only a year is left just one year until he can cross the shoe-scraped threshold and beyond the dark walls covered in lice and fleas he will see the world like snow in diamonds and tears
a lofty dream hangs on lindens and oaks who gave himself up waving a white flag who like an obedient bird finishes his flight through several thousands of years or merely a few years
a great current will take the small stream my soul will sigh for the prison walls for the shared ration for the typhoidal mattress for the restless sleep torn apart by the bell
the last bell will rouse the first ring only a step is left reminding us only a year is left it’s time to come together in diamonds and tears waving white flags
CINEMA OF THE SAMURAI
When on a red screen on the white pillows that are of dead faces lie the hieroglyphs of brows and eyes like butterflies embroidered in silk — then I remember evening in the village outside the city; floods of cherry blossoms; beneath them, like cups filled with blood, are beds of prize tulips.
An old man with glasses over eternally lacrimous eyes, an old woman with sparse hairs on her still proud forehead, and two children with the chattering of birds and two adults with the flowing of fish — all six at a tea ceremony over cups of blood stained flowers.
…Thus the tongue grows numb in the mouth that doesn’t recognize the taste of the liquid; thus the whisper fades, and the scream switches off the cinema. Thus the precious and light Hand gathers and a needle turns in the heart of the specimen like a sword.
Vertaald door Natalka Bilotserkivets
Natalka Bilotserkivets (Kuyanivka, 8 november 1954)
De Engelse dichteres en schrijfster Anne Sexton werd geboren op 9 november 1928 in Newton, Massachusetts. Zie ook alle tags voor Anne Sexton op dit blog.
Toen het glas van mijn lichaam brak
O moeder van seks, dame van de verbijsterende omarming, waar komen die handen vandaan? Een man, een Moby Dick van een man, een zwemmer die op en neer gaat in zijn brein, met de tederheid van wijn in zijn vingertoppen, waar komen die handen vandaan? Ik ben geboren als baby van glas en niemand pakte me op behalve om het stof van me af te spoelen. Hij heeft me opgepakt en tot leven gelikt.
Handen die over me heen groeien als klimop, handen die uit me groeien als haar, maar die veranderen in vuurgras, die een iris planten in mijn mond, draaiend en blauw, de tepels veranderen in vleugels, de lippen in dagen die niet wilden baren, dagen die ons niet wilden vasthouden in hun huis, dagen die ons niet in hun geheime schoot wilden hullen, maar toch handen, handen die uit schilderijen groeien, handen die uit muren kruipen, handen die vergetelheid opwekken, als wind, een vreemde wind ergens uit de tropen die storm maakt tussen mijn blinde benen, die mij het kindermasker van mijn gezicht laat afnemen, terwijl alle speelgoeddorpjes vallen en ik zacht verzink in het hartland.
Vertaald door Annemarie Slootweg
Ann Sexton (9 november 1928 – 4 oktober 1974) Cover
“De uit planken en latten opgetrokken hut van één kamer die het kantoortje van de goudkeurmeester was, ratelde van de wind, en het vuur in de kachel was uit. Vanuit een tweepersoonsbed keek Al Ward, zevenenzestig jaar, broodmager, met grijs haar en blauwe ogen, door het raam naar de vallende sneeuw. Hij trok de dekens en de slaap- zak over zijn hoofd en probeerde weer in slaap te vallen, maar de slaap wilde niet komen. In het donker stelde hij zich dezelfde vraag die hij zich elke ochtend stelde. Als hij nu in Reno was, zat te ontbijten in het Cal Neva, zou hij dan koffie, wentelteefjes en bacon bestellen, zoals een normaal mens, of een Hornitos met ijs? Dezelfde vraag, en altijd hetzelfde antwoord: tequila met ijs, met een biertje ernaast. Hij sloeg de dekens terug en keek naar de lege houtmand. Het was ijskoud in de hut, omdat hij een houtkachel met een barst erin had die te snel verbrandde en hij niet genoeg hout had gehaald. Maar zo ging dat ’s ochtends. Tequila in plaats van ontbijt, en Al die naar een lege houtmand staarde en zichzelf vervloekte totdat zijn blaas de dag aan hem opdrong. De dagen op het vervallen mijnbouwperceel verliepen altijd hetzelfde. Hij ging brandhout halen, dronk koffie en ontbeet, werkte aan een liedje, deed een dutje, dronk nog wat koffie en vervolgens ging hij de wandeling maken die hij elke middag maakte. Avondeten als het ging schemeren, wat tegen die tijd om vier uur ’s middags was, en daarna speelde hij gitaar tot hij moe werd. Vervolgens kroop hij weer in bed en las hij bij het licht van een gaslamp tien jaar oude nummers van National Geographic en Sports Illustrated en probeerde hij met een klein radiootje op batterijen zenders te ontvangen. Een dag en een nacht. Op de wekker naast zijn bed stond zes uur drieëndertig. Waarom kon hij niet doorslapen tot het middaguur, zoals hij het grootste deel van zijn leven gedaan had? Als hij dat wel kon, zou tegen de tijd dat hij zijn ogen opendeed de helft van zijn werkdag erop zitten. Maar op zijn oude dag sliep hij slecht. Hij sliep met horten en stoten en werd vroeg wakker, uitgeput maar wakker. Iedereen zei dat hoe ouder je werd, des te makkelijker het werd om op te staan, maar dat is in zijn leven niet het geval geweest. Het was elke ochtend al een gevecht om zijn voeten op de grond te krijgen. In wollen sokken en lang ondergoed trok hij een joggingbroek, tennisschoenen en een canvas jas aan, en hij liep met een plastic melkflessenkrat naar buiten. Sneeuw en wind waaiden op hem in en hij liep vier keer heen en weer naar de schuur om de houtmand te vullen.”
