Robert Gray, Elisabeth Langgässer

De Australische dichter Robert Gray werd geboren op 23 februari 1945 in Port Macquarie. Zie ook alle tags  voor Robert Gray op dit blog.

 

Gardenias

Lamps through the quiet house; outside, there’s rain.
Open windows; verandah; TV moon
next door, amongst dark fronds; the typewriter
sounds of wetness; and bougainvillea
entwining each carved white pole with a vine
cruel as wire. The petals make their clamour
silently; held by heat of the houselights
in high arc, above the steps — hovering,
a red surf, blown from darkness. Down the street’s
the light-pole, that stands as though a fountain,
its cowl soda-white, in rains that thicken.
And, going in, my hand again searches
quietness, along the books. I come sidling
into the deep presence of these flowers.

 

Summer, Summer

A game of cricket on the English grass, in the slow-motion blast
of the sun and
amid the slow hand-claps —
the bats’
are similar but even slower strokes.
Aimless as a blowfly on its motorbike, or as some real bike
among distant lanes,
the afternoon.
Canvas chairs and crumbs and the match from Lords kept low
on a portable,
and some
are stretched along the turf, and half turning the head,
at times, can watch
from under
cover, a pair who, laughing near, wine-flushed,
have each begun their slow ticklings with grass stalks.
The clouds are soap froth
built up on the hands of someone
who pauses indoors above the sink, in silhouette
even to himself,
and that hold; that still, still nothing can dissipate. This frosted
glass that’s pushed up
in the changing room
invites
a glimmer, as there passes the white figure quickly scissoring across
the wide lawn, although
nothing comes undone.
Whatever
the bird is called, whether it’s a wood pigeon
or a dove,
it faithfully makes its rich idle bubblings like a Moroccan pipe —
the brief
billows, loose as summer wash.
And now you notice the young couple have got up and gone,
and you see, too,
how the man
who has become so quiet
is one
who must realise
he will never
have his hands upon a firm breast again.

 

Robert Gray (Port Macquarie, 23 februari 1945)

 

De Duitse dichteres en schrijfster Elisabeth Langgässer werd geboren op 23 februari 1899 in Alzey. Zie ook alle tags voor Elisabeth Langgässer op dit blog.

 

Hymne van het laatste zaad

Laat ons het wilde onkruid zingen,
Waaruit de grauwe lewerk stijgt,
Als hij met nietige vlerken
Zich in het eigen lied vertakt.
Van de schermvormige sterrebloem
Leer de bestuiving,
Beschouw de schuwe mier
En glijd bij neerwaarts
Genijgden, verzonken gang
Uw vinger de bedauwde stengel langs.

Nu is de tijd gekomen
Dat aarde zelf ons aanzet
Verrukt te prijzen, wat de vrome
Graanakkers eenmaal krenkte:
De tere winde,
Het licht gepeupel
Der verwaaide grassen,
De gloeiende glazen
Der bedwelmende papaver op de slaperige barm,
En zie het doorwaskruid steekt zijn hazenoren uit.

Ach, de verzwonden marsyas drijven
De stenen zelf nu weder uit,
Wij voelen bevend hoe we blijven
En luisteren in een ledig huis.
Het cymbelkruid wendt,
Terwijl het reeds sterft,
Zich af van de dag,
En strooit dat het drage
Van muur tot muur het aardse geluk
Het heilige zaad in het donker terug.

 

Vertaald door René Verbeeck

 

Elisabeth Langgässer (23 februari 1899 – 25 juli 1950)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e februari ook mijn blog van 23 februari 2022 en ook mijn blog van 23 februari 2019 deel 1 en eveneens deel 2.

In Memoriam Cees Nooteboom, Elina Penner, Else Lasker-Schüler

De Nederlandse schrijver Cees Nooteboom is gisteren op 92-jarige leeftijd overleden. Cees Nooteboom werd geboren in Den Haag op 31 juli 1933. Zie ook alle tags voor Cees Nooteboom op dit blog.

Uit: ’s Nachts komen de vossen

“Ik ben zelf een barometer, had hij tegen haar gezegd toen ze voor de barometer stonden. Ik voel het tot in mijn skelet. Een ander zou gezegd hebben tot in mijn botten, maar Rudolf zei skelet, omdat hij wist dat Rosita dat irritant vond. Hij wist ook waarom zij het irritant vond, dat maakte het erger. Zij had een letterlijke geest en zág dus ook een skelet, wat ze niet aangenaam vond. De tijd van de vanitasschilderijen is voorbij, zei ze, je zet toch ook geen doodskopmeer op je werktafel. Als je dat een uur geleden gezegd had zou ik niet met je hebben geneukt. Geen zin in zo’n skelet boven op me. Ze zag het voor zich, klapperende ribbenkasten, in elkaar bijtende schedels. Je bent soms een echte klootzak. Alleen maar omdat het weer verandert. Daar zei hij niets op terug, omdat het waar was, zowel het een als het ander. Ineens was de zomer voorbij. Grauwe wolkenkastelen, het wit van de Spaanse huizen ineens vaal, en straks de tuin onder water, want als het kwam, kwam het goed, met bakken. En de melancholie die erbij hoorde. Deuren die de hele zomer open geweest waren moesten dicht, de grote wandelingen langs de kust moesten naar een vroeger tijdstip verzet worden, er viel een donker gat tussen het uur dat de duisternis inviel en het uur waarop je in Spanje kon gaan eten. Dat betekende vroeger drinken in een bar of in het ineens niet meer zo aangename huis bij een elektrisch kacheltje een beetje kleumerig zitten lezen. Onuitstaanbaar dat zij daar geen last van had. Zij had, als hij er goed over nadacht, eigenlijk nooit ergens last van. Niet van slapeloosheid, niet van verveling. Ze verdween eenvoudig naar haar werkkamer, en was daar kennelijk gelukkig. Hoe iemand gelukkig kon zijn die al jaren aan een geschiedenis van de Nederlandse arbeidersbeweging werkte was hem een raadsel. Alles wat ze erover vertelde, van Domela Nieuwenhuis tot en met Henriette Roland Holst, vervulde hem met diep wantrouwen. Allemaal mensen met dubbele namen die het goed gemeend hadden met de uitgebuite klasse. Nu was het een eeuw later en de te verheffen klasse van ooit stond getatoeëerd als een Maori met een radio keihard aan op een ladder het huis naast je te schilderen. Gejengel en gestamp, vette stemmen van populaire dj’s, en op de televisie plat pratende nieuwe beroemdheden die een seizoen lang de helden waren in een of andere soap. Ze zouden eens terug moeten komen, zei hij dan, de Gorters ende Van Eedens. Ze zouden zich de pleuris schrikken. Eindelijk gelukt, de dictatuur van het proletariaat, kunst voor het volk. Ik zie d’arbeiders dansen in zilvren rijen aan de rand van de oceaan, zo’n soort regel. Gorter, geloof ik. Gelukt ook nog, in de disco in Torremolinos. Haar antwoord daarop was meestal een zacht neuriën, waarvan hij nooit zeker wist of het niet een uiting van minachting of van groot medelijden was. Een licht, hoog zoemen, een soort vogelgemurmel, alsof ze al bezig was van hem weg te vliegen.”

