Lamps through the quiet house; outside, there’s rain. Open windows; verandah; TV moon next door, amongst dark fronds; the typewriter sounds of wetness; and bougainvillea entwining each carved white pole with a vine cruel as wire. The petals make their clamour silently; held by heat of the houselights in high arc, above the steps — hovering, a red surf, blown from darkness. Down the street’s the light-pole, that stands as though a fountain, its cowl soda-white, in rains that thicken. And, going in, my hand again searches quietness, along the books. I come sidling into the deep presence of these flowers.
Summer, Summer
A game of cricket on the English grass, in the slow-motion blast of the sun and amid the slow hand-claps — the bats’ are similar but even slower strokes. Aimless as a blowfly on its motorbike, or as some real bike among distant lanes, the afternoon. Canvas chairs and crumbs and the match from Lords kept low on a portable, and some are stretched along the turf, and half turning the head, at times, can watch from under cover, a pair who, laughing near, wine-flushed, have each begun their slow ticklings with grass stalks. The clouds are soap froth built up on the hands of someone who pauses indoors above the sink, in silhouette even to himself, and that hold; that still, still nothing can dissipate. This frosted glass that’s pushed up in the changing room invites a glimmer, as there passes the white figure quickly scissoring across the wide lawn, although nothing comes undone. Whatever the bird is called, whether it’s a wood pigeon or a dove, it faithfully makes its rich idle bubblings like a Moroccan pipe — the brief billows, loose as summer wash. And now you notice the young couple have got up and gone, and you see, too, how the man who has become so quiet is one who must realise he will never have his hands upon a firm breast again.
Laat ons het wilde onkruid zingen, Waaruit de grauwe lewerk stijgt, Als hij met nietige vlerken Zich in het eigen lied vertakt. Van de schermvormige sterrebloem Leer de bestuiving, Beschouw de schuwe mier En glijd bij neerwaarts Genijgden, verzonken gang Uw vinger de bedauwde stengel langs.
Nu is de tijd gekomen Dat aarde zelf ons aanzet Verrukt te prijzen, wat de vrome Graanakkers eenmaal krenkte: De tere winde, Het licht gepeupel Der verwaaide grassen, De gloeiende glazen Der bedwelmende papaver op de slaperige barm, En zie het doorwaskruid steekt zijn hazenoren uit.
Ach, de verzwonden marsyas drijven De stenen zelf nu weder uit, Wij voelen bevend hoe we blijven En luisteren in een ledig huis. Het cymbelkruid wendt, Terwijl het reeds sterft, Zich af van de dag, En strooit dat het drage Van muur tot muur het aardse geluk Het heilige zaad in het donker terug.
Vertaald door René Verbeeck
Elisabeth Langgässer (23 februari 1899 – 25 juli 1950)
“Ik ben zelf een barometer, had hij tegen haar gezegd toen ze voor de barometer stonden. Ik voel het tot in mijn skelet. Een ander zou gezegd hebben tot in mijn botten, maar Rudolf zei skelet, omdat hij wist dat Rosita dat irritant vond. Hij wist ook waarom zij het irritant vond, dat maakte het erger. Zij had een letterlijke geest en zág dus ook een skelet, wat ze niet aangenaam vond. De tijd van de vanitasschilderijen is voorbij, zei ze, je zet toch ook geen doodskopmeer op je werktafel. Als je dat een uur geleden gezegd had zou ik niet met je hebben geneukt. Geen zin in zo’n skelet boven op me. Ze zag het voor zich, klapperende ribbenkasten, in elkaar bijtende schedels. Je bent soms een echte klootzak. Alleen maar omdat het weer verandert. Daar zei hij niets op terug, omdat het waar was, zowel het een als het ander. Ineens was de zomer voorbij. Grauwe wolkenkastelen, het wit van de Spaanse huizen ineens vaal, en straks de tuin onder water, want als het kwam, kwam het goed, met bakken. En de melancholie die erbij hoorde. Deuren die de hele zomer open geweest waren moesten dicht, de grote wandelingen langs de kust moesten naar een vroeger tijdstip verzet worden, er viel een donker gat tussen het uur dat de duisternis inviel en het uur waarop je in Spanje kon gaan eten. Dat betekende vroeger drinken in een bar of in het ineens niet meer zo aangename huis bij een elektrisch kacheltje een beetje kleumerig zitten lezen. Onuitstaanbaar dat zij daar geen last van had. Zij had, als hij er goed over nadacht, eigenlijk nooit ergens last van. Niet van slapeloosheid, niet van verveling. Ze verdween eenvoudig naar haar werkkamer, en was daar kennelijk gelukkig. Hoe iemand gelukkig kon zijn die al jaren aan een geschiedenis van de Nederlandse arbeidersbeweging werkte was hem een raadsel. Alles wat ze erover vertelde, van Domela Nieuwenhuis tot en met Henriette Roland Holst, vervulde hem met diep wantrouwen. Allemaal mensen met dubbele namen die het goed gemeend hadden met de uitgebuite klasse. Nu was het een eeuw later en de te verheffen klasse van ooit stond getatoeëerd als een Maori met een radio keihard aan op een ladder het huis naast je te schilderen. Gejengel en gestamp, vette stemmen van populaire dj’s, en op de televisie plat pratende nieuwe beroemdheden die een seizoen lang de helden waren in een of andere soap. Ze zouden eens terug moeten komen, zei hij dan, de Gorters ende Van Eedens. Ze zouden zich de pleuris schrikken. Eindelijk gelukt, de dictatuur van het proletariaat, kunst voor het volk. Ik zie d’arbeiders dansen in zilvren rijen aan de rand van de oceaan, zo’n soort regel. Gorter, geloof ik. Gelukt ook nog, in de disco in Torremolinos. Haar antwoord daarop was meestal een zacht neuriën, waarvan hij nooit zeker wist of het niet een uiting van minachting of van groot medelijden was. Een licht, hoog zoemen, een soort vogelgemurmel, alsof ze al bezig was van hem weg te vliegen.”
