Bij Allerzielen

Kerkhof
Een herfstdag tegen Allerzielen,
het was niet anders dan het was
de zon, de bladeren die vielen,
het hek, de zerken en het gras.
Ik had een tijdje rondgezworven
voor ik haar graf gevonden had,
want er wordt toch nog meer gestorven
dan je zou denken in zo’n stad.
En half beschaamd en half bewogen
– je ziet jezelf een beetje staan –
heb ik verwonderd overwogen
hoe vreemd de dingen altijd gaan,
hoe onverbiddelijk de liefde
verband houdt met verdriet en rouw,
en of ik als zij nu nog leefde
nog zoveel om haar geven zou.
En nimmer was het dichter bij me
en nimmer verder van mij af,
het denken over de geheimen
de gruwelijke van het graf.

De Heilige Antonius Abtkerk in Scheveningen
De Nederlandse dichteres, schrijfster, essayiste en kunstschilderes Charlotte Jacoba Maria Mutsaers werd geboren in Utrecht op 2 november 1942. Zie ook alle tags van Charlotte Mutsaers op dit blog.
Alles dood
Hoog de kasteelzaal.
Ik alleen thuis.
De klok zonder klepel.
Waar is mijn muis?
O kom, o kom of
breng mij om!
‘k Zie paardezadels staan,
maar geen paarderug.
De kandelabers glimmen en
geen kaars blinkt terug.
O kom, o kom of
breng mij om!
De champagne houdt zich stil,
de glazen staan vol stof.
Mijn magneet trekt niets meer aan,
de spijkers worden dof.
O kom, o kom of
breng mij om!
Geen kelk verheft zich uit de vaas.
Ik hoor geen vogels meer.
De veertjes op mijn eigen hoofd,
die liggen plat terneer.
O kom, o kom of
breng mij om!
Mijn hele tuin is uitgebrand.
De haan draait aan een spit
en van de kleuren om mij heen
resten slechts zwart en wit.
O kom, o kom en breng mij mee:
een groene tulp rood gebladerd,
een brief geschreven op fluweel,
een speksteen door en door geaderd,
een ananas, een bezemsteel.
O kom, o kom of
breng mij om!
Marche sombre des comcombres
’s Nachts het venster opgeschoven
‘k zie de straat geheel van boven.
Zwarte komkommers zij aan zij
dragen zomaar een hondje voorbij.
Vier witte poten wijzen omhoog,
de ruggegraat staat in een boog.
Ik krijs mijn ouders de dekens uit:
‘Kom snel, een parade van levend fruit!’
(of zijn het nu groenten? Al sla je me dood…)
Papa verliest tranen, Mama houdt zich groot:
Hoe kàn het bestaan, dat is ònze hond,
die tien jaar geleden de dood al vond!
Wat doet me dat dier nu in Godsnaam benee,
was hij in de hemel soms erg ontevree?
Mijn vader blaast zacht op zijn hondefluit
en roept op zijn liefst: ‘Zeg Fox, gaan we uit?
Gaat-ie mee naar het park of naar het café
of wil je linea recta naar zee?
Je eetbak die staat nog steeds bij de haard,
je halsbanden bleven keurig bewaard.
Je ballen, je knots zijn op zolder gestald,
maar sinds je vertrek is hun leven vergald.
Kom, blaf naar ons terug en bijt van je af,
want voor je het weet, lig je weer in je graf!’
Maar Fox blijft in katzwijm en hoort ons niet,
wij kunnen gewoonweg niet meer van verdriet.
Zo zompig bonkt daar de komkommertred,
ik durf voorlopig beslist niet naar bed.
Voor het eerst die nacht met mijn moeder verwant
slapen wij saam in de hondemand.

Zie voor de schrijvers van de 2e november ook mijn blog van 2 november 2024 en ook mijn blogs van 2 november 2018.