Marie Kessels, Christoph W. Bauer

De Nederlandse schrijfster Marie Kessels werd geboren in Nederweert op 11 december 1954. Zie ook alle tags voor Marie Kessels op dit blog.

Uit: Het gezicht

“Als je de hele dag een man zou horen huilen en je vond hem niet in huis of op straat en hij ging gewoon verder met huilen, ’s nachts en de volgende dag, weken achter elkaar, onstuitbaar, hoe zou je dan veranderen?
Als hij op dezelfde manier onstuitbaar zou lachen zou je zeker krankzinnig worden en hulp nodig hebben, al klonk dat lachen vrolijk en niet spottend of hatelijk.
Maar tegen zijn huilen zet je je eerder schrap, na een tijdje ‘geloof je het wel’, je leeft door alsof je het niet hoort. Zijn snikken werkt niet minder direct op de zenuwen dan dat gelach zonder reden, op een schaal van een tot tien geef je een negen aan het lachen en een twee aan het huilen als het om indringendheid gaat. Op den duur is het bladergeritsel huilen, je hoort het pas goed op het ogenblik dat het wegsterft en de plotselinge stilte je korzelig maakt.
De korven voor het mensenvervoer beginnen zo erg te slingeren in het harde licht van de middagzon dat we vlug uit onze wagens stappen om ons te verkneukelen.
Van een andere vrouw houden zonder door te stoten naar de plaats, het brandende centrum waar haar scheppende kracht aan het werk is, zonder dat brandende centrum te kunnen vinden, is een hopeloze aangelegenheid waardoor je heftig naar de dood gaat verlangen (net of je steentje voor steentje wordt afgebroken als een wrakke kathedraal).
Tot het laatst toe bewaarde de man die door het vuurpeleton zou worden gedood de ironische houding waarmee hij als televisiepresentator bekend is geworden. Ook zijn executie nam hij niet serieus, hij praatte badinerend tegen zijn publiek (dat er niet was, behalve het vuurpeloton), maakte wegwerpende gebaren, vulde de ruimte met het het spottende stemgeluid van de teleurgestelde en vermoeide oudere man, zijn glansrol: een bologige, kwakende heer zonder illusies, de draak
stekend met alles waar zijn vinger naar wees, waar zijn blik even langs streek. Zo nam hij de openbare ruimte (onafzienbaar en leeg) nog één keer in bezit, clownesk en droevig maar niet droeviger dan anders, niet droevig om zijn dood; misschien had hij te weinig verbeeldingskracht voor een voorstelling van zijn dood. Is het mogelijk dat mensen onder zulke omstandigheden niet zweten? Iedereen heeft wel eens de gewaarwording van gummi te zijn, onverwoestbaar en ook onecht, bijvoorbeeld op het ogenblik dat er op de snelweg een auto op hem af stormt. Die auto kan hem toch niets doen! De televisiepresentator had zo’n gummi-gedachte niet nodig tegen de schrik, de ironicus rekent al blindelings op de overmacht van de onwerkelijkheid. Nee, hij zweette niet en zijn zware oogleden bewogen heel snel op en neer om zijn publiek naar zich toe te zuigen, het in te palmen, op zijn hand te krijgen, aan het lachen te maken. Alles als vanouds.”

 

Marie Kessels (Nederweert, 11 december 1954)

 

De Oostenrijkse dichter, schrijver en vertaler Christoph W. Bauer werd geboren in Kolbnitz op 11 december 1968. Zie ook mijn blog van 26 september 2010 en ook alle tags voor Christoph W. Bauer op dit blog.

 

lawaai is een begin, geluk een simpel akkoord
achter de ogen rollen bassen dreunen
over ons heen, jaren lang heb ik gerend naar
dit concert, jij kwam uit dezelfde
richting, en de rest kan ik me voorstellen.

zeg je zo zachtjes dat ik het nauwelijks versta en
misschien alleen maar wil aannemen omdat jouw
handen de reizen aan die van mij aflezen alsof
het hun eigen reizen zijn, en de hemel rockt
en brult en blijft in alles een punk die

zijn hanenkam in regenboogkleuren
schildert, metaforisch gesproken dansen we op een
dun koord horen de surfers lasteren
geen cent waard is ons hun geblaat vivamus
atque amemus, Campino krakeelt wat telt.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Christoph W. Bauer (Kolbnitz, 11 december 1968)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 11e december ook mijn blog van 11 december 2018 en eveneens mijn blog van 11 december 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

Thomas Verbogt, Eileen Myles

De Nederlandse schrijver Thomas Verbogt werd op 9 december 1952 geboren in Nijmegen. Zie ook alle tags voor Thomas Verbogt op dit blog.

