de anderpoot sleept hij zwaar van de laars – de nog éne – want incompleet het paar
het zou de geweldenaar niet zijn als hij – bol, bliksem aan bast – zijn kans niet wachtte
splijt schors met leer het priemen van de hak zonder gezicht inktslag zwart tot pek het tere binnen zo kurkbestoft het binnen van de boom
in een nacht
treur niet mijn meisje – de botterik – hij heeft zijn zweetschans aan de wilg gehangen die kwijnt mét de kruin wie zou niet treuren de arme lede, lam zo moe ook daar nog bij
moe van jaren
korst, vuil, bloed traag als pek spoedt weg uit mij maak
de kruin weer vrij opdat ik treure en hete tranen laat een geiser gelijk
dit drek – wie kon bevroeden de ingehouden adem erachter
korst en bloed spoedt weg van mij opdat ik kijke en – leze de les – mijns gelijk
agressors die melkpoeder doneren
internetbruiden die zweren bij melkpoeder trilplaatfitness en de verholen agressie van een natuur die op de drempel van bed naar bad piketpaaltjes plaatst
het containerschip strandt
de menselijke waarden bereiken ons niet
niet eerder dan dat het bad ezelinnenmelk met een boel tamtam leegloopt een ik met een enkelband de haven ontmijnt
Maanlicht nu op Malibu De winternacht, de paar sterren Ver weg, miljoenen kilometers De zee die eindeloos doorgaat Voor altijd rond de aarde Ver zo ver, als je lippen dichtbij zijn Gevuld met hetzelfde licht als jouw ogen Liefje, liefje, liefje De toekomst is allang voorbij En het verleden zal nooit gebeuren We hebben alleen deze Onze ene voor altijd Zo klein, zo oneindig Zo vluchtig, zo immens Onsterfelijk als onze handen die elkaar aanraken Onsterfelijk als de wijn die we drinken bij het vuur Almachtig als deze ene kus Die geen begin heeft Die nooit Nooit Eindigt
“In die tijd ging mijn kleine persoonlijke catastrofe me veel meer aan het hart dan de planetaire, dan de ophoping van broeikasgassen in de atmosfeer, de terugtrekking van de gletsjers en de stijging van de oceanen. Het was vooral om er even tussenuit te kunnen dat ik aan de Corriere della Sera vroeg of ze een accreditatie voor me wilden aanvragen bij de klimaatconferentie in Parijs, ook al was de inschrijftermijn al verstreken. Ik moest dan ook echt bij ze smeken, alsof dit iets was wat ik absoluut niet mocht missen. Ze hoefden alleen maar te betalen voor de vlucht en de artikelen die ik zou schrijven. Een slaapplaats zou ik wel regelen bij een vriend. Giulio woonde in een donker tweekamerappartement in het veertiende, de Rue de la Gaîté. De Straat van de Vrolijkheid? zei ik toen ik binnenkwam. Niet echt toepasselijk. Nee, inderdaad. Ik zou me maar niet te veel illusies maken als ik jou was. Jaren eerder hadden we in Turijn een flat gedeeld, Giulio als student van buiten de stad, ik als rijkeluiszoon die graag op kamers wilde ook al was de uni maar een halfuur met de bus vanaf mijn ouders. In tegenstelling tot mij was Giulio na zijn afstuderen wel in de natuurkunde bezig gebleven. Hij had in talloze steden gewerkt, uitsluitend in Europa omdat hij politiek gezien een onoverkomelijke weerstand koesterde jegens de Verenigde Staten. Intussen was hij getrouwd en gescheiden, had een zoontje gekregen en was ten slotte in Frankrijk neergestreken, met een onderzoeksbeurs aan de École Polytechnique, waar hij zich bezighield met chaostheorieën toegepast op de financiële wereld. We schepten allebei een bord pasta vol alsof we twintigers waren en aten aan een ongedekte tafel, terwijl ik hem vertelde over de reden van mijn bezoek, de officiële reden tenminste. Giulio ging op een schap naar een boek zoeken. Heb je dit gelezen? Ik zei nee en liet de rand van de pagina’s onder mijn duim door glijden. Ondergang, mompelde ik, dat klinkt perfect. Hij heeft een interessante kijk op uitsterving. Hou het maar. Het woord ‘uitsterving’ bleef even in mijn hoofd hangen, als het label van een persoonlijk lot. Ik ruimde af terwijl Giulio me snel bijpraatte over Adriano, die alweer vier jaar was. Ik was een beetje slaperig geworden door de koolhydraten, maar de wijn was op, dus gingen we de deur uit zodat we konden blijven drinken.”
