Een schilderij met de afbeelding van Allerheiligen op het hoofdaltaar in de kerk in Ptaszkowa, Zuid-Polen.
All Hallows
Even now this landscape is assembling. The hills darken. The oxen sleep in their blue yoke, the fields having been picked clean, the sheaves bound evenly and piled at the roadside among cinquefoil, as the toothed moon rises:
This is the barrenness of harvest or pestilence. And the wife leaning out the window with her hand extended, as in payment, and the seeds distinct, gold, calling ‘Come here Come here, little one’
And the soul creeps out of the tree.
Louise Glück (22 april 1943 – 13 oktober 2023) De All Saints Church in Manhattan, New York, de geboorteplaats van Louise Glück
De Oostenrijkse dichteres en schrijfster Ilse Aichinger werd met haar tweelingzusje Helga geboren op 1 november 1921 in Wenen. Zie ook alle tags voor Ilse Aichinger op dit blog.
Zelf gebouwd
Ik wil mijn dorpen zonder woorden laten en alleen door de sneeuw slingeren en open tegen de hekken. Vanuit de hoogte van mijn zolders wil ik de jaguars aanschouwen, de wolven horen fluiten. De zon sprong hier weg, maar de kinderen ontvangen als ze leeuwetanden oogsten hulp, ruim baan voor de koning!
Vertaald door Lucas Hüsgen
Ilse Aichinger (1 november 1921 – 11 november 2016)
Oh, very gloomy is the house of woe, Where tears are falling while the bell is knelling, With all the dark solemnities that show That Death is in the dwelling!
Oh, very, very dreary is the room Where Love, domestic Love, no longer nestles, But smitten by the common stroke of doom, The corpse lies on the trestles!
But house of woe, and hearse, and sable pall, The narrow home of the departed mortal, Ne’er looked so gloomy as that Ghostly Hall, With its deserted portal!
The centipede along the threshold crept, The cobweb hung across in mazy tangle, And in its winding sheet the maggot slept At every nook and angle.
The keyhole lodged the earwig and her brood, The emmets of the steps has old possession, And marched in search of their diurnal food In undisturbed procession.
As undisturbed as the prehensile cell Of moth or maggot, or the spider’s tissue, For never foot upon that threshold fell, To enter or to issue.
O’er all there hung the shadow of a fear, A sense of mystery the spirit daunted, And said, as plain as whisper in the ear, The place is haunted.
Howbeit, the door I pushed—or so I dreamed– Which slowly, slowly gaped, the hinges creaking With such a rusty eloquence, it seemed That Time himself was speaking.
But Time was dumb within that mansion old, Or left his tale to the heraldic banners That hung from the corroded walls, and told Of former men and manners.
Those tattered flags, that with the opened door, Seemed the old wave of battle to remember, While fallen fragments danced upon the floor Like dead leaves in December.
The startled bats flew out, bird after bird, The screech-owl overhead began to flutter, And seemed to mock the cry that she had heard Some dying victim utter!
A shriek that echoed from the joisted roof, And up the stair, and further still and further, Till in some ringing chamber far aloof In ceased its tale of murther!
Meanwhile the rusty armor rattled round, The banner shuddered, and the ragged streamer; All things the horrid tenor of the sound Acknowledged with a tremor.
The antlers where the helmet hung, and belt, Stirred as the tempest stirs the forest branches, Or as the stag had trembled when he felt The bloodhound at his haunches.
The window jingled in its crumbled frame, And through its many gaps of destitution Dolorous moans and hollow sighings came, Like those of dissolution.
The wood-louse dropped, and rolled into a ball, Touched by some impulse occult or mechanic; And nameless beetles ran along the wall In universal panic.
The subtle spider, that, from overhead, Hung like a spy on human guilt and error, Suddenly turned, and up its slender thread Ran with a nimble terror.
The very stains and fractures on the wall, Assuming features solemn and terrific, Hinted some tragedy of that old hall, Locked up in hieroglyphic.
Some tale that might, perchance, have solved the doubt, Wherefore, among those flags so dull and livid, The banner of the bloody hand shone out So ominously vivid.
Some key to that inscrutable appeal Which made the very frame of Nature quiver, And every thrilling nerve and fiber feel So ague-like a shiver.
For over all there hung a cloud of fear, A sense of mystery the spirit daunted, And said, as plain as whisper in the ear, The place is haunted!
Prophetic hints that filled the soul with dread, But through one gloomy entrance pointing mostly, The while some secret inspiration said, “That chamber is the ghostly!”
Across the door no gossamer festoon Swung pendulous, –no web, no dusty fringes, No silky chrysalis or white cocoon, About its nooks and hinges.
The spider shunned the interdicted room, The moth, the beetle, and the fly were banished, And when the sunbeam fell athwart the gloom, The very midge had vanished.
One lonely ray that glanced upon a bed, As if with awful aim direct and certain, To show the Bloody Hand, in burning red, Embroidered on the curtain.