Uit: Schrijven is ritme (De meisjes hadden wél gelijk)

“Het moment waarop ik voor het eerst een literaire tekst hoorde, herinner ik me niet. Toch was dat moment er. Mijn moeder zong een liedje dat ik later, na dat moment van heel vroeg in mijn leven, opnieuw hoorde, hoeveel later weet ik niet precies, maar wel dat het een vage herkenning opriep, ik hoorde het bewust of in ieder geval bewuster dan toen, het liedje ‘Slaap kindje slaap’. Mijn moeder zong het met zachte stem, een paar keer achter elkaar, het woord ‘kindje’ verving ze de tweede keer dat ze het zong door mijn naam. Het liedje maakte me niet alleen slaperig, het stelde me ook gerust, terwijl het nauwelijks iets in me opriep wat ik wilde begrijpen (als ik dat toen al wilde), want hoe simpel de tekst ook is, ik geloof niet dat ik begreep wat ‘zo zoetjes’ was, want het woord ‘zoet’ had ik niet gehoord. Mijn ouders gebruikten het niet ter vervanging van ‘gehoorzaam’ of ‘braaf, ze noemden mij nooit ‘een zoete jongen’, wat ik achteraf niet betreur. Het liedje kende ik wel vrij snel uit mijn hoofd, althans ik wist wat er komen ging als mijn moeder had gezongen ‘Daar buiten loopt een schaap’, hoewel wat er volgde niet rijmde op ‘slaap’: ‘Een schaap met witte voetjes’. Niet alleen mijn geheugen hielp me, ook het ritme van het liedje, weliswaar een kalm ritme, maar wel degelijk aanwezig. Behalve dat ik woorden leerde om te communiceren, leerde ik meer liedjes van mijn moeder, liedjes die ik onthield zonder dat de tekst glashelder was. Hoe het met de kinderliedjes van nu zit weet ik niet, maar in die jaren was er soms geen touw aan vast te knopen. Op de kleuterschool, waar ik hoopte te leren schrijven, wat niet het geval bleek, zongen we liedjes — tot mijn spijt toen was dat belangrijker dan schrijven —, liedjes als:

Daar kwam ene boer uit Zwitserland
Kadee, kadulleke, kada
En die had enen ezel aan zijn hand
Laberdi laberda laberdonia
Een die had enen ezel aan zijn hand
Cecilia!

Volgens mij was het een lied waaraan geen einde kwam. Waar die boer vandaan kwam, snapte ik. Ook hoe hij erbij liep, met een ezel immers. De woorden die ik niet kende en niet begreep, vond ik rare, een beetje beschamende woorden. Toch leerde ik het met betrekkelijk weinig moeite vanbuiten.”

 

Thomas Verbogt (Nijmegen, 9 december 1952)

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Eileen Myles werd geboren in Boston, Massachusetts, op 9 december 1949. Zie ook alle tags voor Eileen Myles op dit blog.

 

Het verdriet van het vertrek

Alles is
zo ver weg—
mijn jas is
daar. Ik ben doodsbang
om te gaan en dat jij
me niet zult missen
Ik ben doodsbang voor het
heldere blauw van
de metro
op andere dagen ben ik

zo blij en
bereid om te geloven
dat iedereen die
door de straat loopt
iemand is die ik ken.
De ouderdom van Macy’s
maakt indruk op me. De
houten roltrappen
als je
verder boven bij de meubels komt,
krediet, lampenkappen—
Je hebt hier gewinkeld
als kind. Oh,
je verdient me! In
een film genaamd
Close Up—af en toe
de kronkelende

stangen, let op
de kronkelende blauwe
stangen van
metro-ingangen,
de korrelige schoonheid,
de vlek. Ik zal vandaag geen
zelfmoord plegen. Het is
te mooi. Mijn hart
breekt op de 23e
straat. Om dit
met jullie te delen, de
zoetheid van het
frame. Mijn lichaam
in perfecte vorm
voor niets anders dan
de dood. Ik wil
je dit laten zien.
Op het San Marcoplein
schreeuwt een gek:
mijn voetstappen, de
trommelslagen van Armageddon.

O ja, breng me
dichter bij U, Heer.
Ik wil sterven
Van Dichtbij. Een handvol
stuiterende gele
tulpen voor David. Ik
geef toe dat ik van tulpen houd
omdat ze
zo mooi sterven.
Ik
zie verlossing in
hun hangende hoofdjes.
Een prachtige uitgang. Hoe
komen ze ertoe
zich zo vrij te voelen? Ik ben
gevangen door liefde—
boven frietjes
dwalen mijn ogen af naar
De Hue Bar. Een blauw
bord. Door het
leven. Op weg om
een punt te maken,
om logica te vinden, om niet
verliefd te worden van-
nacht en
mijn pijn onverpakt
te laten – om
de machine te duwen – Paul
houdt contact, maar
oh, herinner je Jessica nog
Lange, ze zag er zo
mooi uit
helemaal
onder invloed, op weg
om King

Kong te ontmoeten. Ik zit
op mijn kleine rode
bank in februari
hoe krijgen ze het voor elkaar
om zich zo vrij te voelen
1.000.000 vrouwen
niet ik die door
de straat bewegen vanavond
van deze vage
stad & ik
kroon mezelf
keer op keer
en er
kunnen geen
twee koningen zijn.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Eileen Myles (Boston, 9 december 1949)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 9e december ook mijn blog van 9 december 2018 deel 2 en eveneens deel 3.

Jamal Ouariachi, Delmore Schwartz

De Nederlandse schrijver Jamal Ouariachi werd geboren in Amsterdam op 8 december 1978. Zie ook alle tags voor Jamal Ouariachi op dit blog.