Uit: Dit boek redt je leven (Vertaald door Wim Scherpenisse en Gerda Baardman)
“Hij kwam niet op het idee iemand te roepen, wie had hij moeten roepen, wat had hij moeten zeggen, hoe had hij het moeten beschrijven — waar zat de pijn precies? Overal, desoriënterend, zweterig, duizelingwekkend. Zo snel mogelijk, nu hij het nog kon, kleedde hij zich aan. Hij liep de slaapkamer in en trok een mooie broek met een riem aan, een trui, schoenen en sokken. Hij kleedde zich alsof hij met vrienden uit zou gaan of bij iemand ging eten, iets informeels, gedempte kleuren, zachte stoffen. Onder het aankleden bedacht hij dat hij misschien de heuvel af moest, naar een dokter, zonder zich te realiseren dat iedereen op dit late uur ongetwijfeld allang naar huis was. Hij ging op de bank liggen, wat hij nog nooit had gedaan; dat was tegen de regels, de eigen persoonlijke regels die iedereen voor zichzelf opstelt: liggen mag alleen in bed en nooit overdag. Hij lag op de bank en probeerde een prettige houding te vinden; had hij op de hometrainer iets raars gedaan, een verkeerde beweging gemaakt? Had hij iets onder de leden, een virus, een griepje? De pijn bleef. Waar kwam die vandaan? Was die pa, ontstaan of was hij er altijd en viel hij hem nu pas op? Hij stond op, nam een paar ibuprofentabletten en bleef bij hei raam over de stad staan uitkijken, naar de auto’s op de boulevard beneden die de bocht namen en de heuvels in reden. De. lucht begon al te verbleken, de koplampen waren aan, de huizen lichtten op, vol leven. De coyotes huilden. De stad in de verte was tegelijk heel groot en heel klein. Hij stond voor het raam – bevangen door pijn. Alles klapte in, alle bloedvaten, alle zenuwen, alle vezels van zijn lichaam krompen ineen alsof ze uitgehongerd, uitgedroogd waren. Hij stond bij het raam en leed ondraaglijke pijn, en het vreemdste was dat hij niet wist waar het pijn deed, dat hij niets voelde. Hij begon te huilen. Hij huilde geluidloos en toen hij merkte dat hij huilde, concludeerde hij uit dat feit, of uit de angst die dat opriep, dat er iets heel erg mis was. Toen moest hij nog erger huilen. Was het dan nu zover? Ging het zo? Was hier iets aan vooraf. gegaan, iets wat hij had moeten merken, een waarschuwing? Of was dit de waarschuwing? Dit was de waarschuwing of het uur U. Hij toetste het alarmnummer in. ‘Politie, brandweer, ambulance.’ ‘Dokter,’ zei hij. ‘Politie, brandweer, ambulance.’ ‘Noodgeval,’ zei hij. ‘Politie, brandweer, ambulance.’ Het was een computer. ‘Ambulance,’ zei hij. ‘Ogenblikje.’ Hij wachtte tot hij werd doorverbonden en in dat moment van stilte hield de pijn op. De pijn ging over en hij dacht al haast dat het een nachtmerrie was geweest, een dagdroom, een slechte maaltijd die verkeerd was gevallen.”
Adem van vuur in de keel van de sneeuw, Wortels die de diepe kleur oproepen – Uit welke ballingschap komt deze kreet van lente en bladeren?
Een woord barst los in onze vuisten in de voren van vogels, Op paden van sterren rijst wilde hoop. Onze handen rijden op de jonge dauw, O, de rivier viert al eilanden en zwaluwen! Met één enkele eeuwigheid bewonen we de wereld. Een tak ontsproot bij de eerste stap van de tijd, Gloeiend rood zwaard in de ogen van onze geschiedenis, De aarde beeft tot aan onze kindertijd. We worden geboren – horizon van levendige golven, De dag staat in de menselijke strijd. Voor altijd sluit de april van vuur onze wonden, Van mond tot mond openen we de drempel van een vaderland. Nog steeds bloedend onder de vleugel van de zon, Met de eerste tak van het jaar, Vindt een volk zijn vrijheid op aarde.
