Poems about night and related poems. Paintings about night, sleep, death, and the stars. I know one poem from school under the stars, but belong to no school of poetry. I forgot it by heart. I remember only it was set in the world and its theme parted.
Poems about stars and how they are erased by street lights, streets in a poem about force in the schools within it. We learned all about night in college, how it applies, night college under the stars where we made love a subject. I completed my study of form
and forgot it. Tonight, poems about summer
and the stars are sorted by era over me. Also poems about grief and dance. I thought I’d come to you with these themes like my senses. Do you remember me from the world? I was sat there and we spoke
on the green, likening something to prison, something to film. Poems about dreams like moths about streetlights until the clichés glow, soft glow of the screen comes off on our hands, blue prints on the windows. How pretentious to be alive now,
let alone again like poetry and poems indexed by cadence is falling about us while parting. It was important to part yesterday
in a serial work about lights so that distance could enter the voice and address you tonight. Poems about you, prose poems.
De hemel viel uit je ogen En verkruimelde. De zon viel van je gezicht En bevroor. Bevroren kwam de koele wind Zonder jouw vlijtige handen. Op zoek naar jou, verborgen de bronnen zich in de velden. Als een omgevallen boom, Is de taal zelf Hoorbaar alsof ze valt. God, zo eenzaam Zo eenzaam Ben ik nog nooit geweest!
Uit: Ik stuur deze brief maar op goed geluk weg. Brieven 1939-1950, s
“Brief aan Haasses ouders en broer in Batavia, 11 september 1939
Lieve Allemaal, Moesten jullie veel porto betalen voor mijn vorige brief? Ik wist niet precies hoeveel er op moest voor de zeepost, ik dacht 6 cent, dat had Oma gezegd, en ik had geen tijd meer om ’t op ’t postkantoor te gaan vragen, omdat de brief nog diezelfde avond met de Oranje weg moest. Maar de volgende dag las ik in de krant dat de vliegdienst weer ingesteld was en dat de Nandoe dien morgen was vertrokken. Ik hoorde ook dat mijn brief te laat was geweest voor de Oranje, zodat ik denk dat hij nu met het vliegtuig is meegegaan. Hoe gaat het met jullie? Hier is alles weer gewoon, je let niet eens meer op mobilisatie of zandzakken en ander oorlogstuig. Ze zeggen dat de oorlog wel een jaar of drie zal duren. Ik hoop het niet! – Anneke en ik hebben van kamer geruild. Ik heb nu de grote voorkamer met 3 ramen op de gracht. Mijn meubels staan er prachtig in, het ziet er zo artistiek en gezellig uit. Douwe heeft een vriend die binnenshuis foto-opnamen kan maken, misschien kan die mijn kamer ook eens nemen. Er is weer van allerlei gebeurd. Douwe en ik hebben het zotste avontuur van ons leven meegemaakt. Enfin, nu moeten wij er voor boeten. Het is een tragikomische geschiedenis, getiteld: ‘Wij gaan op een middag om 6 uur de stad in om goedkoop te eten’. Luistert! Zondagmiddag’s eten D. en ik gewoonlijk in de ‘Petite Marmite’ dat is een kantoormensen eetgelegenheid waar je voor 80 cent soep, voorgerecht, groenten, aard. en vlees, toetje en koffie krijgt, meer dan genoeg en uitstekend klaargemaakt. D. heeft daar een abonnement. Gisteren zouden wij ’t ook weer doen. Wij waren wat laat, zodat er geen plaats meer te krijgen was (er kunnen n.l. maar ± 25 mensen in). Wij hadden echter veel te veel honger om te wachten en besloten ons heil elders te zoeken. Nu waren wij eens op een avond in een café in de Leidse straat geweest dat ‘Fleur’ heet. Het was een goedkope gelegenheid, zoiets als Heck, en een bedevaartsoord voor soldaten + meisje, en Zaterdagavond-dagjesmensen. Op de tafeltjes lagen kaarten die ’t bestaan vermeldden van een, blijkbaar bij ‘Fleur’ horend, eet-restaurant in de straat daarachter. Dit nu herinnerden wij ons gisteren ter onzaliger ure.”