 

Cees Nooteboom (31 juli 1933 – 11 februari 2026)

 

De Duitse schrijfster Elina Penner werd geboren op 12 februari 1987 in Kamenka, Oblast Orenburg, toen USSR. Zie ook alle tags voor Elina Penner op dit blog.

Uit: Die Unbußfertigen

»Herzlich willkommen zur offiziellen Harmlik-TV-Rennion!« Die Moderatorin strahlt und freut sich, zurück an dem historisch denkwürdigen Ort zu sein. »Seid ihr auch so aufgeregt wie ich? Wir können es selbst kaum glauben, aber vor genau einem Jahr startete Hamerk-7V auf eine extrem kuriose, wenn nicht gewöhnungsbedürftige Art und Weise. Mit euch zusammen gehen wir heute noch einmal auf die Memory Lane, landen in Eichbrück, flirten mit unseren Idolen, streiten und fetzen uns, beschuldigen uns und versuchen auszubrechen.« Das Publikum im Saal tobt. Die Moderatorin legt die Hände auf ihren Brustkorb, presst die Lippen aufeinander und nickt gerührt den Menschen zu. Sie wischt sich links und rechts imaginäre Tränen weg und fährt fort: »Ihr habt unsere Hamerk-Babes genauso vermisst wie ich, deshalb sollt ihr nicht länger warten. Denn wir wissen alle, was ihr braucht! Heute bricht er weder Herzen noch Bankkonten, unser Lieblingsfuckboi a. D., Justin, komm her!« Schüchtern betritt ein junger Mann Ende 20, vielleicht schon Anfang 30, die Bühne. Er trägt einen gut geschnittenen cremefarbenen Leinenanzug, jede einzelne seiner blonden Locken sitzt perfekt. Ein junger Ryan Phillippe, ein hübscher Matthias Schweighöfer. Das Publikum johlt, Hunderte Frauen schreien immer wieder JUSTIN! Justin setzt sich auf das goldglänzende Sofa. Die Moderatorin wartet, bis sich das Publikum beruhigt hat. Das wird sie bei allen Gästen so machen – und da kommt auch schon der Nächste. »Vor ihm könnt ihr euch nicht verstecken, er wird euch überall finden, hier kommt Max!« Ein freundlich aussehender Mann Mitte 40 kommt auf die Bühne. Er ist unaufdringlich farblos, einer, den man schnell vergisst. Man denkt nur, das war dieser Dicke, wie hieß der noch mal? »Bitte give it up für unseren einzig wahren Girl Dad, der heute seinen Senf nur noch dazugibt, wenn es Bratwurst gibt! Hier ist euer Klaus!«
Ein sportlicher Mann um die 70 mit vollem weißem Haar, in heller Jeans und weißem Hemd geht zügig auf die Bühne. Typ Hausarzt, der gerne golft. Oder Geschichtslehrer, der gerade von der Romfahrt mit dem Geschichte-Leistungskurs kommt. Tiefenentspannt, ihm fehlt nur der Espresso in der Hand und eine Pilotensonnenbrille auf der Nase. »Mensch Klaus, dich erkennt man ja gar nicht wieder, steht dir gut, so frisch!«, begrüßt ihn die Moderatorin. Klaus setzt sich und grüßt mit einem Nicken das Publikum. »Ladys, holt eure Persos raus, denn unser folgender Gast kontrolliert mehr als nur eure Facecard, hier ist Basti!«

 

Elina Penner (Kamenka, 12 februari 1987)

 

De Duitse schrijfster en dichteres Else Lasker-Schüler werd geboren in Elberfeld op 11 februari 1869. Zie ook alle tags voor Else Lasker-Schüler op dit blog.

 

ESTHER

Esther is slank als de veldpalmen
Haar lippen geuren naar de korenhalmen
En de hoogfeestdagen die in Juda vallen.

’s Nachts rust haar hart uit op wat psalmen
De goden luisteren in hun hoge hallen.
Glimlachend wacht de koning haar verschijnen – 

En overal laat God zijn oog op Esther rusten.
De jonge Joden dichten liedjes voor hun zuster 
Die zij op zuilen in hun voorhal schrijven.

 

Vertaald door Kees Kok

 

Else Lasker-Schüler (11 februari 1869 – 22 januari 1945)

 

Zie voor de schrijvers van de 12e februari ook mijn blog van 12 februari 2023 en ook mijn twee blogs van 12 februari 2022 en ook mijn blog van 12 februari 2019 en ook mijn blog van 12 februari 2017 deel 2 en eveneens deel 3.


Advent (Karl Gerok), Gerard Reve, Paul Eluard

 

 

“Neudorf im Advent (Erzgebirge)” door Dieter Jacob, 2009

 

Advent

Offenb. 3, 20.
Siehe, ich stehe vor der Tür und
klopfe an.