Vertaald door Frans Roumen
Gatien Lapointe (18 décember 1931 – 15 september 1983)
Uit: Zu Gast im Westen: Aufzeichnungen aus dem Ruhrgebiet
„Prolog: Neu in Mülheim-Broich Sonnenschein, Herbstlaub, Ende Oktober ist es hier noch einmal so warm geworden wie sonst nur in südlichen Gefilden. Lange werden die Farben nicht mehr da sein. Ich mache mich auf die Suche nach einem Supermarkt in der Nähe. »Haben Sie denn kein Auto? Auch kein Fahrrad?« Meine Nachbarn, mit denen ich von Garten zu Garten spreche, sind überrascht und bieten mir Hilfe an. Was ich Garten nenne, ist in meinem Fall von der Anmutung her ein Park im Bonsai-Format mit Brückchen und Schalen und einer Bank, es fehlen eigentlich nur Goldfische. Stattdessen steht ein riesiger Buddha auf dem Weg und lächelt durch mich hindurch. Eine stattliche Doppelhaushälfte steht mir vom Keller bis unters Dach zur Verfügung. Die Einfamilienhäuser des Broicher Waldwegs, an denen entlang ich der abfallenden Straße folge, ließen sich als »schmuck« bezeichnen, alles tipptopp. Neben alten Straßennamen (Brandenberg, Liehberg) lauten die neuen Uranusbogen oder Jupiterweg, es gibt eine Ferienwohnung namens »Saturn«. Ein Mehrfamilienhaus ist im Bau, davor steht ein alter roter Rolls-Royce, der erst beim näheren Hinsehen auffällt, weil seine Karosse nicht wie die der anderen Wagen glänzt. Es folgen ein paar dörflich anmutende Häuser, bevor sich der Weg zu einer Grünfläche öffnet, die vielleicht einmal der Dorfanger gewesen ist. Am Ende quert eine große Straße, deren Namen, Saarner Straße, ich mir einprägen will. Jenseits davon ein breiter Häuserriegel von acht oder neun Stockwerken, darunter eine Tankstelle, Busstationen auf beiden Straßenseiten, eine Apotheke an der Ecke. Der »Lindenhof« nimmt sich zwischen den anderen Häusern aus wie eine Ansichtskarte, deren Farben schon leicht verblichen sind. Der Supermarkt, so bin ich überzeugt, kann nicht mehr weit sein. Als ich einen Mann meines Alters danach frage, antwortet er grimmig und ohne aufzusehen: »Fahr ich jetzt nach Herne wegen dem Scharnier?!« Er telefoniert. Ich entschuldige mich gestenreich und will mich abwenden, da sieht er auf und weist, seinen freien Arm heftig schwenkend, als sollte ich mich beeilen, weiter in Richtung meines bisherigen Weges.“
“Er is zoveel over mezelf dat ik je nooit heb verteld. We waren nog zo jong, zo vol van enthousiasme voor de tijd waarin we leefden. Er was het heden – de tijd van onze liefde – en de toekomst, de tijd die we in de komende jaren met z’n tweeën zelf vorm zouden geven: werk, een huis, kinderen. We waren vast van plan de wereld beter achter te laten dan we hem aangetroffen hadden. Alles wat achter ons lag was van geen enkel belang, we waren ervan overtuigd dat onze hartstocht en liefde elk obstakel zouden overwinnen. Jij vergeleek ons leven altijd met water dat stroomt. ‘Nu zijn we een bergbeek,’ zei je dan, ‘onstuimig schieten we vooruit, springen we over steenmassa’s heen, vormen we watervallen; ons kolkende geraas vult de hele omgeving, van de bergtop tot het dal. Maar op een dag worden we rivieren in vlak land – bedaard, gezwollen, lui – en verstommen we, dan hoor je alleen nog het gefluit van de wind die door de wilgen strijkt.’ ‘Is dat saai?’ ‘Nee, dat is de natuur.’ ’s Nachts in bed, starend naar het plafond, speelden we vaak ‘Welke-rivier-wil-je-zijn?’ ‘Wil jij de Dora Baltea zijn?’ vroeg ik aan je. Waarop jij in de dekens begon te trappelen en riep: ‘Nee! Niet de Dora Baltea!’ Die vond je te klein, te bescheiden en daarbij stond het idee je tegen uit te komen in de Po. ‘Ik wil geen zijrivier zijn,’ zei je. ‘Ik wil een rivier zijn die direct in zee uitstroomt.’ Jouw ideaal was de Amazone, Uren kon je me vertellen over de schitterende fauna die je waarnam op je tocht: vlinders, papegaaien en roze dolfijnen, die tegen je stroom in zwommen.”