Thomas Hood (23 mei 1799 – 3 mei 1845) Londen, de geboorteplaats van Thomas Hood
De Engelse dichter John Keats werd geboren op 31 oktober 1795 in Finsbury Pavement in Londen. Zie ook alle tags voor John Keats op dit blog.
Aan de slaap
Zoet balsemer van stille middernacht, Druk onze schemerdronken ogen dicht Met vingers die voorzichtig zijn en zacht, Tot goddelijk vergeten van het licht. O liefste Slaap, mocht het jou zinnen, sluit Bij deze lofzang mijn gewillige ogen Of wacht het Amen af tot maankopkruid Mijn bed bestrooit met sussend mededogen. Verlos me, of de vergane dag verlicht Mijn kussen om mijn nood nog te verhogen; Verlos me van de wroeging die genot Vindt in het duister als een mol die wroet, Draai rad de sleutel in ’t geolied slot En sluit de kist van mijn verstild gemoed.
De Franse schrijver Édouard Louis werd geboren als Eddy Bellegueule op 30 oktober 1992 in Hallencourt, Somme, in het noorden van Frankrijk. Zie ook alle tags voor Édouard Louis op dit blog.
Uit: De geschiedenis van geweld (Vertaald door Reintje Ghoos en Jan Pieter van der Sterre)
“Ik sopte de houten stoelen, haalde een natte spons over de boeken die hij in zijn handen had gehad, wreef de deurknoppen met antiseptische doekjes, veegde zorgvuldig, een voor een, de houten lamellen van de zonneblinden schoon, verplaatste en verwisselde de stapels boeken die op de vloer stonden en liet de metalen ombouw van mijn bed glanzen, vernevelde op het gladde, witte oppervlak van de koelkast een product met een citroengeur, het lukte me niet te stoppen, ik werd gedreven door een soort energie die dicht bij waanzin lag. Ik dacht: beter gek dan dood. Ik schrobde de douche, die hij had gebruikt, goot een paar liter bleekwater in het toilet en in de wastafel (op zijn minst ruim twee liter, dat wil zeggen één volle fles van anderhalve liter en een nog halfvolle), schrobde dwaas genoeg de hele badkamer, ging zelfs zo ver de spiegel schoon te maken waarin hij zich die avond had bekeken, of liever bewonderd, gooide de kleren weg die hij had aangeraakt, ze wassen zou niet genoeg zijn geweest; ik weet niet waarom dat wel genoeg was voor de lakens en niet voor de kleren. Op handen en voeten boende ik de vloer, ik brandde mijn vingers aan het dampende water, de dweil schuurde dunne, rechthoekige strookjes van mijn zacht geworden huid. De stukjes huid krulden op. Ik stopte even, haalde diep adem, ik snoof zelfs als een beest, ik was een beest geworden, op zoek naar die geur die ondanks mijn inspanningen nooit leek te verdwijnen, zijn geur wilde niet weggaan en daar leidde ik uit af dat die geur aan mij hing en niet aan de lakens of de meubels. Het probleem kwam uit mij. Ik stapte de douche in, ik waste me, toen een tweede keer, toen een derde keer, en zo verder. Ik gebruikte zeep, shampoo, conditioner op mijn lichaam om het zo veel mogelijk geur te geven, het was alsof zijn geur bij me was ingevreten, in mij, tussen het vlees en de opperhuid, ik krabde mijn lichaam overal, duwde hard met mijn nagels, hardnekkig, om de binnenste huidlagen te bereiken, daar de geur weg te krijgen, ik vloekte, godverkut, maar de geur bleef hangen, maakte me steeds misselijker, duizeliger. Ik concludeerde: hij zit In de neus, die geur. Je ruikt de binnenkant van je neus. De geur zit vast aan mijn slijmvliezen. Ik liep de badkamer uit, kwam terug en goot een fysiologische zoutoplossing in mijn neus; ik blies de lucht door mijn neus naar buiten, zoals bij snuiten, nou ja, dat effect wilde ik teweegbrengen, dat het vocht overal mijn slijmvliezen bereikte; het hielp niets; ik zette de ramen open en ging naar buiten om Henri op te zoeken, de enige vriend die op die ochtend van 25 december om een uur of negen wakker was.”
In hun kwartier, de stinkend vieze goot, Waar door een walm de grote maan heendringt En als een reuzenschedel neerwaarts zinkt, Verhangen aan de hemel, wit en dood,
Daar zitten ze de warme zomernacht Voor grotten als van ’t zwarte dodenrijk In lompen die vergaan van stof en slijk. Gezwollen lijven puilen uit die dracht.
Hier spert een tandeloze mond zich wijd, Ginds steekt er één zijn armenstompjes uit, Een imbeciel lalt wezenloos geluid, Een grijsaard hurkt, zijn lepra-hoofd lijkt krijt.
Er spelen kinderen, wier beentjes men Al heel jong brak. Zij springen op hun krukken Als vlooien licht en hinken hele stukken Om bij een vreemdeling te bedelen.
De vislucht walmt vanuit een kelderluik, Waar schooiers, woedend, slechts de graten vinden. Met ingewanden voeren ze een blinde, Die kotst de kleding onder, langs zijn buik.