Uit: De mogelijkheden van het onmogelijke

“Geen voorzichtige inleiding. Mijn deurmat is niet gemaakt van kokoshaar maar van de afgestroopte stekelhuid van een egel. Er staat niet ‘Welkom’ op gedrukt, maar ‘Nietzsche’.
Laat ik beginnen met een citaat uit diens De geboorte van de tragedie:
‘Er is een oude sage die zegt dat koning Midas lange tijd in het bos jacht maakte op de wijze Silenus, de metgezel van Dionysus, zonder hem te pakken te krijgen. Als hij hem ten slotte toch in handen valt, vraagt de koning wat het allerbeste en allervoortreffelijkste is voor de mens. De demon hult zich in een koppig en onverstoorbaar stilzwijgen totdat hij, door de koning gedwongen, ten slotte in lachen uitbarst en de volgende woorden spreekt: “Jullie, beklagenswaardig eendagsgeslacht, kinderen van toeval en kommer, waarom dwing je me te zeggen wat je veel beter niet kunt horen? Het allerbeste is voor jou totaal onbereikbaar, namelijk niet geboren te zijn, niet te zijn, niets te zijn. Het op één na beste echter is – zo spoedig mogelijk te sterven.”’
Puur sadisme, dat lachen van die oude sater Silenus, want zelfs het op één na beste is voor de meeste mensen geen optie. Al hangt hun leven van ellende aaneen, er een einde aan maken zien ze niet zitten. Doodsangst steekt daar een stokje voor.
Lijdzaam afwachten, meer kunnen we niet doen.
Er lopen allerlei draden van deze passage bij Nietzsche naar het werk van A.F.Th. van der Heijden. Meteen al in zijn debuut, het onder de naam Patrizio Canaponi gepubliceerde Een gondel in de Herengracht, is het Silenus-verhaal onderwerp van gesprek tussen Bruno Tirlantino en diens minnaar Simon Fringle. In de romancyclus De tandeloze tijd klinken de woorden van Silenus menigmaal, bijna als een refrein. De tekst van Nietzsche fungeert zelfs als motto bij het hoofdstuk ‘Het antwoord aan koning Midas’ in de roman Vallende ouders (De tandeloze tijd 1).
Het allerbeste is onbereikbaar, het op één na beste onwenselijk. Van der Heijdens hele oeuvre, zo schijnt het mij toe, is doordrenkt van de vraag wat dan wél een wenselijke manier is om het leven te kunnen verdragen. En in zijn zoektocht naar antwoorden op die vraag lijkt hij geïnspireerd door de onmogelijkheid van wat Silenus het allervoortreffelijkste noemt. Het onmogelijke: daarin moeten de antwoorden gezocht worden.
Leven in de breedte
In De tandeloze tijd heeft het personage Albert Egberts zo’n mogelijk-onmogelijk antwoord bedacht. Op verleidelijke wijze legt hij het voor aan zijn vriend Thjum Schwantje: ‘Er is een manier, Thjum, een truc om tijd te winnen… oneindig veel tijd te winnen en te ontginnen. Tijd die niet aan je vreet… die je niet ouder maakt. Integendeel! Het is een tijd die je het eeuwige leven kan geven… of bijna in ieder geval.’
Wie wil dat niet, een trucje leren om een bijna eeuwig leven te verkrijgen? Mijn aandacht heeft hij in ieder geval, die Egberts. Hij gaat verder: ‘Aangezien het leven zich nietsontziend in de lengte ontrolt, moet je proberen het zo breed mogelijk te maken… moet je proberen het in de breedte te laten uitdijen…”

 

Jamal Ouariachi (Amsterdam, 8 december 1978)

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Delmore Schwartz werd geboren op 8 december 1913 in New York. Zie ook alle tags voor Delmore Schwarz op dit blog.

 

Betreffende de synthetische eenheid van het zelfbewustzijn

‘Quatsch, quatsch!’ zei de koning mijn oom,
‘de geest is rook en stijgt op, zwak als rook.
Zit niet tussen de doden, zit in de zon.
Eet sinaasappels! Kul! De wagen komt.

Alle geesten keerden terug. Het bevalt ze daar niet meer.
Geen zijdezacht water en geen grote bruine beer,

geen bier daarboven, geen siësta’s en ook al geen –’
‘Oom,’ zei ik, ‘wat is liefde? Ik ben zo alleen.’

Gek werd hij daarvan. Nu knoopt hij tijd
en zelfbewustzijn draad na draad aaneen.

•••

Zulke antwoorden zijn een schrale troost voor de doden
‘Wat een holle retoriek,’ zei de stilte,
‘jij leert de jongens en meisjes dat brood en wijn,
waarop hun wellust spuugt als op de macht,
binnen handbereik zijn.
Het zijn waanbeelden van je schuldgevoel
dat je tot schande strekt als een leugen die uitkomt.
De andere jongens ploften als zoutzakken op wanhopige kusten.’

‘Maar je weet toch wat voor leven ik heb geleid,
dat werkelijk alles wat ik ben geweest me afsnijdt
van normale burgermansgenoegens.
Hoe vaak ben ik niet ’s nachts langs een feest gekomen
waar goedkope minachting getoeterd werd
en klokslag twaalf de gulle lach losbarstte,
het feest waar ze het nieuwe jaar ontkurkten
als champagne of als liefde, met een knal en schuim,
terwijl ik langdurig studeerde op de kunst
waarmee je in Amerika een muur van stilte verdient.
– Ik ben een onderzoeker van de typen licht,
ik ben een dichter van de waakzame nacht,
in het nieuwe en nog ongekende Amerika.
Ik ben een onderzoeker van de gedurige nederlaag van de liefde.
Ik schonk de jongens en meisjes mijn geest en mijn kunst,
ik leerde hun over het vroege morgenlicht:
kan ik dat niet aanvoeren als enigszins goed?’

