De Jamaicaanse dichter en schrijver Colin Channer werd geboren op 13 oktober 1963 in Kingston. Zie ook alle tags voor Colin Channer op dit blog.
Mons of Luke al Dente
Basil from a pot on the veranda,
over-priced pinoli and pimientos
pressured into dust,
brassy olio from TJ’s rumored virgin,
Greek alleged,
Israeli sea salt from Whole Foods
and Parmigiano-Reggiano
from that shoppe in Wayland Square
where la señora with the Spanish speaking helper
and the bum preserved by lunges
reaches from her core
for briny lemons brie and sausage
taut ficelle flown in from Orly and loose tea.
To pestle proper is a patience.
Squelching herbs and oil without no spillage
stone to stone is zazen for the savage,
koan in practice, jag belief.
If you did deh-deh babylove I woulda feed you,
fess up to the slip up with the garlic
as we lapse in chairs out-folded on the pout
projecting from this brick face building
where in daytime June-tucked herbs
in earthen gardens get full dandy for the sun.
If you did deh-deh babylove yours would be
bow ties pesto-dyed. Bow ties and Torrontes,
Mendocino short of gelid, pampas golden sipped in spate.
That slab table from the TIFF you joked off
as “enbuttered with thick books” I am there now,
taking succor in a mons of luke al dente
as I doodle and address pink Post-its like postcards.
I mammer to your belly’ s ear hole
as you do your what-you-do there
in your way-off near-far town.
Did you think a year would pass
before I got the what of what you wrote of
of the lemons? How when fixed in salt
they tang the tongue?
Tonight I cleared a spot, annulled my mustache.
Have a bowtie.
Let this salt and sour wince you.
Spring a nib of pee.

De Indiase dichter, schrijver, librettist en muzikant Jeet Thayil werd geboren op 13 oktober 1959 in Kerala. Zie ook alle tags voor Jeet Thavil op dit blog.
DE SCHUILPLAATSEN
Als sterrenlicht, als as of regen,
als een vlek op de maan,
als een boom, laten we zeggen een magnolia,
als een blad of een man die een blad imiteert
in stukken gescheurd
en prooi van de wind,
als de stank van een klein dood dier.
als een trilling in het trappenhuis,
een melodie of muis,
een traan, een ruk,
als angst gezien vanuit een vliegtuigraam,
als een telepathische rode kater
die in een streepje maanlicht verschijnt
het afgesloten huis binnenkomt
en zijn stinkende spoor achterlaat in elke afgesloten kamer,
als een boot op de Muvattupuzha die haast
zijn last van twee kinderen en een vrouw
laat vallen in de moessonstroom,
en als de rivier hen had meegesleurd,
hoeveel pijn zou dat hebben veroorzaakt
en hoeveel hebben bespaard?
als mijn moeder die het monsterlijke hoofd tussen haar benen uit probeert te persen,
als de stalker om vier uur ’s morgens
de krakende schommel in het park bij mijn huis
het naar beneden gekeerde gezicht wit in het licht van het mobieltje,
als de god die over de zolder van mijn geest paradeert
of de geest die kronkelt in de kelder
of de slaaf die het midden bewoont,
als een ontroostbare sopraan haast aan het eind van het Ave Maria,
als een kersrode Stratocaster Elite
gevonden bij een lommerd in Vancouver
en afgepingeld tot achthonderd dollar,
als slechte heroïne in een steeg in Delhi
een verkruimelde roze pil, verkocht in een gedraaid stukje papier
hongerig maar vreugdeloos opgesnoven,
als een vrouw (weer en weer)
met krullend haar, met mond en ogen als de jouwe,
als een gestalte aan de kant van de snelweg
die me aanspoort om de auto in de prak te jagen
met een stem zo kalm en wijs
dat ik al mijn zelfbeheersing nodig had om niet toe te geven,
als goede heroïne in Zürich,
als een opgezwollen wit gezicht op het plafond van een geleende kamer
dat de hele nacht tegen me praat
met woorden die ik niet begrijp omdat ik er te high voor ben,
als een viool die kruipt door de
bomen voor de Humboldt Universiteit
en ik beschouwde muziek als de honger
die eet wie hij opstookt
als de voorzichtige hagedis die mijn brein bewaakt,
als de verblinde vogel die steelt – juwelen, rotzooi,
wat er maar te vinden is – om te bouwen
en wat bouwde ik meer dan een huis van stof?
als een ritueel van pasgetrouwde insecten
als een insect, gehoornd huiverend stuiptrekkend
piepkleine tyrannosaurusweeën,
als het wit van mijn baard, witheid die sneeuw of bedwelming te boven gaat,
als het verlaten kind dat je was
dat dag zei tegen wind en water
het tegengestelde van lucht binnenging
nee zei tegen aardebloed
stop zei tegen lichaamsbloed
arriveerde als witte schaduw
zonder kenmerk of verlangen
als een druppel offerolie
je atomen liet samenkomen
vallend druipend onder
in je haast om het koninkrijk
van eeuwig leven in te gaan,
als ziekte, als leveraandoening
en de rivier van rode wijn die haar geneest,
als de blauwe druif die de wijn maakte,
als een zwarte brandplek op je been die ’s nachts ontstaat en jarenlang blijft zitten,
als een onverklaarbare bult op je schouder,
als het geluid van iemand die vlakbij zachtjes huilt in de nacht,
als een dood meisje met bloedrode lippen
bloedrode ogen en wangen
een bloedrood gewrongen hals,
als een crematoriumstank van
kamfer en vlees,
als wat je ook wilt,
maar kom terug.
Vertaald door Jabik Veenbaas

Zie voor nog meer schrijvers van de 13e oktober ook mijn blog van 13 oktober 2018 deel 1 en eveneens deel 2.