Der japanische Mönch Pontaro, blind und leprakrank, las seine Braille-Schriftrollen mit der Spitze seiner Zunge: Geduldig leckend kitzelte er die Wörter aus ihrem Versteck, und hatte er einen ganzen Satz entziffert, schluckte er und leckte sich die Lippen.
Es ist unmöglich, nicht an ihn zu denken, heute, an diesem eiskalten Tag im November, wo die Seiten des kleinen Buchs mit Parabeln sich in meinen Händen so kalt anfühlen wie Fensterscheiben zwischen Besuchern und Patienten in Zwangsjacken, und wo meine Lippen ständig aufspringen wie die Rinde eines verzweifelten Baumes.
Unmöglich, sie sich nicht vorzustellen: die nassen, ausgelesenen Schriftrollen, zum Trocknen aufgehängt im Sonnenlicht, und die Luft, erfrischt vom Geruch sich wellenden Papiers. Und der blinde Mönch selbst, wartend auf die Wiederkehr des Textes, auf die spannende Geschichte: Wie eines Tages
der Buddha im tiefsten Frühling über die Brücke am Fluss ging und dort am Geländer sein Ebenbild sah, das die nackten Füße ins Wasser baumeln ließ. Da wusste der Buddha, was zu tun war: Er legte sich seine Sandalen auf den Kopf und ging so zurück ins Dorf.
Irgendjemand dort würde den Sinn der Geschichte verstehen, würde sich die Lippen lecken und ein wenig Speichel sammeln für die richtige Frage auf diese Antwort.
Schmetterlingseffekt
Dieser eine verheerende Wirbelsturm letzte Woche am anderen Ende der Welt: Das war ich
Nur eine einzige unbedachte Drehung oder Faltung der Flügel, mehr kann’s im Prinzip nicht gewesen sein
Ich schwöre, ich werde mich in Zukunft bemühen Aber wie meinen Körper halten wie die Fühler, die Beinchen
Immer noch bringt jede kleinste Bewegung gewaltiges Massensterben irgendwo weit weg
Selbst mein vollkommen regloses Ausruhen auf der Tempelglocke auf ihrem betörenden Moosbelag bringt weltweit nichts als Zerstörung
We bevinden ons in een getranspersonifieerde staat Revolutie, die jezelf een draai laat maken Ik slaap naast “De Hulk”. “De Hulk” slaapt vaak Terwijl ik wakker ben en vice versa. Het leven is verre van ideaal Voor een aap die verliefd is op een nymfomane! God is ontslagen! Heb ik de maan nodig om vrij te blijven? Om zachtjes te exploderen In een halo van maanstralen? Moet ik Op mijn menselijke voeten staan, rechtop, pratend, vrij Zal slaap het hartzeer van de doofstomme genezen? Ben ik Op mijn eigen manier, Amerika? Bergafwaarts rollend, en weg? De deur naar de rivier is gesloten, mijn hart breekt Los van pure inertie. Ik doe niets anders dan stuntelen. Maakt niet uit. We leven samen in de jungle.
De Duitse schrijfster Olga Grjasnowa werd geboren op 14 november 1984 in Baku Azerbeidzjan. Zie ook alle tags voor Olga Grjasnowa op dit blog.