Hella Haasse (2 februari 1918 – 29 september 2011)
Van mij naar jou is er een seconde, een lach, er is een volle waslijn die uitkijkt over de zee. Na het gekkigheid bij It-Toqba z-Zghira* probeerde ik je te bereiken. En misschien omdat er geen licht is in dit huis, in de nog steeds echoënde gang, in de kamers boven en beneden, op de bodem van deze put die jouw onvruchtbare woorden kreunt en mompelt , vond ik niemand. Alleen in jouw keuken, knallen mijn uitgehongerde ingewanden over de jongen die geboren wilde worden en zichzelf hangend aantrof aan de uitgedroogde borst die ontsproot in de woestijn; bijna als een stad waaruit iedereen is weggevlucht.
En het is nutteloos om je te verschuilen achter oude muren, en blootsvoets te lopen over de wegen van je moeder, en trots de ruïnes van je schoonheid te bewonen; want je bent nooit moeder geweest, en je zult het ook nooit worden.
Uit de deur van je buurman kwam een meisje tevoorschijn, haar ogen, twee kanonskogels gekruist op de cornetto bij de kleine opening van haar mond. Ze staart je aan, ze probeert je niet te bereiken. Als een mijn op de zeebodem van de haven die nooit ontploft bekijkt ze je, de afbladderende verf, en lacht een moment, naar jou, en liegt dat je mooi bent.
Uit: Beneden in het dal (Vertaald door Yond Boeke en Patty Krone)
“Dat had het teefje nog nooit een hond zien doen. Ze voelde een nieuw soort opwinding toen ze zag dat de grijze zijn kaken op elkaar geklemd hield en de keel van de spartelende herder niet losliet. Net zolang totdat ook zijn maten, die rusteloos om hen heen draaiden, zagen dat het lichaam van hun leider verslapte, dat er bloed uit zijn nek gutste en dat de grond ervan doordrenkt raakte. Nu leek ook hij op een oude autoband, en even later waren de twee in de velden verdwenen. Op de provinciale weg reed een tankwagen voorbij; op het dak lag een vingerdikke laag rijp die door een windvlaag werd weggeblazen. November. Het teefje sprong van de autostoel af en kwispelde naar de reu, die op haar toeliep. Zijn razernij van even tevoren was al geluwd, hij besnuffelde haar goedmoedig, liet zich besnuffelen. De geur die ze rook was die van bos, aarde, bladeren, van het bloed van de hond die hij zojuist had gedood. Ze kreeg zin om hem te likken, en likte hem. Daarna nam hij haar en zo kwam er voorgoed een einde aan haar jeugd. Ze volgden de rivier die dag stroomopwaarts, uitgelaten hollend omdat ze elkaar hadden ontmoet, over de grindbanken, de eilandjes en de verlaten stukken grond in de benedenloop van het dal. Op de bergkammen in de verte was maagdelijke sneeuw te zien, maar langs de rivier stonden cement- en meubelfabrieken, groothandels in landbouwmaterialen en bouwmarkten. Ze zagen ratten in de afvoerkanalen en kraaien op de stortplaatsen, roken de geur van over de velden uitgestrooide mest, en toen ze op mensen stuitten, in een bestelbusje op de oever, begreep zij, die niet bang was voor mensen, dat hij die juist uit de weg ging, want ze waadden de rivier door om hun weg aan de andere kant te vervolgen. Ze liepen langs een omheining en niet veel later eindigde hun tocht bij een engte waar de rivier was versperd en waar pijpleidingen begonnen. Ze konden het wegverkeer daarvandaan horen, ergens aan de andere kant van de hoge oever. Het begon te schemeren, maar hij wilde pas tevoorschijn komen als het helemaal donker was. Terwijl ze wachtten kreeg ze honger, ze had al urenlang niets gegeten en maakte het hem duidelijk zoals puppy’s dat doen, door hem te likken en zachtjes in zijn snuit te bijten, alsof hij haar vader was en haar van eten moest voorzien. Hij kon die kwelling ergens wel waarderen.’
Op mijn bureau liggen de rekeningen van de levenden en in mijn slaap liggen de rekeningen van de doden.