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Delmore Schwartz (8 december 1913 – 11 juli 1966)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 8e december ook mijn blog van 8 december 2023 en ook mijn blog van 8 december 2020 en eveneens mijn blog van 8 december 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Der Täufer (Christian Morgenstern), Tatamkhulu Afrika

 

 

St. Johannes de Doper als jongen door Andrea del Sarto, ca. 1525

 

Der Täufer

Siehe! Das ist Gottes Lamm.
Dieser wird für unsre Sünde
sterben an des Kreuzes Stamm,
dass er allen Völkern künde:
Gott nimmt ihr Gebrest auf sich.
Dass fortan die Menschheit wisse:
Träger ihrer Finsternisse
ist nicht nur ihr kleines Ich.

 

Christian Morgenstern (6 mei 1871 – 31 maart 1914)
Christkindlmarkt in München, de geboorteplaats van Christian Morgenstern

 

De Zuid-Afrikaanse dichter en schrijver Tatamkhulu Afrika werd geboren op 7 december 1920 in Egypte. Zie ook alle tags voor Tatamkhulu Afrika op dit blog.

 

Niets is veranderd

Kleine ronde harde stenen klikken
onder mijn hielen,
zaaiend gras duwt
baardzaadjes
in broekspijpen, blikjes,
waarop getrapt wordt, knarsen
in hoog, paars bloeiend,
vriendelijk onkruid.

District zes.
Geen bord zegt dat het zo is:
maar mijn voeten weten het,
en mijn handen,
en de huid rond mijn botten,
en het zachte gezwoeg van mijn longen,
en de hete, witte, naar binnen draaiende
woede van mijn ogen.

Ruw met glas,
naam wapperend als een vlag,
hurkt het
in het gras en onkruid,
ontluikende Port Jackson-bomen:
nieuwe, chique haute cuisine,
wachter bij de poort,
herberg alleen voor blanken.

Geen bord zegt dat het zo is:
Maar we weten waar we thuishoren.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Tatamkhulu Afrika (7 december 1920 – 23 december 2002)
Cover

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 7e december ook mijn blog van 7 december 2024 en ook mijn blog van 7 december 2023 en ook mijn blog van 7 december 2020 en eveneens mijn blog van 7 december 2018 en eveneens mijn blog van 7 december 2014 deel 2.

Julia Kasdorf

De Amerikaanse dichteres Julia Mae Spicher Kasdorf werd geboren op 6 december 1962 in Lewistown, Pennsylvania. Zie ook alle tags voor Julia Kasdorf op dit blog.

 

English 213: Introduction to Poetry Writing

Metaphor is made of two parts, I tell them 
because I must say something: vehicle and tenor,

and we should know the names of things we do by instinct, 
though I only half believe this. Not that kind of vehicle,

not that kind of tenor, and yet their poems must move, 
must sing. It’s confusing and hard. Aristotle said

genius sees resemblance in difference. A car is not 
a metaphor, is a machine made of countless metal parts

that keep us mindful of oil, coolant, a milk jug in the trunk 
in which to dilute it, mindful of all the ways a day can turn-

pulling into Bloomsburg State, for instance, steam blowing 
from under the hood, I asked a student for the lecture hall,

campus clock gonging the hour of my talk, but he said, 
“Look, something really bad is happening to your car.”

I have watched water run off my radiator 
as freely as the waters of birth. I have peered

into the boxy chambers of my master cylinder, drained 
of brake fluid, dark and divided as the human heart.

Unable to start some mornings, I have loosened a wing nut, 
lifted the air filter, and jabbed a pencil stub

into my butterfly valve, clenched like a catch in the throat. 
So when half the audience walked out of that reading

to attend a memorial service for some boys, killed 
in a frat house fire, I did what any of us would do:

paused until the room grew still, then continued.
In towns like that, mechanics take only cash,

but the folks who remained bought enough books 
to cover the cost of radiator hose, plus labor,

that transaction as sweet and pure as the motion 
of any of our lubricious, invisible parts.

 

Ondergronds

In die jaren werden bloemblaadjes van hun stengels geplukt.
In het begin versplinterden kasruiten
door de omhoogstaande knoppen van chrysanten;
aardepotten werden in scherven vermalen.
Bloemen op openbare pleinen
werden ondergeploegd om rapen,
radijsjes en kool te kweken voor de massa.
Zaden werden oud en machteloos in hun verpakkingen;
bollen verschrompelden en stierven in donkere kelders.
Bonsai’s stonden onder theetafels
in stille stadsappartementen
terwijl boeren slechts een slordige rij
goudsbloemen langs de lemen muren van hun huis riskeerden.
Misschien bleven de vaste planten bestaan,
hun wortels onwetend van de wet —
stengels, die zich door de aarde heen strekken
om vertrapt te worden — of stiekem bewaard,
bloemblaadjes in boeken gedrukt als iconen van vislijm.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Julia Kasdorf (Lewistown, 6 december 1962)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 6e december ook mijn blog van 6 december 2023 en ook mijn blog van 6 december 2018 en ook mijn blog van 6 december 2017

Grace Andreacchi, Joseph Conrad

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Grace Andreacchi werd geboren op 3 december 1954 in New York. Zie ook alle tags voor Grace Andreacchi op dit blog.