Cees Nooteboom (31 juli 1933 – 11 februari 2026)
De Duitse schrijfster Elina Penner werd geboren op 12 februari 1987 in Kamenka, Oblast Orenburg, toen USSR. Zie ook alle tags voor Elina Penner op dit blog.
Uit: Die Unbußfertigen
»Herzlich willkommen zur offiziellen Harmlik-TV-Rennion!« Die Moderatorin strahlt und freut sich, zurück an dem historisch denkwürdigen Ort zu sein. »Seid ihr auch so aufgeregt wie ich? Wir können es selbst kaum glauben, aber vor genau einem Jahr startete Hamerk-7V auf eine extrem kuriose, wenn nicht gewöhnungsbedürftige Art und Weise. Mit euch zusammen gehen wir heute noch einmal auf die Memory Lane, landen in Eichbrück, flirten mit unseren Idolen, streiten und fetzen uns, beschuldigen uns und versuchen auszubrechen.« Das Publikum im Saal tobt. Die Moderatorin legt die Hände auf ihren Brustkorb, presst die Lippen aufeinander und nickt gerührt den Menschen zu. Sie wischt sich links und rechts imaginäre Tränen weg und fährt fort: »Ihr habt unsere Hamerk-Babes genauso vermisst wie ich, deshalb sollt ihr nicht länger warten. Denn wir wissen alle, was ihr braucht! Heute bricht er weder Herzen noch Bankkonten, unser Lieblingsfuckboi a. D., Justin, komm her!« Schüchtern betritt ein junger Mann Ende 20, vielleicht schon Anfang 30, die Bühne. Er trägt einen gut geschnittenen cremefarbenen Leinenanzug, jede einzelne seiner blonden Locken sitzt perfekt. Ein junger Ryan Phillippe, ein hübscher Matthias Schweighöfer. Das Publikum johlt, Hunderte Frauen schreien immer wieder JUSTIN! Justin setzt sich auf das goldglänzende Sofa. Die Moderatorin wartet, bis sich das Publikum beruhigt hat. Das wird sie bei allen Gästen so machen – und da kommt auch schon der Nächste. »Vor ihm könnt ihr euch nicht verstecken, er wird euch überall finden, hier kommt Max!« Ein freundlich aussehender Mann Mitte 40 kommt auf die Bühne. Er ist unaufdringlich farblos, einer, den man schnell vergisst. Man denkt nur, das war dieser Dicke, wie hieß der noch mal? »Bitte give it up für unseren einzig wahren Girl Dad, der heute seinen Senf nur noch dazugibt, wenn es Bratwurst gibt! Hier ist euer Klaus!« Ein sportlicher Mann um die 70 mit vollem weißem Haar, in heller Jeans und weißem Hemd geht zügig auf die Bühne. Typ Hausarzt, der gerne golft. Oder Geschichtslehrer, der gerade von der Romfahrt mit dem Geschichte-Leistungskurs kommt. Tiefenentspannt, ihm fehlt nur der Espresso in der Hand und eine Pilotensonnenbrille auf der Nase. »Mensch Klaus, dich erkennt man ja gar nicht wieder, steht dir gut, so frisch!«, begrüßt ihn die Moderatorin. Klaus setzt sich und grüßt mit einem Nicken das Publikum. »Ladys, holt eure Persos raus, denn unser folgender Gast kontrolliert mehr als nur eure Facecard, hier ist Basti!«
“Neudorf im Advent (Erzgebirge)”door Dieter Jacob, 2009
Advent
Offenb. 3, 20. Siehe, ich stehe vor der Tür und klopfe an.
Ich klopfe an zum heiligen Advent Und stehe vor der Tür! O selig, wer des Hirten Stimme kennt, Und eilt und öffnet mir. Ich werde Nachtmahl mit ihm halten, Ihm Gnade spenden, Licht entfalten, Der ganze Himmel wird ihm aufgetan, Ich klopfe an.
Ich klopfe an, da draußen ists so kalt In dieser Winterszeit; Von Eise starrt der finstre Tannenwald, Die Welt ist eingeschneit, Auch Menschenherzen sind gefroren, Ich stehe vor der verschlossnen Toren, Wo ist ein Herz, den Heiland zu empfahn? Ich klopfe an.