Uit:Die juristische Unschärfe einer Ehe
„Leylas Zelle maß drei mal zwei Meter und sah aus wie der Hauptschauplatz eines schlechten Film Noir. Eine harte Pritsche und ein winziges vergittertes Fenster. Die Luft war stickig, und die Tage dehnten sich schamlos aus. Die meiste Zeit über lag Leyla auf dem Bauch, ihre Hände mit Handschellen auf den Rücken gefesselt. Ihr Körper widerte sie an. Sie hatte seit einer Woche nicht mehr geduscht Auf ihrem Kleid waren mehrere Schichten Blut und Schweiß übereinander getrocknet Sie war wegen illegaler Autorennen in der Innenstadt von Baku festgenommen worden. Die offizielle Anklage hätte »Rowdytum« lauten können, doch eine Anklage wurde nicht einmal erhoben. Autorennen gehörten zu den Hobbys der Goldenen Aseri-Jugend, und sie waren die letzte Möglichkeit der Revolte. Reiche Sprösslinge kauften sich von ihrem Taschengeld alte sowjetische Autos, auf die man einst ein Jahrzehnt warten musste. Die Rennen fanden bei Nacht und ausschließlich in belebten Gegenden statt, nicht selten kamen dabei Fußgänger ums Leben, was den Charme des Ganzen natürlich erhöhte. Niemand wusste, wer diese Autorennen erfunden hatte. Die Inhaftierten gaben nichts preis—und die Wärter fragten nicht nach. Bei der Präsidentenfamilie waren die Autorennen verpönt und gehörten zu den wenigen Vergehen, die sich nicht mit Geld regeln ließen. Die jungen Fahrer, es war noch nie jemand festgenommen worden, der älter als sechsundzwanzig gewesen wäre, wurden in der Regel auf der Polizeiwache festgehalten und von mehreren Beamten ab-wechselnd verprügelt. Eine durchaus gängige, ja sogar für diese Breitengrade harmlose Praxis. Und so wurde Leyla dreimal täglich von einem jungen Polizeischüler abgeholt und in Handschellen ins Untersuchungszimmer geführt Es war derselbe Junge, der ihr das Wasser und das Essen brachte — schmächtig, von kleinem Wuchs und mit dem traurigen Blick eines ewigen Verlierers. Das Untersuchungszimmer war geräumig und bis auf einen schmalen Tisch und zwei Stühle leer. Er band Leylas Hand- und Fußgelenke fest. Erst während der Fixierung kam der zweite Polizeischüler hinzu: eine operierte Hasenscharte, zwei Goldzähne und ansonsten symmetrische Züge mit zart geschwungenen Augenbrauen, die nicht zum unteren Teil des Gesichts passen wollten.“
Olga Grjasnowa (Baku, 14 november 1984)
De Nederlandse dichter, schrijver en programmamaker Tom Hofland werd geboren in Apeldoorn op 14 november 1990. Zie ook alle tags voor Tom Hofland op dit blog.
Uit: Vele vreemde vormen
“Tomás leunde met zijn rug tegen de muur van zijn kantoor. Hij keek een tijdje naar de lege stoelen aan zijn bureau, de dode plant op de kast en de kalender aan de muur tegenover hem. Op maandag stond een driehoekig puntje met een verticale streep getekend. Het moest een taartpunt voorstellen: Tomás was deze week 31 geworden. Plotseling schrok hij van de stilte en wendde hij zijn blik naar de klok. Het was halfvijf: tijd om een einde aan deze ellenlange dag te maken. Hij liep naar het raam en keek naar buiten. Het regende. Op de stoep vormden zich diepe bruine plassen. Het neonbord van de diamanthandelaar weerspiegelde in een modderstroompje en Tomás probeerde het opschrift ondersteboven te lezen, maar werd na een halfslachtige poging afgeleid door een man die over de plas heen stapte. Hij liep de steeg in die uitkwam onder Tomás’ raam. De man droeg een driedelig wollen pak en glimmende leren schoenen met gespen. Zijn gezicht bestond uit strakke lijnen, geelroze gekleurd, met grijze stoppels op zijn kaken. Af en toe ving Tomás, onder de mouw van zijn lange jas, de glimp op van een gouden polshorloge. Het was allemaal net iets té, deze man. Sowieso te chic voor deze straat, en hij had iets bevreemdends over zich: alsof hij was weggelopen uit een goedkoop kostuumdrama. Verder liep hij een beetje als een vogel. Als een reiger, om precies te zijn. Met grote, voorzichtige stappen liep hij over de plassen heen. Tomás bestudeerde hem vanachter zijn raam en hoopte – god, wat hoopte hij het – dat de man verdwaald was. Dat hij een verkeerde afslag had genomen, rechtsomkeert zou maken en terug zou lopen naar de grote straat. Maar de man liep door met grote vogelpassen en bleef staan onder Tomás’ raam. Hij keek even om zich heen, zag dat hij alleen in de steeg was, en klopte drie keer met zijn ring op het glas van de deur. Tomás bukte. Hij sloot zijn ogen en zag zijn vader voor zich: een forse man in een gekreukeld wit overhemd, zwetend in een hangmat. Een gouden trouwring knelde om zijn vinger; een boek balanceerde op zijn slapende buik, de bladzijden vettig en gekreukeld. Hij lag te genieten van het langzame tempo van het leven op een eiland. Hoe vreemd was dit noodlot, dat uitgerekend Tomás nog altijd in Antwerpen zat? Hij die nooit weg had gewild uit zijn geboorteland, zelfs niet van vakanties had gedroomd. Hij wilde niet denken aan andere scenario’s: hoe zijn leven zou zijn gelopen als zijn vader hem niet naar deze grauwe plek had meegenomen om hem vervolgens weer achter te laten.”