Ich klopfe an zum heiligen Advent
Und stehe vor der Tür!
O selig, wer des Hirten Stimme kennt,
Und eilt und öffnet mir.
Ich werde Nachtmahl mit ihm halten,
Ihm Gnade spenden, Licht entfalten,
Der ganze Himmel wird ihm aufgetan,
Ich klopfe an.

Ich klopfe an, da draußen ists so kalt
In dieser Winterszeit;
Von Eise starrt der finstre Tannenwald,
Die Welt ist eingeschneit,
Auch Menschenherzen sind gefroren,
Ich stehe vor der verschlossnen Toren,
Wo ist ein Herz, den Heiland zu empfahn?
Ich klopfe an.

Ich klopfe an, sähst du mir nur einmal
Ins treue Angesicht,
Den Dornenkranz, der Nägel blutig Mahl, —
O du verwärst mich nicht!
Ich trug um dich so heiß Verlangen,
Ich bin so lang dich suchen gangen,
Vom Kreuze her komm ich die blut’ge Bahn:
Ich klopfe an.

Ich klopfe an, der Abend ist so traut,
So stille nah und fern,
Die Erde schläft, vom klaren Himmel schaut
Der lichte Abendstern;
In solchen heilgen Dämmerstunden
Hat manches Herz mich schon gefunden;
O denk, wie Nikodemus einst getan:
Ich klopfe an!

Ich klopfe an und bringe nichts als Heil
Und Segen für und für,
Zachäus ‘ Glück, Marias gutes Teil
Bescheert‘ ich gern auch dir,
Wie ich den Jüngern einst beschieden
In finstrer Nacht den süßen Frieden,
So möchte‘ ich dir mit holdem Gruße nahn;
Ich klopfe an.

Ich klopfe an, bist, Seele du, zu Haus,
Wenn dein Geliebter pocht?
Blüht mir im Krug ein frischer Blumenstrauß,
Brennt deines Glaubens Docht?
Weißt du, wie man den Freund bewirtet?
Bist du geschürzet und gegürtet?
Bist du bereit mich bräutlich zu umsahn?
Ich klopfe an.

Ich klopfe an, klopft dir dein Herze mit
Bei meiner Stimme Ton?
Schreckt dich der treusten Mutterliebe Tritt
Wie fernen Donners Drohn?
O hör‘ auch deines Herzens Pochen,
In deiner Brust hat Gott gesprochen:
Wach‘ auf, der Morgen graut, bald kräht der Hahn,
Ich klopfe an.

Ich klopfe an; spricht nicht: es ist der Wind,
Er rauscht im dürren Laub; —
Dein Heiland ists, dein Herr, dein Gott, mein Kind,
O stelle dich nicht taub;
Jetzt komm‘ ich noch im sanften Sausen,
Doch bald vielleicht im Sturmesbrausen,
O glaub‘, es ist kein eitler Kinderwahn:
Ich klopfe an.

Ich klopfe an, jetzt bin ich noch dein Gast
Und steh vor deiner Tür,
Einst, Seele, wenn du hier kein Haus mehr hast,
Dann klopfest du bei mir;
Wer hier getan nach meinem Worte,
Denn öffn‘ ich dort die Friedenspforte,
Wer mich verstieß, dem wird nicht aufgetan;
Ich klopfe an.

 

Karl Gerok (30 januari 1815 – 14 januari 1890)
Advent in Vaihingen an der Enz, de geboorteplaats van Karl Gerok

 

De Nederlandse dichter en schrijver Gerard Reve werd op 14 december 1923 in Amsterdam geboren. Zie ook alle tags voor Gerard Reve op dit blog.

Uit: Brief uit Berlijn

“Berlijn-Zehlendorf, Paaszondag 1962. Naarmate de trein de grens van Oost-Duitsland – waar men, zoals bekend, doorheen moet reizen om West-Berlijn te bereiken – nadert, groeit er, met mijn nieuwsgierigheid over wat ik te zien zal krijgen, ook een zonderlinge hoop: de hoop, dat alles zich veel betrekkelijker en veel minder ernstig zal laten aanzien, en dat de voorstelling die ik uit de berichtgeving van vele jaren heb opgebouwd, veel meer een projektie van mijn eigen, dikwijls zeer absoluut gestelde problematiek zal blijken te zijn, dan een met de werkelijkheid vergelijkbaar beeld.
Men kent de voorstelling van de Duitse Bondsrepubliek zoals die wordt gekoesterd door de mensen voor wie de in de bezetting ondergane verschrikking een levenvullende tijdloosheid heeft gekregen; een voorstelling waaraan ook, vooral uit gemakzucht, wordt vastgehouden door mensen die politiek nooit volwassen willen worden; een voorstelling die haar voortbestaan in veel grotere mate aan de communistiese propaganda dankt dan men in het algemeen wel vermoedt. Volgens deze voorstelling is de Westduitse democratie een schijndemocratie, waarin de nazi’s en het grootkapitaal bezig zijn een nieuwe autoritaire Duitse staat naar een nieuwe veroveringsoorlog te voeren. De kracht van deze voorstelling berust in niet geringe mate op het ontbreken van een redelijke hoeveelheid feitelijk bewijsmateriaal: materiaal dat er niet is, kan men immers niet aanvechten. In werkelijkheid wordt slechts een handvol voorvallen gebruikt om de al van te voren axiomaties aangenomen agressiviteit van West-Duitsland te illustreren. Feiten zoals de nog nooit in de Duitse geschiedenis vertoonde impopulariteit van de Westduitse dienstplicht – waarvoor iedereen zich probeert te drukken – en de verbijsterend geringe percentages stemmen, die neo-, semi-nazistiese of andere ultra-rechtse groeperingen, voordat ze bij de wet werden verboden, bij verkiezingen behaalden zelfs in die deelstaten, die indertijd de typiese voedingsbodem waren van het nationaal-socialisme – die feiten zeggen de politieke dommelaar niets. Voor het handhaven van zijn op onvruchtbare moffenhaat steunende visie heeft hij slechts een paar berichten per jaar over geschonden Joodse begraafplaatsen, op muren geschilderde hakenkruisen of over de ontmaskering van een op een verantwoordelijke post gekomen oorlogsmisdadiger nodig.”