Ich klopfe an, sähst du mir nur einmal Ins treue Angesicht, Den Dornenkranz, der Nägel blutig Mahl, — O du verwärst mich nicht! Ich trug um dich so heiß Verlangen, Ich bin so lang dich suchen gangen, Vom Kreuze her komm ich die blut’ge Bahn: Ich klopfe an.
Ich klopfe an, der Abend ist so traut, So stille nah und fern, Die Erde schläft, vom klaren Himmel schaut Der lichte Abendstern; In solchen heilgen Dämmerstunden Hat manches Herz mich schon gefunden; O denk, wie Nikodemus einst getan: Ich klopfe an!
Ich klopfe an und bringe nichts als Heil Und Segen für und für, Zachäus ‘ Glück, Marias gutes Teil Bescheert‘ ich gern auch dir, Wie ich den Jüngern einst beschieden In finstrer Nacht den süßen Frieden, So möchte‘ ich dir mit holdem Gruße nahn; Ich klopfe an.
Ich klopfe an, bist, Seele du, zu Haus, Wenn dein Geliebter pocht? Blüht mir im Krug ein frischer Blumenstrauß, Brennt deines Glaubens Docht? Weißt du, wie man den Freund bewirtet? Bist du geschürzet und gegürtet? Bist du bereit mich bräutlich zu umsahn? Ich klopfe an.
Ich klopfe an, klopft dir dein Herze mit Bei meiner Stimme Ton? Schreckt dich der treusten Mutterliebe Tritt Wie fernen Donners Drohn? O hör‘ auch deines Herzens Pochen, In deiner Brust hat Gott gesprochen: Wach‘ auf, der Morgen graut, bald kräht der Hahn, Ich klopfe an.
Ich klopfe an; spricht nicht: es ist der Wind, Er rauscht im dürren Laub; — Dein Heiland ists, dein Herr, dein Gott, mein Kind, O stelle dich nicht taub; Jetzt komm‘ ich noch im sanften Sausen, Doch bald vielleicht im Sturmesbrausen, O glaub‘, es ist kein eitler Kinderwahn: Ich klopfe an.
Ich klopfe an, jetzt bin ich noch dein Gast Und steh vor deiner Tür, Einst, Seele, wenn du hier kein Haus mehr hast, Dann klopfest du bei mir; Wer hier getan nach meinem Worte, Denn öffn‘ ich dort die Friedenspforte, Wer mich verstieß, dem wird nicht aufgetan; Ich klopfe an.
Karl Gerok (30 januari 1815 – 14 januari 1890) Advent in Vaihingen an der Enz, de geboorteplaats van Karl Gerok
“Berlijn-Zehlendorf, Paaszondag 1962. Naarmate de trein de grens van Oost-Duitsland – waar men, zoals bekend, doorheen moet reizen om West-Berlijn te bereiken – nadert, groeit er, met mijn nieuwsgierigheid over wat ik te zien zal krijgen, ook een zonderlinge hoop: de hoop, dat alles zich veel betrekkelijker en veel minder ernstig zal laten aanzien, en dat de voorstelling die ik uit de berichtgeving van vele jaren heb opgebouwd, veel meer een projektie van mijn eigen, dikwijls zeer absoluut gestelde problematiek zal blijken te zijn, dan een met de werkelijkheid vergelijkbaar beeld. Men kent de voorstelling van de Duitse Bondsrepubliek zoals die wordt gekoesterd door de mensen voor wie de in de bezetting ondergane verschrikking een levenvullende tijdloosheid heeft gekregen; een voorstelling waaraan ook, vooral uit gemakzucht, wordt vastgehouden door mensen die politiek nooit volwassen willen worden; een voorstelling die haar voortbestaan in veel grotere mate aan de communistiese propaganda dankt dan men in het algemeen wel vermoedt. Volgens deze voorstelling is de Westduitse democratie een schijndemocratie, waarin de nazi’s en het grootkapitaal bezig zijn een nieuwe autoritaire Duitse staat naar een nieuwe veroveringsoorlog te voeren. De kracht van deze voorstelling berust in niet geringe mate op het ontbreken van een redelijke hoeveelheid feitelijk bewijsmateriaal: materiaal dat er niet is, kan men immers niet aanvechten. In werkelijkheid wordt slechts een handvol voorvallen gebruikt om de al van te voren axiomaties aangenomen agressiviteit van West-Duitsland te illustreren. Feiten zoals de nog nooit in de Duitse geschiedenis vertoonde impopulariteit van de Westduitse dienstplicht – waarvoor iedereen zich probeert te drukken – en de verbijsterend geringe percentages stemmen, die neo-, semi-nazistiese of andere ultra-rechtse groeperingen, voordat ze bij de wet werden verboden, bij verkiezingen behaalden zelfs in die deelstaten, die indertijd de typiese voedingsbodem waren van het nationaal-socialisme – die feiten zeggen de politieke dommelaar niets. Voor het handhaven van zijn op onvruchtbare moffenhaat steunende visie heeft hij slechts een paar berichten per jaar over geschonden Joodse begraafplaatsen, op muren geschilderde hakenkruisen of over de ontmaskering van een op een verantwoordelijke post gekomen oorlogsmisdadiger nodig.”