“Leegte is de moeder der uitvindingen,” zegt mijn gelukskoekje. 23 juli 2010. Brooklyn. Ik loop in de zachte regen, nog nooit zo voldaan, nog nooit zo gelukkig.
Waarom zou ik twijfelen aan de zin van de wereld als ik zelfs in mezelf mysterieuze doelen zie?
Een kraai daalt even neer, zwart, in rabbijnse kleding, en krast Kaddisj.
Mijn grootmoeder heeft veertien wekkers Dat zijn er elf te veel, beweert haar strenge zoon Zonder kersenbonbons is hij binnengevallen Met een zak vol maskers en wijwatervaten verlaat hij zijn moeder Morgen zal hij de wijwatervaten verkopen aan een poëtische neushoornjager.
De neushoornjager is niet echt poëtisch Hij schrijft gedichten, dat wel Zijn het goede gedichten? Ik weet het niet, ik durf mij niet uit te spreken Over de kwaliteit van zijn groteske sonnetten.
Want toen ik ze las was ik gedrogeerd Het spijt me, en ik doe dat nu niet meer Maar mijn oom, mijn oom nee hij is niet braaf Hij is vadsig, hebberig en rancuneus Mijn grootmoeder vraagt me of ik hem wil vergiftigen.
In haar tuin staan kruiden Die zonder sporen dodelijk zijn Toch zal ik mijn oom laten leven Ik ben nog veel te jong om een familielid te liquideren En als ik het een keer doe vrees ik dat ik de smaak te pakken krijg.
Ik verlaat mijn grootmoeder met een borstzak vol teennagels
De zijne, de mijne, de hare In de duinen spot ik de neushoornjager zonder kleren Zijn penis is ondanks de rusttoestand groter dan een volwassen mol Ziet hij mij naderen dan wordt de mol een alerte meerkat.
De neushoornjager vraagt hoe het met mijn rolschaatscarrière gaat Ik antwoord: ‘Heel goed. In Bulgarije telt mijn fanclub meer dan honderd leden.’ Na deze onschuldige leugen valt zijn meerkat evenwel in duigen.
Ik imiteer mijn varaan, ik echo zijn naam
Vorige maand heb ik een varaan gekregen van een achterlijke bakker Die twee dagen na de overhandiging van de magische hagedis is gestikt In een hoefijzervormige magneet waaraan een lege goederenwagon kleefde Het terrarium heb ik zelf moeten kopen De terrariumverkoper zei: ‘Succes met je varaan. Heeft hij al een naam?’
Ik heb de winkel verlaten zonder te antwoorden Omdat ik mij schaamde Eerst een terrarium kopen, en dan pas nadenken over een naam Dat is de verkeerde volgorde, weet zelfs de meest hardvochtige kleuter In de laatste telefooncel van mijn geboortestad vond ik de naam.
De naam van de varaan lag op de grond Tussen een jonge snijtand en een drievork Die een gemberwortel bleek te zijn Ik probeerde mijn muze te bellen Maar hij stond op een telefoonloze dijk zichzelf op te hemelen.
Terug naar vandaag dan maar De varaan met de telefooncelnaam is trots en vadsig Sinds hij mijn woning heeft ingepalmd met zijn fiere landerigheid Blijf ik vaker thuis om van hem te leren Ik imiteer zijn ontzagwekkende apathie, ik faal niet.
We worden stommer en breder Soms likt mijn varaan een ruit, tik ik terug dan glimlacht hij ondubbelzinnig In spiegelschrift schrijf ik onze namen naast elkaar Met een groot hart ertussen uiteraard Want zijn koudbloedigheid is altijd een fabel geweest.
Delphine Lecompte (Gent, 22 januari 1978)
De Duitse dichter en schrijver Rainer Stolz werd geboren in Hamburg op 22 januari 1966. Hij woont nu in Berlijn. Zie ook alle tags voor Rainer Stolz op dit blog.
Huis in We.