 

ITHAKA

If you’re going to Ithaka
setting out empty handed
from your own bright darkness

Fear not for
the gentle gods already know
the exact moment of your arrival

In her high palace
faithful Penelope has pulled taut
the threads of your life

Upon her loom
your blood stained histories woven into
her golden web and torn

Out again with deft fingers
Yes, Ithaka has waited
a long time for you

Ageless eyes scanning the horizon
examining each white sail
upon the wine dark sea

Now you are here at last
as morning flushes
the last small dreaming birds

The gods spread
dishes of olives blue sea
water white stones

for your bed
Lie still and the gods will dance for you
the stars by night will dance for you

When you go forth from Ithaka
lighter than light
the dance goes with you

 

The Heart Doctor

I enjoy my life
I enjoy my children now
particularly they’re grown up and
not squawking
I love being with them all
perhaps not at the same time

I’m fairly hopeless grandmother
I like them when they grow up
You don’t leave small children with me!
I’d always got, as my oldest son said, ‘staff’
someone who looked after their nonsenses

I don’t like this repetitive
‘Please do this’
‘Please don’t be rude’
I can’t be dealing with all that!
Actually I tell them
I like the dog best

 

In de Gouden Kamer van Sint Ursula

Botten kronkelen naar buiten
doordrenkt met goud
klein en dun, kip of kind

Gouden chrysalis van pijn
een stilte ongebroken
door donderslagen

Die laatste nacht van Maria’s maand
druppelde de lucht vuur
en elfduizend

Sterren brandden in de grillige straten
mannen veranderden
fosforescerend in kleine klompjes klei

In ons uur van nood, o Prinses
heb je je hermelijnen mantel
wijd uitgespreid?

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Grace Andreacchi (New York, 3 december 1954)

 

De Brits-Poolse schrijver Joseph Conrad werd geboren op 3 december 1857 in Berdichev, Rusland in een gezin met Poolse ouders. Zie ook alle tags voor Joseph Conrad op dit blog.

Uit: Lord Jim

To the white men in the waterside business and to the captains of ships he was just Jim–nothing more. He had, of course, another name, but he was anxious that it should not be pronounced. His incognito, which had as many holes as a sieve, was not meant to hide a personality but a fact. When the fact broke through the incognito he would leave suddenly the seaport where he happened to be at the time and go to another–generally farther east. He kept to seaports because he was a seaman in exile from the sea, and had Ability in the abstract, which is good for no other work but that of a water-clerk. He retreated in good order towards the rising sun, and the fact followed him casually but inevitably. Thus in the course of years he was known successively in Bombay, in Calcutta, in Rangoon, in Penang, in Batavia–and in each of these halting-places was just Jim the water-clerk. Afterwards, when his keen perception of the Intolerable drove him away for good from seaports and white men, even into the virgin forest, the Malays of the jungle village, where he had elected to conceal his deplorable faculty, added a word to the monosyllable of his incognito. They called him Tuan Jim: as one might say–Lord Jim.
Originally he came from a parsonage. Many commanders of fine merchant-ships come from these abodes of piety and peace. Jim’s father possessed such certain knowledge of the Unknowable as made for the righteousness of people in cottages without disturbing the ease of mind of those whom an unerring Providence enables to live in mansions. The little church on a hill had the mossy greyness of a rock seen through a ragged screen of leaves. It had stood there for centuries, but the trees around probably remembered the laying of the first stone. Below, the red front of the rectory gleamed with a warm tint in the midst of grass-plots, flower-beds, and fir-trees, with an orchard at the back, a paved stable-yard to the left, and the sloping glass of greenhouses tacked along a wall of bricks. The living had belonged to the family for generations; but Jim was one of five sons, and when after a course of light holiday literature his vocation for the sea had declared itself, he was sent at once to a “training-ship for officers of the mercantile marine.”

 

Joseph Conrad (3 december 1857 – 3 augustus 1924)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 3e september ook mijn blog van 3 december 2024 en ook mijn blog van 3 december 2021 en ook mijn blog van 3 december 2018 en eveneens mijn blog van 3 december 2017 deel 3.

Maarten ’t Hart, Abdelkader Benali, Nicole Brossard

De Nederlandse schrijver Maarten ’t Hart werd geboren op 25 november 1944 in Maassluis. Zie ook alle tags voor Maarten ’t Hart op dit blog.