Geen enkele stemtoon is voldoende voor de gelegenheid Flits, dat is alles, dat we hier zijn. Ben je ooit sarcastisch en onsympathiek? Mentaal zijn we de worp van één epische gedachte: Jullie. Hoeveel van jullie razen door me heen, terwijl ik in de metro rijd, jullie leid, omdat ik moet en niet aangrijpend moet zijn o wie heeft er nog iets aangrijpends geschreven sinds…
Een oude vrouw van onbepaalde afkomst, met een witte hoed en sjaal, zonder tanden die naar me terug staarde. Hij klonk gisteravond broos en superieur, doen de doden dat; oma had een overvloed aan stemtonen vergeleken met iedereen in deze bloemlezing. Onze
bloemlezing, zegt hij, mentaal zijn is verschrikkelijk ingewikkeld. Hoe houd je je gedichten bij? Ieder- een herinnert zich wat hij of zij leuk vindt, maar je moet ze constant uitgeven… Iedereen is op me gericht, overstem het en denk aan een icoon met een smaragdgroene keel.
Ik zie het huis in het steegje ’s nachts donker. Ik probeer weer puur te zijn, maar ik wil alle tonen. Als je dood bent, kun je ze hebben… dik marine donker van de hekachtige oleanders en een maan die naar witte borden roept. Kom binnen. Ga liggen in je eigen bed, in de kamer waar mama een schorpioen vond.
Vertaald door Frans Roumen
Alice Notley (Bisbee, 8 november 1945) Portret door door Sophie Herxheimer, 2015
“Prolog »Sag mal, könntest du Elliott nachher vom Schwimmen ab-holen?« »Ich bin gerade unterwegs auf dem Fahrrad, kann ich dich gleich zurückrufen? « »Es geht nur kurz darum, ob du Elliott nachher abholst.« »Ja, muss ich eben checken. Ich rufe gleich zurück. Ich bin auf dem Fahrrad und erwarte gleich noch einen anderen An-ruf. Ich muss mich beeilen. Ich will den Anruf eigentlich nicht so gern auf dem Fahrrad machen.« »Kannst du einfach kurz Ja oder Nein sagen ?« »Ich bin, sagte ich doch gerade, auf dem Fahrrad. Ich muss eben halten und in meinen Kalender gucken.« »Ach so, bist du eh davon ausgegangen, dass ich Elliott ab-hole, oder was? « »Nein, ich hatte mir darüber noch keine Gedanken gemacht.« »Ja, das muss man sich auch erst mal leisten können.« »Wie oft habe ich Elliott irgendwo vergessen? Richtig: kein einziges Mal! Ich mache mir Gedanken, wenn ich denke, dass es richtig ist, beziehungsweise wenn ich die Zeit dafür habe.« »Das ist einfach nur egozentrisch. Hast du mal daran gedacht, dass ich auch planen muss ?« »Wie gesagt: Lass mich eben in den Kalender gucken. Aber ich bin gerade auf dem Fahrrad. « »Immer muss ich mich nach deinem Kalender richten. Es ist echt zum Kotzen.« »Du musst dich nach gare nichts richten, ich muss nur eben aufpassen, dass ich nicht von irgendeinem Auto überfahren werde, während ich auf mein Handy gucke.« »Ich bitte dich einfach nur, mir eine Antwort zu geben, über die du dir schon vor Ewigkeiten hättest Gedanken machen können, damit ich auch mein Leben planen kann.« »Ich gebe dir die Antwort gleich! Sobald ich hier rangefahren bin. Quasi: jetzt. Warte mal eben. Ich ruf dich gleich zu-rück. Bei mir klopft es gerade an. Ich hab ’n kurzes Geschäfts-telefonat wegen der Produktion, die ich angefangen habe. Ich muss da eben die Rahmenbedingungen klären. Das ist der Anwalt oder der Manager von dem Künstler. Ich kann den nicht warten lassen.« »Alles klar. Hauptsache, du setzt deine Prioritäten … « »Hallo.« »Guten Morgen. Spreche ich mit David?« »Ja. Ich bin am Apparat.« »Guten Morgen, David. Ist das Wetter bei euch in Berlin auch so schön wie hier in Los Angeles ?