“Nijmegen, maandag 6 oktober 1975 Zoals Albert geluidloos, zonder een tree te laten kraken, naar boven klom, veranderde het werkwoord traplopen vanzelf in betrappen. Hij betrapte de treden zoals een rat zijn tredmolen betrapt, maar op driehoog verwachtte hij bovendien, met de sterfte in het hart, een betrapping te kunnen verrichten. Mocht ergens onder zijn voet een plank waarschuwend piepen of kreunen, zodat het gerucht als een alarm de zolderverdieping bereikte, dan zou ‘betrappen’ weer gewoon het beklimmen van een trap worden, niets meer en niets minder. Hij nam de overloop van de tweede etage met onhoorbare stappen, en begon aan de derde en laatste en smalste trap: die naar het kleine appartement van Marike de Swart. De moeilijkste – niet alleen omdat de treden er verraderlijker waren, maar vooral omdat elk gekraak veel directer tot het gehoor van de bewoonster door kon dringen. Haar kamerdeur stond meestal open, vanwege de bereikbaarheid van het keukentje aan de straatkant: zo kon ze de ketel horen fluiten en de deksels horen klepperen. Het trapgat ging rechtstreeks over in het krappe voorportaal van de zolderkamer. Albert bereikte het zonder enig gerucht. De deur naar de woonruimte stond inderdaad op een flinke kier. Hij bleef op de bovenste tree dralen om zijn ademhaling, die geluidloos door zijn open mond ontsnapte, tot rust te laten komen. Inwendig leek het gehijg gewoon door te gaan, en even vreesde Albert dat Marike zijn heftig pompende hart door de deur heen kon horen bonzen. Niet dat traplopen bij hem een slechte conditie onthulde – het was juist de inspanning van het afremmen, in combinatie met de angstige onzekerheid over wat hij boven zou aantreffen. Bedaar nu, trampolinehart. Voorlopig was hij degene die zich betrapt voelde. In de collegezaal al. Hij zag er voor het eerst sinds die rampzalig verlopen lentedag, een klein halfjaar geleden, Hans Krop terug, die hem ook nu nog weigerde te groeten. Was het de verongelukte trojka, of had zijn moeder uit de school geklapt over afgelopen zomer? Alsof De Krop het vertikte om met Albert in dezelfde ruimte te verkeren en met hem dezelfde lucht in te ademen, verliet hij vrij kort na het begin van het eerste uur Wijsgerige Antropologie de overigens goed geventileerde zaal – met geheven hoofd en vooruitgestoken kin, de bovenlip geboetseerd tot een minachtende krul. Zijn vertrek baarde geen opzien. Anders was dat toen Albert zich, halverwege het tweede uur, uit de banken wurmde, en daarbij met een luide klap zijn boek ( Jacques Lacan) op de parketvloer liet vallen. Iedereen, inclusief de docent, keek verstoord of nieuwsgierig op om zijn ontijdige aftocht te volgen. Betrapt.”
A. F. Th. van der Heijden (Geldrop, 15 oktober 1951)
De Duitse dichter en schrijver Günter Grass werd geboren in Danzig (tegenwoordig Gdansk) op 16 oktober 1927. Zie ook alle tags voor Günter Grass op dit blog.
Draai je niet om
Ga niet naar het bos, in het bos is het bos. Wie naar het bos gaat en bomen zoekt, die wordt in het bos niet meer gezocht.
Wees niet bevreesd, de vrees ruikt naar vrees. Wie naar vrees ruikt, die ruiken helden, die als helden ruiken.
Drink niet uit het meer, het meer smaakt naar meer. Wie uit het meer drinkt heeft voortaan nog slechts zin in zee.
Bouw voor jezelf geen huis, want anders ben je thuis. Wie thuis is, die wacht op laat bezoek en doet de deur open.
Schrijf geen brief, de brief gaat naar het archief. Wie de brief schrijft onderschrijft wat van hem ooit nog overblijft.
Op een zonnige dag in september met een stelletje andere fietsers wachtend op de pont van Maassluis hoorde ik een vrouw met een vachtje van bonterig spul op haar zadel geflankeerd door een brandweersnor op een toon van let even goed op aan een stel dat het ook eens een keer op de tandem wilde proberen, vertellen dat zij wel de baas was in huis, maar dat hij, die daar naast haar, mooi altijd het laatste woord had.
Op Rozenburg, op de veerdam, ging de gewaarschuwde tandem – zij voorop; vier stampende benen – vol op het orgel. Binnen geen tijd kwamen ze los van de grond, stegen op, en waren uit zicht verdwenen.
Bij Warder
Bij gunstige stroming en voldoende zout ontstonden er schelpenbanken.
