Droom’, stond er op een, het woord was er met een laser ingebrand. ‘Doe mee’, stond er op een andere. Het waren er tientallen: ‘Zoek de overeenkomsten’. ‘Wees creatief’. ‘Fantaseer’. Ze stapte bijna op de hand van een jongen in een grijze overall; hij was bezig een nieuwe steen te plaatsen met de tekst ‘Adem’. Op een zonnige maandag in juni stond Mae voor de hoofdingang, recht onder het glas waarin het logo was geëtst. Hoewel het bedrijf nog geen zes jaar bestond, hoorden de naam en het logo — een cirkel om een raster van verstrengelde lijnen met een kleine c in het midden — al tot de bekendste ter wereld. Er werkten hier, op de grootste campus, meer dan tienduizend mensen, maar de Cirkel had overal op de aardbol kantoren en nam iedere week honderden briljante jonge geesten aan. Vier jaar op rij was het uitgeroepen tot het meest bewonderde bedrijf ter wereld. Mae wist dat ze zonder Annie nooit de kans zou hebben gekregen om op zo’n plek te werken. Annie was twee jaar ouder en ze hadden tijdens hun studie drie semesters een kamer gedeeld in een lelijk gebouw dat ze leefbaar hadden gemaakt door hun bijzondere band, een als tussen vriendinnen, als tussen zussen of nichtjes die wilden dat ze zusjes waren en dus een reden hadden om nooit uit elkaar te gaan.”

 

Dave Eggers (Chicago, 12 maart 1970)

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Naomi Shihab Nye werd geboren op 12 maart 1952 in St. Louis, Missouri. Zie ook alle tags voor Naomi Shihab Nye op dit blog.

 

Genieten van het werk

“We maken schoon om ruimte te creëren voor kunst.”
Micaela Miranda, Freedom Theatre, Palestina

Werk was een stralend toevluchtsoord toen de wind zijn tanden
in mijn hoofd zette. Alles waar we van houden verdwijnt,
drijft weg – maar je kon dit stukje vloer vegen,
dit terras of deze veranda, witte steentjes verzamelen in een emmer,
het stukje grond harken voor toekomstige beplanting, het aanrecht afwissen
met een doek. Een heerlijke natte grijze doek, wring hem goed uit
het scheelt zoveel. De tuin ontdoen van rondwaaiende stukjes plastic.
De glorie van het doen. De adem van het doen.
Soms voorkwam de simpelste handeling dat angst
verbrokkelde tot een totaal gebrek aan energie, of dat verdriet
zich vermenigvuldigde, of dat verdriet de enige persoon was
die in het huis woonde.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Naomi Shihab Nye (St. Louis, 12 maart 1952)

 

De Nederlandse schrijver, columnist, programmamaker en danser Raoul de Jong werd geboren in Rotterdam op 12 maart 1984. Zie ook alle tags voor Raoul de Jong op dit blog.