Oh, het Gasthaus is nog steeds gesloten, de biertaps zijn leeg gedruppeld, het fornuis is koud in de keuken en de Stammtisch is zo stil als de kerk op zaterdagavond
wanneer op de stoep bij het krieken van de dag de gemeenste zwarte kat rondstruint die deze arme ogen ooit hebben gezien.
Heer, wees mij genadig, ik zal nooit meer te veel drinken, ik zal elke zondag naar de kerk gaan en elke Eerste Vrijdag ook,
als u die gemene oude zwarte kat maar laat rondstruinen over de Hauptstrasse direct aan de deur van het Gasthaus voorbij.
“Honderden jaren geleden, nog voordat de Kleine IJstijd zijn intrede zou doen, wisten zeelieden al dat land kon smelten – als boter. Meer dan eens hadden ze het voor hun ogen zien gebeuren. Eerst nog leek het heel wat, die solide streep die zich boven de horizon uitstrekte. Maar zodra ze ernaartoe voeren, begon de kustlijn te vervloeien en tegen de tijd dat de bootsgezellen een sloep neerlieten om naar die roomkleurige duinen te roeien, losten ze op. Bleek alles gewoon water. Hoewel het boterland uiteenlopende gedaanten kan aannemen, is het altijd een illusie (en meestal ook een desillusie). Een klassieke verschijningsvorm komt voor in het scheepsjournaal van Arthur Pet, een Engelse zeeverkenner die in 1580 naar het onvindbare ‘Willoughby’s land’ zocht, dat op 72 graden noorderbreedte zou moeten liggen, ergens in de buurt van Nova Zembla. Met zijn driemaster de George of London (she/her) ontwaart Pet op 7 juli ‘perfect land’ – in het noorden. Dit kon de bevroren, onbewoonde kust zijn (met alleen eenden) waarop de nooit weergekeerde Sir Hugh Willoughby in 1553 verzeild was geraakt. Maar al gauw pakken de wolken samen en verliest Pet het perfecte land weer uit het oog. Twee etmalen later, op 9 juli, doemt de ‘schaduwe lands’ opnieuw op. Urenlang zeilt de George er kruisend op af, totdat alle opvarenden (‘nine men and a boy’) inzien dat ze op een mistbank afstevenen. ‘It was but fogge.’ Arthur Pet kwam erachter ‘dattet maer mist was’. Zo staat het bijna smalend in de Oud-Hollandse vertaling, een geschrift dat ónze Willem Barentsz, ‘de Columbus van het ijs’, een week voor zijn dood op Nova Zembla had achtergelaten. De ‘vermaerde piloot’ Barentsz – nog in 2004 stond hij op nummer 56 in de top-100 beroemdste Nederlanders aller tijden – is een veertiger met spitse gelaatstrekken, een vinnig baardje en een evenwijdig aan de horizon gekamde snor. Dat hij lering heeft getrokken uit de missers van zijn voorgangers, voorkomt niet dat ook hij in een boterland-effect trapt. Het verschijnsel doet zich voor op zijn derde en laatste poolreis. Het is ochtend, 5 juni, 1596. Een van Barentsz’ bootsgezellen ziet in de verte witte zwanen zwemmen. Als eerste. Meteen roept hij zijn meerderen aan dek – de chroniqueur, de stuurman, de schipper. In al hun witheid drijven de dieren voorbij, zonder zichtbare inspanning, zoals alleen zwanen dat kunnen.”