Waarom zei je dat ze stil moesten zijn en rechtop moesten zitten tot je terugkwam? Die flauwekul zou je naar ze toe hebben geleid.
Je loopt van de ene geparkeerde auto naar de andere en tuurt door de beslagen ramen voordat je het kenteken controleert.
Je zakken puilen uit. Je hebt snoep voor ze gekocht maar de condens zit aan de binnenkant van de ramen. Hoeveel kinderen ademen er?
Die flauwekul is over achter in de auto. Buiten de ramen is de dag voorbij. Er is geen straatlantaarn aangegaan.
Je hebt ze kokkels in azijn gevoerd, je hebt ze op de speelautomaten gezet. Je keek maar één keer weg.
Je keek maar één keer weg terwijl je tegen de toonbank van de snackbar leunde, en veertig jaar waren voorbij.
Je hebt ze telkens weer gezegd: Hou op met die flauwekul daar achterin! En nu hebben ze het gedaan. Is dat mist, of water met adem erin?
Vertaald door Frans Roumen
Helen Dunmore (12 december 1952 – 5 juni 2017)
Rectificatie
De Iraans – Nederlandse schrijver Kader Abdolah (pseudoniem van Hossein Sadjadi Ghaemmaghami Farahani) werd geboren in Arak op 12 november (niet 12 december) 1954. Zie ook alle tags voor Kader Abdolah op dit blog.
Uit:Ze vliegen nog altijd over de Schie
“Ernesto was niet de echte naam van Ernesto. Een tijdlang wist hij niet waarom hij zo genoemd werd, of hoe het zover gekomen was dat hij uiteindelijk Ernesto werd. Misschien had iemand hem, voorafgaand aan zijn verleden, met deze naam geroepen, en was hij sindsdien Ernesto geworden. Hij wist ook niet waar hij vandaan kwam. Naast Arabisch sprak hij Spaans, maar hij was geen Spanjaard, en ook geen Zuid-Amerikaan. Zijn voorkomen deed eerder vermoeden dat hij tot een van de oude culturen uit Syrië, Libanon, Palestina of waar dan ook behoorde. Ernesto wist lange tijd niet dat hij een groot deel van zijn herinneringen was kwijtgeraakt door een klap, veroorzaakt door het instorten van het plafond van de kamer waarin hij sliep. Pas later, toen hij na veel ronddwalingen uiteindelijk in Nederland was terechtgekomen, kreeg hij stapsgewijs stukjes van zijn achtergrond terug in zijn dromen en nachtmerries. Maar wat er ook met hem gebeurd was: die klap was net voor zijn vijfendertigste geweest, als zijn berekeningen klopten, tenminste. Ernesto kende zichzelf dus goed sinds zijn vijfendertigste, vanaf het moment dat hij Ernesto was geworden. Later zou hij zich duidelijk dat moment van zijn bewustwording herinneren: hij stond op het oude, drukke plein van de bazaar in Caïro, precies als iemand die zojuist uit een diepe slaap ontwaakt was en zich ineens op een plein bevond waar hij nooit eerder was geweest. Daarna liep hij maar gewoon met de mensenmassa mee de historische Khan El-Khalili-bazaar binnen. Die bazaar of soek was een van de oudste, meest levendige en kleurrijke bazaars in de Arabische wereld, en is dat nog steeds. Vanaf dat moment begon het leven van Ernesto, of anders gezegd: hij begon met een nieuw leven.”