« »Nein. Eigentlich nicht. Aber man sagt hier, dass es kein schlechtes Wetter gibt. Sondern nur schlechte Kleidung. Schön, dass wir einmal sprechen. Ian hatte es schon vor einiger Zeit angekündigt.« »Schön. Ich kann es kaum erwarten, mehr über dich und deine Arbeit zu erfahren. Aber bevor du anfängst, würde ich mich gern vorstellen. Mein Name ist Will Greenfield, und ich arbeite seit dreißig Jahren mit einer Band, deren Name dir vermutlich etwas sagt: The Sonic Audio Lightning Trio oder kurz: S. A. L. T. Ich gehe davon aus, dass du sie kennst? Oder warst du in den letzten zwanzig Jahren auf keinem Stadion-konzert?« Der Mann lacht laut. »Ja, klar. Ich kenn die natürlich.« »Eben. Weißt du, David, ich wollte nur kurz mit dir sprechen, um dir zu sagen … sag mal, wieso ist denn das so laut bei dir im Hintergrund? Stehst du an einer German Autobahn ?«
Johann Scheerer (Henstedt-Ulzburg, 6 november 1982)
De mannen & vrouwen zongen & speelden ze slapen zingend, wat zal ik zeggen van de meest aangrijpende op aarde, de meest glamoureuze eenzaamste gezochte mensen die dichters, volkomen mooi desolaat en verguld, de dood is een krachtige instinctieve emotie— maar wie zou er bevrijd worden van een zilveren skelet? edelstenen en drinkbekers—Deze schedel is Helena—die niet bevrijd zou worden van het Boek der Kennis? Waarom zou een meisje op de heide liggen zeven nachten en een dag? En hij is een meisje, dat is & zij op het gras de bloem de tak waar ze liggen en sleutelbloemen eten gek geworden van verdriet & al de schoonheden van vroeger—oh, elke dichter is een mooi mensenmeisje dat moet sterven.
“De afstand tussen Joost, David, André en mij was variabel, maar onze band was onverbrekelijk. De vriendschap stond in ons brein geëtst. Soms was er maandenlang geen contact, tot een van ons vieren de trekkracht van het elastiek voelde en ons bij elkaar riep – we pasten er wel voor op onze bijeenkomsten reünies te noemen. David sprak ik regelmatig, telefonisch of bij hem thuis, steeds vaker in aanwezigheid van mijn dochter Anna. Hij woonde in een appartement in de Lange Hofstraat, boven De Vriendschap, zijn café-restaurant. David was de geboren gastheer. Hij luisterde met een gewillig oor en met groot geduld naar de verhalen van zijn clientèle. ‘De mensen houden nu eenmaal van een beetje nöhlen,’ zei hij. ‘Ze kunnen het leven aan zolang er iemand is tegen wie ze een beetje kunnen zeuren en klagen en die ze intussen ook nog een nieuwe pils inschenkt of een bord warm eten voorzet. Het is allemaal tamelijk eenvoudig.’ Sinds een jaar werkte zijn neef George in de zaak, een Surinamer die zich met zijn 2,10 meter als een zachtmoedige reus over de gasten ontfermde. ‘Misschien wordt het tijd het café aan George over te doen,’ zei David op een middag toen hij, Anna en ik zaten te lunchen. ‘Ik heb wat kleine problemen met mijn gezondheid en dan helpt het niet als je elke avond tot één uur bier staat te tappen.’ ‘Wat voor problemen?’ vroeg Anna. ‘Niks bijzonders. Hoge bloeddruk en zo. Vermoeidheid.’ ‘Je moet afvallen,’ zei Anna. Joost had geprobeerd zijn wetenschappelijke carrière nieuw leven in te blazen. Maar de fraude waarop hij was betrapt en die volgens hemzelf eigenlijk geen naam mocht hebben, bleef hem achtervolgen. Hij was een paria geworden die door voormalige collega’s werd gemeden. Eerst had hij zich aangemeld bij een sprekersbureau om lezingen te geven, populairwetenschappelijke betogen over de nieuwste ontwikkelingen in de fysica, maar hij ontving alleen uitnodigingen om te komen vertellen over zijn eigen ondergang en daar was hij na drie keer mee opgehouden. ‘Ik ga mezelf niet anderhalf uur lang staan geselen in ruil voor vijfhonderd euro en een fles bocht.’ Vervolgens was hij in Leiden een winkeltje begonnen in Italiaanse culinaire producten (salami’s, wijnen, olijfolie, truffels). Bij de opening draaide hij een mooie omzet, vooral doordat David, André en ik fors inkochten, maar daarna ging het snel bergafwaarts. ‘Het is heel moeilijk je leven een nieuwe richting te geven als je grote passie je uit handen is geslagen,’ zei Joost, ‘want eigenlijk interesseert de rest me geen moer. Dat geleuter over de rode wijnen van de Piëmonte hing me na een week al de keel uit. En dat merken de klanten, die beginnen over de zwarte truffels van Umbrië en zien iemand achter de kassa die het veel liever heeft over zwarte gaten. Dan wordt het tijd voor iets anders.’
Kijk mij, ik ren, kijk mij, ik dans, ik ben lucht; het gebouw waar ik in woonde is neergehaald en ik spring, ik huppel op twee benen over de blokken, stenen, stukken beton en pleister en ander onnoembare troep . . .
Of noembaar, echt, als je goed naar de ravage kijkt . . . Hier bijvoorbeeld, dit stuk T-balk is de Bijbel, en deze homp mortel? Plato, de mortel van de geest, ook in stukken, in stukken in mij, in elk geval, in mijn geest . . .
Aristoteles en Nietzsche, Freud en Camus en Buber, en Christus, zelfs, dat jaar dat ik ‘Paradise Lost’ las en toen dacht, Hel, waarom ook niet? Ook dat kapot . . . Kierkegaard, Hegel en Kant en Goffman en Marx,
allemaal opgestapeld op de grond, en ik ben er zovaak doorheen gegaan dat het nu in m’n kop zit, dat ik kan hollen, dansen, lucht zijn, niet denken aan dat braaksel intellectuele troep bij elkaar gesloft toen ik voor ’t eerst op mijn nauwelijks ingelopen laarzen stommelde door
de heiligdommen van Boeddisme, Taoisme, Zen en zelfs de Areopagiet, wiens tekst ik volledig uittypte – waarom in godsnaam? Kon me niet schelen, ik bleef mijn kop tegen de balken stoten, Einstein, de Gnostici, Kabbala, Sint zus en Sint zo . . .
Vertaald door Rob Schouten
C. K. Williams (4 november 1936 – 20 september 2015)
Nee er is geen tweede leven nee mijnheer ik weet het, wij moeten redelijk zijn. Maar ik begrijp de wens van pharao’s alles wat nu is te omarmen desnoods in steen omarmen (de schaduw in de plooien van de kussens die nadat de levenden zijn opgestaan in vorm van leven bleven liggen) ja, zou dit ook in stenen doos dit zonnige vertrek, dit sterk gemerkte uur – voorbij de laatste dag mee willen slepen.
Blauwe anemonen
Boeket met dertig blauwe anemonen. Eén is een paar keer in zijn steel geknakt, bij elke knak heeft hij een andere draai genomen. Zo is die bloem de enige die recht naar buiten kijkt. Denk niet meteen: dit is de dichter. Die weet nog niet met welke van de dertig hij het meeste één is. Weet nog niet eens dat hij straks blauwe anemonen krijgt.
Dat Engels geen au heeft
Nog eerder beweer ik hocus pocus dan een taal te leren zogenaamd. Van niets weet ik iets dan precies. Als ik nies is het in het nederlands. Of als ik dit zwijgend overhandig.
Zoals de zomer vraagt en de winter antwoordt ook omgekeerd – je stapelt geen rozen op rozen.
Nu is de langste dag alweer voorbij en nog geen koele lichtgroene winderige met ongemaaid gras waarin je op een dijk kan liggen naar mekaar te kijken gehad.
Gezichtspoeder, buskruit, anthrax-talkpoeder, schilfertjes ijzer, as van crematoria, schijfjes verpulverend poëziepapier – dat alles in mijn kluis, en vuil, tanks, tempels, tempels vol met vuil.
