Herfst (M. Vasalis), Jaap Harten, Dannie Abse

 


Herfstbos door Albert Bierstadt, 1886

 

Herfst

Toornige vreugde doet mij rechtop gaan
dwars door de herfstige plantsoenen
waar in het nat verwilderd gras
rillend naast de zwarte plas
een troep verregende kalkoenen
verworpen, onheilspellend staat.

De wind schuift in de glazen wolken
lichtende wakken hemel open
en wervelt glinsterende kolken
omhoog uit gele bladerhopen.
Als gevallen englen hokken
door geen zon meer te verzoenen
in een somber dreigend mokken
daar mijn broeders de kalkoenen.

M. Vasalis (13 februari 1909 – 6 oktober 1998)
Den Haag, de geboorteplaats van M. Vasalis, in de herfst

 

De Nederlandse dichter en schrijver Jacobus Cornelis (Jaap) Harten werd geboren in Blaricum op 22 september 1930. Zie ook alle tags voor Jaap Harten op dit blog.

 

Het jaargetij ging

Het jaargetij ging
van de ene hand in de andere
en wij gingen mee;
de zomerwei werd op slot gedaan
en een harmonika van bruin, geel of
rood hing plotseling aan alle takken,
hij speelde een liedje van kou.

Wij zaten nog
met ons hoofd in de zomer,
met onze spieren in het groen:
vuil en jong leefden wij op de akkers
en transpireerden als een drummer
die niet luisteren wil naar rede,
een nerveuze bosgod in zijn eigen rijk.

Wij bereden paarden met sterke nek
en klommen in het oor van de ruimte
die ons dan weer terugwierp op aarde.
Om de tijd mee te temmen hadden wij
handen vol oerdrift en geluk,
om de dag te verkennen leefden wij
tussen de stallen van het platteland,

waar wij vochten, tot het uiterste
gespannen, bloed tegen bloed,
een vete van boerenjongens,
ridders te vuur en te vuist.
En altijd hadden wij honger naar lucht:
een elastische god die ons tot
op het bot bezielde met staalblauw.

 

Hoe gaat de nacht voorbij

Hoe gaat de nacht voorbij,
met een ossenspan en gloeiende
sporen van demonen?
Wij hebben geen masker nodig
voor de liefde.

Wat bergt de nacht in haar schede,
messen voor de moordenaar,
blaffende honden, het harde
lichaam van de dood?
Ik adem je huid van liefde.

Wat denkt de zilversmid
van de sterren, dat hij beter
werk levert in de nacht dan jij
en ik? Wij spannen onze spieren
en adem voor de wilde liefde.

 

Jaap Harten (22 september 1930 – 2 december 2017)

 

De Britse dichter en schrijver Dannie Abse werd geboren op 22 september 1923 in Cardiff, Wales. Zie ook alle tags voor Dannie Abse op dit blog.

 

Een oude verplichting

Lang geleden sneuvelden mijn verwanten in de strijd,
voedden zwarte vliegen op al hun bleke maskers.

Ik had toen een plicht. Ik had toch zeker een plicht?
Ik was er voor hen en zij  waren er voor mij.

Nu, terwijl ik me herinner waarom, wat, wie,
denk ik de gedachte die zo leeg is als steen.

Terwijl ik vanavond reis, concentreer ik me op de achterkant
van helderheid, op die rode vlek die trilt.

Wat ben ik erachter vergeten? Het gaat
waar de rode vlek gaat, stijgend, dalend.

Ik beschrijf alleen een zonsondergang, een auto die rijdt
over een slingerende bergweg, dat is alles.

Ik kom te laat aan, nader de onverlichte duisternis.
Zij die buiten uitgangen en ingangen rondhangen,

zo verdrietig, zo geduldig, zelfs zij zijn vertrokken.
En ik ben geen geest en deze plek ligt in puin.

‘Zwart,’ roep ik zachtjes naar een dode maar geliefde,
‘Zwart, zwart,’ en verlang dat de nacht antwoordt, …
                                                                                ‘Zwart’.

 

 Vertaald door Frans Roumen

 

Dannie Abse (22 september 1923 – 28 september 2014)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 22e september ook mijn blog van 22 september 20919 en ook mijn blog van 22 september 2018 deel 1 en deel 2.

Xavier Roelens, Leonard Cohen

De Vlaamse dichter Xavier Roelens werd op 21 september 1976 in Rekkem (Menen) geboren. Zie ook alle tags voor Xavier Roelens op dit blog.

 

1937

BOMMEL KAN DAAR WEL tamelijk iets betamelijks op zeggen,
want zijn ouders zijn een maand voor de oorlog uitbraakte zijn ze
verhuisd. en hij sleurt nog één herinnering verzekerd van situering
in het eerste huis waar heel beleefdekes gedeurklingeld werd. zijn
moeder was er toen nog haastelings om de deur in open te happen,
zo wijdopen gekierd kwam hij vanachter haar rokgeplooite
gepiepeloerd om dat. aan de overzijde statigde een klein, zo’n heel
oud huizeken en geloken in dat godshuizeken wuifde zo’n heel oud
vrouwken. ze zwaaiden malkander af.
en ook zelfs heeft bommel een hond eens, lag hij een teef te
bestrelen als eerste in het nieuwwelgekomen huis. tegen dan
walmde de oorlog natuurlijkerwijze, in de zalmstraat nabij de
spoorwegbrug waar bommel niet op mocht juichespringen, of
anderszins onder spelevaren. zijn moeder was er toen nog
bezorgdzaam om het serviesgoed in koude kranten te overpak-ken
ter protectie tegen de brug op klateren. ietsepiets hoger opgehangen
in de luchten was men al zoekende de doelen met gebroken wit te
omkringelen en in het beginnende vensterklin-gelen, in het
toenemende oorsuizen stopte bommel grootoogs met zijn
tevelieveke te aaiemaren