Vertaald door Matthias Rozemond
Georg Heym (30 oktober 1887 – 16 januari 1912)
De Vlaamse schrijver, , criticus, classicus en literair vertaler Paul Claes werd geboren in Leuven op 30 oktober 1943. Zie ook alle tags voor Paul Claes op dit blog.
Uit: Rimbaud in de Lage Landen
“‘Porteur de blés flamands’ (bevracht met Vlaams koren) noemt Arthur Rimbaud zijn ‘Bateau ivre’. Waarom ‘Vlaams’? Is het mogelijk dat de dichter die in Parijs opviel door zijn Ardense tongval, zich toen nog met het Noorden verbonden voelde? Zijn eerste ontvluchtingspogingen uit het benauwde Charleville voerden hem in elk geval naar België: Charleroi en Brussel. In Brussel ook wordt hij op 10 juli 1873 door zijn vriend Paul Verlaine met een pistoolschot gewond. Uit het politieverhoor blijkt hun homoseksuele relatie. Drie jaar later is de 21-jarige Rimbaud in Nederland. Vóór zijn aanmelding in het koloniale leger leert hij zelfs de beginselen van onze taal. Op 19 mei tekent hij als recruut in Harderwijk, op 23 juli ontscheept hij in Batavia, drie weken later deserteert hij en keert met een Brits schip terug naar Europa. Van het verblijf in onze contreien zijn er enkele sporen terug te vinden in het werk van Rimbaud. De gewild nonchalante verzen van het gedicht ‘Bruxelles’ uit de zogenaamde ‘Derniers vers’ roepen de hoofdstad op: ‘Plates-bandes d’ amarantes jusqu’à / L’agréable palais de Jupiter. / – Je sais que c’est Toi qui, dans ces lieux, / Mêles ton Bleu presque de Sahara!’ (Bloemperken van amaranten tot aan / Het aardige paleis van Jupiter. / – Ik weet dat Gij het zijt die in dit oord / uw bijna Sahara-achtig blauw mengt!). In deze regels, blijkens een ondertitel in de Regentlaan geschreven, herkennen we het Park van Brussel en het daarachter gelegen Koninklijk Paleis, dat mythische dimensies aanneemt: de koning wordt een hemelgod die azuur op zijn palet mengt. Dit picturale element vinden we ook in de tekst ‘Mystique’ uit de Illuminations (een van de mogelijke betekenissen van de titel is trouwens ‘Verluchtingen’). Volgens J. Tielrooy (in: Neophilogus, XX, 1934-1935) is dit een surrealistische transpositie van het Lam Gods (L’Agneau Mystique!) van Jan van Eyck in Gent. De eerste zin luidt: ‘Sur la pente du talus les anges tournent leurs robes de laines dans les herbages d’acier et d’émeraude’ (Op de bermhelling draaien de engelen hun wollen gewaden rond in de weilanden van staal en smaragd). Je hoeft dit maar naast een reproduktie van het schilderij te leggen om de gelijkenis te zien: de kring van engelen in hun witte uitgespreide klederen, de verhevenheid waarop het altaar met het lam staat, het gras vol schitterende, kleurige bloemen, alles is er.”
“Hij keek naar de fijne, donkere haartjes op haar bovenlip, de gladde, olijfkleurige huid. De licht gebogen neus met daaronder de gewelfde bovenlip. Hij ging met zijn wijs-vinger naar een wenkbrauw en volgde de perfecte boog, maar raakte die niet aan. Het was stil in het grote vertrek. Een laag, winters licht scheen naar binnen op dc meubelen, op de lakens, op haar zwarte haar. Hij streek met zijn hand door haar krullen en rook aan haar hoofd. Zo had zij dat ook bij hem gedaan. Soms ging hij met Isaac en Miriam mee om over de markt of langs het water te zwerven, en als ze dan naar huis waren gerend voor het eten — zij beiden altijd harder dan hij, en hij met een piepende adem — deed hun moeder de deur open om hen binnen te laten. Miriam holde na een snelle begroeting langs haar heen, door naar de kamer waar hun broertje Cabriël lag, haar vlechten zwiepend achter haar aan. Isaac volgde haar op de voet; zelf bleef hij in dc gang stilstaan om uit te hijgen. En dan keek zijn moeder hem onderzoekend aan, ze boog zich voorover en rook in zijn haren, zacht en rustig, tot zijn ademhaling tot bedaren kwam. Die paar ogenblikken luisterde hij samen met haar naar de heldere stemmen van Miriam en Isaac, het spelen van Rebecca, het gebrabbel van Gabriël, het ratelen van de karren op de keien, het zware stemgeluid van de koopmannen die de kisten in ontvangst namen en in hun opslagruimten lieten zetten. Het roepen van de schippers op de Houtgracht, het gejank van de meeuwen. Nu rook hij de zachte zweetlucht van haar strijd, haar zeep, haar bloesemwater, en een nieuwe geur die hij nog niet kende. Iets pittigs, dat moest het zijn. ‘Wat is pittig?’ had hij zijn vader gevraagd toen Isaac en hij mee mochten naar het pakhuis. ‘Is dat hetzelfde als hartig?’ ‘Bijna,’ had zijn vader afwezig geantwoord, druk bezig met een partij gedroogde abrikozen. De vruchten roken als vers stro. ‘Mag ik er een?’ vroeg hij. Meteen kwam Isaac eraan gehold. ‘Ik ook!’ ‘Jullie eten alles op, zo kan ik niets verkopen,’ bromde hun vader goedmoedig. Ze lieten het vruchtvlees met de zoetzure smaak langzaam langs hun verhemelte gaan en keken elkaar aan. ‘Het smaakt naar Portugal,’ zei hij. ‘Niet,’ zei Isaac, ‘dat kun je helemaal niet weten.’ ‘Maar zo smaakt het echt,’ hield hij vol. ‘Voor mij anders niet,’ zei Isaac. ‘Kun je allebei iets anders proeven?’ vroeg hij aan zijn vader, maar die was alweer met een koopman in onderhandeling over een paar zakken niet noten. Hij kwam graag in het pakhuis. Vooral in de zomer, als alle handelswaar warm en geurig was. Isaac deed dan zijn ogen dicht en hijzelf duwde hem rond.”