 

Gerard Reve (14 december 1923 – 8 april 2006)
Reve met Woelrat en kat op schoot

 

De Franse dichter en schrijver Paul Eluard werd geboren op 14 december 1895 in Saint Denis. Zie ook alle tags voor Paul Eluard op dit blog.

 

Ik houd van je

Ik houd van je om alle vrouwen
Die ik niet heb gekend
Ik houd van je om alle tijden
Dat ik niet heb geleefd
Om de geur van het ruime sop
En de geur van warm brood
Om de sneeuw die smelt
Om de eerste bloemen
Om de zuivere dieren
Die de mens niet verschrikt
Ik houd van je om lief te hebben
Ik houd van je om alle vrouwen
Die ik niet liefheb

Wie anders spiegelt mij dan jij zelf
Ik zie ik mij amper
Zonder jou zie ik enkel
Een verlaten vlakte
Tussen vroeger en vandaag
Waren al die doden
Waar ik doorheen
Loop op stro
Ik kon geen gat boren
In de muur van mijn spiegel
Ik moest het leven leren
Woord voor woord
Zoals men vergeet

Ik houd van je om jouw wijsheid
Die niet van mij is
Om de gezondheid houd ik
Van je ondanks alles dat enkel illusie is
Om het onsterfelijke hart
Dat ik niet beheer
Je meent twijfel te zijn
En je bent slechts rede
Je bent de grote zon
Die mij naar het hoofd stijgt
Als ik zeker ben van mezelf
Als ik zeker ben van mezelf.

 

Vertaald door Theo Festen

 

Paul Eluard (14 december 1895 – 18 november 1952)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 14e december ook mijn blog van 14 december 2021 en ook mijn blog van 14 december 2018 en ook mijn blog van 14 december 2014 deel 2 en eveneens deel 3.

Grace Andreacchi, Joseph Conrad

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Grace Andreacchi werd geboren op 3 december 1954 in New York. Zie ook alle tags voor Grace Andreacchi op dit blog.

 

ITHAKA

If you’re going to Ithaka
setting out empty handed
from your own bright darkness

Fear not for
the gentle gods already know
the exact moment of your arrival

In her high palace
faithful Penelope has pulled taut
the threads of your life

Upon her loom
your blood stained histories woven into
her golden web and torn

Out again with deft fingers
Yes, Ithaka has waited
a long time for you

Ageless eyes scanning the horizon
examining each white sail
upon the wine dark sea

Now you are here at last
as morning flushes
the last small dreaming birds

The gods spread
dishes of olives blue sea
water white stones

for your bed
Lie still and the gods will dance for you
the stars by night will dance for you

When you go forth from Ithaka
lighter than light
the dance goes with you

 

The Heart Doctor

I enjoy my life
I enjoy my children now
particularly they’re grown up and
not squawking
I love being with them all
perhaps not at the same time

I’m fairly hopeless grandmother
I like them when they grow up
You don’t leave small children with me!
I’d always got, as my oldest son said, ‘staff’
someone who looked after their nonsenses

I don’t like this repetitive
‘Please do this’
‘Please don’t be rude’
I can’t be dealing with all that!
Actually I tell them
I like the dog best

 

In de Gouden Kamer van Sint Ursula

Botten kronkelen naar buiten
doordrenkt met goud
klein en dun, kip of kind

Gouden chrysalis van pijn
een stilte ongebroken
door donderslagen

Die laatste nacht van Maria’s maand
druppelde de lucht vuur
en elfduizend

Sterren brandden in de grillige straten
mannen veranderden
fosforescerend in kleine klompjes klei

In ons uur van nood, o Prinses
heb je je hermelijnen mantel
wijd uitgespreid?

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Grace Andreacchi (New York, 3 december 1954)

 

De Brits-Poolse schrijver Joseph Conrad werd geboren op 3 december 1857 in Berdichev, Rusland in een gezin met Poolse ouders. Zie ook alle tags voor Joseph Conrad op dit blog.

Uit: Lord Jim

To the white men in the waterside business and to the captains of ships he was just Jim–nothing more. He had, of course, another name, but he was anxious that it should not be pronounced. His incognito, which had as many holes as a sieve, was not meant to hide a personality but a fact. When the fact broke through the incognito he would leave suddenly the seaport where he happened to be at the time and go to another–generally farther east. He kept to seaports because he was a seaman in exile from the sea, and had Ability in the abstract, which is good for no other work but that of a water-clerk. He retreated in good order towards the rising sun, and the fact followed him casually but inevitably. Thus in the course of years he was known successively in Bombay, in Calcutta, in Rangoon, in Penang, in Batavia–and in each of these halting-places was just Jim the water-clerk. Afterwards, when his keen perception of the Intolerable drove him away for good from seaports and white men, even into the virgin forest, the Malays of the jungle village, where he had elected to conceal his deplorable faculty, added a word to the monosyllable of his incognito. They called him Tuan Jim: as one might say–Lord Jim.
Originally he came from a parsonage. Many commanders of fine merchant-ships come from these abodes of piety and peace. Jim’s father possessed such certain knowledge of the Unknowable as made for the righteousness of people in cottages without disturbing the ease of mind of those whom an unerring Providence enables to live in mansions. The little church on a hill had the mossy greyness of a rock seen through a ragged screen of leaves. It had stood there for centuries, but the trees around probably remembered the laying of the first stone. Below, the red front of the rectory gleamed with a warm tint in the midst of grass-plots, flower-beds, and fir-trees, with an orchard at the back, a paved stable-yard to the left, and the sloping glass of greenhouses tacked along a wall of bricks. The living had belonged to the family for generations; but Jim was one of five sons, and when after a course of light holiday literature his vocation for the sea had declared itself, he was sent at once to a “training-ship for officers of the mercantile marine.”