Uit: Dagboek van een puber

Geen van mijn vrienden kan zich herinneren wat zij in hun puberdagboeken schreven: twee gooiden hun dagboeken weg, een derde had het zijne verbrand en een vierde duwde het hare door de papierversnipperaar. Toen ik in de zomer van 2017 op de zolder van mijn achtentachtigjarige opa een eenentwintig jaar oud schrift vond, snapte ik waarom ze dat hadden gedaan. Sinds mijn oma is overleden, blijf ik soms een paar dagen bij mijn opa logeren. Overdag werk ik dan achter mijn laptop aan de eettafel, terwijl opa in een gemakkelijke stoel naast het raam de krant leest en commentaar geeft op het wereldnieuws. Dat is elke dag iets anders, maar komt geruststellend genoeg al drieëndertig jaar toch ook op ongeveer hetzelfde neer: het gaat slecht, het wordt slechter en er is niets wat wij daaraan kunnen doen, behalve klagen. Om stipt zes uur eten we: aardappelen, groenten, en iets uit de bio-industrie. Daarna doen we de afwas en zetten koffie, de rest van de avond kijken we tv. Tros Radar, Kassa, of iets anders over bedonderaars en bedriegerij met Antoinette Hertsenberg. Om elf uur begin ik te gapen en zeg dat ik morgen weer vroeg op moet. ‘Weet je waar de handdoeken liggen?’ vraagt opa dan. ‘In de kast naast de badkamer, al mijn hele leven,’ antwoord ik, en ik geef hem een kus en ga naar de zolder. Maar die avond zei opa: ‘De schoonmaakster heeft een doos gevonden.’ ‘Goh,’ zei ik. Ja, knikte hij, ‘met dingetjes. Van jou.’ Als ik er vanavond even naar keek, konden we de doos morgenochtend bij het vuilnis zetten. De doos stond al op me te wachten, pontificaal op het hoofdkussen van mijn logeerbed. Ik deed hem open en werd bruusk geconfronteerd met een krantenknipsel uit het Dep Dagblad van 2003. ‘Over tien jaar woon ik in Amsterdam of New York, heb succes met mijn werk en heb tienduizend nieuwe, leuke, hippe vrienden, onder wie Katja Schuurman’ stond onder een foto van mijn achttienjarige zelf, die druipend van zelfoverschatting de camera in kijkt. Ik kieperde de doos leeg en vond: — drie boetes en één aanmaning van de Ns — een nooit verstuurd kaartje aan een vriendin (ik ben op vakantie met mijn moeder, gezellig dat het is!!!) — een kaartje voor een concert van No Doubt .”

 

Raoul de Jong (Rotterdam, 12 maart 1984)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 12e maart ook mijn blog van 12 maart 2020 en eveneens mijn blog van 12 maart 2019 en ook mijn blog van 12 maart 2018 en ook mijn blog van 12 maart 2017 deel 2.

Karl Krolow, Willem Claassen

De Duitse dichter en schrijver Karl Krolow werd geboren op 11 maart 1915 in Hannover. Zie ook alle tags voor Karl Krolow op dit blog.

 

LAND IM GERICHT

Ich bin das Land, das ohne Hoffnung ist,
Mit Gräberkreuzen neben jedem Weg
Und schief im Kräuticht, das die Ernte frißt,
Gedünst von Blut im Boden, trüb und träg.

In meinen Städten hängt die Sonne still
Wie ein Geschwür, von Fliegen dicht umflort.
Ich bin der Kehricht, drin die Ratte schrill
Vor Hunger pfeift und nur der Käfer bohrt.

Ich bin das Land, das man durch Tränen sieht.
Im Aug bleib ich als bittres Salz zurück,
Lieg unterm Netze, das der Himmel zieht,
Und fall ins tiefe Schweigen, Stück um Stück.

In meinen Wäldern lösen sich im Schrei
Die alten Geister. Und die Hölzer schwelen,
Vom Monde krank und blinder Zauberei.
Die Vögel flattern mit verbrannten Kehlen;

Und heiser wie der Wetterfahnen Ton
Fliehn ihre Stimmen an des Tages Rand
Zu Wolken auf, in denen Gifte drohn.
Verdammt bin ich und der Vampire Land.

Ich bin das Land, das im Gerichte steht,
Und allen Ländern bin ich das Gericht.
In meinen Schwären, die ich hergedreht,
Werd ich gerufen in das letzte Licht,

Ins Licht von drüben, wie es unverwandt
Einst auf mir ruht und mich nach oben zieht:
Das unter Qualen umgeworfne Land,
Das Totenland, das man durch Tränen sieht.

 

TERZINEN VOM FRÜHEREN EINVERSTÄNDNIS MIT ALLER WELT

Erinnerungen sind Jagdhörner
Deren Ton im Winde vergeht.
Apollinaire

Die schöne Stille der Gewächse — Zerbrechlich wie die Fabel Welt — Umschlang ich sanft im Arm der Echse.

Zerbrechlich wie die Fabel Welt,
So ritt ich auf des Windes Nacken,
Den Oberon zusammenhält.