Gerard Reve (14 december 1923 – 8 april 2006) Reve met Woelrat en kat op schoot
Ik houd van je om alle vrouwen Die ik niet heb gekend Ik houd van je om alle tijden Dat ik niet heb geleefd Om de geur van het ruime sop En de geur van warm brood Om de sneeuw die smelt Om de eerste bloemen Om de zuivere dieren Die de mens niet verschrikt Ik houd van je om lief te hebben Ik houd van je om alle vrouwen Die ik niet liefheb
Wie anders spiegelt mij dan jij zelf Ik zie ik mij amper Zonder jou zie ik enkel Een verlaten vlakte Tussen vroeger en vandaag Waren al die doden Waar ik doorheen Loop op stro Ik kon geen gat boren In de muur van mijn spiegel Ik moest het leven leren Woord voor woord Zoals men vergeet
Ik houd van je om jouw wijsheid Die niet van mij is Om de gezondheid houd ik Van je ondanks alles dat enkel illusie is Om het onsterfelijke hart Dat ik niet beheer Je meent twijfel te zijn En je bent slechts rede Je bent de grote zon Die mij naar het hoofd stijgt Als ik zeker ben van mezelf Als ik zeker ben van mezelf.
If you’re going to Ithaka setting out empty handed from your own bright darkness
Fear not for the gentle gods already know the exact moment of your arrival
In her high palace faithful Penelope has pulled taut the threads of your life
Upon her loom your blood stained histories woven into her golden web and torn
Out again with deft fingers Yes, Ithaka has waited a long time for you
Ageless eyes scanning the horizon examining each white sail upon the wine dark sea
Now you are here at last as morning flushes the last small dreaming birds
The gods spread dishes of olives blue sea water white stones
for your bed Lie still and the gods will dance for you the stars by night will dance for you
When you go forth from Ithaka lighter than light the dance goes with you
The Heart Doctor
I enjoy my life I enjoy my children now particularly they’re grown up and not squawking I love being with them all perhaps not at the same time
I’m fairly hopeless grandmother I like them when they grow up You don’t leave small children with me! I’d always got, as my oldest son said, ‘staff’ someone who looked after their nonsenses
I don’t like this repetitive ‘Please do this’ ‘Please don’t be rude’ I can’t be dealing with all that! Actually I tell them I like the dog best
In de Gouden Kamer van Sint Ursula
Botten kronkelen naar buiten doordrenkt met goud klein en dun, kip of kind
Gouden chrysalis van pijn een stilte ongebroken door donderslagen
Die laatste nacht van Maria’s maand druppelde de lucht vuur en elfduizend
Sterren brandden in de grillige straten mannen veranderden fosforescerend in kleine klompjes klei
In ons uur van nood, o Prinses heb je je hermelijnen mantel wijd uitgespreid?
Vertaald door Frans Roumen
Grace Andreacchi (New York, 3 december 1954)
De Brits-Poolse schrijver Joseph Conrad werd geboren op 3 december 1857 in Berdichev, Rusland in een gezin met Poolse ouders. Zie ook alle tags voor Joseph Conrad op dit blog.
Uit: Lord Jim
To the white men in the waterside business and to the captains of ships he was just Jim–nothing more. He had, of course, another name, but he was anxious that it should not be pronounced. His incognito, which had as many holes as a sieve, was not meant to hide a personality but a fact. When the fact broke through the incognito he would leave suddenly the seaport where he happened to be at the time and go to another–generally farther east. He kept to seaports because he was a seaman in exile from the sea, and had Ability in the abstract, which is good for no other work but that of a water-clerk. He retreated in good order towards the rising sun, and the fact followed him casually but inevitably. Thus in the course of years he was known successively in Bombay, in Calcutta, in Rangoon, in Penang, in Batavia–and in each of these halting-places was just Jim the water-clerk. Afterwards, when his keen perception of the Intolerable drove him away for good from seaports and white men, even into the virgin forest, the Malays of the jungle village, where he had elected to conceal his deplorable faculty, added a word to the monosyllable of his incognito. They called him Tuan Jim: as one might say–Lord Jim. Originally he came from a parsonage. Many commanders of fine merchant-ships come from these abodes of piety and peace. Jim’s father possessed such certain knowledge of the Unknowable as made for the righteousness of people in cottages without disturbing the ease of mind of those whom an unerring Providence enables to live in mansions. The little church on a hill had the mossy greyness of a rock seen through a ragged screen of leaves. It had stood there for centuries, but the trees around probably remembered the laying of the first stone. Below, the red front of the rectory gleamed with a warm tint in the midst of grass-plots, flower-beds, and fir-trees, with an orchard at the back, a paved stable-yard to the left, and the sloping glass of greenhouses tacked along a wall of bricks. The living had belonged to the family for generations; but Jim was one of five sons, and when after a course of light holiday literature his vocation for the sea had declared itself, he was sent at once to a “training-ship for officers of the mercantile marine.”
De Nederlandse schrijfster Yvonne Keuls is gisteren op 93-jarige leeftijd overleden. Yvonne Keuls werd geboren op 17 december 1931 in Batavia, toen nog een onderdeel van Nederlands-Indië. Zie ook alle tags voor Yvonne Keuls op dit blog.
