middenin de grote vlakte van je vreugde kwam ik je tegen. ik woon hier, zei je. ik keek naar de bloemen. ja, dat zie ik, zei ik, en waar leerde je de kunst om niet lang te duren? ook hier, zei je.
je was lenig; en je woorden waren zo doorschijnend, ik kon je er helemaal door zien. en daar lag ik al in het gras en wat hield ik in mijn hand? een oortje, waarin ik het lange woord ‘lieveling’ uitgoot, zonder morsen.
3.
dag na dag trok ik liefde aan als een steeds wisselende jurk. en hij lag laag bij de gronds op het strand, niet verhevener dan zijn meest aardse verlangen (dat torenhoog opstak boven hem uit.)
en nadien, o emma, o, dan stak hij een sigaret op, net als in franse films. en het was alsof hij zeggen wou ‘dat hebben we weer goed gedaan’ wanneer hij me in de borsten kneep met een knipoogje van zijn handen.
4.
wat heb je vandaag gekocht, vroeg ik. een halsuitsnijding, zei je. trek ze eens aan, vroeg ik, en je trok alles uit: dat is ze helemaal, zei je, maar met de jurk erbij komt ze tot hier-
en toen wees je midden op mijn handen.
Herman de Coninck (21 februari 1944 – 22 mei 1997)
Haar maal gedaan met de Dagschotel Speciaal En nu aan de koffie toe, zat ze Te roeren in haar kop, Een wat vormeloos soort vrouw, Qua leeftijd moeilijk te schatten, Met een heel gewoon hoedje op.
Toen ze opkeek zag je meteen aan haar Dat onze furieuze planeet, Onze mondiale afgrond Van zonde en zwaar materieel En stervenden bij de vleet Voor haar gewoon niet bestond.
Welke hemel het was van de zeven Die zo’n glimlach bracht op haar gezicht, Zag je niet, maar je werd je bewust Dat een god, welke god ook, voor wie het Goed knielen ís, haar had bezocht, In háár tempel had uitgerust.
Vertaald door Peter Verstegen
W. H. Auden (21 februari 1907 – 29 september 1973) Portret door Jeffrey Morgan, z.j.
“Die nacht droomde Lídia over de zee. Een diepe, doorzichtige zee vol trage wezens die gemaakt leken van hetzelfde weemoedige licht als je hebt in de schemering. Lídia wist niet waar ze was, maar ze wist wel dat die wezens kwallen waren. Terwijl ze wakker werd zag ze ze nog door de muren van haar kamer heen glippen, en toen moest ze denken aan haar oma, dona Josephine do Carmo Ferreira, alias nga[1] Fina Diá Makulussu, beroemd droomduidster. Volgens de oude vrouw stond dromen over de zee gelijk aan dromen over de dood. Het eerste wat ze zag toen ze haar ogen opende was de tijd op de grote wandklok: twintig over twaalf. Angola was dus al twintig minuten onafhankelijk, dacht ze, en ze verbaasde zich over het feit dat ze in dat bed lag, in het oude huis in Ingombotas[2]. Wat deed ze hier, in het centrum van Luanda, wat deed ze in dit land? Een zinloze vraag die haar dag in dag uit kwelde. Maar op dat moment had de vraag wat ze daar deed een andere betekenis. Haar hoofd was helder en ze voelde niets, noch de verbittering van een verliezer, noch de euforie van een overwinnaar (die nacht was ze het allebei). Het is de nacht van de sprinkhaan, dacht ze, en ze zag zichzelf als pasgeboren baby met een grote bidsprinkhaan op haar borst. Toen ze klein was, had de oude Jacinto haar dat verteld: ‘Vlak na je geboorte zag je moeder toen ze naar je keek een enorme bidsprinkhaan op je borst zitten.’ Lang daarna herinnerde oma Fina haar aan het voorval en zei: ‘Het leven zal jou verslinden.’ Oma Fina was die maand honderdvijf geworden, maar ze was nog even fris en fit als altijd. Lídia geloofde alles wat ze zei, ook haar voorspellingen. Heel even dacht ze erover haar te wekken en haar droom te vertellen, maar ze deed het niet, had er de kracht niet voor. Ze ademde diep de met kikombo-parfum[3] doordrenkte lucht in en voelde zich lichter. Een ver en vet rumoer drong haar oren binnen; ze kon de geluiden niet van elkaar onderscheiden maar wist dat het ging om geweerschoten, ontploffingen en kreten van pijn, woede en euforie. Eén en al razernij, maar er moest ook liefdesgekreun tussen zitten, geblaf van honden en het bonzen van harten. Lídia dacht aan Viriato da Cruz, dacht aan de dood, dacht aan het leven, dat buiten de dichte ramen van haar slaapkamer doorging. Ze ging rechtop zitten, stak haar hand uit naar het nachtkastje en pakte een langwerpig zwart notitieboekje, zo een waarin kruideniers met potlood hun dagomzet noteren.”
