Ramsey Nasr, Hasso Krull

De Nederlandse dichter, schrijver en acteur Ramsey Nasr werd geboren in Rotterdam op 28 januari 1974. Zie ook alle tags voor Ramsey Nasr op dit blog.

 

DE DAG KAN KOMEN

De dag kan komen en ik wens hem niet
waarop het hart, gevuld met spechten
lol op de pof, gedane liefjes of de scherven
van een slordig onbeheerd verdriet
kortom waarop elk rammelhart 
plots kalm wordt als een koffer.

Een vers is maar een regel lang
één letter diep en elk gedicht, elk boek
herbergt een piepklein afgelijnd gevang
dat je voor even laat ontsnappen.
Op ons papier woedt oorlog veilig
rijmt massagraf op poëzie.

Maar de dag kwam, en hij kan weer komen 
waarop uw woorden eetbaar worden
kaal en schaars, levend onder aarde.
Inkt weegt er zwaarder. Papier ontvouwt.
Je werd toen vermoord om een drukpers in de kamer.
Rauwe mens, van zijn beeldspraak ontdaan.

Iemand schrijft ‘De mensen stierven staande’.
Je denkt bij wijze van. Leest het opnieuw
beseft: ze vielen pas neer bij het uitladen.
Als deze dag nadert, niet zo exact, maar gewoon
als letterlijkheid aan uw hart komt knagen
wees dan ongenood – en treed binnen. 

Hang eerst uw doodsangst in de gang.
Leg familie, vrienden op de bestemde plank.
Veeg voeten, handen, eigenschappen.
Trek uw beroep uit. Laat alles gaan.
Staat u mij toe de laatste metaforen
en versiersels van u af te slaan.

Ik moet u, als in vroeger dagen 
vragen het ras voorzichtig los te pellen.
Afkomst verwijderen, kleur ontkennen.
Wandel nu rond, bleek-doorschijnend
door de bezige kamers van het huis 
waar we eetbaar zijn. En o ja: zeg jij tegen mij.

We zijn nu bijna zonder opsmuk. 
Ontkleed je. Ga tot op de huid.
Kijken we samen naar je buik. Je rug.
Tien vingers, één navel. Het vet in je zij.
Alle botten, wervels en kiezen verzameld.
Alle trilharen, smetten, rafels: dat ben jij.

En in deze schaamte zijn wij vrij.
Ik denk vandaag aan onze naaktheid
in de hoop dat niemand ooit
het grote gelijk in je ontdekt
onze longen bezet, opvult met honger
of zijn geloof in je plant als een schep.

Als het komt – zet je schrap tegen mij. 
Alleen hier, in weerloosheid zijn wij vrij.

 

DE ONDERMENS EN ZIJN HABITAT

welkom in het land van melk en honing
hier groeien vijgamandelabrikozen
zonder beeldspraak aan gewillige bomen
eet ervan word mijn gast vandaag
ik betaal je taxi naar de eerste blokkade

mijn vader staat achter de tweede blokkade
wees van de nacht ook zijn eregast
met olie brood oregano sesam
bij hem liggen sterren stil op plat dak
slaap bij hem breng groeten van nadir

de dag naar mijn vader is minder maar moet
probeer een jochie met handkar te vinden
neem ezels of klim te voet langs de rotsen
volg anderen en spreek met jezelf af
nu zijn we dieren dit mag

daar stuiteren rolstoelen door het stof
terug van de stad waar men zieken geneest
met kanker suiker in volle zon
veel bejaarden veel zieken veel zwetende dieren
maar zo is dat ook bedoeld geweest

overdag zijn wij zwetende klimdieren
omdat het zo bedoeld is geweest
ze slaan en schoppen de dieren met reden
ooit zullen wij melk en honing geven
ontstaat uit mensenhand mannaregen

indien je dit krankzinnig vindt habibi
bedenk dan kilometers verderop
zitten echte meisjes en jongens angstvallig
als daad van verzet op terrassen van starbuck
luidkeels te vrezen voor het leven

 

Ramsey Nasr (Rotterdam, 28 januari 1974)

 

De Estse dichter Hasso Krull werd geboren op 31 januari 1964 in Tallinn. Zie ook alle tags voor Hasso Krull op dit blog.

 

Een leeg Grieks restaurant

Een leeg Grieks restaurant. Er lopen mensen
langs, Duitsers, Schwaben en wat
niet al, er wordt geen muziek gespeeld.
Het restaurant heet MYTHOS.
 
Een Griek brengt het eten. Fijngesneden
reepjes vlees, knapperig varkensvlees,
salade en rode rijst. Ik kijk uit het raam,
eet, werp een blik op mijn bord en
 
zie plotseling: Griekse letters.
Gyros. Poleites. Mesogaios. Helos.
Op elk reepje vlees staat een naam.
Natuurlijk, dat zijn de mannen van Odysseus,
 
die Circe in varkens had veranderd. Nu
is hun vel uiteindelijk ook bij mij aangekomen.
De Griek komt, glimlacht, geeft
de orchidee water uit een kan, PHALAENOPSIS. MYTHOS.

 

Vertaald door Iris Réthy en Jan Sleumer

 

Hasso Krull (Tallinn, 31 januari 1964)

 

 Zie voor nog meer schrijvers van de 28e januari ook mijn blog van 28 januari 2024 en ook mijn blog van 28 januari 2019 en ook mijn blog van 28 januari 2018 deel 2 en eveneens deel 3.