Uit: Gemmetje Victoria
“Ik lees nooit rapporten,” zei ik, ‘dus ook niet de jouwe. Als het nodig is, leer ik je wel kennen.” Ik zag dat ze onrustig werd. Ze ging staan, zweeg en hield mij in de gaten. Ze begon te wiebelen, van het ene been op het andere, waarschijnlijk zoekend naar het volgende voorwerp dat ze naar mijn hoofd kon smijten. ‘Is er geen asbak hier? We mogen toch wel roken? In alle psychiatrische inrichtingen roken ze als de pieten. Maar daar heb jij natuurlijk nooit gezeten, haha.’ Daarna, met een knikbeweging naar de rapporten: ‘Staat een stempel op. Op al die rapporten dezelfde stempel: onhandelbaar. Bedoelen ze mij mee.’ Ze maakte agressief het stempelgebaar en keek aandachtig hoe ik daarop reageerde. ‘Ik wist niet dat daar een stempel van bestond,’ zei ik rustig. ‘Naïef tiepje, jij, hè. Bij jeugdzorg gaan ze zuinig om met hun tijd. Als je een stempel hebt, hoef je namelijk niks op te schrijven, kan je eerder naar huis.’ Ze lachte spottend. ‘Nou… hoe heet je?’ ‘Gem,’ zei ze. ‘Gemmetje Victoria. Officieel alleen Gemmetje. Victoria werd mijn achternaam omdat ze die niet wisten. Iemand heeft dat bedacht omdat ik altijd weer kwam bovendrijven. Staat tenminste in een van die rapporten, maar niemand weet of het waar is. Eigenlijk best leuk om rapporten over jezelf te lezen. Allemaal gelogen natuurlijk. Hebben ze allemaal geschreven om zichzelf belangrijk te maken. Heb jij zelf geen naam?’ ‘Yvonne,’ zei ik. ‘Ja, dáár moest ik naar vragen. Naar Yvonne. Jij bent die schrijfster, hè, dat vind ik interessant. En jij vindt míj vast ook interessant. Om over te schrijven, zeiden ze. Niet om wie ik echt ben, want dan moet je tijd in me stoppen en daar heeft niemand zin in. Als jij over mij gaat schrijven, word ik dan beroemd? Misschien gaan ze dan wel een film over mij maken. Word ik nog rijk ook. En jij samen met mij. Dat is een goeie combinatie, hoor, jij en ik. De beste kans van slagen.’ ‘In wat?’ vroeg ik. ‘Nou, dat ik er niet meteen weer uit gemieterd word. Het lijkt me hier wel wat, zo’n groot huis in de duinen. Hoeveel kamers hebben ze hier wel niet?’ ‘Een stuk of dertig.’ ‘Godsklere… nou, dan mag ik zeker wel een eigen kamer hebben. En kan mijn kamer op slot? Want ik wil wel een kamer die op slot kan. En mag ik mijn kamer even zien?’ ‘Straks.’ Na een poosje zwijgend om zich heen kijken richtte ze haar blik onderzoekend op mij.”
Yvonne Keuls (17 december 1931 – 16 november 2025)
De Duitse schrijfster Olga Grjasnowa werd geboren op 14 november 1984 in Baku Azerbeidzjan. Zie ook alle tags voor Olga Grjasnowa op dit blog.
Uit:Die juristische Unschärfe einer Ehe
„Leylas Zelle maß drei mal zwei Meter und sah aus wie der Hauptschauplatz eines schlechten Film Noir. Eine harte Pritsche und ein winziges vergittertes Fenster. Die Luft war stickig, und die Tage dehnten sich schamlos aus. Die meiste Zeit über lag Leyla auf dem Bauch, ihre Hände mit Handschellen auf den Rücken gefesselt. Ihr Körper widerte sie an. Sie hatte seit einer Woche nicht mehr geduscht Auf ihrem Kleid waren mehrere Schichten Blut und Schweiß übereinander getrocknet Sie war wegen illegaler Autorennen in der Innenstadt von Baku festgenommen worden. Die offizielle Anklage hätte »Rowdytum« lauten können, doch eine Anklage wurde nicht einmal erhoben. Autorennen gehörten zu den Hobbys der Goldenen Aseri-Jugend, und sie waren die letzte Möglichkeit der Revolte. Reiche Sprösslinge kauften sich von ihrem Taschengeld alte sowjetische Autos, auf die man einst ein Jahrzehnt warten musste. Die Rennen fanden bei Nacht und ausschließlich in belebten Gegenden statt, nicht selten kamen dabei Fußgänger ums Leben, was den Charme des Ganzen natürlich erhöhte. Niemand wusste, wer diese Autorennen erfunden hatte. Die Inhaftierten gaben nichts preis—und die Wärter fragten nicht nach. Bei der Präsidentenfamilie waren die Autorennen verpönt und gehörten zu den wenigen Vergehen, die sich nicht mit Geld regeln ließen. Die jungen Fahrer, es war noch nie jemand festgenommen worden, der älter als sechsundzwanzig gewesen wäre, wurden in der Regel auf der Polizeiwache festgehalten und von mehreren Beamten ab-wechselnd verprügelt. Eine durchaus gängige, ja sogar für diese Breitengrade harmlose Praxis. Und so wurde Leyla dreimal täglich von einem jungen Polizeischüler abgeholt und in Handschellen ins Untersuchungszimmer geführt Es war derselbe Junge, der ihr das Wasser und das Essen brachte — schmächtig, von kleinem Wuchs und mit dem traurigen Blick eines ewigen Verlierers. Das Untersuchungszimmer war geräumig und bis auf einen schmalen Tisch und zwei Stühle leer. Er band Leylas Hand- und Fußgelenke fest. Erst während der Fixierung kam der zweite Polizeischüler hinzu: eine operierte Hasenscharte, zwei Goldzähne und ansonsten symmetrische Züge mit zart geschwungenen Augenbrauen, die nicht zum unteren Teil des Gesichts passen wollten.“
Olga Grjasnowa (Baku, 14 november 1984)
De Nederlandse dichter, schrijver en programmamaker Tom Hofland werd geboren in Apeldoorn op 14 november 1990. Zie ook alle tags voor Tom Hofland op dit blog.