So ritt ich auf des Windes Nacken:
Ein grüner Schatten ohne Laut,
Befreit von meiner Schwere Schlacken
.

Ein grüner Schatten ohne Laut.
Ach, von den Fischen trug ich Flossen
Und atmete durch Tigerhaut!

Denn von den Fischen trug ich Flossen.
Mein Geist erheiterte sich still.
Vom Gleichmut tausendfach genossen,

Erheiterte der Geist sich still,
Mit allen Wesen einverständig,
Zypressenfeuern, Asphodill.

Mit allen Wesen einverständig,
Beharrlich, ohne Ungeduld,
Und wie das Flötenholz lebendig.

Beharrlich ohne Ungeduld.
Kein Kartenspiel der Schwermut mehr: —
Wie Süßigkeit, die frei von Schuld

Verschwendet sich im Ungefähr …

 

Robinson I

Keer op keer strek ik mijn hand uit
naar een schip.
Met mijn blote vuist probeer ik
het zeil te grijpen.
Eerst ving ik
verschillende vaartuigen die
aan de horizon verschenen.
Zo vang ik forellen.
Maar de moesson keek mij
op de vingers
en liet ze ontsnappen,
of roer en kompas
braken. Je moet
voorzichtig met schepen omgaan.
Daarom riep ik hun namen na.
Ze luidden altijd
als die van mij.
Nu leef ik alleen nog
in gezelschap van de ongehoorzaamheid
van een paar woorden.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Karl Krolow (11 maart 1915 – 21 juni 1999)
In het midden Karl Krolow met rechts naast hem Günter Grass, 1975

 

Onafhankelijk van geboortedata:

De Nederlandse schrijver Willem Claassen werd geboren in Beuningen in 1982. Zie ook alle tags voor Willem Claassen op dit blog.

 

Struisvogels

Een keer per week groet ik ’s morgens de dingen in de Reekstraat. Het is net als in het gedicht van Paul van Ostaijen, ‘Marc groet ’s morgens de dingen’.

Dag ventje met de fiets op de vaas met de bloem ploem ploem
dag stoel naast de tafel
dag brood op de tafel
dag visserke vis met de pijp

In mijn geval:
Dag meisjes op de fiets met de rugzakken op weg naar school kool kool
dag opblaasboot in de sloot
dag taxibussekebus
dag bevroren landbouwgrondje dat te koop staat

Dat ik de dingen groet in de Reekstraat komt door de struis- vogels. Met hen is het begonnen. Dag struisvogels! Ik weet niet precies of ze nu met vijf, zes of zeven zijn, ook al ben ik er hon- derden keren langs gereden. Soms volgen ze me, met hun kop- pen, die net boven de bovenste draad uit komen. Ze kijken dan net zo ongeïnteresseerd als ze waarschijnlijk in Tanzania zouden doen. Soms zie ik ze op de grond pikken en dan vraag ik me af of ze eten zoeken of een gat waar ze hun kop in kunnen steken.
Een struisvogel is een raar beest. De grootste vogel die be- staat, die het hardst kan lopen van alle vogels, maar vliegen ho maar. En dan die lange nek, buigzaam als gekookte spaghetti. En dat allemaal op de Reekstraat, met op de achtergrond een berg die het goed zou doen in Afrika. Als je het niet zou weten zou je denken: wat een eigenaardige maar mooie berg.
Je kunt er vast iets symbolisch in zien, in die struisvogels in een weitje op de grens van Beuningen en Weurt, vlak voor een afvalberg. Maar dat doe ik niet. Het zijn gewoon struisvogels. En die groet ik, iedere week. Daa-ag struisvogel. Dag lieve struisvo- gel. Dag fijn struisvogelijn mijn.

 

Willem Claassen (Beuningen, 1982)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 11e maart ook mijn blog van 11 maart 2020 en eveneens mijn blog van 11 maart 2019 en ook mijn blog van 11 maart 2018 deel 3.