Paolo Cognetti, Harvey Shapiro

De Italiaanse schrijver Paolo Cognetti werd geboren in Milaan op 27 januari 1978. Zie ook alle tags voor Paolo Cognetti op dit blog.

Uit: Beneden in het dal (Vertaald door Yond Boeke en Patty Krone)

Dat had het teefje nog nooit een hond zien doen.
Ze voelde een nieuw soort opwinding toen ze zag dat de grijze zijn kaken op elkaar geklemd hield en de keel van de spartelende herder niet losliet. Net zolang totdat ook zijn maten, die rusteloos om hen heen draaiden, zagen dat het lichaam van hun leider verslapte, dat er bloed uit zijn nek gutste en dat de grond ervan doordrenkt raakte. Nu leek ook hij op een oude autoband, en even later waren de twee in de velden verdwenen.
Op de provinciale weg reed een tankwagen voorbij; op het dak lag een vingerdikke laag rijp die door een windvlaag werd weggeblazen. November. Het teefje sprong van de autostoel af en kwispelde naar de reu, die op haar toeliep. Zijn razernij van even tevoren was al geluwd, hij besnuffelde haar goedmoedig, liet zich besnuffelen.
De geur die ze rook was die van bos, aarde, bladeren, van het bloed van de hond die hij zojuist had gedood. Ze kreeg zin om hem te likken, en likte hem. Daarna nam hij haar en zo kwam er voorgoed een einde aan haar jeugd.
Ze volgden de rivier die dag stroomopwaarts, uitgelaten hollend omdat ze elkaar hadden ontmoet, over de grindbanken, de eilandjes en de verlaten stukken grond in de benedenloop van het dal. Op de bergkammen in de verte was maagdelijke sneeuw te zien, maar langs de rivier stonden cement- en meubelfabrieken, groothandels in landbouwmaterialen en bouwmarkten.
Ze zagen ratten in de afvoerkanalen en kraaien op de stortplaatsen, roken de geur van over de velden uitgestrooide mest, en toen ze op mensen stuitten, in een bestelbusje op de oever, begreep zij, die niet bang was voor mensen, dat hij die juist uit de weg ging, want ze waadden de rivier door om hun weg aan de andere kant te vervolgen.
Ze liepen langs een omheining en niet veel later eindigde hun tocht bij een engte waar de rivier was versperd en waar pijpleidingen begonnen. Ze konden het wegverkeer daarvandaan horen, ergens aan de andere kant van de hoge oever.
Het begon te schemeren, maar hij wilde pas tevoorschijn komen als het helemaal donker was. Terwijl ze wachtten kreeg ze honger, ze had al urenlang niets gegeten en maakte het hem duidelijk zoals puppy’s dat doen, door hem te likken en zachtjes in zijn snuit te bijten, alsof hij haar vader was en haar van eten moest voorzien. Hij kon die kwelling ergens wel waarderen.’

 

Paolo Cognetti (Milaan, 27 januari 1978)

 

De Amerikaanse dichter Harvey Shapiro werd op 27 januari 1924 in Chicago geboren in een joodse familie uit Kiev. Zie ook alle tags voor Harvey Shapiro op dit blog.

 

De moeder der uitvindingen

Op mijn bureau liggen de rekeningen van de levenden
en in mijn slaap liggen de rekeningen van de doden.

“Leegte is de moeder der uitvindingen,”
zegt mijn gelukskoekje. 23 juli 2010.
Brooklyn. Ik loop in de zachte regen,
nog nooit zo voldaan, nog nooit zo gelukkig.

Waarom zou ik twijfelen aan de zin van de wereld
als ik zelfs in mezelf mysterieuze doelen zie?

Een kraai daalt even neer,
zwart, in rabbijnse kleding, en krast Kaddisj.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Harvey Shapiro (27 januari 1924 – 7 januari 2013)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 27e januari ook mijn blog van 27 januari 2024 en ook mijn blog van 27 januari 2019 en ook mijn blog van 27 januari 2018 deel 2 en eveneens deel 3.

Florin Irimia, Nora Gomringer, Martijn den Ouden

De Roemeense schrijver, criticus, letterkundige en vertaler Florin Irimia werd geboren in Iași op 26 januari 1976.Zie ook alle tags voor Florin Irimia op dit blog.

Uit: Der Mann hinter dem Nebel (Vertaald door Peter Groth)