“Als je de hele dag een man zou horen huilen en je vond hem niet in huis of op straat en hij ging gewoon verder met huilen, ’s nachts en de volgende dag, weken achter elkaar, onstuitbaar, hoe zou je dan veranderen? Als hij op dezelfde manier onstuitbaar zou lachen zou je zeker krankzinnig worden en hulp nodig hebben, al klonk dat lachen vrolijk en niet spottend of hatelijk. Maar tegen zijn huilen zet je je eerder schrap, na een tijdje ‘geloof je het wel’, je leeft door alsof je het niet hoort. Zijn snikken werkt niet minder direct op de zenuwen dan dat gelach zonder reden, op een schaal van een tot tien geef je een negen aan het lachen en een twee aan het huilen als het om indringendheid gaat. Op den duur is het bladergeritsel huilen, je hoort het pas goed op het ogenblik dat het wegsterft en de plotselinge stilte je korzelig maakt. De korven voor het mensenvervoer beginnen zo erg te slingeren in het harde licht van de middagzon dat we vlug uit onze wagens stappen om ons te verkneukelen. Van een andere vrouw houden zonder door te stoten naar de plaats, het brandende centrum waar haar scheppende kracht aan het werk is, zonder dat brandende centrum te kunnen vinden, is een hopeloze aangelegenheid waardoor je heftig naar de dood gaat verlangen (net of je steentje voor steentje wordt afgebroken als een wrakke kathedraal). Tot het laatst toe bewaarde de man die door het vuurpeleton zou worden gedood de ironische houding waarmee hij als televisiepresentator bekend is geworden. Ook zijn executie nam hij niet serieus, hij praatte badinerend tegen zijn publiek (dat er niet was, behalve het vuurpeloton), maakte wegwerpende gebaren, vulde de ruimte met het het spottende stemgeluid van de teleurgestelde en vermoeide oudere man, zijn glansrol: een bologige, kwakende heer zonder illusies, de draak stekend met alles waar zijn vinger naar wees, waar zijn blik even langs streek. Zo nam hij de openbare ruimte (onafzienbaar en leeg) nog één keer in bezit, clownesk en droevig maar niet droeviger dan anders, niet droevig om zijn dood; misschien had hij te weinig verbeeldingskracht voor een voorstelling van zijn dood. Is het mogelijk dat mensen onder zulke omstandigheden niet zweten? Iedereen heeft wel eens de gewaarwording van gummi te zijn, onverwoestbaar en ook onecht, bijvoorbeeld op het ogenblik dat er op de snelweg een auto op hem af stormt. Die auto kan hem toch niets doen! De televisiepresentator had zo’n gummi-gedachte niet nodig tegen de schrik, de ironicus rekent al blindelings op de overmacht van de onwerkelijkheid. Nee, hij zweette niet en zijn zware oogleden bewogen heel snel op en neer om zijn publiek naar zich toe te zuigen, het in te palmen, op zijn hand te krijgen, aan het lachen te maken. Alles als vanouds.”
lawaai is een begin, geluk een simpel akkoord achter de ogen rollen bassen dreunen over ons heen, jaren lang heb ik gerend naar dit concert, jij kwam uit dezelfde richting, en de rest kan ik me voorstellen.
zeg je zo zachtjes dat ik het nauwelijks versta en misschien alleen maar wil aannemen omdat jouw handen de reizen aan die van mij aflezen alsof het hun eigen reizen zijn, en de hemel rockt en brult en blijft in alles een punk die
zijn hanenkam in regenboogkleuren schildert, metaforisch gesproken dansen we op een dun koord horen de surfers lasteren geen cent waard is ons hun geblaat vivamus atque amemus, Campino krakeelt wat telt.
Uit: Schrijven is ritme (De meisjes hadden wél gelijk)
“Het moment waarop ik voor het eerst een literaire tekst hoorde, herinner ik me niet. Toch was dat moment er. Mijn moeder zong een liedje dat ik later, na dat moment van heel vroeg in mijn leven, opnieuw hoorde, hoeveel later weet ik niet precies, maar wel dat het een vage herkenning opriep, ik hoorde het bewust of in ieder geval bewuster dan toen, het liedje ‘Slaap kindje slaap’. Mijn moeder zong het met zachte stem, een paar keer achter elkaar, het woord ‘kindje’ verving ze de tweede keer dat ze het zong door mijn naam. Het liedje maakte me niet alleen slaperig, het stelde me ook gerust, terwijl het nauwelijks iets in me opriep wat ik wilde begrijpen (als ik dat toen al wilde), want hoe simpel de tekst ook is, ik geloof niet dat ik begreep wat ‘zo zoetjes’ was, want het woord ‘zoet’ had ik niet gehoord. Mijn ouders gebruikten het niet ter vervanging van ‘gehoorzaam’ of ‘braaf, ze noemden mij nooit ‘een zoete jongen’, wat ik achteraf niet betreur. Het liedje kende ik wel vrij snel uit mijn hoofd, althans ik wist wat er komen ging als mijn moeder had gezongen ‘Daar buiten loopt een schaap’, hoewel wat er volgde niet rijmde op ‘slaap’: ‘Een schaap met witte voetjes’. Niet alleen mijn geheugen hielp me, ook het ritme van het liedje, weliswaar een kalm ritme, maar wel degelijk aanwezig. Behalve dat ik woorden leerde om te communiceren, leerde ik meer liedjes van mijn moeder, liedjes die ik onthield zonder dat de tekst glashelder was. Hoe het met de kinderliedjes van nu zit weet ik niet, maar in die jaren was er soms geen touw aan vast te knopen. Op de kleuterschool, waar ik hoopte te leren schrijven, wat niet het geval bleek, zongen we liedjes — tot mijn spijt toen was dat belangrijker dan schrijven —, liedjes als:
Daar kwam ene boer uit Zwitserland Kadee, kadulleke, kada En die had enen ezel aan zijn hand Laberdi laberda laberdonia Een die had enen ezel aan zijn hand Cecilia!