Andrea Voigt (Rotterdam, 29 oktober 1968)
De Duitse schrijver, dichter en literatuurwetenschapper Harald Hartung werd geboren op 29 oktober 1932 in Heme. Zie ook alle tags voor Harald Hartung op dit blog. Harald Hartung overleed op 13 september jongstleden op 92-jarige leeftijd.
Papier waarop het sneeuwt
Ik kon urenlang kijken naar het sneeuwen de lettergrepen van de sneeuwval die woorden en zinnen vormden en langzaam de bomen verzwaren totdat alle lijnen gevuld waren en het papier weer wit was
Vertaald door Frans Roumen
Harald Hartung (29 oktober 1932 – 13 september 2025)
“Towards the end of that summer term I received the last visit and Grand Remonstrance of my cousin Jasper. I was just free of the schools, having taken the last paper of History Previous on the afternoon before; Jasper’s subfusc suit and white tie proclaimed him still in the thick of it; he had, too, the exhausted but resentful air of one who fears he has failed to do himself full justice on the subject of Pindar’s Orphism. Duty alone had brought him to my rooms that afternoon, at great inconvenience to himself and, as it happened, to me, who, when he caught me in the door, was on my way to make final arrangements about a dinner I was giving that evening. It was one of several parties designed to comfort Hardcastle–one of the tasks that had lately fallen to Sebastian and me since, by leaving his car out, we had got him into grave trouble with the proctors. Jasper would not sit down; this was to be no cosy chat; he stood with his back to the fireplace and, in his own phrase, talked to me “like an uncle.” “…I’ve tried to get in touch with you several times in the last week or two. In fact, I have the impression you are avoiding me. If that is so, Charles, I can’t say I’m surprised. “You may think it none of my business, but I feel a sense of responsibility. You know as well as I do that since your–well, since the war, your father has not been really in touch with things–lives in his own world. I don’t want to sit back and see you making mistakes which a word in season might save you from.
Jeremy Irons (Charles) enAnthony Andrews (Sebastian) in de tv-serie Brideshead Revisited uit 1981
“I expected you to make mistakes your first year. We all do. I got in with some thoroughly objectionable O.S.C.U. men who ran a mission to hop-pickers during the long vac. But you, my dear Charles, whether you realize it or not, have gone straight, hook, line and sinker, into the very worst set in the University. You may think that, living in digs, I don’t know what goes on in college; but I hear things. In fact, I hear all too much. I find that I’ve become a figure of mockery on your account at the Dining Club. There’s that chap Sebastian Flyte you seem inseparable from. He may be all right, I don’t know. His brother Brideshead was a very sound fellow. But this friend of yours looks odd to me, and he gets himself talked about. Of course, they’re an odd family. The Marchmains have lived apart since the war, you know. An extraordinary thing; everyone thought they were a devoted couple. Then he went off to France with his Yeomanry and just never came back. It was as if he’d been killed. She’s a Roman Catholic, so she can’t get a divorce–or won’t, I expect. You can do anything at Rome with money, and they’re enormously rich. Flyte may be all right, but Anthony Blanche–now there’s a man there’s absolutely no excuse for.”
De kop heeft nu geen tijd voor jou. Hij raast. Het park heeft nu geen tijd voor jou. Hij raast. Het verkeer heeft geen tijd voor jou. Het raast. Allemaal razen ze.
De stad heeft nu ook geen tijd. Ook zij raast. De nachtelijke hemel is ook bezig. Hij raast. Ook alle airconditioners zijn aan het razen.
Niets heeft nu tijd. Alles raast. Ze hebben geen tijd voor jou, zijn nu aan het werk. Onder elkaar verdelen zij dit zachte gerommel.