Zaag-, zijde-, kalkvuil en kaf, het vuil van het schuim van een stier, zijn kop zwaaiend omdat-ie droomt dat de dood aan komt kwijlen: vuil zelfs van de gepoetste,
schoongeschraapte Aegeïsche kust, massa’s die erover kwamen stromen, schreeuwend tegen wie die dag, die eeuw of voor altijd de vijand was, waardig om vuil voor te zijn.
Tenslotte, zwevend vuil van de oogst, eventjes als dat half-plotse rukje in de vlucht van de havik, als de hoekjes van licht door de bladeren van de bruinwordende essen.
Dierlijk vuil, mineraal, mentaal, allemaal verzameld niet in de doos van sexy Pandora, niet in de ark waar het vuil van heiligen die zouden willen stollen als modderspul, nog siddert –
Gewoon deze leren, verweerde, ouwe doos, groot als een hart of brein, het roestig slot verbrijzeld, hengsels huilend van vreugd dat ze weer mogen tillen . . . gezichtsvuil, buskruit, vuil, dierbaar vuil.
Vertaald door Rob Schouten
C. K. Williams (4 november 1936 – 20 september 2015)
De Nederlandse dichter, schrijver, performer en bassist Koen Frijns werd geboren op 3 november 1993 in Eindhoven. Zie ook alle tags voor Koen Frijns op dit blog.
Supermarkt
Ik ben tien jaar. Ik geef mijn ouders allebei een euro voor een winkelwagentje En loop mee tot aan de groenteafdeling. Ik knipoog naar een vakkenvuller en loop snel naar buiten.
Voor het raam steek ik een grote Cubaanse sigaar op Met de Zippo die ik van mijn oom heb gekregen. (Mijn initialen zijn erin gegraveerd.) Ik blaas rook in het gezicht van een kleuter die ik van de basisschool ken En tik de as af in een afvoerputje.
Mijn moeder verstopt zich eerst bij de koekjesafdeling. Ze klimt op een schap en opent een rol Oreo’s. Met haar vinger schraapt ze de vulling eruit en Doopt de koekjes in een bak leverpaté.
Ze lacht als ze haar vingers aflikt.
Mijn vader waggelt naar de servicebalie en pakt zijn enkelpistool. Hij grijpt de medewerker bij zijn kraag en trekt de hamer naar achter. ‘Waar is mijn zoon,’ schreeuwt hij. ‘Waar is mijn fucking zoon!’
Mijn naam wordt door de intercom omgeroepen.
De politie staat met getrokken wapens voor de schuifdeur. Een kale man met een megafoon schreeuwt naar mijn vader dat hij zijn wapen weg moet gooien. Geen enkel moment heb ik de behoefte om iets te zeggen.
Ik stamp mijn sigaar uit en kijk naar mijn lachende moeder.
Ik haat het hoe dit ongevraagde zuchtgeluid, snikgeluid, niet echt geluid, gevoel, zuchtgevoel, snikgevoel, in me blijft schrapen, niet in z’n ouwe schijn als nostalgie, zoete, dwaze merelkreet in lente;
niet als herinnering, allang vergaan verdriet; en ook niet als die andere herinneringsklit: spijt over niet goedgemaakte wandaden, fouten, nalatigheden, versteende wortel te diep vastgegroeid om ooit weg te snijden;
eerder een mengeling, een samensmelting, onontwarbaar net van vreugde in verbijsterend bestaan, bestaan in bestaan, met angst van en angst voor ik weet nauwelijks wat, niet niet-bestaan, niet zelf, geliefden, liefde;
niet oorlog, oorlog val dood, zuchten vanwege oorlog, snikken vanwege oorlog, niet voor oorlog, vrede, wapenstilstand; meer dan dat alles, een soort oergeluid, oerneiging in ons nu gezaaid, dat in ons zwelt, ons allemaal,
echo van liefde die we kenden, kennen, voor de wereld, onze wereld, waarop we tenslotte louter massa lijken, louter stortvloed, louter materie die zichzelf veranderd heeft in tumult, kabaal, kakofonische vernietigingsblitz, plundering,
herrie waaruit sindsdien elke emotie komt bovendrijven, en er weer in wankelt, glijdt, zinkt en ondergaat: zuchtgeluid van rouw, van spijt; snikgeluid van berouw van, nog, steeds, almaar droeviger en droeviger droeve vreugd.