 

1938

DE OORLOG ACH
de oorlog dat bij ons nogal wat
huizen plat en
buren dood ach dood gesmakt en dat ik sliep in bed of
wieg meer weet ik niet
de oorlog ach
de oorlog dat wij
de tuin van
nonkel kapitein onveilig maakten dat we
vader hoorden klagen dat hij vastzat op dit
slot en niet naar duitsland kon ach kon en wij zijn
prinsen waren en dat ik sliep in
bed of
wieg meer weet ik niet van
de oorlog ach
de oorlog die
een vrouw
een zangeres van
opera’s verongelukt ach door een
bom verongelukt al op
de weg naar maldegem zag liggen maar da’s al lang geleden ach
de oorlog ach

 

1939

WE DACHTEN DAT DE KATTEN aan het aftrekken waren. we
dachten dat tom tot de achterhoede behoorde toen hij aan onze deur
klopte en om een boterham vroeg. wij zaten in het hol achter aan de
tuin dat vader gegraven had. moeders snuit ging piepen. ze
luisterde naar het verhaal van zijn negen levens en vier kittens in
zijn thuisland en gaf hem een boterham met strontjes.

      we dachten dat de katten druipstaartend afgetrokken waren, maar
daar hoorden we de deur uit zijn hengsels gelicht worden. nog voor er
vijf siberische boskatten in onze tuin stonden, was vader al
weggetrippeld; vader kon zich niet meer op het juiste verleden
beroepen. ze hebben dan maar in ruil moeder die hoogzwanger­
was, gearrangeerd.

      we dachten dat katten zich richtten op waarlijk universele en
transcendentale doelen, bedachten niet dat zakendoen met de
geschiedenis veel misdaden vergoelijkt. moeder beviel van een zus
met een hoek af. gelukkig heeft ze maar zes maanden moeten leven.

 


Xavier Roelens (Rekkem, 21 september 1976)

 

De Canadese dichter, folk singer-songwriter en schrijver Leonard Cohen werd geboren op 21 september 1934 te Montréal. Zie ook alle tags voor Leonard Cohen op dit blog.

 

Ik heb niet in Europese kloosters vertoefd

Ik heb niet in Europese kloosters vertoefd
en tussen het hoge gras graven ontdekt van ridders
die zo prachtig vielen als hun ballades vertellen;
ik heb het gras niet gespleten
of opzettelijk met stro bedekt gelaten.

Ik heb mijn adem niet ingehouden
om de ademhaling van God te horen
of mijn hartslag te temmen met een oefening,
of gehongerd naar visioenen.
Hoewel ik hem vaak heb gadegeslagen,
ben ik niet de reiger geworden,
die mijn lichaam aan de oever achterlaat,
en ik ben niet de lichtgevende forel geworden,
die mijn lichaam in de lucht laat.

Ik heb geen wonden en relikwieën aanbeden,
of ijzeren kammen,
of lichamen gewikkeld en verbrand in rollen.

Ik ben al tienduizend jaar niet ongelukkig geweest.
Overdag lach ik en ’s nachts slaap ik.
Mijn favoriete koks bereiden mijn maaltijden,
mijn lichaam reinigt en herstelt zichzelf,
en met al mijn werk gaat het goed.

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Leonard Cohen (21 september 1934 – 7 november 2016)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 21e september ook mijn blog van 21 september 2021 en ook mijn blog van 21 september 2020 en eveneens mijn blog van 21 september 2019 en ook mijn blog van 21 september 2018. Geplaatst op

Conor O’Callaghan

De Ierse romanschrijver en dichter Conor O’Callaghan werd geboren op 20 september 1968 geboren in Newry en groeide op in Dundalk. Zijn eerste roman, “Nothing on Earth”, werd in 2016 gepubliceerd en oogstte veel lof. Hij werd genomineerd voor de Kerry Group Irish Novel of the Year. Zijn tweede roman, “We Are Not in the World”, verscheen in februari 2021. Hij heeft ook vijf dichtbundels gepubliceerd. Zijn memoires, “Red Mist: Roy Keane and the Football Civil War” (2004), beschrijven het vertrek van Roy Keane uit de selectie van de Republiek Ierland voor het WK voetbal van 2002. O’Callaghan was voorheen co-houder van de Heimbold-leerstoel Ierse Studies aan de Villanova University. Hij is momenteel hoofddocent aan de Universiteit van Lancaster. In 2007 ontving hij de Bess Hokin-prijs van het tijdschrift Poetry. Hij woont in Sheffield met zijn vrouw, Mary Peace, een expert in achttiende-eeuwse literatuur.

 

Three Six Five Zero

I called up tech and got the voicemail code.
It’s taken me this long to find my feet.
Since last we spoke that evening it has snowed.

Fifty-four new messages. Most are old
and blinking into a future months complete.
I contacted tech to get my voicemail code

to hear your voice, not some bozo on the road
the week of Thanksgiving dubbing me his sweet
and breaking up and bleating how it snowed

the Nashville side of Chattanooga and slowed
the beltway to a standstill. The radio said sleet.
The kid in tech sent on my voicemail code.

I blew a night on lightening the system’s load,
woke to white enveloping the trees, the street
that’s blanked out by my leaving. It had snowed.

Lately others’ pasts will turn me cold.
I heard out every message, pressed delete.
I’d happily forget my voice, the mail, its code.
We spoke at last that evening. Then it snowed.

 

Game Night

Love not
being in the loop.

Grant the spruces’ wish,
the golf compound
graying out of use,
suvs in the it lot,
power outage,
a chorus from the quad.

Bless the elsewhere
where others are
not here or you.

And rain
after midnight . . .
Ask yourself,
is that rain or bells?

 

Conor O’Callaghan (Newry, 20 september 1968)

Owen Sheers, Joseph O’Connor, Dannie Abse

De Engelse (Welshe) dichter, schrijver en presentator Owen Sheers werd geboren op 20 september 1974 in Suva op de Fiji eilanden. Zie ook alle tags voor Owen Sheers op dit blog.

Uit: Ik zag een man (Vertaald door Inge de Heer)

“De gebeurtenis die al hun levens veranderde vond plaats op een zaterdagmiddag in juni, vlak nadat Michael Turner -veronderstellend dat het huis van de Nelsons leeg was – via hun achterdeur naar binnen liep. Hoewel het vroeg in de maand was, lag Londen te blakeren in een hittegolf. Overal langs South Hill Drive stonden ramen open. De aan weerszijden geparkeerde auto’s voelden heet aan, de naden ervan tikten in de zon. Een ochtendbries was weggeëbd en had de platanen langs de straat roerloos achtergelaten. Ook de eiken en beuken op de omringende Hampstead Heath waren stil. De hittegolf was nog maar een week aan de gang, maar het langere gras buiten de schaduw van die bomen was al aan het vergelen. Michael had de achterdeur van de Nelsons op een kier aangetroffen. Met zijn onderarm steunend op de deurlijst had hij zich de opening in gebogen en zijn buren geroepen. ‘Josh? Samantha?’ Er kwam geen antwoord. Het huis absorbeerde zijn stem zonder een echo. Hij keek naar zijn oude bootschoenen, waarvan de zolen onder de pas besproeide aarde zaten. Hij had sinds lunchtijd in de tuin gewerkt en was rechtstreeks naar de Nelsons gegaan, zonder zich te wassen. Ook zijn blote knieën, die onder zijn korte broek uit kwamen, waren met aarde besmeurd. Michael haakte de hiel van zijn linkerschoen onder de neus van zijn rechterschoen en trok hem uit. Hij deed hetzelfde met de andere schoen en luisterde of hij in het huis tekenen van leven hoorde. Weer niets. Hij keek op zijn horloge: tien voor halfvier. Om vier uur had hij schermles aan de andere kant van de Heath. Het zou minstens een halfuur kosten om er naartoe te lopen. Hij maakte aanstalten om de deur verder open te duwen, maar toen hij het vuil op zijn handen zag gaf hij hem maar een zetje met zijn elleboog en liep naar binnen. In de keuken was het koel en donker en Michael moest even blijven staan om zijn ogen aan de duisternis te laten wennen. Achter hem glooide de tuin van zijn buren tussen een perenboom en een border met verschrompelde planten omlaag. Het dorre gazon liep taps toe naar een houten, met riet doorschoten hek.”

 


Owen Sheers (Suva, 20 september 1974)

 

De Ierse schrijver Joseph Victor O’Connor werd geboren op 20 september 1963 in Dublin. Zie ook alle tags voor Joseph O’Connor op dit blog.

Uit: Stella Maris (Vertaald door Harm Damsma en Niek Miedema)

“Nachtenlang placht hij heen en weer te ijsberen over het schip, van boeg naar achtersteven, van avondgloed tot ochtendgloren, die latmagere mankpoot uit Connemara met zijn afhangende schouders en zijn asgrauwe kledij.
Het scheepsvolk, de wachten op de uitkijk, de mannen die rondhingen bij de stuurhut, keken dan even op van hun gesprekken of hun eenzame corvee en zagen hem door het nevelige duister scharrelen, omzichtig, steels, altijd alleen, met een linkervoet die sleepte alsof hij een anker meezeulde. Op zijn hoofd prijkte een verfomfaaide bolhoed, om zijn kin en hals zat een gerafelde sjaal geslagen, en zijn gescheurde huzarenmantel was zo onuitsprekelijk smerig dat de gedachte dat hij ooit schoon was geweest iedere verbeelding tartte.
Hij bewoog zich voort met bijna ceremoniële behoedzaamheid, een merkwaardig soort haveloze statigheid, als een koning uit een verhaal die zich incognito onder zijn onderdanen heeft begeven. Zijn armen waren bijzonder lang, zijn ogen scherp als naalden. Dikwijls leek hij verdwaasd of vervuld van sombere voorgevoelens, alsof zijn leven inmiddels het punt van opheldering voorbij was, althans een dergelijk punt nu zeer dicht was genaderd.
Zijn droevige gelaat werd ontsierd door littekens, die de smetten van een of andere kwaal, nog aanzienlijk verergerd door woeste krabaanvallen, doorkruisten. Ofschoon smal van postuur en gebouwd als een vedergewicht, leek hij een onbeschrijflijke last met zich mee te torsen. Dit was niet louter te wijten aan zijn mismaaktheid – een horrelvoet in een plompe houten klomp waarop een hoofdletter M was gestempeld of gebrand – het kwam ook door de houding van angstvallige verwachting die hem aankleefde, de voortdurende, bange waakzaamheid van het mishandelde kind.”

 


Joseph O’Connor (Dublin, 20 september 1963)

 

De Britse dichter en schrijver Dannie Abse werd geboren op 22 september 1923 in Cardiff, Wales. Zie ook alle tags voor Dannie Abse op dit blog.

 

Een erfgoed

Een soort erfgoed
Een erfgoed van kameraadschap en verstikking.

De loeiende mijnsirene en de
explosieve inval van de god, voordat hij zich terugtrekt
op zijn troon van zwavel.

Nu duikt deze zwartgeklede god van fossielen
en begrafenissen,
verstener van ondergrondse bossen
en bloemen,
op met zijn grimmige gevolg
langs het skelet van een pony, langs menselijke schedels,
in zijn half overeind gehouden, lege koolstofkolonie.

Boven, aan de geteisterde,
losgewoelde kant van een Welshe berg,
moet het iemand van ergens anders zijn
die solo zal zingen

niet over de moerassen van de Valleien,
de mijnraderen die niet draaien,
het verlaten pomphuis;

noch over hoe, na een val van een halve mijl
regimenten mijnwerkerslampen
niet langer, als muggen,
stijgen, glijden en deinen.

Alleen iemand die niet toegewijd is,
iemand van elders,
panoramahoog op een kolenberg,
mag juichend
de terugkeer van de verbannen god
in zijn schaduwloze koninkrijk bejubelen.

Hij, dronken van methaan,
heft het dijbeen van een man op als een scepter;
zij, zijn verrukte koningin,
bewondert de met bloed bevlekte zwarte rozen
die niet konden gedijen op de vlakten van Enna.

 

Vertaald door Frans Roumen

 


Dannie Abse (22 september 1923 – 28 september 2014)

 

Zie voor de schrijvers van de 20e september ook mijn blog van 20 september 2022 en ook mijn blog van 20 september 2021 en ook mijn blog van 20 september 2020 en eveneens mijn blog van 20 september 2019 en ook mijn blog van 20 september 2018.

Gunnar Roalkvam

De Noorse schrijver en historicus Gunnar Magne Roalkvam werd geboren op 27 augustus 1951 in Stavanger. Hij publiceerde diverse dichtbundels en een aantal vakboeken. Hij schreef ook toneelstukken en teksten voor koorwerken.Roalkvam staat ook bekend om zijn songteksten die een aantal artiesten op platen hebben opgenomen, waaronder: Svein Tang Wa, Stavangerensemblet, Reidar Larsen, Vamp, Ryfylke Visegruppe, Vestlandsfanden, Sigvart Dagsland, Per Inge Torkelsen, Leif en anderen.  Hij was de tekstschrijver van de musical “Byterminalen”, die werd uitgevoerd in verband met Stavanger2008. Roalkvam ontving in 1995 de Cultuurprijs van de gemeente Stavanger en in 2012 de Cultuurprijs van de gemeente Rogaland County. Hij ontving ook de Prijs van Advocaat Ole Dehli voor zijn inspanningen om kennis over coöperaties als economische bedrijfsvorm te verspreiden. Roalkvam was van 1976 tot 2014 docent aan de St. Olav’s Upper Secondary School in Stavanger.

 

To be first

There’s no point being first,
to arrive
alone.
It will not be fun
before we others come,
anyway.

Take it easy
hold my hand,
then we go step by step.
Once you will become first,
another time it is the second one
who thinks the longest.
And before we know it,
the last person
got right.

It is possible to go in front,
without getting first,
anyway.

 

Vertaald door Ranveig Marie Nesse

 

Gunnar Roalkvam (Stavanger, 27 augustus 1951)

Giuliano da Empoli

De Italiaans-Zwitserse schrijver, essayist en journalist Giuliano da Empoli werd geboren in Neuilly-sur-Seine, Frankrijk, op 27 augustus 1973. Empoli groeide op in verschillende Europese landen. Hij studeerde rechten aan de Universiteit Sapienza Rome en behaalde een master in politieke wetenschappen aan het Sciences Po in Parijs. Empoli is lid van de Partito Democratico, de Democratische Partij (Italië). Hij was plaatsvervangend burgemeester voor cultuur in Florence en senior adviseur van de voormalige Italiaanse premier Matteo Renzi. Tot zijn nevenfuncties behoorden het lidmaatschap van de raad van bestuur van de Biënnale van Venetië en het voorzitterschap van de Italiaanse bibliotheek Cabinet Vieusseux in Florence. Van 2006 tot 2008 was hij senior adviseur van de Italiaanse vice-premier en minister van Cultuur, Francesco Rutelli, en richtte hij de eerste Italiaanse Design Council op in Milaan. Vanaf 2014 is hij lid van de Fondazione Italia-USA. In 2016 richtte hij de denktank Volta op. Sinds 1996 levert Da Empoli regelmatig bijdragen en columns voor toonaangevende gedrukte Italiaanse media, waaronder Corriere della Sera, La Repubblica, Il Sole 24 Ore en Il Riformista. Hij presenteerde een wekelijkse talkshow op de belangrijkste financiële nieuwsradio van Italië, Radio 24. Als auteur en commentator trad hij regelmatig op voor alle belangrijke Italiaanse tv-zenders. Op tweeëntwintigjarige leeftijd publiceerde hij zijn eerste boek “Un grande futuro dietro di noi”, over de problemen waarmee de Italiaanse jeugd te maken had rond 1996. Het boek bracht een nationaal debat op gang bracht en de krant La Stampa benoemde hem tot Man van het jaar 1996. Sindsdien heeft hij vele andere essays en boeken gepubliceerd over sociale mobiliteit en verandering en over de impact van de nieuwe economie en de effecten daarvan op de politiek. Zijn boek over nationaal-populistische spindoctors, “Les ingénieurs du chaos” (2019), is gepubliceerd in twaalf talen, waaronder Chinees (Taiwan) en Braziliaans-Portugees. In 2022 publiceerde hij zijn eerste roman “Le mage du Kremlin” (De Kremlinfluisteraar). De hoofdpersoon is gemodelleerd naar Vladislav Soerkov de adviseur van Vladimir Poetin. De roman werd in 2022 bekroond met de Grand Prix du roman de l’Académie française en haalde de finale van de Prix Goncourt 2022.

Uit: De Kremlinfluisteraar (Vertaald door Hans E. Van Riemsdijk)

Al tijden deden de meest uiteenlopende verhalen over hem de ronde. Sommigen beweerden dat hij zich had teruggetrokken in een klooster op de berg Athos om daar tussen de stenen en de hagedisjes te bidden, anderen zweerden hem bezig te hebben gezien in een villa bij Sotogrande omgeven door een zwerm fotomodellen onder de cocaïne. Weer anderen hielden vol hem te hebben gesignaleerd op de startbaan van de luchthaven van Sharjah, in het commandocentrum van de milities in de Donbas of tussen de ruïnes van Mogadishu. Sinds Vadim Baranov ontslag had genomen als adviseur van de tsaar waren de verhalen over hem niet uitgedoofd maar juist fors in aantal toegenomen. Dat gebeurt soms. De meeste mannen met macht ontlenen hun aura aan de positie die ze bekleden. Zodra ze die verliezen is het alsof de stekker eruit is getrokken. Dan loopt de lucht eruit zoals bij die grote opblaaspoppen bij de ingang van attractieparken. Als je ze op straat tegenkomt kun je er met je verstand niet bij dat zo’n figuur de gemoederen ooit zo heeft kunnen beroeren. Baranov behoorde tot een ander ras. Al zou ik niet kunnen zeggen welk ras precies. Op foto’s zag je een stevige, zij het niet atletische man die zich vrijwel altijd in donkere kleuren kleedde en net iets te grote pakken droeg. Hij had een alledaags, misschien wat kinderlijk en tamelijk bleek gezicht, en zijn steile zwarte haar was geknipt als bij een communicantje. Op een video, gedraaid in de marge van een officiële ontmoeting, zie je hem lachen, wat maar heel weinig voorkomt in Rusland; een eenvoudige glimlach wordt daar al beschouwd als teken van zwakzinnigheid. Enfin, hij wekte de indruk zich niets gelegen te laten liggen aan zijn uiterlijk. Een wonderlijk trekje als je bedenkt dat zijn werk juist daarin bestond: spiegels in een cirkel opstellen om van een aarzelend vlammetje een betoverend spektakel te maken. Omringd door raadsels ging Baranov door het leven.

 

Giuliano da Empoli (Neuilly-sur-Seine, 27 augustus 1973)

Maria Luise Weissmann

De Duitse dichteres Maria Luise Weissmann  werd geboren op 20 augustus 1899 in Schweinfurt. Weissmann was het oudste kind van Karl Weissmann, docent aan een middelbareschool, en zijn vrouw Klara. Ze genoot een beschermde jeugd, eerst in Schweinfurt en vanaf 1909 in Hof, waar haar vader naartoe was overgeplaatst. Tijdens WO I verhuisde ze naar Neurenberg, waar haar eerste werken (sommige onder het pseudoniem M. Wels) in 1918 in de krant Fränkischer Kurier verschenen. Daar raakte ze bevriend met Georg Britting, in wiens tijdschrift Die Sichel vier van haar gedichten werden gepubliceerd, en werd ze secretaris van de Neurenbergse Literaire Vereniging. Tijdens een lezing in juni 1918 ontmoette ze de auteur en uitgever Heinrich F. S. Bachmair, met wie ze vier jaar later zou trouwen. In 1919 verhuisde Weissmann naar München, waar ze samen met haar neef Wilhelm von Schramm werkte in de pas opgerichte boekhandel Die Bücherkiste. Ze sloot zich aan bij de Münchense Vereniging voor Boeddhistisch Leven en werkte bij de uitgeverij Oskar Schloß in Neubiberg, die aan de vereniging was gelieerd. Ze werd ook lid van de literaire revolutionaire groep Das junge Franken (Jong Franken), die in 1919 in Neurenberg was opgericht. In de daaropvolgende jaren publiceerde ze gedichten in verschillende tijdschriften, waaronder Die Sichel, Der Weg, Der Anbruch en Die Flöte. Bachmair was actief aan de linkerzijde van de Radenrepubliek München en werd na de val ervan veroordeeld tot gevangenisstraf. Hij werd in juli 1920 vrijgelaten en Weissmann verhuisde naar Pasing om bij hem te zijn, waar ze in juni 1922 met hem trouwde. In de daaropvolgende jaren woonde het paar afwisselend in Pasing, München en Dresden. Haar eerste dichtbundel, “Das frühe Fest”, werd in 1922 gepubliceerd.

 

Das frühe Fest

Du bist die silberne Weide am Bach.
Schatten der Wolke Du schwimmend.
Du gehst über die mondenen Wege.
Die Städte-Straßen kennen Dich.
Tiere spürten Deiner Fährte all.

Nun suchen Waller, steile, Dich gebetvoll.
Da rot mein Fuß ging – Deine Ferne brannte! –
Liebend erkannten sich die Wandernden.

 

Abenteuer

Nun hat der weite Weg mich ganz verloren,
Wie floh mich Anfang, Ende und die Mitte!
Ich bin in einem tiefen Kreis geboren,
Ich höre meine leichten Schritte
In einem fernen Lande widerhallen,
Ich höre meine leisen Worte
In eine dunkle Stille niederfallen,
Ich schreite durch viel fremde Orte,
Fühl mich gehalten, stille, wie zu Haus,
Und muß doch gehn, und gehe wie für immer,
Und schau nach meiner Rückkehr lächelnd aus –
Ich weiß so viel: Ich kenne schon das Zimmer,
Der blauen Ampel süß gestilltes Licht,
Ich hörte schon vor tausend Jahren diese Stimme,
Wie sie mir zitternd das Willkommen spricht.

 

Maria Luise Weissmann (20 augustus 1899 – 7 november 1929)

Robert Macfarlane

De Britse schrijver Robert Macfarlane werd geboren op 15 August 1976 in Halam, Nottinghamshire.  Macfarlane is internationaal bekend om zijn werk over natuur, mensen en plaatsen. Zijn bestsellers zijn onder andere “Underland”, “Landmarks”, “The Old Ways”, “The Wild Places” en “Mountains of the Mind”, evenals het prozagedicht “Ness”. Zijn werk is in meer dan dertig talen vertaald, heeft wereldwijd prijzen gewonnen en is veelvuldig bewerkt voor film, muziek, theater, radio en dans. Hij heeft ook opera’s, toneelstukken en films geschreven, waaronder “River and Mountain”, beide verteld door Willem Dafoe. Hij heeft nauw samengewerkt met kunstenaars zoals Olafur Eliasson en Stanley Donwood, en samen met kunstenaar Jackie Morris creëerde hij de internationaal bestverkochte boeken over natuurpoëzie en kunst, “The Lost Words” en “The Lost Spells”. Als tekstschrijver en performer schreef hij albums en liedjes met muzikanten als Cosmo Sheldrake, Karine Polwart en Johnny Flynn, met wie hij twee albums uitbracht: “Lost In The Cedar Wood” (2021) en “The Moon Also Rises” (2023). In 2017 kende de American Academy of Arts and Letters hem de E.M. Forster Prize for Literature toe en in 2022 was hij in Toronto de eerste winnaar van de Weston International Award voor een oeuvre op het gebied van non-fictie. Robert Macfarlane is Fellow van Emmanuel College.

Uit: De laatste wildernis (Vertaald door Nico Groen)

“De wind wakkerde aan en dus ging ik naar het bos. Het ligt ten zuiden van de stad, op anderhalve kilometer van mijn huis: een klein, naamloos stuk beukenbos, dat een lage heuvel bekroont. 1k ging er te voet heen, eerst door straten die me naar de rand van de stad leidden, vervolgens over paden tangs akkers, tussen meidoorn- en hazelaarhagen door. Er kibbelden roeken in de lucht boven de bomen. De hemel was van een helder, koel blauw, dat aan de rand vervaagde tot de kleur van melk. Al van een paar honderd meter hoorde ik het geluid van het bos in de wind: een zacht gebulder als van de zee. Het was het immense, meerstemmige geluid van wrijving – blad knistert tegen blad, tak tikt tegen tak. 1k betrad het bos via de zuidhoek. Er begon van alles uit het bewegende bladerdak te vallen: takjes en beukennootjes tikkelden neer op de koperkleurige laag bladeren. Zonlicht viel in uitbundige banen op de grond. Ik liep door het bos omhoog en bereikte halverwege de noordelijke rand mijn boom: een grote beuk met grijze schors, met wijd uitstaande takken waar je gemakkelijk in kunt klimmen. 1k was al vele keren eerder de boom in geklommen en was vertrouwd geraakt met al zijn merktekens. Onder aan de stam is de schors rondom uitgezakt en geplooid, waardoor hij lijkt op de huid van een olifantspoot. Op zo’n drie meter hoogte kromt een tak scherp naar zichzelf terug; daarboven staat de letter ‘h’, die jaren geleden met een mes in de stam is gekerfd en opgezwollen is doordat de boom is gegroeid; nog hoger bevindt zich de geheelde stomp van een verdwenen tak. Tien meter hoog, vlak onder de top van de beuk, waar de schors zachter en zilvergrijs is, bereikte ik wat ik het observatorium was gaan noemen: een gevorkte zijtak net onder een kromming in de stam. ik had ontdekt dat ik daar lekker kon zitten als ik met mijn rug tegen de stam steunde en mijn voeten op de tanden van de vork zette. Ms ik me een paar minuten stilhield, liepen er soms wandelaars onder me door zonder me op te merken.”

 

Robert Macfarlane (Halam, 15 August 1976)

 

Aleksej Salnikov, Roderick Six

De Russische schrijver en dichter Aleksej Salnikov werd geboren op 7 augustus 1978 in Tartu, Estische Socialistische Sovjetrepubliek, nu Estland) is.  Sinds 1984 woont Salnikov in de Oeral: eerst in het dorp Gornouralski in de oblast Sverdlovsk, vervolgens in Nizjni Tagil en sinds 2005 in Jekaterinenburg. Hij studeerde af aan de landbouwacademie en studeerde vervolgens bij Joeri Kazarin aan de faculteit literatuur van het Jekaterinenburg Theaterinstituut. Hij was ook een leerling van de dichter Jevgeni Toerenko, een prominent figuur in de literaire scene van Nizjni Tagil. Hij debuteerde als dichter en publiceerde in de tijdschriften Literaturnaya Gazeta, New Oeral, Vozduk, Oeral Review, Vavilon en in de bloemlezing Contemporary Oeral Poetry. Zoals Vasili Tsjepelev opmerkt, was het Salnikovs ervaring als dichter die de basis legde voor zijn latere succes als prozaschrijver. Hij verwierf voor het eerst bekendheid in Rusland met zijn roman *De Petrovs, (De Griep). Salnikov is winnaar van de Prijs van de Jury van de Kritiek van de NOS (Novaja Slovestnokt) en winnaar van de Nationale Bestsellerprijs (2018).

Uit: Petrow hat Fieber (Vertaald door Bettina Kaibach)

„Petrow brauchte bloß in den Trolleybus zu steigen, und schon erschienen die Wahnsinnigen, um ihn, Petrow, zu piesacken. Der Einzige, der ihn nicht piesackte, war ein glattrasierter Greis, still und rundlich, der einem gekränkten Kind glich. Doch sobald
Petrow diesen Greis sah, kam ihn selbst die Lust an, sich von seinem Platz zu erheben und den Alten noch mehr zu kränken. Ein Gefühl war das, wild und durch nichts zu erklären, und es packte ihn jedes Mal wie ein Sturm, ein geballtes Etwas aus zottigen
darwinschen Trieben mit einer Dosis Dostojewski. Der Greis bemerkte Petrows interessierten Blick und drehte sich schüchtern weg.
Nun war selbiger Opa sozusagen der Stammgast unter den Verrückten, ihm begegnete Petrow praktisch seit seiner Kindheit ständig, und zwar nicht nur in den öffentlichen Verkehrsmitteln.
Von den übrigen Verrückten drang hingegen jeder exakt einmal in Petrows Leben, als hätte er sich zum ersten Mal in dreißig Jahren aus der städtischen Anstalt bei Kilometer acht des sibirischen Traktes losgerissen und wäre zum Trolleybus Nummer drei geeilt,
um Petrow ein paar Nettigkeiten an den Kopf zu werfen und für immer zu entschwinden.
Da gab es die Alte, die ihm ihren Platz mit der Begründung überließ, Petrow sei ein Invalide und habe Holzbeine und Holz-arme und Krebs (ohne Holz, einfach Krebs). Dann war da dieser Typ wie ein Schmied aus den sowjetischen Filmen, so ein Riesenkerl, der mit seiner Stimme das Blech des gesamten Trolley-busses ins Vibrieren zu bringen schien. Wie eine offene, halbleere Flasche vibriert, wenn ein Laster vorbeifährt. Während der Typ mit seiner Flanke Petrow an die Wand drückte, trug er der nicht mehr jungen Schaffnerin Gedichte vor, denn offenbar verbarg sich unter der wattierten Jacke, die nach Eisenspänen, Benzin und Dieselöl roch, ein zartes Poetenherz.
»Und fliegen vorbei, unsre Jahre, sie fliegen wie Vögel vorbei«, deklamierte der Typ mit zärtlicher Intonation der »Jahre« und »Vögel«.
Die Schaffnerin lauschte mit sanftem Lächeln.“

 

Aleksej Salnikov (Tartu,7 augustus 1978)

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Vlaamse schrijver Roderick Six werd geboren in 1979 in Ieper en groeide op in het West-Vlaamse Woesten. Zijn debuutroman “Vloed” uit 2012 werd meteen onderscheiden met een premie van de Letterkunde Prijs van de Provincie West-Vlaanderen. In “Vloed”worden 4 studenten gegijzeld door wassend water, waarbij ze gaandeweg elk greintje optimisme kwijtspelen. Voor deze roman ontving hij in hetzelfde jaar ook de Bronzen Uil. Ook zijn tweede roman ‘Val’, die in 2015 verscheen, werd door de kritiek goed ontvangen. In 2019 volgde zijn derde roman “Volt”. Op 1 april 2020 – tijdens de Corona-pandemie – lanceerde Six het digitaal tijdschrift #VIRALEN, om zo ‘lezers én schrijvers in tijden van quarantaine samen te brengen’. Voor het eerste nummer leveren onder meer Ilja Leonard Pfeijffer, Radna Fabias, Charlotte Van Den Broeck, Fleur Pierets en Melissa Giardina een bijdrage. Een uit de hand gelopen rouwproces is het thema van de roman “Monster” uit 2021. In 2025 verscheen zijn vijfde roman “In het wit”.

Uit: In het wit

“Het sneeuwde.
Op de bus naar het rusthuis leunde M net niet met haar voorhoofd tegen het raam — de kou slechts een gedachtestreepjes van haar huid verwijderd. Haar adem legde een laagje damp over het glas; nu nog een hartje, een lachend gezichtje. Maar M raakte de wasem niet aan. Ze wreef de jeuk uit haar vingertop en keek naar de vlokken, naar het vrolijk gedwarrel, de winter die over de stad danste.
Op het voetpad ploegde een oude vrouw met haar boodschappenkar door de bleke smurrie. Met haar andere hand trok ze een groezelig wit hondje voort, de leiband strak gespannen. Zijn vacht een vale camouflage, zijn koolzwarte ogen gestolen van een blinde sneeuwpop.
Sneeuwen zou geen werkwoord mogen zijn, dacht M, net voor ze met een harde schok in haar zitting werd gedrukt. De bus, een harmonica op wielen en diesel, slipte en zwenkte, en de chauffeur trok het voertuig weer vloekend recht, de dood nog maar eens een halte afgewend. Al dat gedwarrel, die speelse kristallen die meer zweven dan vallen, het heeft niets met labeur te maken. Het verbum mist daadkracht en gewicht, het mist sleur. Sneeuwen — het klinkt als de wind die met vingers van licht de kruin van een kind streelt.
M kende sneeuw. Ze had veel sneeuwstormen meegemaakt, arctisch geraas en blizzards, het geril dat je tanden deed trillen, de vorstbeten en het rondvliegend ijs dat je gezicht aan flarden reet. Ze had het gevoeld, de gevoelloosheid. De vrieskou die je botten versplintert, die je lichaam bezet als een hellevuur, die elke zenuw verschroeit — Dante had gelijk toen hij de duivel verankerde in een ijsblok: kou is het ware inferno. M kende sneeuw. En ze kende de regen, en de bliksem in de Zwitserse bergen en een fatale picknick. Ze kende de wrede zon op het strand, de loop van een pistool, glimmend in het licht. Ze kende tropische stormen, hoe die op komst waren, donker aan de horizon, en hoe die later palmbomen uit de grond zogen. De herfst, natuurlijk kende M de herfst, met zijn scha-duw op de zonnewijzers en zijn rusteloos door lanen dwalen.”

 

Roderick Six (Ieper, 1979)

Gaël Faye

De Frans-Rwandese schrijver, zanger, rapper en singer-songwriter Gaël Faye werd geboren in Bujumbura, Burundi, op 6 augustus 1982 als zoon van een Franse vader en een Rwandese moeder. In 1995 verhuisde het gezin naar Frankrijk vanwege de burgeroorlog tussen de Hutu’s en de Tutsi’s. Hij bracht zijn jeugd door in het departement Yvelines, waar hij kennis maakte met de wereld van de rap en de hiphop.
Gaël Faye studeerde aan een école de commerce en behaalde een master. Later ging hij gedurende twee jaar bij een investeringsfonds werken in Londen. Vervolgens verliet hij Londen om van muziek en schrijven zijn beroep te maken. In zijn jeugd had hij immers de rap en de hiphop ontdekt. Later verhuisde hij naar de Rwandese hoofdstad Kigali, waar hij samen met zijn vrouw en twee kinderen leeft. In 2008 richtte Gaël Faye de hiphopgroep Milk Coffee and Sugar op, samen met Edgar Sekloka alias Suga. In 2009 bracht de groep een gelijknamig album uit dat gunstig ontvangen werd. In 2013 bracht hij zijn eerste soloalbum uit, genaamd Pili Pili sur un croissant au beurre. Voor dit album kreeg hij de Prix Charles-Cros des lycéens (2012-2014) vand de nieuwe Franse chanson.
Verder werkte samen met onder meer Mulatu Astatke, Ben l’Oncle Soul, Flavia Coelho en Christophe Maé.
In augustus 2016 publiceerde Grasset zijn debuutroman Petit Pays, die goed onthaald werd. Naast zijn nominatie voor de Prix Goncourt werd hij onder meer beloond met de volgende Franse literatuurprijzen:

Prix du roman FNAC
Prix du premier roman français
Prix Goncourt des lycéens
Prix du roman des étudiants France Culture-Télérama

Op 5 september 2017 werd deze roman in Nederlandse vertaling gepubliceerd met als titel “Klein land”. Het is het verhaal van Gaby, een kleine Burundees, zijn ouders en zijn zus. Het kleine land wordt een oorlogstoneel, door de strijd tussen de Hutu’s en Tutsi’s. In 2025 verscheen zijn roman “Jacaranda” over de Rwandese genocide.

Uit: Klein land (Vertaald door Liesbeth van Nes)

“Proloog
Ik weet echt niet hoe dit verhaal is begonnen. Toch had papa het ons op een dag allemaal uitgelegd, in de bestelwagen. ‘In Burundi is het net als in Rwanda, weet je. Er zijn drie verschillende groepen, etnische bevolkingsgroepen heet dat. De Hutu zijn de grootste groep, ze zijn klein, met een dikke neus.’ ‘Zoals Donatien?’ had ik gevraagd. ‘Nee, hij is een Zaïrees, dat is iets heel anders. Prothé bijvoorbeeld wel, onze kok. Je hebt ook de Twa, de pygmeeën. Die slaan we over, ze zijn met zo weinig dat ze niet meetellen, zeg maar. En dan heb je de Tutsi, zoals jullie mama. Daarvan zijn er veel minder dan de Hutu, ze zijn lang en mager met een spitse neus en je weet nooit wat er in hun hoofd omgaat. Jij, Gabriel,’ had hij gezegd en hij wees naar me, lij bent een echte Tutsi, ik weet nooit wat je denkt.’ Nou, ik wist zelf ook niet wat ik dacht. Trouwens, wat kun je over dat alles denken? Dus vroeg ik: ‘Is er oorlog tussen de Tutsi en de Hutu omdat ze niet hetzelfde grondgebied hebben?’ ‘Nee, dat is het niet, ze hebben hetzelfde land.’ ‘Eh… omdat ze niet dezelfde taal hebben, dan?’ ‘Nee hoor, ze spreken dezelfde taal.’ ‘Omdat ze niet dezelfde god hebben, dan?’ ‘Nee hoor, ze hebben dezelfde god.’
‘Maar… waarom voeren ze dan oorlog tegen elkaar?’ `Omdat ze niet dezelfde neus hebben.’ Daar stopte het gesprek. Maar het was toch een vreemde zaak. Ik geloof dat papa er ook niet veel van begreep. Vanaf die dag begon ik te letten op de neus en de lengte van de mensen op straat. Als ik met mijn zusje Ma boodschappen deed in het centrum van de stad, probeerden we onopvallend te raden wie er Hutu of Tutsi was. We fluisterden: Die met die witte broek, dat is een Hutu, hij is klein met een dikke neus.’ ‘Ja, en die daar, met die hoed, dat is een lange dunne met een heel spitse neus, dat is een Tutsi.’ ‘En die daar met zijn gestreepte overhemd, dat is een Hutu.’ ‘Welnee, kijk dan, hij is lang en mager.’ Ja, maar hij heeft een dikke neus!’ Op dat punt begonnen we te twijfelen aan het verhaal over de bevolkingsgroepen. En bovendien wilde papa niet dat we erover praatten. Van hem mochten kinderen zich niet met politiek bemoeien. Maar we konden niet anders. Van dag tot dag breidde de vreemde sfeer zich uit. Zelfs op school begonnen kameraden om de haverklap te kibbelen en elkaar als Hutu of Tutsi te behandelen. Tijdens de vertoning van Cyrano de Bergerac hoorden we zelfs een leerling zeggen: ‘Kijk, het is een Tutsi, met die neus.’ Er was iets in de lucht komen te hangen. Je kon het ruiken, maakte niet uit wat voor neus je had.”

 

Gaël Faye (Bujumbura, 6 augustus 1982)