„Prolog
Ich hatte nicht gedacht, dass ich jemals so eine Angewohnheit entwickeln würde, doch vor ein paar Jahren, als das Apartment, in dem wir wohnten, von Grund auf renoviert wurde und wir mehr als einen Monat in einem anderen wohnen mussten, bemerkte ich, dass in der ganzen muffig riechenden Wohnung voller Kakerlaken die Badewanne der einzige Ort war, an dem ich mich halbwegs gut fiihl-te, und zwar deshalb, weil sie — aus einem dieser seltsamen Zufälle, die einen nachdenk-lich machten —, identisch mit jener war, die wir hatten, also in der alten Wohnung hatten, die nun renoviert wurde. Ohne mir groß be-wusst zu machen, was ich tat, verbrachte ich immer mehr Zeit in der Wanne. Wie in einem gusseisernen Sarkophag streckte ich mich darin aus, legte mir ein Handtuch unter den Kopf und begann zu lesen, ohne Wasser einlaufen zu lassen. Das Deckenlicht machte ich nie an; manchmal musste ich nicht einmal die Kerze anzünden, die ich mitbrachte, denn es genügte, das Fenster zu öffnen, sodass sich der Goldschimmer des Mondes über die Buchseiten ausbreitete, ein sanfter und schmaler Strahl, wie eine Laterne, die nur das beleuchtete, was beleuchtet werden musste, und die übrigen Dinge im Schatten ließ. So verbrachte ich während jener anderthalb Mo-nate fast jede Nacht, wie ein nachtaktives Tier, das seine Beute in den Büchern suchte und am Tage ruhte, um neue Kraft zu schöp-fen. Als wir dann in die alte, doch auf gewisse Weise auch neue Wohnung zurückkehrten, verzichtete ich zunächst auf diese Angewohn-heit, da ich nun keinen Grund mehr dazu hat-te, doch nach einer Weile, und ich weiß nicht warum, verspürte ich das Bedürfnis, wieder damit anzufangen. So kam es, dass ich in einer jener späten Nächte, als der Rest des Hauses schlief und ich diesmal im heißen Wasser in der Wanne lag und beim flackernden Kerzenlicht ein Buch las, in eine Art Traum sank. Ich hafte den Eindruck, nicht mehr in jenem Buch zu lesen, einem Roman, den ich bereits vor einer Weile angefangen hatte und nicht zu Ende be-kam, sondern mein eigenes Buch, ein Buch, das ich nicht einmal zu schreiben begonnen hatte.“

 

Florin Irimia (Iași, 26 januari 1976)

 

De Zwitsers-Duitse dichteres Nora Gomringer werd geboren op 26 januari 1980 in Neunkirchen an der Saar. Zie ook alle tags voor Nora Gomringer op dit blog.

 

Geesten vergeten

Toen ik ging
vroeg ik ze om mee te komen
Ik hield de deur open en mijn ogen neergeslagen
zodat ze eruit konden, vrij werden
In het nieuwe huis woonde zij
bij het woonkamerraam
Hij in de werkkamer bij de deur
Ze zagen hoe ik worstelde
En hun armen lagen om mijn schouders
zonder gewicht of gevolg
Mijn gedachten
mijn hart en toen ik weggeroepen werd
pakte ik alles, verscheepte, verzond
nam afscheid en werd minder op deze plek
en ik vergat ze te vragen
mee te gaan naar mijn oude leven
dat ze uit den treure kenden
en volgens mij woonden ze nog steeds
in het huis dat ik verliet
Tegen een vriendin zeg ik:
ben mijn geesten vergeten
en zij weet te zeggen
: die komen na

 

Vertaald door Elbert Besaris

 

Nora Gomringer (Neunkirchen an der Saar, 26 januari 1980)

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Nederlandse dichter en beeldend kunstenaar Martijn den Ouden werd geboren in Nieuw-Lekkerland in 1983.Zie ook alle tags voor Martijn den Ouden op dit blog.

 

me Poeze haalt brood bij de bakker als ik ’s ochtends douche

me Poeze haalt brood bij de bakker als ik ’s ochtends douche
ze koopt honing bij de imker en wol in grijze fabrieken

dit is kwaadland
de schunnige bijen maken drumgeluid

ik klop mijn vleugels uit op het balkon
dertig meter boven aarde

me Poeze wandelt met brood en honing door de straten
een bolletje wol tussen de tanden

dit is kwaadland
de schunnige bijen maken drumgeluid

de auto’s vloeken uit hun ogen

 

Martijn den Ouden (Nieuw-Lekkerland, 1983)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 26e januari ook mijn blog van 26 januari 2019 en ook mijn blog van 26 jauari 2016 en mijn blog van 26 januari 2014 deel 1 en deel 2 en eveneens deel 3.

Lisa Weeda, John Donne

De Nederlandse schrijfster Lisa Weeda werd geboren in Dordrecht op 25 januari 1989. Zie ook alle tags voor Lisa Weeda op dit blog.

Uit: Het archief Jilles

“Lieve Jilles,
Toen mijn moeder, Marie, jong was, legde je om de zoveel tijd scheepskaarten op de woonkamertafel om de veranderde vaargeulen van de rivieren bij te tekenen. Je legde de kaarten op een houten bord en ging te werk met een passer, een speciale liniaal en een
potlood. Eb, vloed, de diepte van de rivier, stroming, de plaatsing van betonningen; de elementen veranderden constant, jij hield het precies bij. Je was loods, jij zorgde dat schepen goed van haven naar haven kwamen. Je had totale controle over wat er voor je
lag. Jij wist de weg, als enige.
De tientallen scheepskaarten lagen opgerold in je werkkamer, netjes opgeborgen. Zo kende ik je ook als kind: strikt en opgeruimd. Je verzamelde postzegels, munten en telefoonkaarten, je hield van mathematische spelletjes, sport, klaverjassen en schaken. Je was streng maar rechtvaardig.
‘Je moet zorgen dat je alles altijd op dezelfde plek neerlegt. Je moet blindelings alles kunnen vinden,’ zei je ooit tegen je dochter Anna, mijn tante.
‘Dat had hij van zijn marinetijd,’ vertelt ze me, ‘je moet weten waar alles ligt in je hut.’
Ik sta altijd wantrouwig tegenover totaal geordende ruimtes, opa, daar klopt iets niet, ik krijg er jeuk van. Wie al zijn bezittingen steriel en overzichtelijk neerlegt, heeft meestal ergens een kast of een kist of een doos waar allerlei onverwachte dingen uit kunnen donderen. Wie het oppervlak beheerst, verbergt het meest: stille wateren hebben diepe gronden.
Opa, je lag al jaren in de totaal ongeordende la (sorry) van mijn kleine schrijfbureau te wachten. Je zat in een houten bakje vol zwart-wit, kleur en sepia kiekjes van onze familie. Altijd als ik door dat bakje ging om in een verhaal te duiken, hield ik twee zwart-witfoto’s
van jou vaak wat langer in de lucht: een uit de winter van ’44 en een uit de zomer van ’43. Ik noemde ze ‘de Zweedse hout-hak-foto’s’. In de winter van ’44 sta je met je handen op je rug op een besneeuwd pad.”