 

Joseph Conrad (3 december 1857 – 3 augustus 1924)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 3e september ook mijn blog van 3 december 2024 en ook mijn blog van 3 december 2021 en ook mijn blog van 3 december 2018 en eveneens mijn blog van 3 december 2017 deel 3.

In Memoriam Yvonne Keuls

 

In Memoriam Yvonne Keuls

De Nederlandse schrijfster Yvonne Keuls is gisteren op 93-jarige leeftijd overleden. Yvonne Keuls werd geboren op 17 december 1931 in Batavia, toen nog een onderdeel van Nederlands-Indië. Zie ook alle tags voor Yvonne Keuls op dit blog.

Uit: Gemmetje Victoria

“Ik lees nooit rapporten,” zei ik, ‘dus ook niet de jouwe. Als het nodig is, leer ik je wel kennen.”
Ik zag dat ze onrustig werd. Ze ging staan, zweeg en hield mij in de gaten. Ze begon te wiebelen, van het ene been op het andere, waarschijnlijk zoekend naar het volgende voorwerp dat ze naar mijn hoofd kon smijten.
‘Is er geen asbak hier? We mogen toch wel roken? In alle psychiatrische inrichtingen roken ze als de pieten. Maar daar heb jij natuurlijk nooit gezeten, haha.’ Daarna, met een knikbeweging naar de rapporten: ‘Staat een stempel op. Op al die rapporten dezelfde stempel: onhandelbaar. Bedoelen ze mij mee.’ Ze maakte agressief het stempelgebaar en keek aandachtig hoe ik daarop reageerde.
‘Ik wist niet dat daar een stempel van bestond,’ zei ik rustig.
‘Naïef tiepje, jij, hè. Bij jeugdzorg gaan ze zuinig om met hun tijd. Als je een stempel hebt, hoef je namelijk niks op te schrijven, kan je eerder naar huis.’ Ze lachte spottend.
‘Nou… hoe heet je?’
‘Gem,’ zei ze. ‘Gemmetje Victoria. Officieel alleen Gemmetje. Victoria werd mijn achternaam omdat ze die niet wisten. Iemand heeft dat bedacht omdat ik altijd weer kwam bovendrijven. Staat tenminste in een van die rapporten, maar niemand weet of het waar is. Eigenlijk best leuk om rapporten over jezelf te lezen. Allemaal gelogen natuurlijk. Hebben ze allemaal geschreven om zichzelf belangrijk te maken. Heb jij zelf geen naam?’
‘Yvonne,’ zei ik.
‘Ja, dáár moest ik naar vragen. Naar Yvonne. Jij bent die schrijfster, hè, dat vind ik interessant. En jij vindt míj vast ook interessant. Om over te schrijven, zeiden ze. Niet om wie ik echt ben, want dan moet je tijd in me stoppen en daar heeft niemand zin in. Als jij over mij gaat schrijven, word ik dan beroemd? Misschien gaan ze dan wel een film over mij maken. Word ik nog rijk ook. En jij samen met mij. Dat is een goeie combinatie, hoor, jij en ik. De beste kans van slagen.’
‘In wat?’ vroeg ik.
‘Nou, dat ik er niet meteen weer uit gemieterd word. Het lijkt me hier wel wat, zo’n groot huis in de duinen. Hoeveel kamers hebben ze hier wel niet?’
‘Een stuk of dertig.’
‘Godsklere… nou, dan mag ik zeker wel een eigen kamer hebben. En kan mijn kamer op slot? Want ik wil wel een kamer die op slot kan. En mag ik mijn kamer even zien?’

‘Straks.’
Na een poosje zwijgend om zich heen kijken richtte ze haar blik onderzoekend op mij.”

 

Yvonne Keuls (17 december 1931 – 16 november 2025)

Olga Grjasnowa, Tom Hofland, Norbert Krapf

De Duitse schrijfster Olga Grjasnowa werd geboren op 14 november 1984 in Baku  Azerbeidzjan. Zie ook alle tags voor Olga Grjasnowa op dit blog.

Uit: Die juristische Unschärfe einer Ehe

„Leylas Zelle maß drei mal zwei Meter und sah aus wie der Hauptschauplatz eines schlechten Film Noir. Eine harte Pritsche und ein winziges vergittertes Fenster. Die Luft war stickig, und die Tage dehnten sich schamlos aus. Die meiste Zeit über lag Leyla auf dem Bauch, ihre Hände mit Handschellen auf den Rücken gefesselt. Ihr Körper widerte sie an. Sie hatte seit einer Woche nicht mehr geduscht Auf ihrem Kleid waren mehrere Schichten Blut und Schweiß übereinander getrocknet Sie war wegen illegaler Autorennen in der Innenstadt von Baku festgenommen worden. Die offizielle Anklage hätte »Rowdytum« lauten können, doch eine Anklage wurde nicht einmal erhoben. Autorennen gehörten zu den Hobbys der Goldenen Aseri-Jugend, und sie waren die letzte Möglichkeit der Revolte. Reiche Sprösslinge kauften sich von ihrem Taschengeld alte sowjetische Autos, auf die man einst ein Jahrzehnt warten musste. Die Rennen fanden bei Nacht und ausschließlich in belebten Gegenden statt, nicht selten kamen dabei Fußgänger ums Leben, was den Charme des Ganzen natürlich erhöhte. Niemand wusste, wer diese Autorennen erfunden hatte. Die Inhaftierten gaben nichts preis—und die Wärter fragten nicht nach. Bei der Präsidentenfamilie waren die Autorennen verpönt und gehörten zu den wenigen Vergehen, die sich nicht mit Geld regeln ließen. Die jungen Fahrer, es war noch nie jemand festgenommen worden, der älter als sechsundzwanzig gewesen wäre, wurden in der Regel auf der Polizeiwache festgehalten und von mehreren Beamten ab-wechselnd verprügelt. Eine durchaus gängige, ja sogar für diese Breitengrade harmlose Praxis. Und so wurde Leyla dreimal täglich von einem jungen Polizeischüler abgeholt und in Handschellen ins Untersuchungszimmer geführt Es war derselbe Junge, der ihr das Wasser und das Essen brachte — schmächtig, von kleinem Wuchs und mit dem traurigen Blick eines ewigen Verlierers. Das Untersuchungszimmer war geräumig und bis auf einen schmalen Tisch und zwei Stühle leer. Er band Leylas Hand- und Fußgelenke fest. Erst während der Fixierung kam der zweite Polizeischüler hinzu: eine operierte Hasenscharte, zwei Goldzähne und ansonsten symmetrische Züge mit zart geschwungenen Augenbrauen, die nicht zum unteren Teil des Gesichts passen wollten.“