Er zijn nog vragen: aan de bewakers van de grijstinten, die ’s avonds zachtjes tegen de ramen kloppen, nog vragen aan alle soorten weer waarvan de types een beetje scheef zijn, zoals het huis waar ze om vechten, vragen ook aan de dakgoot, die soms gelaten overbodig is, waardoor ik me zou kunnen afvragen waarmee de zon hierboven toch zijn geel verdient, waar zelfs de schapen spijbelen voordat ze in het zand bijten, verder zouden er vragen zijn aan de schare der geesten met hun klopsignalen: of ze zich vrijwillig zo laten meeslepen, als was het geen kunst, die onvergelijkbaar nutteloos is, zoals de holtes hier die alle vragen verplaatsen, als voedsel voor de spinnen misschien, die me vertellen: goed hout! is hier te krijgen – en dat ruikt heerlijk wanneer ik weer eens mijn hoofd gestoten heb.
Uit: Mahmoed of het wassende water (Vertaald door Katelijne De Vuyst)
“We zijn alleen. Alleen zoals in de cel waar ze mijn nagels doorboorden en op me kwamen pissen. Mijn nagels doorboren, op me pissen. Drie jaar. Ik heb het nooit zo gezegd, vergeef me. Vanaf de zomer van 87, dag van onze terugkeer uit Parijs, tot de herfst van 90. We hadden onze twee zonen al en onze lieve Nazifé. Ze dwongen me regimegezinde dingen te schrijven, elke dag weer. Domme regimegezinde dingen. ‘Ik hou van onze president. In mijn ogen is hij de beste van allemaal. Ik heb nooit een president gezien die zo wijs is als president al-Assad. Ik heb van mijn leven nooit een leider gezien als hij. Ik heb nooit iemand gezien als hij. Hij is de vader van het volk. Hij helpt de armen. Hij is tegen onrecht, tegen corruptie, een ware Arabier. Telkens als we door een probleem worden bedreigd, kan alleen hij de natie op zijn schouders dragen enz.’ Ik ga weer onder water. Zien wat mijn geheugen niet heeft onthouden. De bomen. Op de bodem van het meer staan nog altijd bomen.* Maar je kunt ze onmogelijk herkennen. Sommige dragen nog altijd hun knoppen, arme paarse klokjes als kindertenen. Als ik mijn lamp richt en mijn hand naar ze uitsteek, ik wou dat je het zag, bewegen ze zachtjes, onmerkbaar. Als kleine knuistjes die vaarwel zwaaien. Dan moet ik aan onze kinderen denken. Blijf nog even, Almasji. Ga niet weg. Beneden, lager, op een diepte die ik niet kan bereiken, meen ik de ingebeukte deur te zien, de regenton, de blauwe gordijnen van het huis en, daarachter, achter de gordijnen en de gebroken ruiten, mama die naar me glimlacht en me wenkt om bij haar te komen, papa naast haar. Ik zwem snel nu.”
dezer dagen schiet het weer in je botten het nestelt zich in je gewrichten komt dichter bij je lang voor de ochtend dan lig je wakker weet je niet wat er met je gebeurt, waar het vandaan komt wat er overblijft alleen deze smalle kamer het verkeerd gefineerde meubilair het gekantelde raam een kier naar de straat het geruis in de populieren dreef me door de nachten je hoort daar niets meer en vraagt je in stilte af wanneer begon het dat ik niet meer dichterbij kon komen
Wantrouwen in grote woorden in kleine woorden, voegwoorden tussenwerpsels, in het laatste woord dat iedereen wil en niemand krijgt
Een totale gespreksstop met strenge straffen tong uitrukken wel het minste
Het paard langs de spoorbaan staart de sneltreinen na het gras wacht op de vallende nacht een steen koestert zich in het laatste licht.
Waarom hebt u mij verlaten? Wat een lachwekkende klacht.
Toekomstbeeld
Sommige dichters willen dat met hen ook het licht vergaat dat de wereld dan niet langer bestaat; blinde woede om de eigen dood (over die van anderen valt te praten).
Ik sta bij de rivier, u weet wel en zie hoe het licht mij majestueus links laat liggen; ik slik even en schik mij schrikkend in dit lege toekomstbeeld.
Het museum van de kindertijd
Het is altijd ergens, maar wie het bij toeval ontdekt in een naamloze straat, stuit meestal op een dichte deur waarachter stilte heerst
Of lijkt te heersen. De meesten lopen door terug naar het vertrouwde stratenplan en vergeten zijn bestaan.