 

Lisa Weeda (Dordrecht, 25 januari 1989)

 

De Engelse dichter John Donne werd ergens tussen 24 januari en 19 juni 1572 geboren in Londen. Zie ook alle tags voor John Donne op dit blog.

 

Holy Sonnets

V

Ik ben een kleine wereld, knap gemaakt
Van elementen en een engelenhart,
Maar eeuwige nacht brengt nu mijn zondezwart
Aan mijn twee delen, en hun einde naakt.
U, die voorbij de hoogste hemel raakt
Aan nieuwe sterren, nieuw land, zeer apart,
Giet zeeën in mijn oog, zodat mijn smart
Tranen spoelt en berouw mijn wereld kraakt;
Of was haar schoon, verdronken was zij al;
Maar zij moet branden; neen, reeds woedde het vuur
Van afgunst, en bracht haar tot verval
En gorigheid; maak hun vlam kort van duur
En brand in mij een vurigheid voor Uw beeld
En voor Uw huis, Heer, die verterend heelt.

 

Vertaald door Jan Jonk

 

John Donne (24 januari 1572 – 31 maart 1631)
Portret van John Donne, gedateerd 1591, Engelse School. Frontispice van ‘The Poems of John Donne’, gepubliceerd in 1942 (detail)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 25e januari ook mijn blog van 25 januari 2021 en ook mijn blog van 25 januari 2019 en ook mijn blog van 25 januari 2017 en ook mijn blog van 25 januari 2015 deel 2 en eveneens deel 3.

Anthony Staring, Derek Walcott

De Nederlandse dichter, landbouwkundige en landheer Anthony Christiaan Winand Staring werd geboren in Gendringen op 24 januari 1767. Zie ook alle tags voor Anthony Staring op dit blog.

 

De winter.

De Winter heeft, hoe grijs van kin,
Een kleur als melk en bloed!
Hij tafelt lang; schenkt naarstig in;
En ’t maal bekomt hem goed.
Hij plant, hij delft, hij ploegt bij daag,
Vermand door sneeuw noch buldervlaag;
En trekt wel eens, in jagersdragt,
Naar ’t glinstrend bosch, ter avendwacht.

Als ’t ijs den radden vloed houdt staan,
Voelt hij zijn kracht gesterkt:
Zijn schaatsen gonzen langs de baan,
Zijn hielen zijn gevlerkt!
Bevracht een aardig kind zijn sleê,
Hij zwaait er als een veder meê,
En ’t meisje tart, tot sneller vaart,
Haar speelnoot achter ’t rinklend paard.

Zijn haardsteê lokt de jeugd bijeen;
Zij wemelt om zijn stoel.
Hij pleegt terwijl zijne oude leên,
En schatert in ’t gejoel.
Een sprong in ’t ronde mag hij wel,
Doch voegt zich liefst bij zang en spel;
Of kort den nacht met gul gejok,
En heeft geene ooren voor de klok.

Omsingle ’t West, met slibbe en plas,
Zijne ongenaakbre stulp,
De Tijd gaat met geen trager pas;
Dank zij der Muzen hulp!
Gemis wordt in genot verkeerd,
Als ’t Oosten op zijn beurt regeert;
De vorst het grondloos pad bestraat,
En vriendschap weêr uit buren gaat.

Wie dan den Winter lastren meugt,
Kraait gij ons, na en voor,
Van Lenteblijheid, zomervreugd,
En Herfstvermaak aan ’t oor?
Den Grijsaard zij, als eerbetoon,
Een krans van palm bij ons geboôn;
En klank van gouden snaren zweev’
Door ’t feestgeroep: ‘De Winter leev’!’

 

Meizang.

’t Is Lente! Lente!
Het feestgeschal
Van ‘Lente! Lente!’
Klinke overal!

Hoe geurt de wasem
Der berkenspruit!
Hoe zacht is de asem
Van ’t vriendlijk zuid!

De bijtjes dragen
Weêr honig aan;
De tortels klagen;
De wachtels slaan.

Op weide en akker –
Langs vliet en poel –
Is ’t leven wakker –
Is blij gejoel.

Was ’t meerder weelde,
Dan lentevreugd,
Die Adam streelde,
In Edens jeugd?

Of breidde de aarde,
Toen de Eerste Bruid
Haar bruidkrans gaarde,
Zich schooner uit?

 

Anthony Staring (24 januari 1767 – 18 augustus 1840)
Portret door Johannes Immerzeel, 1840

 

De Westindische dichter en schrijver Derek Walcott werd geboren op 23 januari 1930 op St. Lucia, een van de kleine Bovenwindse Eilanden. Zie ook alle tags voor Derek Walcott op dit blog.