 

Olga Grjasnowa (Baku, 14 november 1984)

 

De Nederlandse dichter, schrijver en programmamaker Tom Hofland werd geboren in Apeldoorn op 14 november 1990. Zie ook alle tags voor Tom Hofland op dit blog.

Uit: Vele vreemde vormen

“Tomás leunde met zijn rug tegen de muur van zijn kantoor. Hij keek een tijdje naar de lege stoelen aan zijn bureau, de dode plant op de kast en de kalender aan de muur tegenover hem. Op maandag stond een driehoekig puntje met een verticale streep getekend. Het moest een taartpunt voorstellen: Tomás was deze week 31 geworden.
Plotseling schrok hij van de stilte en wendde hij zijn blik naar de klok. Het was halfvijf: tijd om een einde aan deze ellenlange dag te maken.
Hij liep naar het raam en keek naar buiten. Het regende. Op de stoep vormden zich diepe bruine plassen. Het neonbord van de diamanthandelaar weerspiegelde in een modderstroompje en Tomás probeerde het opschrift ondersteboven te lezen, maar werd na een halfslachtige poging afgeleid door een man die over de plas heen stapte. Hij liep de steeg in die uitkwam onder Tomás’ raam.
De man droeg een driedelig wollen pak en glimmende leren schoenen met gespen. Zijn gezicht bestond uit strakke lijnen, geelroze gekleurd, met grijze stoppels op zijn kaken. Af en toe ving Tomás, onder de mouw van zijn lange jas, de glimp op van een gouden polshorloge. Het was allemaal net iets té, deze man. Sowieso te chic voor deze straat, en hij had iets bevreemdends over zich: alsof hij was weggelopen uit een goedkoop kostuumdrama. Verder liep hij een beetje als een vogel. Als een reiger, om precies te zijn. Met grote, voorzichtige stappen liep hij over de plassen heen.
Tomás bestudeerde hem vanachter zijn raam en hoopte – god, wat hoopte hij het – dat de man verdwaald was. Dat hij een verkeerde afslag had genomen, rechtsomkeert zou maken en terug zou lopen naar de grote straat.
Maar de man liep door met grote vogelpassen en bleef staan onder Tomás’ raam. Hij keek even om zich heen, zag dat hij alleen in de steeg was, en klopte drie keer met zijn ring op het glas van de deur. Tomás bukte.
Hij sloot zijn ogen en zag zijn vader voor zich: een forse man in een gekreukeld wit overhemd, zwetend in een hangmat. Een gouden trouwring knelde om zijn vinger; een boek balanceerde op zijn slapende buik, de bladzijden vettig en gekreukeld. Hij lag te genieten van het langzame tempo van het leven op een eiland.
Hoe vreemd was dit noodlot, dat uitgerekend Tomás nog altijd in Antwerpen zat? Hij die nooit weg had gewild uit zijn geboorteland, zelfs niet van vakanties had gedroomd. Hij wilde niet denken aan andere scenario’s: hoe zijn leven zou zijn gelopen als zijn vader hem niet naar deze grauwe plek had meegenomen om hem vervolgens weer achter te laten.”

 

Tom Hofland (Apeldoorn, 14 november 1990)

 

De Amerikaanse dichter, schrijver en vertaler Norbert Krapf werd geboren op 14 november 1943 in Jasper, Indiana. Zie ook alle tags voor Norbert Krapf op dit blog.

 

Black Cat Blues

Oh, het Gasthaus is nog steeds gesloten,
de biertaps zijn leeg gedruppeld,
het fornuis is koud in de keuken
en de Stammtisch is zo stil
als de kerk op zaterdagavond

wanneer op de stoep
bij het krieken van de dag
de gemeenste zwarte kat rondstruint
die deze arme ogen ooit hebben gezien.

Heer, wees mij genadig, ik zal nooit
meer te veel drinken,
ik zal elke zondag naar de kerk gaan
en elke Eerste Vrijdag ook,

als u die gemene
oude zwarte kat maar laat rondstruinen
over de Hauptstrasse
direct aan de deur van het Gasthaus voorbij.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Norbert Krapf (Jasper, 14 november 1943)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 14e november ook mijn blog van 14 november 2020  deel 1 en ook deel 2 en ook  mijn blog van 14 november 2018 en eveneens mijn blog van 14 november 2015 deel 2.

Booker Prize 2025 voor David Szalay

Booker Prize 2025 voor David Szalay

De Hongaars-Britse schrijver David Szalay heeft de Booker Prize in de wacht gesleept voor zijn roman “Flesh”. De Hongaars-Britse schrijver David Szalay werd geboren in 1974 in Montreal, Canada, als zoon van een Canadese moeder en een Hongaarse vader. Zie ook alle tags voor David Szalay op dit blog.