“Vroeg in de ochtend, laat in de eeuw, Cricklewood Broadway. Op 1 januari 1975 zat Alfred Archibald Jones om 6.27 uur gekleed in corduroy in een met uitlaatgassen gevulde Cavalier Musketeer Estate met zijn gezicht omlaag op het stuur en hoopte dat God niet te zwaar over hem zou oordelen. Hij hing voorover als een liggend kruis, met openhangende kaken, de armen aan beide zijden uitgespreid als een gevallen engel; stevig vastgeklemd in zijn vuisten hield hij zijn legermedailles (links) en zijn huwelijksakte (rechts), want hij had besloten zijn fouten met zich mee te nemen. Voor zijn ogen knipperde een klein groen lampje dat een afslag naar rechts aangaf, die hij besloten had nooit te nemen. Hij had zich erbij neergelegd. Hij was er klaar voor. Hij had een muntje opgegooid en hield zich onwankelbaar aan de uitkomst. Dit was een weloverwogen zelfmoord. Een nieuwjaarsvoornemen, in feite. Maar zelfs toen zijn ademhaling krampachtig werd en het begon te schemeren voor zijn ogen was Archie zich ervan bewust dat Cricklewood Broadway een vreemde keuze zou lijken. Vreemd voor de eerste persoon die zijn ineengezakte gestalte door de voorruit zou zien, vreemd voor de politiemensen die het rapport zouden schrijven, voor de plaatselijke journalist die er vijftig woorden aan zou wijden, voor de familieleden die ze zouden lezen. Ingeklemd tussen een almachtig betonnen bioscoopcomplex aan de ene kant en een gigantische kruising aan de andere kant kon je Cricklewood eigenlijk geen plaats noemen. Geen plaats waar een man heen ging om te sterven. Het was een plaats waar een man kwam om naar andere plaatsen te gaan via de A14. Maar Archie Jones wilde niet sterven in een of ander aangenaam, afgelegen bos of op de rand van een rots omgeven door tere heideplantjes. Wat Archie betrof sterven plattelanders op het platteland en stedelingen in de stad. zo hoort het. In de dood zoals hij in het leven was en dat soort dingen. Het was wel logisch dat Archie daar zou sterven, in die akelige straat waar hij op zijn zevenenveertigste terecht was gekomen en in zijn eentje in een kleine flat woonde boven een verlaten patatzaak. Hij was geen type voor gedetailleerde plannen – zelfmoordbriefjes en begrafenisinstructies -geen type voor overdreven gedoe. Het enige wat hij vroeg was een beetje stilte, een beetje rust om zich te kunnen concentreren. Hij wilde dat het volkomen vredig en kalm was, als in een lege biechtstoel, of het moment in de hersenen tussen gedachte en spraak.”
Zadie Smith (Londen, 27 oktober 1975)
De Amerikaanse dichteres en schrijfster Sylvia Plath werd geboren op 27 oktober 1932 in Jamaica Plain, een buitenwijk van Boston. Zie ook alle tags voor Sylvia Plath op dit blog.
Verschijning
De glimlach van een ijskast is verpletterend. Die blauwe stromen in je aders, mijn beminde! Ik hoor het snorren van je grote hart.
Haar lippen blazen plussen en procenten Als zoenen voor zich uit. Het is maandag in haar geest: voornemens
Maken hun opwachting, frisgesteven. Wat moet ik aan met al dat ongerijmde? Wit zijn m’n manchetten, en ik buig.
Is dit nu liefde, de rode stof rollend vanonder De stalen naald die flitst en flitst? Jasjes en jurkjes komen ervan,
Die een heel geslacht meegaan. Haar lichaam, zoals het zich opent en sluit – Een Zwitsers horloge juwelen voor scharnieren!
O hart, wat een ontreddering! De sterren blinken, als schrikbarende getallen. Haar oogleden melden: ABC.