Is het museum vloeibaar, opvouwbaar bestaat het uit prisma’s, electrische velden of valt het soms samen met wie eraan denkt?
Meestal is het verlaten, de wanden en uitstalkasten leeg op de jaartallen na die elkaar hun juistheid betwisten
Of het vult zich met mist, met daarin een aarzelende stem die beweert zich niets meer te herinneren, vrijwel niets.
Maar één gezicht, één geluid, één lichtval kan plotseling de toegang verschaffen tot de expositie waar alles bewaard blijkt te zijn.
Zodra de zon verdreven is duiken de zwermen op ze cirkelen boven de daken, gaan een ogenblik lang op de stijve takken zitten vliegen plotseling weer weg, verdwijnen uit het zicht van onze nog onverlichte ramen breken door het dichte web van hogere vliegroutes laten ons achter met een schemerige hemel die we niet kunnen duiden.
„Als ich mit den Hunden nach Hause zum Dorf zurückging, fand ich auf dem Weg Spuren von Rehen, einem sehr kleinen Pony, anderen Hunden und Menschen, Waschbären, viel-leicht einer Katze und in unregelmäßigen Abständen ein Herz, kleiner oder größer, ver-mutlich mit einem Stöckchen in den Sand gezogen, wie unterwegs, aber deutlich zu er-kennen, und vielleicht ftbaf oder sechs die Länge des Weges, der sich aufs Dorf hin wohl einen knappen Kilometer zieht. Davor war ich auf den weiten Feldern zu den geborstenen Weiden hingelaufen, die ich von fern öfters mit meinem Vater gesehen hatte, breite, zerklüftete Stämme, kahl jetzt im Februar, und mein Vater hatte immer das Durchscheinende der winterlichen, laublosen Landschaft geliebt. Mit meinem alten besten Freund war ich den Weg nicht mehr gegangen, denn er war vor-her gestorben, und vor zwei Jahren war ich viele Male den Weg mit meiner sterbenskran-ken Freundin im Herzen gegangen und mit meiner besten Freundin, die nach einem Herz-infarkt noch schwach gewesen, war ich ihn gegangen und wieder, als sie bei Kräften war, und unzählige Male waren wir den Weg zu viert gegangen, und meine inzwischen heran-gewachsenen Töchter auch un7ählige Male zu zweit oder mit Freundinnen. Was ich auch sah, sah ich mit vielen Augen, nur die Herzen im sandigen Weg sah ich al-leine, ohne die Menschen, die ich liebte, und anderntags würden sie schon verwischt oder vertreten oder verregnet sein. Ich kann nicht sagen, dass ich traurig war, aber alle Traurigkeiten waren doch dabei, sehr hell und einige fröhlich, und viel Sehnsucht und auch ein zerdehntes Herz, das in die Ver-gangenheit wollte und noch etwas in die Zukunft. Deswegen habe ich dieses Buch geschrieben.“
Katharina Hacker (Frankfurt am Main, 11 januari 1967)
Droste in een negligé, slapeloos. (Een wesp die haar zwellingen stak:) Geen liefdesvlek, niets uit een droom, gewoon een niet-vlek. Kijk: zwarte zwanen halverwege. Vanuit de erker, het gordijn als teken. Zijn het de dierbare familieleden die draden spinnen en opkijken van de boekhouding? Ach, al dat schrijven… Zo geschrokken, arm ding, zo bedrogen.