Uit: Flesh

“When he’s fifteen, he and his mother move to a new town and he starts at a new school. It’s not an easy age to do that – the social order of the school is already well established and he has some difficulty making friends. After a while he does make one friend, another solitary individual. They sometimes hang out together after school in the new Western-style shopping mall that has just opened in the town.‘Have you ever done it?’ his friend asks him.
‘No,’ István says.
‘Me neither,’ his friend says, making the admission seem easy somehow. He has a simple and natural way of talking about sex. He tells István which girls at school he fantasises about, and what he fantasises about doing to them. He says that he often masturbates four or five times a day, which makes István feel inadequate since he usually only does it once or twice. When he admits that, his friend says, ‘You must have a weak sex drive.’
It may be true, for all he knows.
He doesn’t know what it’s like for other people.
He only has his own experience.
One day his friend tells him that he did it with a girl who lives on the other side of the train tracks.
The news is disorienting.
István listens while his friend describes, in some detail, what happened. He tries to work out if his friend is telling the truth or if he’s lying. Though he would prefer him to be lying, he thinks that he’s probably telling the truth. Some of the things he says seem too specific, too surprising, for him to have made them up.
Then, a few days later, he says he talked to the girl and she said she’d do it with István as well.
‘Seriously?’ István says.
‘Yeah,’ his friend says.
István doesn’t know if this means that the three of them will do it together, or just that he’ll do it with the girl on his own.
He is too unsure of himself to ask.
After school the same day, they walk across the footbridge over the train tracks.
It’s already getting dark.
They go down the metal steps on the other side of the footbridge and walk for a while until they arrive at a housing estate. It’s not dissimilar to the one where István and his mother live, only here the buildings, although also made of prefabricated concrete panels, are taller. At the entrance of one of them his friend enters the doorbell number of one of the flats.”

 

David Szalay (Montreal, 1974)

 

Jan van Nijlen, Hans Magnus Enzensberger

De Vlaamse dichter en schrijver Jan van Nijlen werd geboren op 10 november 1884 in Antwerpen. Zie ook alle tags voor Jan van Nijlen op dit blog.

 

Dans

Het meisje danst in wit gewaad… en vaag
schemert dë avond in haar oogen vonken
die hel, gelijk ten hemel sterren, lonken.
Wel wetend dat ze mooi is wijl ze traag

heur hoofd omdraait naar iets dat heeft geklonken,
iets teeders, heel zacht als een minnevraag
richt zij haar armen strak-gestrekt omlaag
van lust en kuische zinnelijkheid dronken.

En wijl ze danst versteent ze plots tot marmer,
want zij die zich als vrouw zoo heerlijk dacht,
voelt zich aan blanke rijke schoonheid armer,

daar ze’ uit het witte schuim der groene baren
verrijzen ziet in ’t ijle van den nacht
de mooie Aphrodite goud van haren..

 

Liefdesprookje

Mijn droom heeft zich gezelfmoord in den nacht
bij ’t fluistrend bidden van uw mededogen
O vrouw! en naar de rijke, lang-verbeiden logen
die eens zou spreken uit uw zonnig oogen
heel lang gewacht.

Ik heb gestaard verlangens-onbewust
in ’t oog waar nooit een ander kon in staren
geen nacht kon grijnzen of geen morgen klaren.
– En ‘k heb in ’t duister uw goud-blonde haren
heel zacht gekust.

Gij hebt mij aangekeken zoo bedrukt
met om uw oog die rood-geweende randen
als smeekend om geluk in beter landen.
– En ‘k heb in ’t duister uw koud-witte handen
heel zacht gedrukt.

Gij hebt gesproken van een zaligheid,
iets als een vaag en onbestemd verlangen
naar satersliedren of naar englenzangen…
– En ‘k heb in ’t duister uw koorts-heete wangen
heel zacht gevleid.

 

Venezia

II

Het Water

Wanneer de zon, o witte en roode stad!
in ’t fonklend paarlemoer schijnt der kanalen,
waar elk paleis door ’t lichte spel der stralen
een schaduw van zijn eigen beeld omvat,

dan kan alleen het blauwe water malen
wat niet een kon: uw allergrootste schat
waar, eeuwen lang, de hoogste om bad
in kleur verbeelden of in klank vertalen.

En daar niets roert die schoonheid, gloed noch storm
schijnt het den dichter die onmachtig is
om ’t beeld te gieten in zoo puur een vorm,

of ’t water zelf de stad in verzen zet
daar in dien spiegel kleur een rytmus is
en elke klank een rytmenzwaar sonnet.

 

Jan van Nijlen (10 november 1884 – 14 augustus 1965)

 

De Duitse dichter en schrijver Hans Magnus Enzensberger werd geboren op 11 november 1929 in Kaufbeuren. Zie ook alle tags voor Hans Magnus Enzensberger op dit blog.

 

Herinnering aan het indringende ogenblik

De morgen van de rouw, die in je kleren kruipt als het spit;
de dag waarop je jezelf voor eeuwig belachelijk hebt gemaakt;
de avond waarop je op de grond ligt en het bloed uitje neus vloeit;
het uur waarin je ontdekt dat je je veertien jaar, negen maanden
en twee weken lang hebt vergist;
de minuut waarop je eigen dochter je aankijkt als een vreemde;
het ogenblik waarop je meent de punt van het mes in je rug te voelen;
het moment waarop je de afscheidsbrief op de keukentafel vindt;
het tiende deel van een seconde waarin de lawine onder je voeten begint te schuiven;
en daarvoor en daarna de onvoorstelbaar talrijke ogenblikken van zorgeloosheid.

 

Vertaald door René Smeets

 

Hans Magnus Enzensberger (11 november 1929 – 24 november 2022)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 10e november ook mijn blog van 10 november 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Simon Vestdijk, Jan Wagner

De Nederlandse dichter en schrijver Simon Vestdijk werd geboren in Harlingen op 17 oktober 1898. Zie ook alle tags voor Simon Vestdijk op dit blog.

 

Juni

De maand is uitgebalanceerd en snel
En jong en snaat’rend als een eendenkom;
De nachten zijn te kort en noord’lijk hel
En kant’len makk’lijk naar de ochtend om.

Dit is het ergst: men kent die nachten wel,
Dat men zich wentelt om en om en om
In ’t lauwe bed, terwijl een Turksche trom
Van verre kermissen de zielsrust kwelt.

Alles in bloei, en alles hangt te bengelen
En daagt de zwaartekracht uitbundig uit
En vliegt en zweeft en doet wat ’t niet kan laten.