Neem uw hond niet mee naar het strand. Het is slecht voor u en nog slechter voor hem. Bord bij Praia Vermelha
De Chopin in het doffe groen van de tweede oxidatie legt zijn hoofd op zijn hand hij is geen strandmens een uniek afgietsel zweet bij de gedachte aan snelle triolen en de pas in de tropen ontwikkelde artritis links en rechts kastanjebomen, een barak misschien een paar gebles- seerde kippen, geen hond
“De uit planken en latten opgetrokken hut van één kamer die het kantoortje van de goudkeurmeester was, ratelde van de wind, en het vuur in de kachel was uit. Vanuit een tweepersoonsbed keek Al Ward, zevenenzestig jaar, broodmager, met grijs haar en blauwe ogen, door het raam naar de vallende sneeuw. Hij trok de dekens en de slaap- zak over zijn hoofd en probeerde weer in slaap te vallen, maar de slaap wilde niet komen. In het donker stelde hij zich dezelfde vraag die hij zich elke ochtend stelde. Als hij nu in Reno was, zat te ontbijten in het Cal Neva, zou hij dan koffie, wentelteefjes en bacon bestellen, zoals een normaal mens, of een Hornitos met ijs? Dezelfde vraag, en altijd hetzelfde antwoord: tequila met ijs, met een biertje ernaast. Hij sloeg de dekens terug en keek naar de lege houtmand. Het was ijskoud in de hut, omdat hij een houtkachel met een barst erin had die te snel verbrandde en hij niet genoeg hout had gehaald. Maar zo ging dat ’s ochtends. Tequila in plaats van ontbijt, en Al die naar een lege houtmand staarde en zichzelf vervloekte totdat zijn blaas de dag aan hem opdrong. De dagen op het vervallen mijnbouwperceel verliepen altijd hetzelfde. Hij ging brandhout halen, dronk koffie en ontbeet, werkte aan een liedje, deed een dutje, dronk nog wat koffie en vervolgens ging hij de wandeling maken die hij elke middag maakte. Avondeten als het ging schemeren, wat tegen die tijd om vier uur ’s middags was, en daarna speelde hij gitaar tot hij moe werd. Vervolgens kroop hij weer in bed en las hij bij het licht van een gaslamp tien jaar oude nummers van National Geographic en Sports Illustrated en probeerde hij met een klein radiootje op batterijen zenders te ontvangen. Een dag en een nacht. Op de wekker naast zijn bed stond zes uur drieëndertig. Waarom kon hij niet doorslapen tot het middaguur, zoals hij het grootste deel van zijn leven gedaan had? Als hij dat wel kon, zou tegen de tijd dat hij zijn ogen opendeed de helft van zijn werkdag erop zitten. Maar op zijn oude dag sliep hij slecht. Hij sliep met horten en stoten en werd vroeg wakker, uitgeput maar wakker. Iedereen zei dat hoe ouder je werd, des te makkelijker het werd om op te staan, maar dat is in zijn leven niet het geval geweest. Het was elke ochtend al een gevecht om zijn voeten op de grond te krijgen. In wollen sokken en lang ondergoed trok hij een joggingbroek, tennisschoenen en een canvas jas aan, en hij liep met een plastic melkflessenkrat naar buiten. Sneeuw en wind waaiden op hem in en hij liep vier keer heen en weer naar de schuur om de houtmand te vullen.”
Geen enkele stemtoon is voldoende voor de gelegenheid Flits, dat is alles, dat we hier zijn. Ben je ooit sarcastisch en onsympathiek? Mentaal zijn we de worp van één epische gedachte: Jullie. Hoeveel van jullie razen door me heen, terwijl ik in de metro rijd, jullie leid, omdat ik moet en niet aangrijpend moet zijn o wie heeft er nog iets aangrijpends geschreven sinds…
Een oude vrouw van onbepaalde afkomst, met een witte hoed en sjaal, zonder tanden die naar me terug staarde. Hij klonk gisteravond broos en superieur, doen de doden dat; oma had een overvloed aan stemtonen vergeleken met iedereen in deze bloemlezing. Onze
bloemlezing, zegt hij, mentaal zijn is verschrikkelijk ingewikkeld. Hoe houd je je gedichten bij? Ieder- een herinnert zich wat hij of zij leuk vindt, maar je moet ze constant uitgeven… Iedereen is op me gericht, overstem het en denk aan een icoon met een smaragdgroene keel.