John Rechy, Naomi Shihab Nye

De Amerikaanse schrijver John Rechy werd geboren op 10 maart 1931 in El Paso, Texas. Zie ook alle tags voor John Rechy op dit blog.

Uit: Sexual Outlaw: A Documentary

“11.07 A.M. The Apartment The Gym.
HE PREPARES his body for the hunt. A dancer at the bar. A boxer in the ring. Prepares ritualistically for the next three days of outlaw sex. The arena will be streets, parks, alleys, tunnels, garages, movie arcades, bathhouses, beaches, movie back-rows, tree-sheltered avenues, late-night orgy rooms, dark yards. The city is Los Angeles. Beyond the window of his apartment, yellow-green palmtrees stand aloofly. Later they will watch distantly as he prowls through the floating sexual under-ground. He is stripped to sweat-faded cutoffs. His pectorals are already pumped from repetitions of dumbbell presses on a bench, inclined, flat, then declined; engorged further by dumbbell flyes extending the chest muscles into the sweeping spread below the collar. His “lats”—congested from set after set of chin-ups—slow, fast, wide-grip, medium-grip, weights strapped about his waist for added resistance that will allow him to do only half-chins as the muscles protest-flare from armpits to mid-torso. His legs are rigid from squats held tense at half-point. Round, full, his arms are hard, hard from sets of curls, the dumbbell an append-age of strength and power in his hands. The horseshoe indention at his triceps is engraved sharply by repetitions of barbell extensions. Now the barbell—chrome, red-collared—rests at his feet. Dark weights are bal-anced harmoniously on each side of the bar. He bends over, jerking the bar widely in one move to his shoulders, and barely pausing, lifts it over his head and lowers it behind his neck. The deltoid muscles waken in welcome shock. One repetition, an-other, and another. Eight. Nine. Ten. He reverses the motions, places the bar at his feet. Breathing deeply, he moves away from the bar for thirty seconds only. Sweat coats his body like oil and stains the cutoffs at his groin. Deliberately he avoids the mirror on the wall. That crucial encounter comes only at the last. He does another set of standing presses with the loaded barbell, heavier now with added dark round plates. Seven sets in all, decreasing repetitions, adding weight each set. “

 

John Rechy (El Paso, 10 maart 1931)

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Naomi Shihab Nye werd geboren op 12 maart 1952 in St. Louis, Missouri. Zie ook alle tags voor Naomi Shihab Nye op dit blog.

 

Generaties

Aan het einde van een ongewoon warme dag
Oudjaarsavond 2017
stond ik in mijn keuken met
één houten lepel in mijn hand.

Mijn moeder keek tv
in de woonkamer
en at appels, crackers en kaas.
Mijn kleinzoon sliep in een kinderwagen
in een rustige achterkamer.
Ik was familie van beiden,
negentig en één jaar oud.
Ze waren vredig.
En dat was het.
Het mooiste moment
van mijn leven.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Naomi Shihab Nye (St. Louis, 12 maart 1952)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 10e maart ook mijn blog van 10 maart 2020 en eveneens mijn blog van  10 maart 2019 deel 1 en ook deel 2.

Peter Zantingh, Taras Sjevtsjenko

De Nederlandse schrijver, columnist en blogger Peter Zantingh werd geboren op 9 maart 1983 in Heerhugowaard. Zie ook alle tags voor Peter Zantingh op dit blog.