Uit: De nachtstemmer

“In dichte mist zijn bij Winsum in 1980 twee Blauwe Engelen op elkaar gebotst. Negen doden, eenentwintig gewonden. Een van die doden was Lore. Sindsdien heb ik de Blauwe Engel zo veel mogelijk vermeden. Nu was er echter geen ontkomen aan. In Godlinze nam ik op maandag, nadat ik in de loop van de morgen mijn werkzaamheden had afgerond, de bus naar Loppersum. Daar stapte ik over op de Blauwe Engel naar Groningen. Vijf minuten had ik om over te stappen op de trein naar Amsterdam, maar moest daarvoor naar een ander perron. Ik haalde het maar net en kwam in een nieuwe Hondekop terecht. In Zwolle werd de Hondekop uit Leeuwarden eraan gekoppeld, en daarna raasden beide treinstellen de Veluwe over. In Amersfoort hoefde ik alleen het perron maar over te steken voor de sneltrein – uiteraard ook een Hondekop – naar Rotterdam.
Het komt niet vaak voor dat de firma Auerbach & Wüste mij er zo ver van huis voor zo’n grote klus op uit stuurt. Mij verbaast het ook dat ik deze opdracht heb aangenomen. Er valt immers genoeg te doen in Oost- Friesland. Waarbij komt dat het plezierig werken is in Noord-Duitsland. Steevast uiterst beleefde, vriendelijke mensen. Nette, kleine hotels. En altijd is het er goed van eten en drinken, de onvermijdelijke Bratwurst ten spijt. Wonderlijk dat de mensen in Oost-Friesland, hemelsbreed niet ver van Groningen verwijderd, zoveel aardiger en voorkomender zijn dan de Groningers. Want al luidt het rijmpje: ‘Uit de gouden korenaren, schiep God de Groningers, de Friezen en de Drentenaren, en uit het kaf en de andere resten, schiep hij de klootzakken uit het westen’, je kunt niet zeggen dat Groningers, Friezen en Drentenaren zulke prettige mensen zijn. Oost-Friezen, dat zijn prettige mensen. Rijzig zijn ze doorgaans en o, wat een mooie, platinablonde vrouwen! Met een van die vrouwen, afkomstig uit Norden, serveerster in mijn hotel, heb ik, toen ik daar ruim een maand verkeerde vanwege wat toen veruit de grootste klus was in mijn destijds nog prille loopbaan, ’s avonds na haar dienst over de verlaten straten geslenterd. Eenmaal weer thuis, in mijn huis in de Geuzenstraat te Heiligerlee, heb ik geprobeerd haar te vergeten, maar dat is niet gelukt, en ik ben de grens andermaal overgestoken en heb haar toen maar meteen stoutmoedig ten huwelijk gevraagd.”

 

Maarten ’t Hart (Maassluis, 25 november 1944)

 

De Nederlandse dichter, schrijver en tv-presentator Abdelkader Benali werd geboren in Ighazzazen, Marokko, op 25 november 1975. Zie ook alle tags voor Abdelkader Benali op dit blog.

 

Nijmegen

Ik was niemand nog, de Waal was alles. Ontvangen
werd ik als een schrijver van de buitencategorie – wat
ik vertelde klonk hun bekend en ook vreemd in de oren.
Later kwam ik terug om een sprintje te trekken,

zonder het te beseffen penetreerde ik Duitsland,
onderdeel van het verzet, liet een geheim spoor
achter, zestig jaar na de oorlog deelde ik de laatste
tik uit. De heuvels die in november de kleur van

molshopen aannemen. En de regen barricadeert
de ramen en de deuren. Denkt en leest men
grondig over een wereld die ooit zal komen. Dat
Nina Simone hier rust en reinheid vond. Vanzelf-

sprekend. Men werkt er serieus aan een mystiek
lichaam dat zichzelf bezweet in slaap wiegt.

 

Meisje

Meisje, meisje, meisje kijk omhoog naar
het spiegelbeeld van de toekomst dat je
voorgeschoteld wordt, kijk, kijk toch
verder, want je blik breekt het ogenblik,

en ziet hoe alles waterig en schitterend is,
die poel van leven waarin oceanen worden
uitgegooid, in jouw naam, in jouw plaats,
is dit zoals jij het wilt? Meisje, meisje, meisje,

lief, droom maar lekker, droom maar lang
met open ogen, vol van morgen, wees niet bang.
Gelukzalig jij voor wie gisteren alleen maar gisteren
is, niet de dagen aaneengeregen vol met mist en regen

vol met kommer en wat kwel, vol met modder. Meisje,
meisje, ik kijk naar jou, wens je dromen, wens je vrouw.

 

Abdelkader Benali (Ighazzazen, 25 november 1975)

 

De Canadese dichteres en schrijfster Nicole Brossard werd geboren op 27 november 1943 in Montreal (Quebec). Zie ook alle tags voor Nicole Brossard op dit blog.

 

Steden zonder water

in het uur van de korte ochtendverlangens
een druppel water en het licht ervan
later om het stof tegen te gaan
zochten we naar een grassprietje, een struik
elk spoor
van een vloeibare tijd en bogen voor het uur
waarin de droom in ons dorstte

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Nicole Brossard (Montreal, 27 november 1943)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 25e november ook mijn blog van 25 november 2021 en ook mijn blog van 22 november 2018 en eveneens mijn blog van 22 november 2015 deel 2.

Marlon James, Paul Celan

De Jamaicaanse schrijver Marlon James werd geboren op 24 november 1970 in Kingston, Jamaica. Zie ook alle tags voor Marlon James op dit blog.