 

GOD REST YE MERRY, GENTLEMEN

Elke straathoek is Kerstavond
in het centrum van Newark. De Wijzen lopen
in zwarte overjassen en koesteren
een fles spiritus, en hoeren loeren
vergeefs uit de donkere kribben van portieken.
Een gekke koning breekt een fles ter ere
van de bijstand, ‘Ik maak ‘m dood, de klootzak’,
en voor zwarte woonblokken zonder werk
is de lucht vol kristallen splinters.

Een bus breekt uit de zinsbegoocheling van water,
een nijlpaard onder natte straatlantaarns, en knarst
verder in rook; elke schaduw lijkt te wankelen
onder het bijtend zuur van neon –
haperend als pis, sommige l tt rs uit-
gevallen, gedoofd – op twee witte
verpleegsters na, hun roeping nog witter gemaakt
door het donker. Over twee dagen zijn er verkiezingen.

Johannesburg is vol sterverlichte kroegen.
Het is anti-Amerikaans zulke vergelijkingen te trekken.
Denk aan Newark als aan Kerstavond,
als alle mensen je broeders zijn, zelfs
deze; geef ons vrede in pakketjes,
laten er geen gebroken flessen meer zijn in de hemel
boven Newark, laat het niet glanzen als spuug
op een drempel, denk aan de denneboom-
piek met de gouden ster erboven op de
fluoriserende bumper-sticker van een passerende auto.

Dochter van je eigen Zoon, Moeder en Maagd,
groot is de sprankeling van het wolkenkrabber-firmament
in zure plassen, de gouden ster in etalages,
en de gele ster op de door mot aangevreten mouw van de avond
als de zwarte jas die Hij droeg door mesdunne ellebogen
uit het ghetto de veewagen in
van Warschau; nergens is Zijn komst meer immanent
dan in het centrum van Newark, waar drie lichten
de sterverlichte wieg en de evergreen kerstliederen
geloven voor het musse-kind: een jochie met zwarte flapperende jas
gevolgd door een witte ster terwijl er een politie-auto patrouilleert.

 

Vertaald door Jan Eijkelboom

 

Derek Walcott (23 januari 1930 – 17 maart 2017)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e januari ook mijn blog van 24 januari 2024 en ook mijn blog van 24 januari 2021 en ook mijn blog van 24 januari 2019 en ook mijn blog van 24 januari 2017 en ook mijn blog van 24 januari 2016 deel 2.

Jabik Veenbaas, John Donne

De Nederlandse dichter, schrijver, vertaler en filosoof Jabik Veenbaas werd geboren in Hijlaard op 23 januari 1959.

 

Mijn huis

nog denk ik terug aan mijn huis, het kleine, een
zomeravond en een zandbak, stekelbaarsjes
in een weckfles, buurmans radijzen

en aan de doden die hier woonden,
met hun zachte lippen en hun ogen vol onmacht: een
jongen die de sloot inliep, een vrouw die
viel het bloed vloeide zomaar door
mijn kamer

het verleden dat over de drempel strompelde, zwaar
bewapende soldaten, een veldheer die het oosten
veroverde, bommen op een stad. of eerder nog:
zonnestelsels die ontstonden (een vage
herinnering), sterren die hun eerste licht
smeten het vuur smeult nog na in mijn
open haard

mijn huis: zou het nooit groter geweest zijn dan mijn hoofd
en niet dikker dan het vlies van mijn huid?

hoe ik loop over smalle planken
met het huis in mijn doorzichtige hand

 

De gave

ik liep nog één keer door de stad
om alles weg te geven
mijn benen liet ik aan een bedelaar
die zijn hand ophield in een schemerig park
mijn vingers gunde ik aan een vogel
die er zijn jongen mee voerde
mijn kleumend hart schonk ik aan jou
een vreemde, bloederige gave!
toen was ik niets meer dan een lang verlaten,
een ongenaakbaarheid, maar ik werd ook
het onstilbaar verlangen van de late bedelaar,
het vogeljong dat reikhalzend uitvloog
en jouw meisjesogen die dorstig dongen
naar de broze blijdschap van een nieuwe dag

 

Jabik Veenbaas (Hijlaard, 23 januari 1959)

 

De Engelse dichter John Donne werd ergens tussen 24 januari en 19 juni 1572 geboren in Londen. Zie ook alle tags voor John Donne op dit blog.

 

Holy Sonnets

VI

Mijn slotscène, bepaalt God; pelgrim ik
Loopt hier zijn laatste mijl; bijna volbracht
Is dit mijn laatste stap in de ijdele jacht;
Nog even leef ik; nu de laatste tik,
En gulzige dood ontleedt onmiddellijk
Lichaam en ziel, en ik rust even zacht,
Mijn wakend deel ziet zich nu al gebracht
Voor het gezicht, dat mij verlamt van schrik;
Mijn ziel vliegt tijdelijk ten hemelpoort,
Mijn aardgebonden lijk zoekt aarden cel;
Dus val, zonden, terug waar je behoort,
Daar waar je mij wou hebben, broedplaats hel.
Rechtvaardig mij, gezuiverd van het kwaad,
Nu ik wereld, vlees en duivel achterlaat.