Volgens mij was het een lied waaraan geen einde kwam. Waar die boer vandaan kwam, snapte ik. Ook hoe hij erbij liep, met een ezel immers. De woorden die ik niet kende en niet begreep, vond ik rare, een beetje beschamende woorden. Toch leerde ik het met betrekkelijk weinig moeite vanbuiten.”
Thomas Verbogt (Nijmegen, 9 december 1952)
De Amerikaanse dichteres en schrijfster Eileen Myles werd geboren in Boston, Massachusetts, op 9 december 1949. Zie ook alle tags voor Eileen Myles op dit blog.
Het verdriet van het vertrek
Alles is zo ver weg— mijn jas is daar. Ik ben doodsbang om te gaan en dat jij me niet zult missen Ik ben doodsbang voor het heldere blauw van de metro op andere dagen ben ik zo blij en bereid om te geloven dat iedereen die door de straat loopt iemand is die ik ken. De ouderdom van Macy’s maakt indruk op me. De houten roltrappen als je verder boven bij de meubels komt, krediet, lampenkappen— Je hebt hier gewinkeld als kind. Oh, je verdient me! In een film genaamd Close Up—af en toe de kronkelende stangen, let op de kronkelende blauwe stangen van metro-ingangen, de korrelige schoonheid, de vlek. Ik zal vandaag geen zelfmoord plegen. Het is te mooi. Mijn hart breekt op de 23e straat. Om dit met jullie te delen, de zoetheid van het frame. Mijn lichaam in perfecte vorm voor niets anders dan de dood. Ik wil je dit laten zien. Op het San Marcoplein schreeuwt een gek: mijn voetstappen, de trommelslagen van Armageddon. O ja, breng me dichter bij U, Heer. Ik wil sterven Van Dichtbij. Een handvol stuiterende gele tulpen voor David. Ik geef toe dat ik van tulpen houd omdat ze zo mooi sterven. Ik zie verlossing in hun hangende hoofdjes. Een prachtige uitgang. Hoe komen ze ertoe zich zo vrij te voelen? Ik ben gevangen door liefde— boven frietjes dwalen mijn ogen af naar De Hue Bar. Een blauw bord. Door het leven. Op weg om een punt te maken, om logica te vinden, om niet verliefd te worden van- nacht en mijn pijn onverpakt te laten – om de machine te duwen – Paul houdt contact, maar oh, herinner je Jessica nog Lange, ze zag er zo mooi uit helemaal onder invloed, op weg om King Kong te ontmoeten. Ik zit op mijn kleine rode bank in februari hoe krijgen ze het voor elkaar om zich zo vrij te voelen 1.000.000 vrouwen niet ik die door de straat bewegen vanavond van deze vage stad & ik kroon mezelf keer op keer en er kunnen geen twee koningen zijn.