Uit: Moon Witch, Spider King

“One night I was in the dream jungle. It was not a dream, but a memory that jump up in my sleep to usurp it. And in the dream memory is a girl. See the girl. The girl who live in the old termite hill. Her brothers three, who live in a big hut, say that the hill look like the rotting heart of a giant turn upside down, but she don’t know what any of that mean. The girl, she is pressing her lips tight in the hill’s hollow belly, the walls a red mud and rough to the touch. No window unless you call a hole a window and, if so, then many windows, popping all over and making light cut across her body up, down, and crossway, making heat sneak in and stay, and making wind snake around the hollow. Termites long ago leave it, this hill. A place nobody would keep a dog, but look how this is where they keep her.
Two legs getting longer but still two sticks, head getting bigger but chest still as flat as earth, she may be right at the age before her body set loose, but nobody bother to count her years. Yet they mark it every summer, mark it with rage and grief. They, her brothers. That is how they mark her birth, oh. At that time of year they feel malcontent come as a cloud upon them, for which she is to blame. So, she is pressing her lips together because that is a firm thing, her lips as tight as the knuckles she squeezing. Resolve set in her face to match her mind. There. Decided. She is going to flee, crawl out of this hole and run and never stop running. And if toe fall off, she will run on heel, and if heel fall off, she will run on knee, and if knee fall off, she will crawl. Like a baby going back to her mother, maybe. Her dead mother who don’t live long enough to name her.
With the small light coming and going through the entry holes, she can count days. With the smell of cow shit, she can tell that one brother is tilling the ground to plant new crops, which can only mean that it is either Arb or Gidada, the ninth or tenth day of the Camsa moon. With one more look around, she see the large leaf on which they dump a slop of porridge last evening, one of only two times every quartermoon that they feed her. When they remember. Most of the time they just let her starve, and if they finally remember, late in the night, they say it’s too late anyway, let some spirit feed her in dreams.”

 

Marlon James (Kingston, 24 november 1970)

 

De Duits-Roemeense dichter Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Zie ook alle tags voor Paul Celan op dit blog.

 

Zwarte vlokken

Sneeuw is gevallen, zonder licht. Een maan
of twee, dat de herfst, onder een monnikspij,
een boodschap bracht, ook mij, een blad van Oekraïense hellingen:

“Denk eraan dat het wintert ook hier, voor de duizendste keer nu
in het land waar de breedste rivier stroomt:
Jakobs hemelse bloed, gezegend door bijlen…
O ijs van onaards rood – haar hetman waadt met zijn hele
gevolg de verduisterende zonnen in… Kind, ah, een doek,
om me erin te wikkelen, wanneer het glinstert van helmen,
wanneer de kluit, de roze, barst, wanneer sneeuwachtig stuift het gebeente
van je vader, onder de hoeven verbrijzelt
het lied van de ceder…
Een doek, slechts een smal doekje, dat ik bewaar
nu, dat je leert huilen, aan mijn zijde
de engte van de wereld die nooit groen wordt, mijn kind, voor jouw kind!”

Bloedde, moeder, de herfst mij weg, verbrandde de sneeuw me:
zocht ik mijn hart om te wenen, vond ik het vleugje, ah, van de zomer,
was het zoals jij.
Liet ik een traan. Weefde ik het doekje.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Paul Celan (23 november 1920 – 20 april 1970)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e november ook mijn blog van 24 november 2023 en ook mijn blog van 24 november 2020 en ook mijn blog van 24 november 2018 deel 1 en ook deel 2.

Dirk van Weelden, Christian Filips

De Nederlandse schrijver Dirk van Weelden werd geboren in Zeist op 22 november 1957. Zie ook alle tags voor Dirk van Weelden op dit blog.

Uit: Buiten de tijd

“Geen beter meetpunt voor de spectaculaire vooruitgang van de moderne techniek dan de schrijfmachine. Want iedereen weet: na de schrijfmachine kwam de computer. Op de een kon je, zij het behoorlijk moeizaam, schrijven; en niets anders. Voor de computer is schrijven kinderspel. Hij doet er van alles bij: bankbetalingen afhandelen, videospellen en films afspelen, een muziekbibliotheek en alle gezinsfoto’s opslaan en ordenen. Maar het echte mirakel is dat de computer via het internet onmiddellijke toegang geeft tot duizelingwekkende hoeveelheden informatie en miljarden mensen.
Daar steekt de Olympia sg1 uit 1959 waarop ik dit schrijf lachwekkend bij af. Ze weegt een kilo of tien en kan ondanks al dat staal en die honderden hefbomen en stangen niets anders dan letters en cijfers op een rijtje zetten. Ja, je kunt de regelafstand veranderen en tabulatorstops instellen, maar een typefout verbeteren is al onmogelijk. Het ding werkt op spierkracht. Hoe hebben mensen daar ooit aan kunnen werken, vraagt een digitale inboorling zich verbijsterd af. Technisch gezien is de vergelijking met over de autosnelweg in een Porsche naar Parijs, of dezelfde reis op de rug van een pakezel over een zandweg, niet overdreven. De schrijfmachine is sinds de tweede helft van de jaren tachtig van de vorige eeuw een verschrikkelijk overbodig apparaat.
In 1988 verscheen er een boek waarvan de titel die triomfantelijke overwinning uitspreekt. The Mac is not a Typewriter, door Robin P. Williams. Het is een boek dat haarfijn uitlegt hoe je professioneel ogend drukwerk maakt met behulp van een tekstverwerkingsprogramma. Het gaat over het gebruik van leestekens, witregels, lettertypes, kolommen en voetnoten. In hetzelfde jaar, 1988, opende het Scryption zijn deuren. Het Tilburgse museum voor schrifttechnologie is onlangs hardvochtig wegbezuinigd, ondanks goede bezoekersaantallen en een Europese onderscheiding voor het erbij betrekken van de jeugd. Daar dus, drieëntwintig jaar geleden, hield Rudy Kousbroek een lezing ter gelegenheid van de feestelijke opening. Niet veel later stond die afgedrukt in het Cultureel Supplement van NRC Handelsblad.”