Ik zie het huis in het steegje ’s nachts donker. Ik probeer weer puur te zijn, maar ik wil alle tonen. Als je dood bent, kun je ze hebben… dik marine donker van de hekachtige oleanders en een maan die naar witte borden roept. Kom binnen. Ga liggen in je eigen bed, in de kamer waar mama een schorpioen vond.
Vertaald door Frans Roumen
Alice Notley (Bisbee, 8 november 1945) Portret door door Sophie Herxheimer, 2015
“Prolog »Sag mal, könntest du Elliott nachher vom Schwimmen ab-holen?« »Ich bin gerade unterwegs auf dem Fahrrad, kann ich dich gleich zurückrufen? « »Es geht nur kurz darum, ob du Elliott nachher abholst.« »Ja, muss ich eben checken. Ich rufe gleich zurück. Ich bin auf dem Fahrrad und erwarte gleich noch einen anderen An-ruf. Ich muss mich beeilen. Ich will den Anruf eigentlich nicht so gern auf dem Fahrrad machen.« »Kannst du einfach kurz Ja oder Nein sagen ?« »Ich bin, sagte ich doch gerade, auf dem Fahrrad. Ich muss eben halten und in meinen Kalender gucken.« »Ach so, bist du eh davon ausgegangen, dass ich Elliott ab-hole, oder was? « »Nein, ich hatte mir darüber noch keine Gedanken gemacht.« »Ja, das muss man sich auch erst mal leisten können.« »Wie oft habe ich Elliott irgendwo vergessen? Richtig: kein einziges Mal! Ich mache mir Gedanken, wenn ich denke, dass es richtig ist, beziehungsweise wenn ich die Zeit dafür habe.« »Das ist einfach nur egozentrisch. Hast du mal daran gedacht, dass ich auch planen muss ?« »Wie gesagt: Lass mich eben in den Kalender gucken. Aber ich bin gerade auf dem Fahrrad. « »Immer muss ich mich nach deinem Kalender richten. Es ist echt zum Kotzen.« »Du musst dich nach gare nichts richten, ich muss nur eben aufpassen, dass ich nicht von irgendeinem Auto überfahren werde, während ich auf mein Handy gucke.« »Ich bitte dich einfach nur, mir eine Antwort zu geben, über die du dir schon vor Ewigkeiten hättest Gedanken machen können, damit ich auch mein Leben planen kann.« »Ich gebe dir die Antwort gleich! Sobald ich hier rangefahren bin. Quasi: jetzt. Warte mal eben. Ich ruf dich gleich zu-rück. Bei mir klopft es gerade an. Ich hab ’n kurzes Geschäfts-telefonat wegen der Produktion, die ich angefangen habe. Ich muss da eben die Rahmenbedingungen klären. Das ist der Anwalt oder der Manager von dem Künstler. Ich kann den nicht warten lassen.« »Alles klar. Hauptsache, du setzt deine Prioritäten … « »Hallo.« »Guten Morgen. Spreche ich mit David?« »Ja. Ich bin am Apparat.« »Guten Morgen, David. Ist das Wetter bei euch in Berlin auch so schön wie hier in Los Angeles ?« »Nein. Eigentlich nicht. Aber man sagt hier, dass es kein schlechtes Wetter gibt. Sondern nur schlechte Kleidung. Schön, dass wir einmal sprechen. Ian hatte es schon vor einiger Zeit angekündigt.« »Schön. Ich kann es kaum erwarten, mehr über dich und deine Arbeit zu erfahren. Aber bevor du anfängst, würde ich mich gern vorstellen. Mein Name ist Will Greenfield, und ich arbeite seit dreißig Jahren mit einer Band, deren Name dir vermutlich etwas sagt: The Sonic Audio Lightning Trio oder kurz: S. A. L. T. Ich gehe davon aus, dass du sie kennst? Oder warst du in den letzten zwanzig Jahren auf keinem Stadion-konzert?« Der Mann lacht laut. »Ja, klar. Ich kenn die natürlich.« »Eben. Weißt du, David, ich wollte nur kurz mit dir sprechen, um dir zu sagen … sag mal, wieso ist denn das so laut bei dir im Hintergrund? Stehst du an einer German Autobahn ?«