“Geen voorzichtige inleiding. Mijn deurmat is niet gemaakt van kokoshaar maar van de afgestroopte stekelhuid van een egel. Er staat niet ‘Welkom’ op gedrukt, maar ‘Nietzsche’. Laat ik beginnen met een citaat uit diens De geboorte van de tragedie: ‘Er is een oude sage die zegt dat koning Midas lange tijd in het bos jacht maakte op de wijze Silenus, de metgezel van Dionysus, zonder hem te pakken te krijgen. Als hij hem ten slotte toch in handen valt, vraagt de koning wat het allerbeste en allervoortreffelijkste is voor de mens. De demon hult zich in een koppig en onverstoorbaar stilzwijgen totdat hij, door de koning gedwongen, ten slotte in lachen uitbarst en de volgende woorden spreekt: “Jullie, beklagenswaardig eendagsgeslacht, kinderen van toeval en kommer, waarom dwing je me te zeggen wat je veel beter niet kunt horen? Het allerbeste is voor jou totaal onbereikbaar, namelijk niet geboren te zijn, niet te zijn, niets te zijn. Het op één na beste echter is – zo spoedig mogelijk te sterven.”’ Puur sadisme, dat lachen van die oude sater Silenus, want zelfs het op één na beste is voor de meeste mensen geen optie. Al hangt hun leven van ellende aaneen, er een einde aan maken zien ze niet zitten. Doodsangst steekt daar een stokje voor. Lijdzaam afwachten, meer kunnen we niet doen. Er lopen allerlei draden van deze passage bij Nietzsche naar het werk van A.F.Th. van der Heijden. Meteen al in zijn debuut, het onder de naam Patrizio Canaponi gepubliceerde Een gondel in de Herengracht, is het Silenus-verhaal onderwerp van gesprek tussen Bruno Tirlantino en diens minnaar Simon Fringle. In de romancyclus De tandeloze tijd klinken de woorden van Silenus menigmaal, bijna als een refrein. De tekst van Nietzsche fungeert zelfs als motto bij het hoofdstuk ‘Het antwoord aan koning Midas’ in de roman Vallende ouders (De tandeloze tijd 1). Het allerbeste is onbereikbaar, het op één na beste onwenselijk. Van der Heijdens hele oeuvre, zo schijnt het mij toe, is doordrenkt van de vraag wat dan wél een wenselijke manier is om het leven te kunnen verdragen. En in zijn zoektocht naar antwoorden op die vraag lijkt hij geïnspireerd door de onmogelijkheid van wat Silenus het allervoortreffelijkste noemt. Het onmogelijke: daarin moeten de antwoorden gezocht worden. Leven in de breedte In De tandeloze tijd heeft het personage Albert Egberts zo’n mogelijk-onmogelijk antwoord bedacht. Op verleidelijke wijze legt hij het voor aan zijn vriend Thjum Schwantje: ‘Er is een manier, Thjum, een truc om tijd te winnen… oneindig veel tijd te winnen en te ontginnen. Tijd die niet aan je vreet… die je niet ouder maakt. Integendeel! Het is een tijd die je het eeuwige leven kan geven… of bijna in ieder geval.’ Wie wil dat niet, een trucje leren om een bijna eeuwig leven te verkrijgen? Mijn aandacht heeft hij in ieder geval, die Egberts. Hij gaat verder: ‘Aangezien het leven zich nietsontziend in de lengte ontrolt, moet je proberen het zo breed mogelijk te maken… moet je proberen het in de breedte te laten uitdijen…”
Betreffende de synthetische eenheid van het zelfbewustzijn
‘Quatsch, quatsch!’ zei de koning mijn oom, ‘de geest is rook en stijgt op, zwak als rook. Zit niet tussen de doden, zit in de zon. Eet sinaasappels! Kul! De wagen komt.
Alle geesten keerden terug. Het bevalt ze daar niet meer. Geen zijdezacht water en geen grote bruine beer,
geen bier daarboven, geen siësta’s en ook al geen –’ ‘Oom,’ zei ik, ‘wat is liefde? Ik ben zo alleen.’
Gek werd hij daarvan. Nu knoopt hij tijd en zelfbewustzijn draad na draad aaneen. •••
Zulke antwoorden zijn een schrale troost voor de doden ‘Wat een holle retoriek,’ zei de stilte, ‘jij leert de jongens en meisjes dat brood en wijn, waarop hun wellust spuugt als op de macht, binnen handbereik zijn. Het zijn waanbeelden van je schuldgevoel dat je tot schande strekt als een leugen die uitkomt. De andere jongens ploften als zoutzakken op wanhopige kusten.’