 

Vertaald door Jan Jonk

 

John Donne (24 januari 1572 – 31 maart 1631)
Cover

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e januari ook mijn blog van 23 januari 2019 en ook mijn blog van 23 januari 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

Delphine Lecompte, Rainer Stolz

De Vlaamse dichteres en schrijfster Delphine Lecompte werd geboren op 22 januari 1978 in Gent. Zie ook alle tags voor Delphine Lecompte op dit blog.

 

De hebberige oom en de naakte neushoornjager

Mijn grootmoeder heeft veertien wekkers
Dat zijn er elf te veel, beweert haar strenge zoon
Zonder kersenbonbons is hij binnengevallen
Met een zak vol maskers en wijwatervaten verlaat hij zijn moeder
Morgen zal hij de wijwatervaten verkopen aan een poëtische neushoornjager.

De neushoornjager is niet echt poëtisch
Hij schrijft gedichten, dat wel
Zijn het goede gedichten?
Ik weet het niet, ik durf mij niet uit te spreken
Over de kwaliteit van zijn groteske sonnetten.

Want toen ik ze las was ik gedrogeerd
Het spijt me, en ik doe dat nu niet meer
Maar mijn oom, mijn oom nee hij is niet braaf
Hij is vadsig, hebberig en rancuneus
Mijn grootmoeder vraagt me of ik hem wil vergiftigen.

In haar tuin staan kruiden
Die zonder sporen dodelijk zijn
Toch zal ik mijn oom laten leven
Ik ben nog veel te jong om een familielid te liquideren
En als ik het een keer doe vrees ik dat ik de smaak te pakken krijg.

Ik verlaat mijn grootmoeder met een borstzak vol teennagels

De zijne, de mijne, de hare
In de duinen spot ik de neushoornjager zonder kleren
Zijn penis is ondanks de rusttoestand groter dan een volwassen mol
Ziet hij mij naderen dan wordt de mol een alerte meerkat.

De neushoornjager vraagt hoe het met mijn rolschaatscarrière gaat
Ik antwoord: ‘Heel goed. In Bulgarije telt mijn fanclub meer dan honderd leden.’
Na deze onschuldige leugen valt zijn meerkat evenwel in duigen.

 

Ik imiteer mijn varaan, ik echo zijn naam

Vorige maand heb ik een varaan gekregen van een achterlijke bakker
Die twee dagen na de overhandiging van de magische hagedis is gestikt
In een hoefijzervormige magneet waaraan een lege goederenwagon kleefde
Het terrarium heb ik zelf moeten kopen
De terrariumverkoper zei: ‘Succes met je varaan. Heeft hij al een naam?’

Ik heb de winkel verlaten zonder te antwoorden
Omdat ik mij schaamde
Eerst een terrarium kopen, en dan pas nadenken over een naam
Dat is de verkeerde volgorde, weet zelfs de meest hardvochtige kleuter
In de laatste telefooncel van mijn geboortestad vond ik de naam.

De naam van de varaan lag op de grond
Tussen een jonge snijtand en een drievork
Die een gemberwortel bleek te zijn
Ik probeerde mijn muze te bellen
Maar hij stond op een telefoonloze dijk zichzelf op te hemelen.

Terug naar vandaag dan maar
De varaan met de telefooncelnaam is trots en vadsig
Sinds hij mijn woning heeft ingepalmd met zijn fiere landerigheid
Blijf ik vaker thuis om van hem te leren
Ik imiteer zijn ontzagwekkende apathie, ik faal niet.

We worden stommer en breder
Soms likt mijn varaan een ruit, tik ik terug dan glimlacht hij ondubbelzinnig
In spiegelschrift schrijf ik onze namen naast elkaar
Met een groot hart ertussen uiteraard
Want zijn koudbloedigheid is altijd een fabel geweest.

 

Delphine Lecompte (Gent, 22 januari 1978)

 

De Duitse dichter en schrijver Rainer Stolz werd geboren in Hamburg op 22 januari 1966. Hij woont nu in Berlijn. Zie ook alle tags voor Rainer Stolz op dit blog.

 

Huis in We.

Er zijn nog vragen: aan de bewakers
van de grijstinten, die ’s avonds zachtjes
tegen de ramen kloppen, nog vragen
aan alle soorten weer waarvan de types
een beetje scheef zijn, zoals het huis
waar ze om vechten, vragen ook
aan de dakgoot, die soms
gelaten overbodig is, waardoor ik
me zou kunnen afvragen waarmee de zon
hierboven toch zijn geel verdient,
waar zelfs de schapen spijbelen
voordat ze in het zand bijten, verder
zouden er vragen zijn aan de schare der geesten
met hun klopsignalen: of ze zich vrijwillig
zo laten meeslepen, als was het
geen kunst, die onvergelijkbaar
nutteloos is, zoals de holtes hier
die alle vragen verplaatsen, als voedsel
voor de spinnen misschien, die me vertellen:
goed hout! is hier te krijgen – en dat ruikt
heerlijk wanneer ik weer eens
mijn hoofd gestoten heb.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Rainer Stolz (Hamburg, 22 januari 1966)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 22e januari ook mijn blog van 22 januari 2021 en ook mijn blog van 22 januari 2019 en ook mijn blog van 22 januari 2017 deel 1, deel 2 en deel 3.