Uit: Vele vreemde vormen
“Tomás leunde met zijn rug tegen de muur van zijn kantoor. Hij keek een tijdje naar de lege stoelen aan zijn bureau, de dode plant op de kast en de kalender aan de muur tegenover hem. Op maandag stond een driehoekig puntje met een verticale streep getekend. Het moest een taartpunt voorstellen: Tomás was deze week 31 geworden. Plotseling schrok hij van de stilte en wendde hij zijn blik naar de klok. Het was halfvijf: tijd om een einde aan deze ellenlange dag te maken. Hij liep naar het raam en keek naar buiten. Het regende. Op de stoep vormden zich diepe bruine plassen. Het neonbord van de diamanthandelaar weerspiegelde in een modderstroompje en Tomás probeerde het opschrift ondersteboven te lezen, maar werd na een halfslachtige poging afgeleid door een man die over de plas heen stapte. Hij liep de steeg in die uitkwam onder Tomás’ raam. De man droeg een driedelig wollen pak en glimmende leren schoenen met gespen. Zijn gezicht bestond uit strakke lijnen, geelroze gekleurd, met grijze stoppels op zijn kaken. Af en toe ving Tomás, onder de mouw van zijn lange jas, de glimp op van een gouden polshorloge. Het was allemaal net iets té, deze man. Sowieso te chic voor deze straat, en hij had iets bevreemdends over zich: alsof hij was weggelopen uit een goedkoop kostuumdrama. Verder liep hij een beetje als een vogel. Als een reiger, om precies te zijn. Met grote, voorzichtige stappen liep hij over de plassen heen. Tomás bestudeerde hem vanachter zijn raam en hoopte – god, wat hoopte hij het – dat de man verdwaald was. Dat hij een verkeerde afslag had genomen, rechtsomkeert zou maken en terug zou lopen naar de grote straat. Maar de man liep door met grote vogelpassen en bleef staan onder Tomás’ raam. Hij keek even om zich heen, zag dat hij alleen in de steeg was, en klopte drie keer met zijn ring op het glas van de deur. Tomás bukte. Hij sloot zijn ogen en zag zijn vader voor zich: een forse man in een gekreukeld wit overhemd, zwetend in een hangmat. Een gouden trouwring knelde om zijn vinger; een boek balanceerde op zijn slapende buik, de bladzijden vettig en gekreukeld. Hij lag te genieten van het langzame tempo van het leven op een eiland. Hoe vreemd was dit noodlot, dat uitgerekend Tomás nog altijd in Antwerpen zat? Hij die nooit weg had gewild uit zijn geboorteland, zelfs niet van vakanties had gedroomd. Hij wilde niet denken aan andere scenario’s: hoe zijn leven zou zijn gelopen als zijn vader hem niet naar deze grauwe plek had meegenomen om hem vervolgens weer achter te laten.”
Oh, het Gasthaus is nog steeds gesloten, de biertaps zijn leeg gedruppeld, het fornuis is koud in de keuken en de Stammtisch is zo stil als de kerk op zaterdagavond
wanneer op de stoep bij het krieken van de dag de gemeenste zwarte kat rondstruint die deze arme ogen ooit hebben gezien.
Heer, wees mij genadig, ik zal nooit meer te veel drinken, ik zal elke zondag naar de kerk gaan en elke Eerste Vrijdag ook,
als u die gemene oude zwarte kat maar laat rondstruinen over de Hauptstrasse direct aan de deur van het Gasthaus voorbij.
De Hongaars-Britse schrijver David Szalay heeft de Booker Prize in de wacht gesleept voor zijn roman “Flesh”. De Hongaars-Britse schrijver David Szalay werd geboren in 1974 in Montreal, Canada, als zoon van een Canadese moeder en een Hongaarse vader. Zie ook alle tags voor David Szalay op dit blog.