‘Maar je weet toch wat voor leven ik heb geleid, dat werkelijk alles wat ik ben geweest me afsnijdt van normale burgermansgenoegens. Hoe vaak ben ik niet ’s nachts langs een feest gekomen waar goedkope minachting getoeterd werd en klokslag twaalf de gulle lach losbarstte, het feest waar ze het nieuwe jaar ontkurkten als champagne of als liefde, met een knal en schuim, terwijl ik langdurig studeerde op de kunst waarmee je in Amerika een muur van stilte verdient. – Ik ben een onderzoeker van de typen licht, ik ben een dichter van de waakzame nacht, in het nieuwe en nog ongekende Amerika. Ik ben een onderzoeker van de gedurige nederlaag van de liefde. Ik schonk de jongens en meisjes mijn geest en mijn kunst, ik leerde hun over het vroege morgenlicht: kan ik dat niet aanvoeren als enigszins goed?’
St. Johannes de Doper als jongen door Andrea del Sarto, ca. 1525
Der Täufer
Siehe! Das ist Gottes Lamm. Dieser wird für unsre Sünde sterben an des Kreuzes Stamm, dass er allen Völkern künde: Gott nimmt ihr Gebrest auf sich. Dass fortan die Menschheit wisse: Träger ihrer Finsternisse ist nicht nur ihr kleines Ich.
Christian Morgenstern (6 mei 1871 – 31 maart 1914) Christkindlmarkt in München, de geboorteplaats van Christian Morgenstern
Kleine ronde harde stenen klikken onder mijn hielen, zaaiend gras duwt baardzaadjes in broekspijpen, blikjes, waarop getrapt wordt, knarsen in hoog, paars bloeiend, vriendelijk onkruid.
District zes. Geen bord zegt dat het zo is: maar mijn voeten weten het, en mijn handen, en de huid rond mijn botten, en het zachte gezwoeg van mijn longen, en de hete, witte, naar binnen draaiende woede van mijn ogen.
Ruw met glas, naam wapperend als een vlag, hurkt het in het gras en onkruid, ontluikende Port Jackson-bomen: nieuwe, chique haute cuisine, wachter bij de poort, herberg alleen voor blanken.
Geen bord zegt dat het zo is: Maar we weten waar we thuishoren.
Vertaald door Frans Roumen
Tatamkhulu Afrika (7 december 1920 – 23 december 2002) Cover
Metaphor is made of two parts, I tell them because I must say something: vehicle and tenor,
and we should know the names of things we do by instinct, though I only half believe this. Not that kind of vehicle,
not that kind of tenor, and yet their poems must move, must sing. It’s confusing and hard. Aristotle said
genius sees resemblance in difference. A car is not a metaphor, is a machine made of countless metal parts
that keep us mindful of oil, coolant, a milk jug in the trunk in which to dilute it, mindful of all the ways a day can turn-
pulling into Bloomsburg State, for instance, steam blowing from under the hood, I asked a student for the lecture hall,
campus clock gonging the hour of my talk, but he said, “Look, something really bad is happening to your car.”
I have watched water run off my radiator as freely as the waters of birth. I have peered
into the boxy chambers of my master cylinder, drained of brake fluid, dark and divided as the human heart.
Unable to start some mornings, I have loosened a wing nut, lifted the air filter, and jabbed a pencil stub
into my butterfly valve, clenched like a catch in the throat. So when half the audience walked out of that reading
to attend a memorial service for some boys, killed in a frat house fire, I did what any of us would do:
paused until the room grew still, then continued. In towns like that, mechanics take only cash,
but the folks who remained bought enough books to cover the cost of radiator hose, plus labor,
that transaction as sweet and pure as the motion of any of our lubricious, invisible parts.
Ondergronds
In die jaren werden bloemblaadjes van hun stengels geplukt. In het begin versplinterden kasruiten door de omhoogstaande knoppen van chrysanten; aardepotten werden in scherven vermalen. Bloemen op openbare pleinen werden ondergeploegd om rapen, radijsjes en kool te kweken voor de massa. Zaden werden oud en machteloos in hun verpakkingen; bollen verschrompelden en stierven in donkere kelders. Bonsai’s stonden onder theetafels in stille stadsappartementen terwijl boeren slechts een slordige rij goudsbloemen langs de lemen muren van hun huis riskeerden. Misschien bleven de vaste planten bestaan, hun wortels onwetend van de wet — stengels, die zich door de aarde heen strekken om vertrapt te worden — of stiekem bewaard, bloemblaadjes in boeken gedrukt als iconen van vislijm.