Vertaald door Anneke Brassinga
Sylvia Plath (27 oktober 1932 – 11 februari 1963) In 1951
“Ik verblijf in een hotel in Amsterdam-Oost als Monica in mijn leven komt. Hotel Arena (****) is niet direct een hotel naar mijn smaak, maar ze hebben er een bar en de serveersters zijn knap en ze hebben ook een huiskat, Zieck III, die ik meeneem naar mijn kamer zodat ik wat gezelschap heb. De kat is in niets te vergelijken met Marie, die mij net heeft verlaten. Het moeilijkste aan haar afwezigheid vind ik dat ze nog wel ergens is, meegroeit met de tijd, rondloopt in de stad, in bed ligt en eet en vrijt en slaapt, maar dan zonder mij. Ze heeft mij niet meer nodig om verder te kunnen leven en waarschijnlijk heeft ze mij nooit nodig gehad, wat ik een onverteerbare gedachte blijf vinden. Ook ik ben, tegen beter weten in, graag nodig en ik zou met alle liefde (`tot de dood ons scheidt’) hebben willen doen alsof ik onmisbaar ben in iemands leven. Ik zou er makkelijk in kunnen geloven. Nu drink ik longdrinkglazen wodka die ik door de keurige jongens en meisjes die in het restaurant werken naar mijn hotelkamer laat brengen. Ik kom liever niet buiten de deur. In mijn hotelkamer, een kleine studio in de nok van het pand, is alles wat ik nodig heb: wit, schoon, vierkant en overzichtelijk. De centrale verwarming staat op vijfentwintig graden afgesteld en ik lig naakt op mijn rug aan de linkerzijde van het tweepersoonsbed in een van de meest luxueuze kamers die ze hebben. Ik ben misselijk van de vier rollen pepermunt die ik uit een glazen bak bij de receptie heb gevist en die ik achter elkaar heb opgegeten. Mijn handen rusten op mijn buik, ze werken als twee magneten waar alle ellende naartoe trekt, precies onder de palmen van mijn hand borrelt het. Ik weet honderd procent zeker dat ik nooit meer pepermunt ga eten en dat ik nooit meer van de misselijkheid afkom. Ik sluit mijn ogen en laat mijn lichaam zijn gang gaan. Het is alsof de zwaartekracht harder aan me trekt dan normaal, mijn pik, mijn vlees, mijn huid hangen slap naar beneden. Ik val bijna in slaap als de telefoon overgaat, niet mijn mobiel, maar de telefoon die naast me op het nachtkastje staat en waarmee ik tot nu toe alleen nog maar uitgaande gesprekken over glazen wodka en porties gamalenkroketten heb gevoerd; die hebben ze niet in het hotel, ze hebben alleen kalfsvlees- en geitenkaaskroketten, ook goed, maar ik blijf het proberen. Als je lang genoeg om iets vraagt volgt op een dag het aanbod vanzelf.”
De Turkse schrijfster Elif Shafak (eigenlijk Elif Şafak) werd geboren in Straatsburg op 25 oktober 1971. Zie ook alle tags voor Elif Shafak op dit blog.
Uit:Zo houd je moed in een tijd van verdeeldheid (Vertaald door Manon Smits)
“Ik keek haar na tot ze aan het eind van de straat de hoek om ging. Ik had nog nooit een vrouw gezien die zo zichtbaar gebroken was en toch koppig doorging. Ik voelde me schuldig dat ik mijn raam niet had opengedaan om iets tegen haar te zeggen, te vragen of alles in orde was. En ik schaamde me omdat mijn eerste reactie was geweest om me terug te trekken in de veiligheid van mijn appartement, alsof ik bang was dat haar ellende misschien besmettelijk zou zijn. Ik bleef eraan denken, aan de overeenkomsten en de verschillen. Haar eenzaamheid, die vast niet anders was dan mijn eenzaamheid. Maar ook mijn schuchterheid tegenover haar lef. Zij had genoeg van Istanbul, terwijl ik de stad nog moest gaan ontdekken. En belangrijker nog: zij was een sterke strijder, ik was slechts een toeschouwer. Er zijn sindsdien vele jaren verstreken. Ik woon niet meer in Istanbul. Maar vandaag, nu ik in Londen aan mijn bureau zit te schrijven over onze gepolariseerde, geteisterde wereld, denk ik onwillekeurig terug aan dat moment, aan haar, en zit ik te peinzen over woede en eenzaamheid en gekwetstheid. De pandemie. Terwijl het coronavirus de aardbol teisterde en honderdduizenden mensen doodde, miljoenen mensen werkloos maakte en het leven zoals we het kenden aan diggelen sloeg, doken er overal in de Londense parken tekstborden op. ‘Als dit allemaal voorbij is, hoe wil je dat de wereld er dan uitziet?’ was de vraag die de borden stelden. Wat er precies werd bedoeld met dit allemaal werd niet expliciet benoemd; de voorbijganger moest zelf maar bedenken wat dat inhield – deze plotselinge verstoring van ons dagelijks leven, dit gevoel om vast te zitten in de golf van onzekerheid en de vrees voor wat er komen gaat, in deze enorme wereldwijde gezondheidscrisis met op de lange duur economische, sociale en mogelijk politieke gevolgen, in die tunnel waar wij, als mensheid, doorheen moeten zonder dat we enig idee hebben hoe en waar die kan eindigen en of er in de nabije toekomst misschien weer een nieuwe uitbraak van een virusziekte kan komen. Onder de vraag was bewust veel ruimte vrijgelaten op de borden, zodat mensen hun antwoorden eronder konden schrijven, en vele hadden dat ook gedaan. Van alle haastig neergekrabbelde opmerkingen was er met name één die me is bijgebleven. Iemand had met blokletters geschreven: IK WIL GEHOORD WORDEN. Als dit allemaal voorbij is wil ik leven in een andere wereld waarin ik gehoord kan worden.”