[1] Nga: afkorting van nganga, ‘mevrouw’. [2] Ingombotas: wijk in Luanda. [3] Kikombo: hout waarvan bedden werden gemaakt omdat men geloofde dat de sterke geur ervan wantsen weghield. [4] 11 november 1975: dag waarop de Angolese onafhankelijkheid werd uitgeroepen.
“Ik verblijf in een hotel in Amsterdam-Oost als Monica in mijn leven komt. Hotel Arena (****) is niet direct een hotel naar mijn smaak, maar ze hebben er een bar en de serveersters zijn knap en ze hebben ook een huiskat, Zieck III, die ik meeneem naar mijn kamer zodat ik wat gezelschap heb. De kat is in niets te vergelijken met Marie, die mij net heeft verlaten. Het moeilijkste aan haar afwezigheid vind ik dat ze nog wel ergens is, meegroeit met de tijd, rondloopt in de stad, in bed ligt en eet en vrijt en slaapt, maar dan zonder mij. Ze heeft mij niet meer nodig om verder te kunnen leven en waarschijnlijk heeft ze mij nooit nodig gehad, wat ik een onverteerbare gedachte blijf vinden. Ook ik ben, tegen beter weten in, graag nodig en ik zou met alle liefde (`tot de dood ons scheidt’) hebben willen doen alsof ik onmisbaar ben in iemands leven. Ik zou er makkelijk in kunnen geloven. Nu drink ik longdrinkglazen wodka die ik door de keurige jongens en meisjes die in het restaurant werken naar mijn hotelkamer laat brengen. Ik kom liever niet buiten de deur. In mijn hotelkamer, een kleine studio in de nok van het pand, is alles wat ik nodig heb: wit, schoon, vierkant en overzichtelijk. De centrale verwarming staat op vijfentwintig graden afgesteld en ik lig naakt op mijn rug aan de linkerzijde van het tweepersoonsbed in een van de meest luxueuze kamers die ze hebben. Ik ben misselijk van de vier rollen pepermunt die ik uit een glazen bak bij de receptie heb gevist en die ik achter elkaar heb opgegeten. Mijn handen rusten op mijn buik, ze werken als twee magneten waar alle ellende naartoe trekt, precies onder de palmen van mijn hand borrelt het. Ik weet honderd procent zeker dat ik nooit meer pepermunt ga eten en dat ik nooit meer van de misselijkheid afkom. Ik sluit mijn ogen en laat mijn lichaam zijn gang gaan. Het is alsof de zwaartekracht harder aan me trekt dan normaal, mijn pik, mijn vlees, mijn huid hangen slap naar beneden. Ik val bijna in slaap als de telefoon overgaat, niet mijn mobiel, maar de telefoon die naast me op het nachtkastje staat en waarmee ik tot nu toe alleen nog maar uitgaande gesprekken over glazen wodka en porties gamalenkroketten heb gevoerd; die hebben ze niet in het hotel, ze hebben alleen kalfsvlees- en geitenkaaskroketten, ook goed, maar ik blijf het proberen. Als je lang genoeg om iets vraagt volgt op een dag het aanbod vanzelf.”
De Turkse schrijfster Elif Shafak (eigenlijk Elif Şafak) werd geboren in Straatsburg op 25 oktober 1971. Zie ook alle tags voor Elif Shafak op dit blog.