in je precieze jaren toen je zelden buitenkwam omdat je onder schot gehouden werd zagen maar weinig mensen hoe wit je haar was
als ik door de glazen deur naar buiten kijk zie ik een trillend been naast de begonia
we zouden kunnen gaan graven maar dat zal je rug niet rechten we kunnen door de tuin lopen en de plekken aanwijzen waar onkruid groeit we laten de thee onze tong vormen de inkt van deze lange dag op onze vingers
als we de jassen aantrekken zal de wereld gaan draaien zullen onze voeten bevriezen zodat we kunnen schaatsen tussen de hopeloos glijdende honden op zoek naar een lijn naar een bal naar een bot
we zullen weer naar school gaan om schapen te leren tellen we zullen naar de winkel gaan omdat het prettig is om iets te kopen voor het op is
Stem uitbrengen
een gevangene krijgt sleutel ven zijn cel sluit de deur en verdwijnt
je zegt me te gaan slapen nu je zelf nog wakker bent
de kampbewoners dIe zich de woestijn eigen maken omdat er geen gras is vullen de bulten van hun kamelen
*
een gevangene komt terug met de sleutel van rijn cel als een priem in zijn hand
ik denk aan alles in mij wat zijn nek niet uitsteekt en loop wat sneller
ik mis mijn manieren in mijn hoofd staan de torens recht maar ze komen nooit buiten
een gevangene legt de sleutel op de tafel in zijn cel
wil en stil zit een groep mensen in een treincoupé door het midden loopt een scheur
de rat het lieveheersbeestje de vermoeide man allemaal vormen vvan het kind dat de trap afloopt en zich uitvouwt
schijnwerpers glimlach lamplicht bloeiende mond het oog een waterige ster in de avond (22:30) hemel boven Servië waar bommenwerpers overgeven / vanuit afvalscherven en puin wijs je op het menselijke, op het daaronder be- graven lichaamsdeel / even snikken en dan verder
De Nederlandse schrijver, essayist, columnist en vertaler Bas Heijne werd geboren op 9 januari 1960 in Nijmegen. Zie ook alle tags voor Bas Heijne op dit blog.
Uit: Voor de democratie
“De man die zijn naam aan de Griekse ‘gouden eeuw’ gaf, de Atheense staatsman Perikles, bevond zich vrijwel zijn hele leven in dat politieke spanningsveld. Hij was afkomstig uit een oud en voornaam geslacht, de Alkmaioniden, maar schaarde zich al vroeg aan de kant van het volk, wat hem het verwijt van populisme opleverde en veel conservatieve vijanden. Niettemin was hij zo’n dertig jaar een leidende politieke figuur in Athene, van ongeveer 461 v.Chr. tot aan zijn dood tijdens de pestepidemie in 429 v.Chr. Dat de naam Perikles verbonden raakte met een ‘gouden tijdperk’ is grotendeels te danken aan zijn aanhoudende populariteit als politiek leider. Ieder jaar werd hij opnieuw gekozen als strategos (een van de tien bevelhebbers). Hij breidde de Atheense democratie uit, zorgde voor een financiële compensatie wanneer gewone burgers democratische verplichtingen op zich namen. Hij nam het initiatief tot grootse bouwprojecten als het Parthenon, de Propyleeën, het Erechtheion, het Odeion. Hij voltooide de zogenaamde Lange Muren, een verdedigingswerk dat Atheners bescherming bood op de weg naar de haven van Piraeus. Ook gaf hij zijn persoonlijke vriend, de beeldhouwer Phidias, de opdracht tot het maken van het beeld van Athena Parthenos in het Parthenon, maar liefst 12 meter hoog, opgetrokken uit goud en ivoor. Onder Perikles werd de hegemonie van Athene ten opzichte van haar bondgenoten versterkt. Zij hadden zich verenigd in de zogenaamde Delische Bond en het was Perikles die hun gezamenlijke schatkist van het eiland Delos overbracht naar Athene, waarmee behalve de oppermachtige Atheense vloot ook de prestigieuze bouwprojecten werden bekostigd – wat Perikles het verwijt van praalzucht en imperialisme bezorgde. Athene fungeerde zo’n beetje zoals de Verenigde Staten na de Tweede Wereldoorlog ten opzichte van West-Europa, dominant, maar ook een waarborg voor veiligheid. Je moest betalen, je had weinig in te brengen, maar je kreeg er een redelijk zorgeloos bestaan voor terug. Iemand die de Atheense politiek zo lang domineerde, was vanzelfsprekend omstreden. Tijdens Perikles’ leven, maar ook in de eeuwen daarna, helemaal tot in onze tijd, is zijn reputatie en statuur onderwerp van discussie.”