For a Parent on the Death of a Child (John O’Donohue), Kristín Marja Baldursdóttir

 

Dolce far niente

 

Moeder en dochter door Bertha Wegmann, 1883

 

For a Parent on the Death of a Child

No one knows the wonder
Your child awoke in you,
Your heart a perfect cradle
To hold its presence.
Inside and outside became one
As new waves of love
kept surprising your soul.

Now you sit bereft
Inside a nightmare,
Your eyes numbed
By the sight of a grave
No parent should ever see.

You will wear this absence
Like a secret locket,
Always wondering why
Such a new soul
Was taken home so soon.

Let the silent tears flow
And when your eyes clear
Perhaps you will glimpse
How your eternal child
Has become the unseen angel
Who parents your heart
And persuades the moon
To send new gifts ashore.

 

John O’Donohue (1 januari 1956 – 4 januari 2008)
De Petrus en Paulus kathedraal in Ennis, County Clare, de geboorteplaats van John O’Donohue

 

De IJslandse schrijfster Kristín Marja Baldursdóttir werd geboren op 21 januari 1949 in Hafnarfjörður. Zie ook alle tags voor Kristín Marja Baldursdóttir op dit blog.

Uit: Möwengelächter (Coletta Bürling und Renate Einarsson)

“Am Ostermorgen, als Agga mit der Aprilsonne im Nacken auf dem alten Steinpier stand und die Flundern im seichten Wasser am Ufer mit Steinen zu treffen versuchte, bekam sie dieses merkwürdige Prickeln im Bauch, das die Erwachsenen bekommen, wenn sie verliebt sind oder irgendein fürchterliches Gebräu getrunken haben. Allerdings hatte sie weder das eine noch das andere ausprobiert, und deshalb glaubte sie, das Gefühl sei ein Vorzeichen großer Ereignisse, denn genauso ging es Kidda in der Kellerwohnung immer, wenn Orkane oder Vulkanausbrüche im Anzug waren, und außerdem konnte diese plötzlich und unvermittelt Lemurengeruch wittern, was unweigerlich den Tod ankündigte. Agga schnupperte, konnte aber nichts anderes riechen als den penetranten Geruch von Seetang.
Gelbe Strahlen erleuchteten die glatte, graue Meeresoberfläche im Hafenbecken, und im Ort herrschte Grabesstille. Nur der Rauch aus den Häusern, die zum Teil halb versteckt in den Lavamulden kauerten, deutete darauf hin, dass manche bereits auf den Beinen waren. Die Uhr am Kirchturm zeigte gut zehn, und bald würden sich die Männer mit Schlägermützen und in abgewetzten Sonntagsanzügen am Hafen einfinden und mit den Händen in den Hosentaschen die alte Leier über mageren Fischfang, Reaktionäre und die verdammten Kommunisten anstimmen.
Die Möwen am Ufer kreischten laut an diesem Auferstehungstag des Gottessohnes, und Aggas Magen rumorte, als hätte sich dort ein Poltergeist eingenistet. Dass die Übelkeit von dem riesigen Schokoladenosterei herrühren könnte, das sie sich noch vor Sonnenaufgang einverleibt hatte, kam ihr nicht in den Sinn, sie glaubte eher an das Vorzeichen, spürte aber das Bedürfnis, aufzustoßen oder sich über einen Küchenhocker zu legen, um sich von Blähungen und Bauchschmerzen zu befreien. Sie trottete den alten Steinpier wieder zurück, über die Brücke, die über den Bach führte, und hielt sich bis nach Hause den Bauch. Unterwegs hörte sie aus einiger Entfernung das Klappern von hochhackigen Schuhen, war aber zu sehr mit ihren Bauchschmerzen beschäftigt, um es zu beachten. Es war ihr so egal, dass sie sich nicht einmal umdrehte, um zu sehen, wer schon so früh am Ostersonntag unterwegs war. Sie war bereits zu Hause am Gartentor angelangt, als ihr bewusst wurde, dass die Frau ihr die ganze Zeit auf den Fersen gewesen war. Da endlich drehte sie sich um.”

 

Kristín Marja Baldursdóttir (Hafnarfjörður, 21 januari 1949)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 21e januari ook mijn blog van 21 januari 2024 en ook mijn blog van 21 januari 2022 en ook mijn blog van 21 januari 2019 en ook mijn blog van 21 januari 2018.

NERGENS (Anna Enquist), Stefan Popa

 

Dolce far niente

 

Moeder en dochter door Edvard Munch, 1897

 

NERGENS

En maar overal en maar
rusteloos maar zonder slaap
zonder haar overal zoeken

en zwerven om haar niet
te weten overal ook overal
in plaatsen waar zijn nooit

maar weten kan je niet
dus niet slapen niet eten
en overal kijken overal

dat had ze nooit zeggen
ze gewild maar wat
weten ze daarvan overal

waar haar schaduw haar
voetstap daar zal ook ik
gaan en in de zon gaan

en in de nacht natuurlijk
alle schepen straten treinen
er is veel te doen overal

ja ik weet ze is weg
maar wellicht wacht ze
toch overal op mij dus

ik zoek en ik kijk en ik
slaap niet maar blijf
buitengewoon waakzaam.

 

Anna Enquist (Amsterdam, 19 juli 1945)
De aula (ontvangstgebouw en dienstwoningen) van de begraafplaats Vredenhof in Amsterdam

 

De Nederlandse schrijver en journalist Stefan Popa werd op 20 januari 1989 geboren in Vleuten. Zie ook alle tags voor Stefan Popa op dit blog.