Uit:Zo houd je moed in een tijd van verdeeldheid (Vertaald door Manon Smits)
“Ik keek haar na tot ze aan het eind van de straat de hoek om ging. Ik had nog nooit een vrouw gezien die zo zichtbaar gebroken was en toch koppig doorging. Ik voelde me schuldig dat ik mijn raam niet had opengedaan om iets tegen haar te zeggen, te vragen of alles in orde was. En ik schaamde me omdat mijn eerste reactie was geweest om me terug te trekken in de veiligheid van mijn appartement, alsof ik bang was dat haar ellende misschien besmettelijk zou zijn. Ik bleef eraan denken, aan de overeenkomsten en de verschillen. Haar eenzaamheid, die vast niet anders was dan mijn eenzaamheid. Maar ook mijn schuchterheid tegenover haar lef. Zij had genoeg van Istanbul, terwijl ik de stad nog moest gaan ontdekken. En belangrijker nog: zij was een sterke strijder, ik was slechts een toeschouwer. Er zijn sindsdien vele jaren verstreken. Ik woon niet meer in Istanbul. Maar vandaag, nu ik in Londen aan mijn bureau zit te schrijven over onze gepolariseerde, geteisterde wereld, denk ik onwillekeurig terug aan dat moment, aan haar, en zit ik te peinzen over woede en eenzaamheid en gekwetstheid. De pandemie. Terwijl het coronavirus de aardbol teisterde en honderdduizenden mensen doodde, miljoenen mensen werkloos maakte en het leven zoals we het kenden aan diggelen sloeg, doken er overal in de Londense parken tekstborden op. ‘Als dit allemaal voorbij is, hoe wil je dat de wereld er dan uitziet?’ was de vraag die de borden stelden. Wat er precies werd bedoeld met dit allemaal werd niet expliciet benoemd; de voorbijganger moest zelf maar bedenken wat dat inhield – deze plotselinge verstoring van ons dagelijks leven, dit gevoel om vast te zitten in de golf van onzekerheid en de vrees voor wat er komen gaat, in deze enorme wereldwijde gezondheidscrisis met op de lange duur economische, sociale en mogelijk politieke gevolgen, in die tunnel waar wij, als mensheid, doorheen moeten zonder dat we enig idee hebben hoe en waar die kan eindigen en of er in de nabije toekomst misschien weer een nieuwe uitbraak van een virusziekte kan komen. Onder de vraag was bewust veel ruimte vrijgelaten op de borden, zodat mensen hun antwoorden eronder konden schrijven, en vele hadden dat ook gedaan. Van alle haastig neergekrabbelde opmerkingen was er met name één die me is bijgebleven. Iemand had met blokletters geschreven: IK WIL GEHOORD WORDEN. Als dit allemaal voorbij is wil ik leven in een andere wereld waarin ik gehoord kan worden.”
Het is altijd eender: alleen ontwakend zie ik de rijen okeren lichtjes van het dorp, een veld bij ons vandaan, zie ik ze flakkeren wanneer vogels opvliegen of bomen er schaduw tussen drijven. Zonder dat iemand
luistert, geef ik ze de namen waar ik zin in heb – zeg dat ze een volmaakte dorpsgemeenschap vormen, vensters herstellen er een verborgen wereld waar het geluk wacht. Tien jaar is nog maar kort om te leren begrijpen dat hun leven niets op heeft met
het mijne, opgesloten in een klein vertrek waar zachte vertrouwde stilte weer bezit van neemt. Hoe opeens angst begint. Wanneer ik me voorstel dat aan liefde haar zichtbaarheid is ontzegd. Ik zie hem boven slapen, de man die mij lieveling noemt,
zijn vrouw, en bijna begin ik te geloven dat zijn vertrouwen in mij is om geslagen in matte, onverschillige zorg. Ik ben geworden tot de droefenis waar hij nooit van scheidt, een sterfgeval dat al zijn kamers erft en de verloren
wereld daar veranderen zal in bezit – tafels en verschoten stoelen die spoedig buitenstaanders zullen toebehoren die nu hun gordijnen opentrekken om het tafereel te zien van nevel die opgestegen is vanuit afkoelende lucht.