Het is altijd eender: alleen ontwakend zie ik de rijen okeren lichtjes van het dorp, een veld bij ons vandaan, zie ik ze flakkeren wanneer vogels opvliegen of bomen er schaduw tussen drijven. Zonder dat iemand
luistert, geef ik ze de namen waar ik zin in heb – zeg dat ze een volmaakte dorpsgemeenschap vormen, vensters herstellen er een verborgen wereld waar het geluk wacht. Tien jaar is nog maar kort om te leren begrijpen dat hun leven niets op heeft met
het mijne, opgesloten in een klein vertrek waar zachte vertrouwde stilte weer bezit van neemt. Hoe opeens angst begint. Wanneer ik me voorstel dat aan liefde haar zichtbaarheid is ontzegd. Ik zie hem boven slapen, de man die mij lieveling noemt,
zijn vrouw, en bijna begin ik te geloven dat zijn vertrouwen in mij is om geslagen in matte, onverschillige zorg. Ik ben geworden tot de droefenis waar hij nooit van scheidt, een sterfgeval dat al zijn kamers erft en de verloren
wereld daar veranderen zal in bezit – tafels en verschoten stoelen die spoedig buitenstaanders zullen toebehoren die nu hun gordijnen opentrekken om het tafereel te zien van nevel die opgestegen is vanuit afkoelende lucht.
Robinson die doet verbazen door zijn streken. Volleerd kwajongen gaat hij daar, dansend in de avondzon, die oogverblindend gevels wast, de linkerboom van zijn houten ladder,
zo’n ladder die je voelt, zo’n ladder die waarschuwt: die veert en kraakt, zo een met gevoel, zo een waar je een mee kunt worden,
op zijn rechterschouder, zijn linkerarm in een hoek van zeventig tot vijfenzeventig graden aan zijn linkerschouderkom. Staand (nooit hout op hout, dat gaat glijden), stevig (rubber op steen schuift niet), sturend. En het hoofd licht gebogen, maar zonder deemoed of schroom in zijn tred.
De geur van lijnolie sijpelt in fijne nerven en lange draden langs Robinsons nek en schouderbladen (Oregon Pine), vermengt zich met zweet en schuim en de as van zijn sigaar, die uit zijn vulkanisch mondgeborchte waait, met
zijn herinneringen aan het glas, de bewegingen over het glas, het warme, het schone, het glas dat zich onder zijn zeemleren lap soms tegen zijn handen lijkt te krommen: het glas is een kat. Onvermurwbaar in zijn eigenwaan, zijn tegenkracht, onder zijn strelen is het glas.
Het was een lange dag naar huis, en straks na een broodje bal met zijn rug naar het raam en als iedereen zit te eten: geldlopen, praatje maken, aanbieden het late najaar ook maar eens de dakgoten te doen, een kwinkslag, een knipoog, een kneepje in de wang van het kind bij haar vader, en dan naar huis en na een pilsje naar bed want morgen is het weer een lange dag naar huis, maar als het meezit, een kalme, met schoonheid, met weemoed,
Robinsons weemoed om interieurs, weemoed om wat er met zijn rug naar het raam zo heel anders uitziet ineens, weemoed om het kijken, het bekeken worden, peepshow, weemoed om de strepen, weemoed om de streken die in een keer alles in niets opgaan doen, weemoed om het achtergelaten glas dat met toegeknepen ogen wacht.
Hoe heerlijk is het, als de dag verkoelt, Naar ginds te zien, waar schip en gondel zweven, Als de lagune, spiegelglad gebleven, Vervloeit en zacht Venetië omspoelt!
Daarna weer binnenwaarts getrokken voelt Het oog zich, waar hoog naar de wolken streven Paleis en kerk, waar een luidruchtig leven Op elke trap van de Rialto woelt.
Een vrolijk volk van menig ledigganger Krioelt hier rond, het is door niets te storen En stoort ook nooit zijn trieste tegenhanger.
En ’s avonds komt het bij elkaar in koren, Want op San Marco’s plein wil het de zanger, En de verteller op de Riva horen.
Vertaald door Paul Claes
August Graf von Platen (24 oktober 1796 – 5 december 1835)
De Zuid-Afrikaanse dichteres en schrijfster Antjie Krog werd geboren in Kroonstad op 23 oktober 1952. Zie ook alle tags voor Antjie Krog op dit blog.
Namens mezelf
voor niemand hoef ik me nog druk te maken aan niemand hoef ik nog verantwoording af te leggen of vergeving te vragen
niemands uitzichtloze positie hoef ik nog ter discussie te stellen in niemands leven hoef ik mij nog te verplaatsen.
de eerste voorboden van de dood maken hun opwachting en het lichaam glijdt als zand tussen de vingers door. de zintuigen op non-actief.
wild en wanhopig klamp je je aan het leven vast en je isoleert je van andere zodat je allengs meer vertrouwd raakt met de introversie van de dood.
la voor la word je leeggemaakt totdat alleen de lege binnenkant je raakt.