Uit: Tussentijds

Ik heb alles. En toch: op het precieze moment dat de hardhouten stationsbanken van Utrecht Centraal uit beeld beginnen te schuiven, weet ik zeker dat ik iets vergeten ben. Een halve seconde ben ik ervan overtuigd dat ik me in het perron vergist heb of mijn tas nog buitenstaat, in een poging me af te zetten tegen de onomkeerbaarheid. In stilstand kon alles nog. Ik neem de volgestouwde rugzak op schoot, eerst om ook mijn tast ervan te verzekeren dat ik niets vergeten ben en dan, terwijl we de maximumsnelheid opzoeken, om haar boek langs de gewatteerde achterkant omhoog te wurmen. Ik streel het matte hardcoveromslag als om haar ermee op te roepen en sla het voorzichtig open. Zes uur en zesendertig minuten liggen er tussen haar en mij, bijna zevenhonderd kilometer. Dit is haar noodkreet, haar dreigement, zo onmiddellijk om een antwoord vragend dat ik onaangekondigd onderweg ben. Misschien ben ik al te laat. Twaalf weidse prenten zijn het, in potlood, krijt, houtskool en verf, verdeeld over vierentwintig ongenummerde pagina’s ruw, gerecycled honderdzestiggrams papier. Ik weet nog hoe verheugd ze was toen ze de drukplannen gemaild had gekregen, alsof de zwaarte van het papier benadrukte hoe goed haar werk was geworden. Meestal tekende ze in de logeerkamer, urenlang, ook ’s avonds. Als ik er de volgende ochtend naar binnen keek terwijl zij nog lag te slapen, zag ik het diagonaal gekantelde tafelblad waaraan ze gestaan had, het grote vel papier dat er met een brede klem aan was vastgemaakt, het opgespaarde potloodslijpsel in een loodkris-tallen whiskyglas in de vensterbank en haar tekengerei op het krukje in de hoek, waar ze niet eens zo lang daarvoor, tijdens een ander soort dagdromen, de commode had bedacht. Het is warm en het wordt steeds warmer. De laatste in Utrecht ingestapte reizigers zoeken hun stoel. Ik zoek de plaat in het midden van het boek op en neem het papier tussen mijn strakgespannen, onwillekeurig strekkende en buigende vingers. Het zijn spierspasmen die doorwerken tot in mijn schouders en nek. De uitstralingspijn zal me waarschijnlijk nog voor Arnhem hoofdpijn bezorgen. Een tic, dat is het, en er zijn slechts twee manieren om het tegen te gaan: ik kan proberen het met volle concentratie en wilskracht niét te doen, dat herhaaldelijk straktrekken van de spieren, wat zo’n beetje neerkomt op het omgekeerde van mindfulness, of ik kan mijn gedachten juist zo afleiden dat hoofd en lichaam het allebei even vergeten. Kijk – ze is herkenbaar in elk detail. De natuurgetrouwe kleuren, de met opzet tot net buiten de lijntjes aangebrachte penseelstreken. Met je blik aan een scherpe hoek blijven haken is onmogelijk; alles is afgerond, gevijld.”

 

Peter Zantingh (Heerhugowaard, 9 maart 1983)

 

De Oekraïense dichter, schrijver en schilder Taras Sjevtsjenko werd geboren op 9 maart 1814 in Morynzi bij Kiev. Zie ook alle tags voor Taras Sjevtsjenko op dit blog.

 

Aan N.N.

Terwijl de zon ondergaat en de heuvels donker worden,
terwijl het vogelgezang verstomt en de velden stilvallen,
terwijl de mensen lachen en rusten,
kijk ik toe.
Mijn hart haast zich
naar de schemerige tuinen van Oekraïne.
En ik haast me.
O, wat haast ik me met mijn gedachten,
terwijl mijn hart verlangt naar rust.
Terwijl de velden donker worden,
terwijl de bossen donker worden,
terwijl de heuvels donker worden,
zie ik een ster.
En ik huil.
Hé, ster! Ben je in Oekraïne aangekomen?
Kijken donkere ogen naar je in de blauwe hemel?
Of maakt het ze niets uit?
Mogen ze slapen als ze dat niet doen.
Mogen ze niets weten van mijn lot.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Taras Sjevtsjenko (9 maart 1814 – 10 maart 1861)
Monument voor Taras Sjevtsjenko in Lviv

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 9e maart ook mijn blog van 9 maart 2025 en ook mijn blog van 9 maart 2021 en ook mijn blog van 9 maart 2020 en eveneens mijn romenu blog van 9 maart 2019 deel 1 en ook deel 2.