Vertaald door Rob Schouten
C. K. Williams (4 november 1936 – 20 september 2015)
Moby Dick: rabbijn Vingerhoed is verdronken, hij is gestorven, dood. Hij was geelogig, met een grote mond, en de zwarte insignes zaten hem op de huid. Moby Dick: rabbijn Vingerhoed, zeg het ook aan Ahab en aan de anderen, aan de stuurlui en de harpoeniers, en zeg het ze snel. Geef het door, herinner je.
Vertaald door Lucas Hüsgen
Ilse Aichinger (1 november 1921 – 11 november 2016)
Een schilderij met de afbeelding van Allerheiligen op het hoofdaltaar in de kerk in Ptaszkowa, Zuid-Polen.
All Hallows
Even now this landscape is assembling. The hills darken. The oxen sleep in their blue yoke, the fields having been picked clean, the sheaves bound evenly and piled at the roadside among cinquefoil, as the toothed moon rises:
This is the barrenness of harvest or pestilence. And the wife leaning out the window with her hand extended, as in payment, and the seeds distinct, gold, calling ‘Come here Come here, little one’
And the soul creeps out of the tree.
Louise Glück (22 april 1943 – 13 oktober 2023) De All Saints Church in Manhattan, New York, de geboorteplaats van Louise Glück
De Oostenrijkse dichteres en schrijfster Ilse Aichinger werd met haar tweelingzusje Helga geboren op 1 november 1921 in Wenen. Zie ook alle tags voor Ilse Aichinger op dit blog.
Zelf gebouwd
Ik wil mijn dorpen zonder woorden laten en alleen door de sneeuw slingeren en open tegen de hekken. Vanuit de hoogte van mijn zolders wil ik de jaguars aanschouwen, de wolven horen fluiten. De zon sprong hier weg, maar de kinderen ontvangen als ze leeuwetanden oogsten hulp, ruim baan voor de koning!
Vertaald door Lucas Hüsgen
Ilse Aichinger (1 november 1921 – 11 november 2016)
Oh, very gloomy is the house of woe, Where tears are falling while the bell is knelling, With all the dark solemnities that show That Death is in the dwelling!
Oh, very, very dreary is the room Where Love, domestic Love, no longer nestles, But smitten by the common stroke of doom, The corpse lies on the trestles!
But house of woe, and hearse, and sable pall, The narrow home of the departed mortal, Ne’er looked so gloomy as that Ghostly Hall, With its deserted portal!
The centipede along the threshold crept, The cobweb hung across in mazy tangle, And in its winding sheet the maggot slept At every nook and angle.
The keyhole lodged the earwig and her brood, The emmets of the steps has old possession, And marched in search of their diurnal food In undisturbed procession.
As undisturbed as the prehensile cell Of moth or maggot, or the spider’s tissue, For never foot upon that threshold fell, To enter or to issue.
O’er all there hung the shadow of a fear, A sense of mystery the spirit daunted, And said, as plain as whisper in the ear, The place is haunted.
Howbeit, the door I pushed—or so I dreamed– Which slowly, slowly gaped, the hinges creaking With such a rusty eloquence, it seemed That Time himself was speaking.
But Time was dumb within that mansion old, Or left his tale to the heraldic banners That hung from the corroded walls, and told Of former men and manners.
Those tattered flags, that with the opened door, Seemed the old wave of battle to remember, While fallen fragments danced upon the floor Like dead leaves in December.
The startled bats flew out, bird after bird, The screech-owl overhead began to flutter, And seemed to mock the cry that she had heard Some dying victim utter!
A shriek that echoed from the joisted roof, And up the stair, and further still and further, Till in some ringing chamber far aloof In ceased its tale of murther!
Meanwhile the rusty armor rattled round, The banner shuddered, and the ragged streamer; All things the horrid tenor of the sound Acknowledged with a tremor.
The antlers where the helmet hung, and belt, Stirred as the tempest stirs the forest branches, Or as the stag had trembled when he felt The bloodhound at his haunches.
The window jingled in its crumbled frame, And through its many gaps of destitution Dolorous moans and hollow sighings came, Like those of dissolution.
The wood-louse dropped, and rolled into a ball, Touched by some impulse occult or mechanic; And nameless beetles ran along the wall In universal panic.
The subtle spider, that, from overhead, Hung like a spy on human guilt and error, Suddenly turned, and up its slender thread Ran with a nimble terror.
The very stains and fractures on the wall, Assuming features solemn and terrific, Hinted some tragedy of that old hall, Locked up in hieroglyphic.
Some tale that might, perchance, have solved the doubt, Wherefore, among those flags so dull and livid, The banner of the bloody hand shone out So ominously vivid.
Some key to that inscrutable appeal Which made the very frame of Nature quiver, And every thrilling nerve and fiber feel So ague-like a shiver.