Uit: In de schaduw van de eik

“Ik druk mijn duim in de noest boven mijn voorhoofd en sleep mijn huid langs de nerf, over het taaie eikenhout, tot een splinter mijn vel in sluipt en ik op mijn tong bijt om geluidloos te kermen. Omdat ik toch iets denken moet, denk ik: ’toog’ betekent zowel ‘priestergewaad’ als ‘bar: Ik stop mijn duim in mijn mond en zuig het ijzer uit mijn lijf. Als de wond is gestold, vouw ik mijn handen kruislings over mijn borst en wacht net als iedereen het einde af. De mouwen van mijn gasten ruisen als zij hun kruisen slaan. Het moet me meer zorgen baren Ik hoor hoe de priester opnieuw rond mijn lichaam klingelt. HIJ prevelt zoetgevooisde woorden die ik niet versta. Ingenesteld in eiken tel ik mijn grafrede af. Er zit een ruimte van twee vuisten tussen neus en deksel, maar ik heb in te veel kleine keukens gewerkt om nu nog claustrofobie te ontwikkelen. Ik lig zo stijf als ik kan. Zonder de priester te zien volg ik het geketende wierookvat in zijn handen, op en neer, heen en terug, als een pendule die de toeschouwer in hypnose leidt. Mijn ingetoomde adem stuit op de deksel en keert nog warm terug. Ik begrijp beat dat je soms wordt verrast door het leven – noem het overrompeld – maar dit is niet het einde dat ik me had voorgesteld. Ik ben hier niet heen gegaan om te sterven. De priester kucht Ik bijt me door de psalmen, hymnes, gebeden en klaagzangen.
Een hoop gedoe om niets. Ik heb heel mijn leven gezegd dat ik niet gecremeerd en zeker niet begraven wilde worden. Stoof mijn lijf in een ketel met abdijbier en voer me aan het meest misbruikte dier ter wereld: het varken. Volgende keer beter. De priester neemt een slok water voor hij preekt. Hij vervloekt de globalisering, de eindeloze nood tot consumeren die zelfs is doorgedrongen tot zijn gemeente in het hoge noorden en het gebrek aan spiritualiteit die over de moderne mens is neergedaald. ‘Alex..? Hij pauzeert kort zodat alle aanwezigen mij voor zich zien, de Alex die zij zo kort kenden. te vroeg, veel te vroeg, teruggeroepen.’ Ik houd van mijn voornaam. Van mijn voornaam wel. Alex past me. Die naam heb ik te danken aan mijn vader, die mijn vader niet was. Hij gaf me bij een poldergemeente onder zeeniveau aan als Alex Petrescu. Tegen de zin van mama, zij stond erop om mij Codrin te noemen. Dat kon ze vergeten. Mijn voornaam was de naam die hij mij wilde geven om mijn vader te spelen. Het was een eenzijdig compromis. Al hield hij wel degelijk rekening met haar geboortegrond: het ging wat hem betrof tussen Daniel, Victor, Stefan, zonder komma onder de s, en Alex. Een Alex zou tenminste werk vinden in een kantoortoren. ‘Ik begraaf meer mensen dan ik doop: zegt de priester. Hij zucht – oprecht, geloof ik. ‘Dat kan ik accepteren, dat is mijn last. Maar dit…’ Hij wijst, vermoedelijk, naar mij. Ik druk mijn achterhoofd dieper in het hoofdkussen.”

 

Stefan Popa (Vleuten, 20 januari 1989)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 20e januari ook mijn blog van 20 januari 2024 en ook mijn blog van 20 januari 2019 deel 1 en eveneens deel 2.

Brother And Sister (D.H. Lawrence)

 

Dolce far niente

 

Portret van broer en zus door Sergei Pavlenko, z.j.  

 

Brother And Sister

The shorn moon trembling indistinct on her path,
Frail as a scar upon the pale blue sky,
Draws towards the downward slope: some sorrow hath
Worn her down to the quick, so she faintly fares
Along her foot-searched way without knowing why
She creeps persistent down the sky’s long stairs.

Some day they see, though I have never seen,
The dead moon heaped within the new moon’s arms;
For surely the fragile, fine young thing had been
Too heavily burdened to mount the heavens so.
But my heart stands still, as a new, strong dread alarms
Me; might a young girl be heaped with such shadow of woe?

Since Death from the mother moon has pared us down to the quick,
And cast us forth like shorn, thin moons, to travel
An uncharted way among the myriad thick
Strewn stars of silent people, and luminous litter
Of lives which sorrows like mischievous dark mice chavel
To nought, diminishing each star’s glitter,

Since Death has delivered us utterly, naked and white,
Since the month of childhood is over, and we stand alone,
Since the beloved, faded moon that set us alight
Is delivered from us and pays no heed though we moan
In sorrow, since we stand in bewilderment, strange
And fearful to sally forth down the sky’s long range.

We may not cry to her still to sustain us here,
We may not hold her shadow back from the dark.
Oh, let us here forget, let us take the sheer
Unknown that lies before us, bearing the ark
Of the covenant onwards where she cannot go.
Let us rise and leave her now, she will never know.

 

D.H. Lawrence (11 september 1885 – 2 maart 1930)
St Mary’s Church in Eastwood, de geboorteplaats van D.H. Lawrence

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 19e januari ook mijn blog van 19 januari 2025 en ook mijn blog van 19 januari 2019 deel 1 en ook deel 2.