Johann Scheerer (Henstedt-Ulzburg, 6 november 1982)
De mannen & vrouwen zongen & speelden ze slapen zingend, wat zal ik zeggen van de meest aangrijpende op aarde, de meest glamoureuze eenzaamste gezochte mensen die dichters, volkomen mooi desolaat en verguld, de dood is een krachtige instinctieve emotie— maar wie zou er bevrijd worden van een zilveren skelet? edelstenen en drinkbekers—Deze schedel is Helena—die niet bevrijd zou worden van het Boek der Kennis? Waarom zou een meisje op de heide liggen zeven nachten en een dag? En hij is een meisje, dat is & zij op het gras de bloem de tak waar ze liggen en sleutelbloemen eten gek geworden van verdriet & al de schoonheden van vroeger—oh, elke dichter is een mooi mensenmeisje dat moet sterven.
“Hij keek naar de fijne, donkere haartjes op haar bovenlip, de gladde, olijfkleurige huid. De licht gebogen neus met daaronder de gewelfde bovenlip. Hij ging met zijn wijs-vinger naar een wenkbrauw en volgde de perfecte boog, maar raakte die niet aan. Het was stil in het grote vertrek. Een laag, winters licht scheen naar binnen op dc meubelen, op de lakens, op haar zwarte haar. Hij streek met zijn hand door haar krullen en rook aan haar hoofd. Zo had zij dat ook bij hem gedaan. Soms ging hij met Isaac en Miriam mee om over de markt of langs het water te zwerven, en als ze dan naar huis waren gerend voor het eten — zij beiden altijd harder dan hij, en hij met een piepende adem — deed hun moeder de deur open om hen binnen te laten. Miriam holde na een snelle begroeting langs haar heen, door naar de kamer waar hun broertje Cabriël lag, haar vlechten zwiepend achter haar aan. Isaac volgde haar op de voet; zelf bleef hij in dc gang stilstaan om uit te hijgen. En dan keek zijn moeder hem onderzoekend aan, ze boog zich voorover en rook in zijn haren, zacht en rustig, tot zijn ademhaling tot bedaren kwam. Die paar ogenblikken luisterde hij samen met haar naar de heldere stemmen van Miriam en Isaac, het spelen van Rebecca, het gebrabbel van Gabriël, het ratelen van de karren op de keien, het zware stemgeluid van de koopmannen die de kisten in ontvangst namen en in hun opslagruimten lieten zetten. Het roepen van de schippers op de Houtgracht, het gejank van de meeuwen. Nu rook hij de zachte zweetlucht van haar strijd, haar zeep, haar bloesemwater, en een nieuwe geur die hij nog niet kende. Iets pittigs, dat moest het zijn. ‘Wat is pittig?’ had hij zijn vader gevraagd toen Isaac en hij mee mochten naar het pakhuis. ‘Is dat hetzelfde als hartig?’ ‘Bijna,’ had zijn vader afwezig geantwoord, druk bezig met een partij gedroogde abrikozen. De vruchten roken als vers stro. ‘Mag ik er een?’ vroeg hij. Meteen kwam Isaac eraan gehold. ‘Ik ook!’ ‘Jullie eten alles op, zo kan ik niets verkopen,’ bromde hun vader goedmoedig. Ze lieten het vruchtvlees met de zoetzure smaak langzaam langs hun verhemelte gaan en keken elkaar aan. ‘Het smaakt naar Portugal,’ zei hij. ‘Niet,’ zei Isaac, ‘dat kun je helemaal niet weten.’ ‘Maar zo smaakt het echt,’ hield hij vol. ‘Voor mij anders niet,’ zei Isaac. ‘Kun je allebei iets anders proeven?’ vroeg hij aan zijn vader, maar die was alweer met een koopman in onderhandeling over een paar zakken niet noten. Hij kwam graag in het pakhuis. Vooral in de zomer, als alle handelswaar warm en geurig was. Isaac deed dan zijn ogen dicht en hijzelf duwde hem rond.”