For over all there hung a cloud of fear, A sense of mystery the spirit daunted, And said, as plain as whisper in the ear, The place is haunted!
Prophetic hints that filled the soul with dread, But through one gloomy entrance pointing mostly, The while some secret inspiration said, “That chamber is the ghostly!”
Across the door no gossamer festoon Swung pendulous, –no web, no dusty fringes, No silky chrysalis or white cocoon, About its nooks and hinges.
The spider shunned the interdicted room, The moth, the beetle, and the fly were banished, And when the sunbeam fell athwart the gloom, The very midge had vanished.
One lonely ray that glanced upon a bed, As if with awful aim direct and certain, To show the Bloody Hand, in burning red, Embroidered on the curtain.
Thomas Hood (23 mei 1799 – 3 mei 1845) Londen, de geboorteplaats van Thomas Hood
De Engelse dichter John Keats werd geboren op 31 oktober 1795 in Finsbury Pavement in Londen. Zie ook alle tags voor John Keats op dit blog.
Aan de slaap
Zoet balsemer van stille middernacht, Druk onze schemerdronken ogen dicht Met vingers die voorzichtig zijn en zacht, Tot goddelijk vergeten van het licht. O liefste Slaap, mocht het jou zinnen, sluit Bij deze lofzang mijn gewillige ogen Of wacht het Amen af tot maankopkruid Mijn bed bestrooit met sussend mededogen. Verlos me, of de vergane dag verlicht Mijn kussen om mijn nood nog te verhogen; Verlos me van de wroeging die genot Vindt in het duister als een mol die wroet, Draai rad de sleutel in ’t geolied slot En sluit de kist van mijn verstild gemoed.
De Franse schrijver Édouard Louis werd geboren als Eddy Bellegueule op 30 oktober 1992 in Hallencourt, Somme, in het noorden van Frankrijk. Zie ook alle tags voor Édouard Louis op dit blog.
Uit: De geschiedenis van geweld (Vertaald door Reintje Ghoos en Jan Pieter van der Sterre)
“Ik sopte de houten stoelen, haalde een natte spons over de boeken die hij in zijn handen had gehad, wreef de deurknoppen met antiseptische doekjes, veegde zorgvuldig, een voor een, de houten lamellen van de zonneblinden schoon, verplaatste en verwisselde de stapels boeken die op de vloer stonden en liet de metalen ombouw van mijn bed glanzen, vernevelde op het gladde, witte oppervlak van de koelkast een product met een citroengeur, het lukte me niet te stoppen, ik werd gedreven door een soort energie die dicht bij waanzin lag. Ik dacht: beter gek dan dood. Ik schrobde de douche, die hij had gebruikt, goot een paar liter bleekwater in het toilet en in de wastafel (op zijn minst ruim twee liter, dat wil zeggen één volle fles van anderhalve liter en een nog halfvolle), schrobde dwaas genoeg de hele badkamer, ging zelfs zo ver de spiegel schoon te maken waarin hij zich die avond had bekeken, of liever bewonderd, gooide de kleren weg die hij had aangeraakt, ze wassen zou niet genoeg zijn geweest; ik weet niet waarom dat wel genoeg was voor de lakens en niet voor de kleren. Op handen en voeten boende ik de vloer, ik brandde mijn vingers aan het dampende water, de dweil schuurde dunne, rechthoekige strookjes van mijn zacht geworden huid. De stukjes huid krulden op. Ik stopte even, haalde diep adem, ik snoof zelfs als een beest, ik was een beest geworden, op zoek naar die geur die ondanks mijn inspanningen nooit leek te verdwijnen, zijn geur wilde niet weggaan en daar leidde ik uit af dat die geur aan mij hing en niet aan de lakens of de meubels. Het probleem kwam uit mij. Ik stapte de douche in, ik waste me, toen een tweede keer, toen een derde keer, en zo verder. Ik gebruikte zeep, shampoo, conditioner op mijn lichaam om het zo veel mogelijk geur te geven, het was alsof zijn geur bij me was ingevreten, in mij, tussen het vlees en de opperhuid, ik krabde mijn lichaam overal, duwde hard met mijn nagels, hardnekkig, om de binnenste huidlagen te bereiken, daar de geur weg te krijgen, ik vloekte, godverkut, maar de geur bleef hangen, maakte me steeds misselijker, duizeliger. Ik concludeerde: hij zit In de neus, die geur. Je ruikt de binnenkant van je neus. De geur zit vast aan mijn slijmvliezen. Ik liep de badkamer uit, kwam terug en goot een fysiologische zoutoplossing in mijn neus; ik blies de lucht door mijn neus naar buiten, zoals bij snuiten, nou ja, dat effect wilde ik teweegbrengen, dat het vocht overal mijn slijmvliezen bereikte; het hielp niets; ik zette de ramen open en ging naar buiten om Henri op te zoeken, de enige vriend die op die ochtend van 25 december om een uur of negen wakker was.”