En wie des nachts een draaiorgel hoort jengelen
Droomt kort en bondig van de acrobaten
Die, vallend, door een koord worden gestuit.

 

Juli

Verwonderd vragen van de eerste vruchten:
Zijn wij voor ’t midden of voor ’t eind bestemd?
Reeds schallen onze bongerds van geruchten
Die het welvarend appelvolk niet kent.

Het najaar stooft met zijn verbleekte luchten
Ons zoo verwoed niet als dit licht ons temt
En zoet en vloeibaar maakt; wij willen vluchten,
Maar kunnen niet, door ’t rijpen overstemd.

Jong rijp jong rot: wij gaan de avond in,
En hangen pronkend achter meisjesooren,
Wij willen leven, en wij kunnen niet.

Wij werden niet als toovervrucht geboren,
Maar moeten bloeden in ons eerst begin,
En moeten sterven bij een kinderlied.

 

Augustus

De warmste dag, en dit merkwaardig korten
Der dagen, waar de dood de hand in heeft,
De dood van ’t jaar, die zich nog op wil schorten,
Doch reeds in koop’ren donderkoppen beeft.

En als de hondsdag ons het graan niet geeft,
Dan komen onverhoeds de ijscohorten
Van koning Winter grijnslachend en scheef
Zich op het onbeschermde bouwland storten.

Een grijsaard, heet en geil, verwarmt zijn leden
Aan de eigen brand, en brandt geweldig op,
Met heel zijn toekomst saamgeperst in ’t heden.

Maar als hij met zijn malsche prooi terneerligt,
Slaat hem de hitte, en op zijn kale kop
Buigen de laatste halmen onder ’t weerlicht.

 

Simon Vestdijk (17 oktober 1898 – 23 maart 1971)
Mieke en Simon Vestdijk met Harry Mulisch en Hugo Claus

 

De Duitse dichter, schrijver en vertaler Jan Wagner werd geboren op 18 oktober 1971 in Hamburg. Zie ook alle tags voor Jan Wagner op dit blog.

 

Heers

Niet te onderschatten: heers
met verlangen al in de naam – vandaar
de bloesems, die zo zwevend wit zijn, kuis
als een tirannendroom.

Keert altijd terug als een oude schuld,
zendt zijn geheime boodschappen
door de duisternis onder het gazon, onder het veld,
tot ergens een nieuw wit nest

van verzet opschiet. Achter de garage,
bij het knarsende grind, de kers: heers
als schuim, als bruis, dat geruisloos

gebeurt, omhoog naar de gevel kruipt, totdat heers
bijna overal ontspruit, door de hele tuin heers
over heers schuift, verslindt met niets anders dan heers.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Jan Wagner (Hamburg, 18 oktober 1971)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 17e oktober ook mijn blog van 17 oktober 2018 en ook mijn blog van 17 oktober 2017 en eveneens mijn blog van 17 oktober 2015 deel 2.

Nobelprijs voor Literatuur 2025 voor László Krasznahorkai

Nobelprijs voor Literatuur 2025 voor László Krasznahorkai

De Hongaarse schrijver en scenarist László Krasznahorkai krijgt dit jaar de Nobelprijs voor Literatuur. De prijs wordt in december uitgereikt in Stockholm. László Krasznahorkai werd geboren in Gyula op 5 januari 1954. Zie ook alle tags voor László Krasznahorkai op dit blog.

Uit: Oorlog en oorlog (Vertaald door Mari Alföldy)

“Niemand had hem gevraagd om te praten, zij wilden dat hij hun  zijn geld zou geven, maar hij gaf het hun niet, hij zei dat hij geen geld had, en hij begon te praten, eerst hakkelend, later steeds vloeiender en ten slotte onstuitbaar, maar hij praatte dus, omdat hij zichtbaar geschrokken was van de ogen van die zeven kinderen, of, zoals hij zelf later uitlegde: omdat zijn maag ineengekrompen was van angst, en als de angst zijn maag samendrukte moest hij, zo zei hij, altijd praten, en aangezien die angst nog steeds niet geweken was, omdat hij niet kon weten of zij een wapen bij zich hadden, werd hij steeds verder meegesleurd door de stroom van het praten en in die stroom wilde hij hun nu alles vertellen, eindelijk alles aan iemand vertellen, want sinds hij – en wel op het allerlaatste moment! – was begonnen aan ‘de grote reis; zoals hij het noemde, had hij met niemand een woord gewisseld, geen woord, want hij vond het te gevaarlijk, en er was ook niemand om mee te praten, aangezien hij onderweg weinig kans had om mensen te ontmoeten die ongevaarlijk waren of voor wie hij niet bang hoefde te zijn; voor hem was namelijk niemand ongevaarlijk genoeg, en hij moest voor iedereen bang zijn, want hij zag, zo zei hij aan het begin, in iedereen dezelfde persoon, iemand die rechtstreeks of op de achtergrond in verbinding stond met zijn achtervolgers, iemand die intensief of oppervlakkig, maar onmiskenbaar contact had met diegenen van wie hij meende dat ze van elke stap op de hoogte waren die hij zette, maar hij was sneller, vertelde hij later, hij was hun altijd ’ten minste een halve dag’ voor, maar de prijs die hij betaalde voor de vluchtige overwinningen met betrekking tot de tijdstippen en de plaatsen was dat hij met niemand een woord kon wisselen, echt niet één, pas nu kon dat, uit angst, terwijl hij onder de natuurlijke druk van de angst inging op steeds belangrijker terreinen van zijn leven, waarbij hij vertrouwelijk en steeds vertrouwelijker werd en hun diepe en steeds diepere inzichten verschafte, met het doel om hen daarmee om te kopen en hen voor zich te winnen, om de aanvaller in hen uit zijn aanvallers weg te spoelen en hen alle zeven ervan te overtuigen dat iemand zich hier niet alleen had overgegeven, maar door die overgave zijn aanvallers als het ware tegemoet was getreden.”

 

László Krasznahorkai (Gyula, 5 januari 1954)