Uit: Flesh
“When he’s fifteen, he and his mother move to a new town and he starts at a new school. It’s not an easy age to do that – the social order of the school is already well established and he has some difficulty making friends. After a while he does make one friend, another solitary individual. They sometimes hang out together after school in the new Western-style shopping mall that has just opened in the town.‘Have you ever done it?’ his friend asks him. ‘No,’ István says. ‘Me neither,’ his friend says, making the admission seem easy somehow. He has a simple and natural way of talking about sex. He tells István which girls at school he fantasises about, and what he fantasises about doing to them. He says that he often masturbates four or five times a day, which makes István feel inadequate since he usually only does it once or twice. When he admits that, his friend says, ‘You must have a weak sex drive.’ It may be true, for all he knows. He doesn’t know what it’s like for other people. He only has his own experience. One day his friend tells him that he did it with a girl who lives on the other side of the train tracks. The news is disorienting. István listens while his friend describes, in some detail, what happened. He tries to work out if his friend is telling the truth or if he’s lying. Though he would prefer him to be lying, he thinks that he’s probably telling the truth. Some of the things he says seem too specific, too surprising, for him to have made them up. Then, a few days later, he says he talked to the girl and she said she’d do it with István as well. ‘Seriously?’ István says. ‘Yeah,’ his friend says. István doesn’t know if this means that the three of them will do it together, or just that he’ll do it with the girl on his own. He is too unsure of himself to ask. After school the same day, they walk across the footbridge over the train tracks. It’s already getting dark. They go down the metal steps on the other side of the footbridge and walk for a while until they arrive at a housing estate. It’s not dissimilar to the one where István and his mother live, only here the buildings, although also made of prefabricated concrete panels, are taller. At the entrance of one of them his friend enters the doorbell number of one of the flats.”
Het meisje danst in wit gewaad… en vaag schemert dë avond in haar oogen vonken die hel, gelijk ten hemel sterren, lonken. Wel wetend dat ze mooi is wijl ze traag
heur hoofd omdraait naar iets dat heeft geklonken, iets teeders, heel zacht als een minnevraag richt zij haar armen strak-gestrekt omlaag van lust en kuische zinnelijkheid dronken.
En wijl ze danst versteent ze plots tot marmer, want zij die zich als vrouw zoo heerlijk dacht, voelt zich aan blanke rijke schoonheid armer,
daar ze’ uit het witte schuim der groene baren verrijzen ziet in ’t ijle van den nacht de mooie Aphrodite goud van haren..
Liefdesprookje
Mijn droom heeft zich gezelfmoord in den nacht bij ’t fluistrend bidden van uw mededogen O vrouw! en naar de rijke, lang-verbeiden logen die eens zou spreken uit uw zonnig oogen heel lang gewacht.
Ik heb gestaard verlangens-onbewust in ’t oog waar nooit een ander kon in staren geen nacht kon grijnzen of geen morgen klaren. – En ‘k heb in ’t duister uw goud-blonde haren heel zacht gekust.
Gij hebt mij aangekeken zoo bedrukt met om uw oog die rood-geweende randen als smeekend om geluk in beter landen. – En ‘k heb in ’t duister uw koud-witte handen heel zacht gedrukt.
Gij hebt gesproken van een zaligheid, iets als een vaag en onbestemd verlangen naar satersliedren of naar englenzangen… – En ‘k heb in ’t duister uw koorts-heete wangen heel zacht gevleid.
Venezia
II
Het Water
Wanneer de zon, o witte en roode stad! in ’t fonklend paarlemoer schijnt der kanalen, waar elk paleis door ’t lichte spel der stralen een schaduw van zijn eigen beeld omvat,
dan kan alleen het blauwe water malen wat niet een kon: uw allergrootste schat waar, eeuwen lang, de hoogste om bad in kleur verbeelden of in klank vertalen.
En daar niets roert die schoonheid, gloed noch storm schijnt het den dichter die onmachtig is om ’t beeld te gieten in zoo puur een vorm,
of ’t water zelf de stad in verzen zet daar in dien spiegel kleur een rytmus is en elke klank een rytmenzwaar sonnet.
Jan van Nijlen (10 november 1884 – 14 augustus 1965)
De morgen van de rouw, die in je kleren kruipt als het spit; de dag waarop je jezelf voor eeuwig belachelijk hebt gemaakt; de avond waarop je op de grond ligt en het bloed uitje neus vloeit; het uur waarin je ontdekt dat je je veertien jaar, negen maanden en twee weken lang hebt vergist; de minuut waarop je eigen dochter je aankijkt als een vreemde; het ogenblik waarop je meent de punt van het mes in je rug te voelen; het moment waarop je de afscheidsbrief op de keukentafel vindt; het tiende deel van een seconde waarin de lawine onder je voeten begint te schuiven; en daarvoor en daarna de onvoorstelbaar talrijke ogenblikken van zorgeloosheid.
Vertaald door René Smeets
Hans Magnus Enzensberger (11 november 1929 – 24 november 2022)
De maand is uitgebalanceerd en snel En jong en snaat’rend als een eendenkom; De nachten zijn te kort en noord’lijk hel En kant’len makk’lijk naar de ochtend om.
Dit is het ergst: men kent die nachten wel, Dat men zich wentelt om en om en om In ’t lauwe bed, terwijl een Turksche trom Van verre kermissen de zielsrust kwelt.
Alles in bloei, en alles hangt te bengelen En daagt de zwaartekracht uitbundig uit En vliegt en zweeft en doet wat ’t niet kan laten.