In hun kwartier, de stinkend vieze goot, Waar door een walm de grote maan heendringt En als een reuzenschedel neerwaarts zinkt, Verhangen aan de hemel, wit en dood,
Daar zitten ze de warme zomernacht Voor grotten als van ’t zwarte dodenrijk In lompen die vergaan van stof en slijk. Gezwollen lijven puilen uit die dracht.
Hier spert een tandeloze mond zich wijd, Ginds steekt er één zijn armenstompjes uit, Een imbeciel lalt wezenloos geluid, Een grijsaard hurkt, zijn lepra-hoofd lijkt krijt.
Er spelen kinderen, wier beentjes men Al heel jong brak. Zij springen op hun krukken Als vlooien licht en hinken hele stukken Om bij een vreemdeling te bedelen.
De vislucht walmt vanuit een kelderluik, Waar schooiers, woedend, slechts de graten vinden. Met ingewanden voeren ze een blinde, Die kotst de kleding onder, langs zijn buik.
Vertaald door Matthias Rozemond
Georg Heym (30 oktober 1887 – 16 januari 1912)
De Vlaamse schrijver, , criticus, classicus en literair vertaler Paul Claes werd geboren in Leuven op 30 oktober 1943. Zie ook alle tags voor Paul Claes op dit blog.
Uit: Rimbaud in de Lage Landen
“‘Porteur de blés flamands’ (bevracht met Vlaams koren) noemt Arthur Rimbaud zijn ‘Bateau ivre’. Waarom ‘Vlaams’? Is het mogelijk dat de dichter die in Parijs opviel door zijn Ardense tongval, zich toen nog met het Noorden verbonden voelde? Zijn eerste ontvluchtingspogingen uit het benauwde Charleville voerden hem in elk geval naar België: Charleroi en Brussel. In Brussel ook wordt hij op 10 juli 1873 door zijn vriend Paul Verlaine met een pistoolschot gewond. Uit het politieverhoor blijkt hun homoseksuele relatie. Drie jaar later is de 21-jarige Rimbaud in Nederland. Vóór zijn aanmelding in het koloniale leger leert hij zelfs de beginselen van onze taal. Op 19 mei tekent hij als recruut in Harderwijk, op 23 juli ontscheept hij in Batavia, drie weken later deserteert hij en keert met een Brits schip terug naar Europa. Van het verblijf in onze contreien zijn er enkele sporen terug te vinden in het werk van Rimbaud. De gewild nonchalante verzen van het gedicht ‘Bruxelles’ uit de zogenaamde ‘Derniers vers’ roepen de hoofdstad op: ‘Plates-bandes d’ amarantes jusqu’à / L’agréable palais de Jupiter. / – Je sais que c’est Toi qui, dans ces lieux, / Mêles ton Bleu presque de Sahara!’ (Bloemperken van amaranten tot aan / Het aardige paleis van Jupiter. / – Ik weet dat Gij het zijt die in dit oord / uw bijna Sahara-achtig blauw mengt!). In deze regels, blijkens een ondertitel in de Regentlaan geschreven, herkennen we het Park van Brussel en het daarachter gelegen Koninklijk Paleis, dat mythische dimensies aanneemt: de koning wordt een hemelgod die azuur op zijn palet mengt. Dit picturale element vinden we ook in de tekst ‘Mystique’ uit de Illuminations (een van de mogelijke betekenissen van de titel is trouwens ‘Verluchtingen’). Volgens J. Tielrooy (in: Neophilogus, XX, 1934-1935) is dit een surrealistische transpositie van het Lam Gods (L’Agneau Mystique!) van Jan van Eyck in Gent. De eerste zin luidt: ‘Sur la pente du talus les anges tournent leurs robes de laines dans les herbages d’acier et d’émeraude’ (Op de bermhelling draaien de engelen hun wollen gewaden rond in de weilanden van staal en smaragd). Je hoeft dit maar naast een reproduktie van het schilderij te leggen om de gelijkenis te zien: de kring van engelen in hun witte uitgespreide klederen, de verhevenheid waarop het altaar met het lam staat, het gras vol schitterende, kleurige bloemen, alles is er.”