 

Dirk van Weelden (Zeist, 22 november 1957)

 

De Duitse dichter, schrijver, acteur en regisseur Christian Filips werd geboren op 22 november 1981 in Osthofen. Zie ook alle tags voor Christian Filips op dit blog.

 

Tien keer bel ik aan het tuinhek

en hoor het van boven rinkelen,
tien keer: Vader!
Vader? –
Staat hij achter het hek, achter het raam,
achter het gordijn, het vergeelde,
op zijn tenen? Kijkt naar buiten
en door mij heen, door niets anders dan zichzelf,
net zoals ik hem alleen door mezelf zie.
Vergeeld: Ik zie het gordijn
als een raam, een hek, een spiegel van de lucht.
(Fata) Sigaret links de rechterhand
pakt het gordijn, nu zwaait hij
– Hé papa van de Batschka! – veegt me
weg… Ja, heeft hij wel echt gezwaaid?
Het doek valt… Weg! Weg!
Misschien was hij dronken? Misschien
komt hij zo meteen naar beneden? Dreigend
Daarboven, verstrooien, verstrooid…
Nee, naar beneden kan hij van daarboven
niet komen zolang hij degene
van daarboven nog blijft. Veel te hoog
voor hem, voor mij, gezien vanaf hier
vanaf het raam, vanaf het hek gezien:
In elk geval! Vader maal tien.
Van hier beneden ben ik een vreemde misschien
voor hem als een dar die
(Gogols Streetview)
zijn schaamte gadeslaat.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Christian Filips (Osthofen, 22 november 1981)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 22e november ook mijn blog van 22 november 2018 en eveneens mijn blog van 22 november 2015 deel 2.

Liam Rector, Christian Filips

De Amerikaanse dichter, essayist en docent Liam Rector werd geboren als Ronald Edward Rector op 21 november 1949 in Washington, D.C. Zie ook alle tags voor Liam Rector op dit blog.

 

Mental Mommy

Home from school at six years old, first grade,
And uncle there to tell me Mommy
Gone, Mommy not be coming back any
Time soon, Liam, Mommy had to go to
Mental hospital. Nervous breakdown.
Years later Mommy, when she gets out
Of mental, often says, “If you’re
A bad boy for me Liam you’re
Going to send me back, back
Into mental hospital, like you did
First time.” At 13
I find out Mom had been doing years
In a federal prison all that time,
For stealing, so no mental hospital for
Mommy. Breakdown ours alone.
I was on my one.

 

Hans Reading, Hans Smoking

My mother, poised around behavior,
would say You are sitting there
reading and smoking, Hans,
And this would describe for her,
to her utter Satisfaction,
what it is you are doing.
Knowing you I guess you are
stationed there In grief, reverie,
worry- your car broken Down,
the mechanic wanting money,
and you without, For the moment,
what it takes- and you thinking
Of love lost as you read that
impossible book Your father
last gave you….I see you smoking
And as an addict myself I know
this is something You are barely doing….
The habit smokes itself And you,
you are turning the page where
the woman From New Orleans,
like your woman, goes to Manhattan.
I suppose my mother, in her mania,
could never afford To think
there was anything hovering around,
anything Behind behavior.
Unable to sit, to go into that sorrow
Where what failed to happen
presses against what did,
She would get up, go out looking for
‘Something Different,’ do anything
to keep moving, behaving…
Going. But you, Hans, you are a sitter,
and I know You will not be getting up
until you have put this time Behind you.
And so your friends pass by waiting,
Wanting to know what you will come up
with when you rise From your stationary chair,
our Hans reading and smoking.

 

Liam Rector (21 november 1949 – 15 augustus 2007)

 

De Duitse dichter, schrijver, acteur en regisseur Christian Filips werd geboren op 22 november 1981 in Osthofen. Zie ook alle tags voor Christian Filips op dit blog.

 

Tijdstippen van de dag

Merkwaardig genoeg is alles weer
onopgemerkt voorbijgegaan:
de dag zonder zorgen,
’s morgens met het scheermesje
mijn tanden gepoetst.
De trillende nekharen
onmerkbaar verwijderd
zonder pincet.
De bewuste vingers.
Ze zijn getrimd.
De aandachtige knie
kwam onopgemerkt dichterbij:
De nacht zonder aandacht
daarna met het gordijn
de sporen uitgewist.
In bewuste uren:
Ze zijn weer verstreken
onopgemerkt verstreken
zonder iets noemenswaardigs.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Christian Filips (Osthofen, 22 november 1981)

 

Zie voor de schrijvers van de 21e november ook mijn blog van 21 november 2020 en ook mijn blog van 21 november 2018 en ook mijn blog van 21 november 2015 deel 2.