En nog steeds, op de strandjes bij Warder, tussen Hoorn en Edam, vind je schelpen, kokkels, strandgapers vooral, uit de tijd van de Zuiderzee die pas zijn losgewoeld, opgestuwd, aangespoeld.
Er staat me nog heel wat te wachten.
Den Haag Centraal
Wat laat u mij nu toch weer lijden, Heer! Weet u niet, hoe ik aan het tobben ben en tastend rondga? Waarom moet mijn blik zich dan nog hechten aan een apparaat met knoppen en met gleufjes en de tekst ‘Zoek uw bestemming en druk dan de knop in?’
Of de eerlijke Huronen de stijgende luchtdruk konden compenseren – ik heb hen nooit ontmoet. Ik denk aan gaven die veel verder gaan dan eerlijkheid. Terwijl die toch zou kunnen voldoen als troost, als ontroost, als weerobservatie, een souvenir van een reis en verlichting van het jichtige sterven.
„Der Waldplatz ist nicht einmal Teil der Tour, dieser hinterste und schlechteste aller Fußballplätze, der keine Ban-den und keine Netze hat, in dessen Mitte ein einzelner Baum steht, der gleichzeitig aber auch der beste Platz ist, weil man sich nirgendwo sonst auf dem Schulgelände weiter von allem anderen entfernen kann und weil direkt dahinter, beim Theater Akzent, in Sichtweite der Nuntiatur, der päpstlichen Botschaft, die beste Stelle liegt, um über die Mauer zu klettern. Wenn die Kinder wieder nach Hause kommen und ihre Eindrücke mit den Eltern besprechen, das Marianum mit anderen Schulen vergleichen, Pro-und-Kontra-Listen anfertigen, um eine wohlüberlegte Entscheidung zu treffen, erwähnt kein Einziger von ihnen die Mauer. Auch Till nicht, ein kleiner rothaariger Junge, dem sie sehr wohl aufgefallen ist, der sie angeschaut, sie wahrgenommen hat, im Gegensatz zu vielen anderen Kindern, für die sie nicht mehr war als eine altmodische Theaterkulisse, ein in grauen Pastelltönen zum Horizont führender Übergang. Es wäre aber falsch, Tills abweichenden Eindruck mit einer besonderen Auffassungs- oder Beobachtungsgabe zu begründen, ihm die Hellsichtigkeit zu attestieren, jetzt schon zu erkennen, was den anderen erst mit 14 oder 15 wirklich ins Auge stechen wird, nämlich dass sie, anders als andere Jugendliche aus anderen Schulen, hier eingesperrt sind und dass die Mauer dabei eine sehr pragmatische Rolle spielt. Es liegt auch nicht daran, dass Till sich schon bei der Aufzählung der Fußballplätze, erst recht aber bei ihrer Besichtigung langweilt, keinen Elfmeter schießen will, noch weniger, als er dazu gedrängt wird, Probier es doch einmal! Trau dich!, so wie immer alle zum Fußball gedrängt werden, als gäbe es nichts anderes auf der Welt, bis er sich schließlich doch fügt, weil das Warten der anderen hinter ihm einen Druck erzeugt, den er von Sprungtürmen und Wasserrutschen im Schwimmbad kennt, wo umzudrehen und gedemütigt abzusteigen irgendwann gleich unmöglich ist, wie zu springen. Seine Beine werden beim Anlaufnehmen so lang, dass er Höhenangst bekommt, während das Tor immer weiter schrumpft und die Arme des Tormanns in die Breite wachsen, und er stolpert schließlich über seine eigenen Füße, ohne den Ball zu berühren. Till steht auf und denkt keine Sekunde darüber nach, ob das gerade peinlich war. Es ist Samstag, und als seine Mutter ihn mit einem «So, jetzt müssen wir aber wirklich los!” aus seinem Zimmer geholt und die paar Hundert Meter zu der Schule gebracht hatte, lagen schon drei Stunden Assassin’s Creed hinter ihm, weshalb er sich noch immer in diesem angenehmen, von der realen Welt losgelosten Zustand befindet, den das Eintauchen in andere Welten erzeugt.“
Verrotte paperassen (- intussen zijn de woordsplitsing en de spelling veranderd -) wij verzamelen alles –
telefoonnummers dwaze afspraken, vliegenpoten.
Hier wachten we op de monnik van Heisterbach, op zijn ronde gezicht, dat wij ooit hadden. ‘Ach, de balans!’ Hij komt buiten adem. Zijn wij het? Wij herkennen hem niet meer.
Vertaald door Jan Gielkens
Günter Eich (1 februari 1907 – 20 december 1972)
Onafhankelijk van geboortedata
De Oostenrijkse schrijfster Margit Mössmer werd geboren in 1982 in Hollabrunn. Mössmer studeerde theater-, film- en mediastudies, evenals Spaanse studies in Wenen. Ze was redacteur en afdelingshoofd bij het onafhankelijke tijdschrift FM5. Vanaf 2007 werkte ze bij quartier21 in het MuseumsQuartier Wenen, waar ze verantwoordelijk was voor communicatie en verspreiding .Ze is getrouwd met de schrijver Tonio Schachinger. Na talrijke literaire en journalistieke publicaties in diverse tijdschriften zoals EIKON, corpus, VICE, schau Kunstmagazin en betonblumen, verscheen in het voorjaar van 2015 Margit Mössmers debuutroman, *Die Sprachlosigkeit der Fische* (De sprakeloosheid van de vis). Fragmenten uit de roman hadden in 2010 al een prijs gewonnen bij de WÖRTER.See literaire wedstrijd van de Oostenrijkse radiozender Ö1 en werden uitgezonden op Ö1. De losjes met elkaar verbonden episodes draaien om de protagonist Gerda, die zich door tijd en ruimte beweegt. Zo werkt ze in de ene episode als au pair in Londen, terwijl ze in een andere episode haar pensioen doorbrengt in Ecuador. Ze wordt ook afgebeeld als burgemeester van een Siciliaanse stad en als de geliefde van een stierenvechter in Madrid. Irmi Wutscher omschreef de roman in een segment op de Oostenrijkse radiozender FM4 als “magisch realisme gemaakt in Oostenrijk”. In de zomer van 2015 verscheen de tweede editie van de roman, die een extra verhaal bevatte. Het boek is nu verkrijgbaar in een derde, uitgebreide editie. Margit Mössmer werd, samen met vier andere Duitstalige auteurs, genomineerd voor de Franz Tumler Literatuurprijs, die in september werd uitgereikt. In 2020 was Margit Mössmer fellow aan het Bundesländeratelier voor Schrijvers in Paliano bij Rome en fellow aan het Praagse Literatuurhuis.
Uit: Das Geheimnis meines Erfolgs
“Dag dag dag, tschewi tschewi dag! Mit dein Ruf der Am-sel musste ich einsehen, dass ich kein Bandit war. Ich er-hob mich von meinem Sessel, riss Henry Fonda von der Wand, schlüpfte aus der Hose, nahm endlich den Hut ab, zog die falschen Stiefel aus und kickte sie mit dem Fuß unter den Schreibtisch, wo der falsche Revolver lag. Ich spürte die Butterkeksbrösel unter meinen nackten Sohlen. Sie erinnerten mich daran, wie lange die Nacht gedauert, wie sehr sie aus Stunden, Minuten und Sekunden bestanden hatte. Butterkeksbrösel, wenn man nahe genug he-rangeht, sehen aus wie Himmelskörper. Sie können von Raum und Zeit berichten. Sie sind Zeugen von Vergangenheit und Gegenwart. Leben und Tod. Ich ging quer durchs Zimmer über die roten Spuren auf dem Boden. Sie sahen aus wie kleine Flugzeuge. Vor dem Fenster blieb ich stehen, zog das Hemd aus, machte einen großen Schritt auf den Stapel IKEA-Kataloge, lehnte mich mit dem Oberkörper hinaus und blickte zur Amsel in die Wiese hinunter, senkrecht. Es ist nicht weiter bemerkenswert, dass mein Fenster offen stand, auch wenn draußen der Schnee lag. Mir war heiß, heiß wie an jedem Tag. Die Amsel wendete ihren Kopf und sah zu mir nach oben. Sie beobachtete mich dabei, wie ich mich auf das Fensterbrett setzte, wie ein nackter Reiter auf sein Pferd. Wie ich schließlich auch mein linkes Bein über den Rücken des Pferdes schwang, sodass beide Beine in der Luft hingen. Die Amsel war eine gewöhnliche Amsel und hatte daher auf die angenehmste Weise nichts dazu zu sagen. Sie wippte dreimal mit ihrem Schwanz auf und ab und flog in den blätterlosen Holunderbusch. Ich blickte an meinen Zehen vorbei in die Tiefe. Der Schnee dort unten war Februarschnee, wässrig und von der frühen Morgensonne beschienen. Ich rutschte mit meinem Hintern einen Zentimeter nach vorn. Meine Fingerkuppen waren noch dagegen und hefteten sich ans Mauerwerk. Unten in der Küche war Nina schon mit dem Herrichten des Frühstücks beschäftigt. »Nina!«, rief ich. »Nina!« »Was?« »Kannst du mir helfen?« »Ich habe zu tun!« »Nina!« Sie ging endlich die Treppe hinauf. Unsere Treppe bestand aus zwölf knarzenden Holzstufen, also konnte ich ihren Weg nach oben mitzählen. Eins, zwei, drei, vier, bei fünf zitterten meine Arme vor Anstrengung, mein halber Kör-per hing schon in der Luft.”