En wie des nachts een draaiorgel hoort jengelen Droomt kort en bondig van de acrobaten Die, vallend, door een koord worden gestuit.
Juli
Verwonderd vragen van de eerste vruchten: Zijn wij voor ’t midden of voor ’t eind bestemd? Reeds schallen onze bongerds van geruchten Die het welvarend appelvolk niet kent.
Het najaar stooft met zijn verbleekte luchten Ons zoo verwoed niet als dit licht ons temt En zoet en vloeibaar maakt; wij willen vluchten, Maar kunnen niet, door ’t rijpen overstemd.
Jong rijp jong rot: wij gaan de avond in, En hangen pronkend achter meisjesooren, Wij willen leven, en wij kunnen niet.
Wij werden niet als toovervrucht geboren, Maar moeten bloeden in ons eerst begin, En moeten sterven bij een kinderlied.
Augustus
De warmste dag, en dit merkwaardig korten Der dagen, waar de dood de hand in heeft, De dood van ’t jaar, die zich nog op wil schorten, Doch reeds in koop’ren donderkoppen beeft.
En als de hondsdag ons het graan niet geeft, Dan komen onverhoeds de ijscohorten Van koning Winter grijnslachend en scheef Zich op het onbeschermde bouwland storten.
Een grijsaard, heet en geil, verwarmt zijn leden Aan de eigen brand, en brandt geweldig op, Met heel zijn toekomst saamgeperst in ’t heden.
Maar als hij met zijn malsche prooi terneerligt, Slaat hem de hitte, en op zijn kale kop Buigen de laatste halmen onder ’t weerlicht.
Simon Vestdijk (17 oktober 1898 – 23 maart 1971) Mieke en Simon Vestdijk met Harry Mulisch en Hugo Claus
De Duitse dichter, schrijver en vertaler Jan Wagner werd geboren op 18 oktober 1971 in Hamburg. Zie ook alle tags voor Jan Wagner op dit blog.
Heers
Niet te onderschatten: heers met verlangen al in de naam – vandaar de bloesems, die zo zwevend wit zijn, kuis als een tirannendroom.
Keert altijd terug als een oude schuld, zendt zijn geheime boodschappen door de duisternis onder het gazon, onder het veld, tot ergens een nieuw wit nest
van verzet opschiet. Achter de garage, bij het knarsende grind, de kers: heers als schuim, als bruis, dat geruisloos
gebeurt, omhoog naar de gevel kruipt, totdat heers bijna overal ontspruit, door de hele tuin heers over heers schuift, verslindt met niets anders dan heers.
Uit: Oorlog en oorlog (Vertaald door Mari Alföldy)
“Niemand had hem gevraagd om te praten, zij wilden dat hij hun zijn geld zou geven, maar hij gaf het hun niet, hij zei dat hij geen geld had, en hij begon te praten, eerst hakkelend, later steeds vloeiender en ten slotte onstuitbaar, maar hij praatte dus, omdat hij zichtbaar geschrokken was van de ogen van die zeven kinderen, of, zoals hij zelf later uitlegde: omdat zijn maag ineengekrompen was van angst, en als de angst zijn maag samendrukte moest hij, zo zei hij, altijd praten, en aangezien die angst nog steeds niet geweken was, omdat hij niet kon weten of zij een wapen bij zich hadden, werd hij steeds verder meegesleurd door de stroom van het praten en in die stroom wilde hij hun nu alles vertellen, eindelijk alles aan iemand vertellen, want sinds hij – en wel op het allerlaatste moment! – was begonnen aan ‘de grote reis; zoals hij het noemde, had hij met niemand een woord gewisseld, geen woord, want hij vond het te gevaarlijk, en er was ook niemand om mee te praten, aangezien hij onderweg weinig kans had om mensen te ontmoeten die ongevaarlijk waren of voor wie hij niet bang hoefde te zijn; voor hem was namelijk niemand ongevaarlijk genoeg, en hij moest voor iedereen bang zijn, want hij zag, zo zei hij aan het begin, in iedereen dezelfde persoon, iemand die rechtstreeks of op de achtergrond in verbinding stond met zijn achtervolgers, iemand die intensief of oppervlakkig, maar onmiskenbaar contact had met diegenen van wie hij meende dat ze van elke stap op de hoogte waren die hij zette, maar hij was sneller, vertelde hij later, hij was hun altijd ’ten minste een halve dag’ voor, maar de prijs die hij betaalde voor de vluchtige overwinningen met betrekking tot de tijdstippen en de plaatsen was dat hij met niemand een woord kon wisselen, echt niet één, pas nu kon dat, uit angst, terwijl hij onder de natuurlijke druk van de angst inging op steeds belangrijker terreinen van zijn leven, waarbij hij vertrouwelijk en steeds vertrouwelijker werd en hun diepe en steeds diepere inzichten verschafte, met het doel om hen daarmee om te kopen en hen voor zich te winnen, om de aanvaller in hen uit zijn aanvallers weg te spoelen en hen alle zeven ervan te overtuigen dat iemand zich hier niet alleen had overgegeven, maar door die overgave zijn aanvallers als het ware tegemoet was getreden.”