Hoe ze haar vinger uitstrekt van de mokkalepel, mijn Sudeten-grootmoeder. Haar haar zwart van de gedroogde bieten. Buiten, de afdruk van haar handen in de wind, waar kinderen kastanjes doorheen gooien. De aardappelen heeft ze nooit vertrouwd en hurkte alleen in de rook van de stokerij. Zoals bij sommigen een bochel langs de rug omhoog groeit, groeit deze in haar krullen. Dit uiteenvallen elke avond, naakt voor de gordijnen is haar huid slechts een scheur in de stof.
“Want geld was een kwestie van geloof, welbeschouwd, en net als ieder geloof baatte het je niets als anderen het niet met je deelden. Stel dat het als staatsgodsdienst zou worden afgeschaft, of dat het vaderland failliet zou gaan… O ongrijpbare, onherroepelijk symbolische gulden, die op zo’n dag des oordeels als loos verzinsel ontmaskerd zou worden! Dan zou fl voor flut en flauwekul komen te staan en Gijselhart voor gek, met zijn buidel om zijn hals. Het gebied waar men weet had van zijn kredietwaardigheid besloeg maar een paar vierkante kilometer. Daarbinnen wist men dat de toonder van het Gijselhartgezicht goed was voor de somma van één miljoen gulden, dat het in de rangorde van Vondel, Frans Hals, J.P. Sweelinck, de zonnebloem en de watersnip het hoogst bereikbare vertegenwoordigde, maar daarbuiten was zijn geld hem niet aan te zien, al liet hij het bedrag op zijn voorhoofd tatoeëren. Eigendom werd nooit eigenschap. En geld was niet eens eigendom, eerder vage belofte, volksbegoocheling, God mocht weten wat het was. De muis van Gijselhart was een vrouw. Bij uitbreiding ook ‘de’ vrouw. Toen hij pas weduwenaar was had hij een paar keer een prostituee bezocht, in de stad, in nachtclub De Keizerskroon. Slangemensen en buikdanseressen werkten zich daar star glimlachend voor je in het zweet, een bandje speelde in een doorzakkend tempo en schudde zichzelf af en toe wakker met een onverhoedse dissonant, een dame troonde je mee naar boven. In de dagen na zo’n bezoek trachtte Gijselhart zijn schaamte en de scherven van zijn verlangen op te ruimen door met een handeltje het schandegeld terug te verdienen. De sterrekijker die zijn zoon thuis had laten staan of de naaimachine van zijn overleden echtgenote werden dan haastig te gelde gemaakt. Was zijn portefeuille weer even vol als vóór het incident, dan beschouwde hij zijn zonde als vergeven en vergeten. Eén keer had hij echter een vrouw van de straat opgepikt. Die was vast goedkoper, dacht hij, en dus minder slecht. Op het tippeltrottoir, aan de voet van de kruittoren, stond ze haar zwarte haar te borstelen, dwars over haar hoofd naar links, dan een gelijk aantal slagen naar rechts, dan weer evenveel naar links, met een mechanische ijver. Wanneer de haren uitwaaierden in het lamplicht waren ze eventjes van goud. Ze had zijn oude Pontiac eerst willen negeren, maar was toch ingestapt toen hij voor de derde keer langsreed. Ze was een buitenlandse, een Française zo te horen of misschien een Algerijns heidinnetje, in elk geval sprak ze bar weinig Nederlands. Ze reden naar een hotel dat zij genoemd had. Daar was ze de meest kil-routineuze en zwijgzame hoer geweest die hij tot dusver had meegemaakt.”
Frans Kellendonk (7 januari 1951 – 15 februari 1990) Portret door Kees Knopper, 1984
Op het nutteloze geluid van middernachtelijke kerkklokken, spoelt iemand achter het huis haar gedachten in de onpeilbare universele hemel – een koude, zwakke gloed. Zoals altijd zijn de sterren wit als zout op het blad van een oude bijl. De regenton is vol, er zit ijs in de opening. Verbrijzel het ijs – kometen en sterren smelten weg als zout, het water wordt donkerder en de aarde waarop de ton staat is transparant onder de voeten, en daar zijn ook sterrenstelsels, spookachtig bleek en stilletjes brullend in de zowat zevenhonderd kamers van de geest.