Martin Bril, Alphonse de Lamartine

De Nederlandse dichter, columnist en schrijver Martin Bril werd geboren in Utrecht op 21 oktober 1959. Zie ook alle tags voor Martin Bril op dit blog.

 

Net

Het zijn weer van die dagen die
Te snel voorbij zijn, altijd moeilijk

Dan is het donker en in alle
Huizen gaan de lichten aan

Om een of andere reden
Loop ik dan altijd net op straat

 

Licht

Je kunt je duizend keer
Hetzelfde verkeerd
Herinneren.
Zo weet ik beslist
Dat de zon scheen toen
Ik voor het eerst
Een vrouw zoende
Tussen haar benen

Toch was het nacht
Of avond op z’n minst
Dat kan niet anders

Ik moet al die jaren
Het licht naast
Het bed voor de zon
Hebben aangezien

Ook is denkbaar dat ik
Die keer verwar
Met een andere
Keer, bij daglicht en later

 

Bij de dood

Meer nog dan een feit
Is de dood een zaak
Van horen zeggen,
Van praatjes en
Beschaamde gretigheid

“Heb je het al gehoord, die en die..”
“Uitzaaiingen overal, reddeloos.”

Dat werk

En in eerste instantie, zeg een half jaar geleden,
heeft die en die dan nog een
Jaar of twee, hooguit drie te leven – 
Best lang, in feite, maar kort
Als je nog jong bent

De tweede instantie dient 
Zich een maand of drie later aan:
Die en die gaat ineens
Heel hard achteruit

“Een half jaar nog op z’n hoogst.”

Het aftellen begint en een enkele grap valt:
Zul je net zien dat die en die iedereen overleeft

Maar nee, natuurlijk niet.

En dan is er de laatste fase: met die en die kan
Het nu iedere dag voorbij zijn

Een zekere stilte komt
Over het leven, tot
Genoemde dag een feit is

En enkel nog even
De eeuwige snik van
Een trombone klinkt

 

Martin Bril (21 oktober 1959 – 22 april 2009)

 

De Franse dichter en schrijver Alphonse de Lamartine werd geboren op 21 oktober 1790 in Mâcon. Zie ook alle tags voor Alphonse de Lamartine op dit blog.

 

De herfst

Ik groet de bomen die hun groen niet konden houden,
wat blaren op het gras vergelend en verdroogd.
De laatste mooie dag! gegroet natuur; uw rouwen
past goed bij mijn verdriet en het behaagt mijn oog.

‘k Laat dromerig mijn stap het pad het bos in dwalen
ik wens voor ’t laatst nog eens in ’t oude woud te zijn,
waarin de bleke zon met zijn verzwakte stralen
maar nauwelijks het stuk vlak voor mijn voet beschijnt.

Ja, op zo’n herfstdag schijnt de wereld te verstillen,
er liggen sluiers om de aanblik der natuur;
het is het afscheid van een vriend, het laatste stille
glimlachen van zijn mond voor ’t nakend stervensuur.

Aldus verlaat ik nu het uitzicht van mijn leven,
en ween om zoveel hoop die met de tijd vervlood;
ik wend mij nog eens om en met jaloerse wrevel
beschouw ik al dat moois waarvan ik niets genoot.

O aarde, o natuur zo schoon en zo verlokkend,
ik schenk u, haast in ’t graf, een traan als eerbetoon.
Hoe zuiver is de lucht, van najaarsgeur doortrokken;
in ’t oog eens stervenden is ’t daglicht wonderschoon.

Nu zal ik ’s levens kelk met al zijn droesem legen,
een beker die mij gal en ook wel nektar schonk,
ik hoop dat toch nog op de bodem is gelegen
een druppel honing in de allerlaatste dronk:

misschien dat desondanks het leven me wou schenken
de komst van een geluk waarop ik niet meer hoop;
een onbekende zou misschien eens aan me denken,
die antwoord geven kan, één uit de grote hoop?

De bloem valt uit: zijn geur blijft in het briesje dralen,
dat is zijn afscheid van het leven en de lucht.
Ik sterf, mijn ziel vliegt met mijn laatste ademhaling,
vervluchtigd als een diep melodieuze zucht.

 

Vertaald door J. P. Guépin

 

Alphonse de Lamartine (21 oktober 1790 – 28 februari 1869)
Portret door Henry Wyndham Phillips, 1848

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 21e oktober ook mijn blog van 21 oktober 2025 en ook mijn blog van 21 oktober 2020 en eveneens mijn blog van 21 maart 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *