Im Sommerwind (Reinhold Fuchs), Jussi Adler-Olsen, Conrad Aiken

 

 

Tarweveld in de zomer door Ludmilla Ukrow, 2021

 

Im Sommerwind

Hoch stehen des Roggens mattgoldene Wände
Zur Rechten und Linken in flimmerndem Duft.
Schwellender Segen rings und kein Ende;
Kosend, wie schmeichelnde Mutterhände,
Streichelt die nickenden Ähren die Luft.

Sinnend vom Feldrain im Schwarzdornschatten
Laß ich ins Weite die Blicke gehn. –
Herz, o wie sanft sich die Sorgen bestatten,
Wenn um glühenden Mohn über grünende Matten
Hauche von blühenden Rosen wehn!

Was du in sternlosen Nächten geduldet,
Was du verloren, versäumt und verschuldet,
Dünkt dich ein Traum, der verweht und zerrinnt,
Während wie segnender Feen Schreiten
Rings in den wogenden Halmengebreiten
Flüstert und säuselt der Sommerwind.

 

Reinhold Fuchs (8 juni 1858 – 12 mei 1938) 
Leipzig, de geboorteplaats van Reinhold Fuchs

 

De Deense schrijver Carl Henry Valdemar Jussi Adler-Olsen werd geboren op 2 augustus 1950 in Kopenhagen. Zie ook alle tags voor Jussi Adler-Olsen op dit blog.

Uit: Dossier 64 (Vertaald door Kor de Vries)

“Proloog
November 1985
Op een onvoorzichtig moment ging haar gevoel met haar op de loop. Het koele, broze champagneglas tussen haar vingers, het geroezemoes van stemmen en de soepele hand van haar man om haar middel. Afgezien van verliefdheid waren er slechts fracties van seconden in een verre jeugd die dit gevoel konden oproepen. De geborgenheid van haar grootvaders gekeuvel. Gedempt gelach, terwijl je in slaap viel. Gelach van mensen die allang verdwenen waren. Nete perste haar lippen op elkaar om haar gevoel niet met haar op de loop te laten gaan. Dat gebeurde af en toe. Ze rechtte haar rug en keek uit over het rijke palet aan fleurige jurken en ranke ruggen. Er waren veel mensen afgekomen op het feestdiner ter ere van de Deense winnaar van de Grote Scandinavische Prijs voor Medicijnen van dit jaar. Onderzoekers, artsen, de hotshots van het land. Een gezelschap waar ze niet echt voor was geboren, maar waar ze zich in de loop van de jaren steeds beter op haar gemak voelde. Ze haalde diep adem en wilde een tevreden zucht slaken, toen ze door de menigte van hoog opgestoken haar en mannen met strak geknoopte vlinderdasjes veel te duidelijk een blik op zich gericht voelde worden. Deze ondefinieerbare, verontrustende elektrische ontladingen die alleen ogen kunnen uitzenden die niets goeds met je voor hebben. Ze dook instinctief opzij, als een opgejaagd dier dat dekking zoekt in het struikgewas. Ze legde haar hand op de arm van haar man en probeerde te glimlachen, terwijl haar ogen heen en weer schoten tussen de in feestkleding gestoken lijven en de lichte rook van de kroonluchters. Een vrouw gooide in een moment van vrolijkheid haar hoofd achterover en maakte zo een blik op de achterste muur van de zaal mogelijk. Dáár stond hij. De gestalte stak als een vuurtoren boven iedereen uit. Ondanks zijn ronde rug en zijn kromme benen een massief, reusachtig wild dier dat zijn ogen als schijnwerpers over de menigte liet glijden. Ze voelde opnieuw zijn intense observatie diep in haar lijf en wist heel zeker dat alles in haar leven in een paar seconden in elkaar zou storten als ze op dit moment niet reageerde.”

 

Jussi Adler-Olsen (Kopenhagen, 2 augustus 1950)

 

De Amerikaanse schrijver en dichter Conrad Potter Aiken werd geboren in Savannah, Georgia op 5 augustus 1889. Zie ook mijn blog van 5 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Conrad Aitken op dit blog.

 

Preludes voor Memnon

XLII

Sluit het dagboek in je hart, dat de natuur bijhoudt;
Rep van het berijpte, kreupele waterkersblad;
Zie dat de hagendoornboog met ijs is opgetuigd,
En dat de slak, mettertijd, door malheur bevangen raakt;
Ontwerp de winter op een vensterglas,
Laat in een door de herfst uitgewoond web een waterig zonnetje schijnen;
Herinner je de zomer als de vliegen niet meer zoemen;
Herinner je de lente als de kille spin slaapt.

Zo’n dagboek zegt ook het volgende: het hart
Sloeg vandaag twee of drie keer zonder goede reden,
Voor vrienden en geliefden die voor hun tijd gestorven zijn,
Voor wijsheid die te laat kwam, en voor niets.
Noteer ‘de hand die schudt’, ‘het oog dat staart’;
‘De stap die wankelt tussen vanwaar en vandaar’;
Aanschouw dat rozenbottels en bessen het helderst rood
Opgloeien als Noordpool en zon het verst van elkaar af staan.

Teken aan dat de maan er is, koud als altijd,
Met de eeuwen op haar gelaat, en ijs en sneeuw,
Zoals alleen de tot stand brengende geest kan weten,
Wanneer liefde en haat twijgen zijn die beven.
PS: het is opgehouden met regenen.
De wind draait vanuit het zuidwesten naar het zuiden,
Alle rampen zijn vergeten, pijntjes vergeven,
En de veranderlijke Poolster straalt voor eeuwig.

Zeg dan: ik was onderdeel van het ontwerp van de natuur,
Kende haar koude hart, want ik was bewustzijn,
Dat ermee begon haar te haten en op het laatst haar zegende.
Ik geloofde in haar, twijfelde, geloofde opnieuw.
Mijn geliefde korstmos had dezelfde wortels als ik,
De sneeuwvlok was mijn vader; ik keer terug,
Na dit intermezzo vol vertrouwen en vragen,
Naar het hart van Moeder aarde, even pijnlijk als toen ik ontstond.

 

Vertaald door Hans Dekkers & René Huigen

 

Conrad Aiken (5 augustus 1889 – 17 augustus 1973)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 2e augustus ook mijn blog van 2 augustus 2020 en eveneens mijn blog van 2 augustus 2018 en ook mijn blog van 2 augustus 2017 en ook mijn blog van 2 augustus 2011 deel 2.