Vertrek
een kind gaat weg. ik sta met lege handen. ten afscheid de vertrouwde blik voordat de zonnebril. handen tastend naar de veiligheidsriem. de uitgestorven straat. ik zwaai maar wat. het is of
alle licht verbleekt. of alles vekilt. of ik diep vanbinnen van geen schuld wil weten. harde verwijten over en weer. na elk vertrek zin ik op woorden. om het helder te krijgen. hoe ik voortaan.
het zeurende gevoel in mijn ribben. ik broed op mogelijkheden. om wat ons bindt in taal te uiten. je wilt zo
weinig horen. de abrupte bloeddoorlopen radeloos gemikte vuistslag in je smoel. en óf hij aankomt. jezus kind! mijn hart bloedt.
Depressie
het is alsof je blik steeds meer naar binnen gekeerd raakt je voorhoofd steeds donkerder wordt je wangen steeds strakker je mond steeds afstandelijker dan enig iets wat ooit van mij was je lichaam zo doorzichtig alsof mijn hand zo door je heen kan als ik probeer tegen te houden dat je verdwijnt je bent onder ons maar hebt het contact verbroken aan je handen kan ik zien hoe verbeten je je soms nog vast- houdt je vingernagels verdwijnen het is alsof ik langs een oever ren en reddingsboeien uitgooi en touwen en takken en uit alle macht schreeuw dat je moet volhouden en vasthouden dat ik naar de kant zal zwemmen dat ik me zal opofferen dat ik de Here God zelf uit de hemel zal plukken dat ik er alles alles voor over zal hebben om je ogen hun eigen uitdrukking terug te geven
Bij de beleefde zee rust ik, Schenk haar aandacht En woorden. Bij de zee Lig ik, bij de zee bid ik, Laat mijn ellebogen en woorden zakken Op haar zand.
Bij de verliefde zee Droom ik. En droom. En droom. Ik hou van de zee. Ik hou van de zee. Ze is stil en beleefd Geeft me teder toestemming Om te zijn.
Papendrecht! Papendrecht! met je futuristische wolken, roestbruin, groen, rose als het goddelijk italiaans ijs.
Papendrecht! Papendrecht! met je Dada-werkdagen, wind regen en piskleurige hemel, met je bleke nachtlampen en gestamp van scheepsmotoren.
Die jonge keizer op de pont naar Dordrecht, knipoogt en terwijl bruin water over het dek spoelt houden wij elkaar vast en de reling natuurlijk ook.
Ik ga als een schizofreen de mogelijkheden na en geef me over aan de wildste redenaties. Papendrecht, nachtelijk Papendrecht met je woest donker havenwater en het vrijdagavond-geluk dat wacht.
Zeer kleine diamanten hangen aan de hijskranen en silo’s en zwarte meeuwen vliegen krijsend op.
Maar op de kade blijkt mijn keizer gewoon een matroos op wie gewacht werd.
Willem Bijsterbosch (23 oktober 1955 – 18 januari 2010) Cover
“En toch, tegenover het schijnbaar zo sterke en verheerlijkte ‘eigen huis’ bleef de wereld als een uitdaging liggen. Een wat vluchtige kennismaking met het katholieke milieu uit de hier behandelde jaren zou de waarnemer kunnen verleiden tot de gedachte dat een weldadige apostolische strijdbaarheid de gemeente kenmerkte. Toch schijnt achteraf veel activiteit eerder uit een plichtmatig doen dan uit wezenlijke bezieling geboren. Strijd lijkt b.v. in de jeugdbeweging het kernwoord, strijd in dienst van de koning Christus (het feest van Christus Koning werd door paus Pius XI in december 1925 ingesteld), in wiens naam geheel de wereld veroverd moest worden voor het ware geloof. Strijd ook scheen geboden wanneer de katholieken van die dagen zich de kerkvervolging in Mexico en Spanje voor de geest haalden of de agressiviteit van b.v. hun socialistische, communistische en fascistische landgenoten, wier bladen ook geen damesorganen konden heten. ‘Voor Christus onze Koning, God wil het, Amen’ is de meest gebruikte groet in de katholieke jeugdbeweging, – ja, men stelde zelfs ernstig voor deze groet in te voeren op het voetbalveld. Een beweging als De Kruisvaart was doortrokken van de ridderromantiek in dienst van de Koning. Een toentertijd populair boek als ‘Jonge Helden’ door de jezuïet Hardy Schilgen deed al evenzeer een beroep op de strijdbare ridderlijkheid in jongelui. De Graal trok luidruchtig en bont de straten door, in een getuigenisdrift die men tot dan toe slechts aan Leger des Heilssoldaten meende te kunnen toekennen. Maar de vraag dringt zich op of met name in deze massabewegingen de strijdgedachte niet al spoedig een gemeenplaats werd, die nauwelijks meer een weerspiegeling van de bezieling der jongelui zelf kon heten, – en bovendien of de jeugd hier niet in zekere zin gebruikt werd voor een machtsontplooiing (een bevestiging van de ‘katholieke zaak’) die haar leiders voor gewenst hielden. Zelden zal katholiek Nederland zoveel demonstraties hebben gekend als in de hier beschouwde jaren. Voortdurend zijn er congressen, demonstratieve dagen en vergaderingen, optochten, manifestaties, openluchtspelen.”
Michel van der Plas (23 oktober 1927 – 21 juli 2013)