Andrea Voigt (Rotterdam, 29 oktober 1968)
De Duitse schrijver, dichter en literatuurwetenschapper Harald Hartung werd geboren op 29 oktober 1932 in Heme. Zie ook alle tags voor Harald Hartung op dit blog. Harald Hartung overleed op 13 september jongstleden op 92-jarige leeftijd.
Papier waarop het sneeuwt
Ik kon urenlang kijken naar het sneeuwen de lettergrepen van de sneeuwval die woorden en zinnen vormden en langzaam de bomen verzwaren totdat alle lijnen gevuld waren en het papier weer wit was
Vertaald door Frans Roumen
Harald Hartung (29 oktober 1932 – 13 september 2025)
De Zuid-Afrikaanse dichteres en schrijfster Antjie Krog werd geboren in Kroonstad op 23 oktober 1952. Zie ook alle tags voor Antjie Krog op dit blog.
Namens mezelf
voor niemand hoef ik me nog druk te maken aan niemand hoef ik nog verantwoording af te leggen of vergeving te vragen
niemands uitzichtloze positie hoef ik nog ter discussie te stellen in niemands leven hoef ik mij nog te verplaatsen.
de eerste voorboden van de dood maken hun opwachting en het lichaam glijdt als zand tussen de vingers door. de zintuigen op non-actief.
wild en wanhopig klamp je je aan het leven vast en je isoleert je van andere zodat je allengs meer vertrouwd raakt met de introversie van de dood.
la voor la word je leeggemaakt totdat alleen de lege binnenkant je raakt.
Vertrek
een kind gaat weg. ik sta met lege handen. ten afscheid de vertrouwde blik voordat de zonnebril. handen tastend naar de veiligheidsriem. de uitgestorven straat. ik zwaai maar wat. het is of
alle licht verbleekt. of alles vekilt. of ik diep vanbinnen van geen schuld wil weten. harde verwijten over en weer. na elk vertrek zin ik op woorden. om het helder te krijgen. hoe ik voortaan.
het zeurende gevoel in mijn ribben. ik broed op mogelijkheden. om wat ons bindt in taal te uiten. je wilt zo
weinig horen. de abrupte bloeddoorlopen radeloos gemikte vuistslag in je smoel. en óf hij aankomt. jezus kind! mijn hart bloedt.
Depressie
het is alsof je blik steeds meer naar binnen gekeerd raakt je voorhoofd steeds donkerder wordt je wangen steeds strakker je mond steeds afstandelijker dan enig iets wat ooit van mij was je lichaam zo doorzichtig alsof mijn hand zo door je heen kan als ik probeer tegen te houden dat je verdwijnt je bent onder ons maar hebt het contact verbroken aan je handen kan ik zien hoe verbeten je je soms nog vast- houdt je vingernagels verdwijnen het is alsof ik langs een oever ren en reddingsboeien uitgooi en touwen en takken en uit alle macht schreeuw dat je moet volhouden en vasthouden dat ik naar de kant zal zwemmen dat ik me zal opofferen dat ik de Here God zelf uit de hemel zal plukken dat ik er alles alles voor over zal hebben om je ogen hun eigen uitdrukking terug te geven
Bij de beleefde zee rust ik, Schenk haar aandacht En woorden. Bij de zee Lig ik, bij de zee bid ik, Laat mijn ellebogen en woorden zakken Op haar zand.
Bij de verliefde zee Droom ik. En droom. En droom. Ik hou van de zee. Ik hou van de zee. Ze is stil en beleefd Geeft me teder toestemming Om te zijn.
Papendrecht! Papendrecht! met je futuristische wolken, roestbruin, groen, rose als het goddelijk italiaans ijs.
Papendrecht! Papendrecht! met je Dada-werkdagen, wind regen en piskleurige hemel, met je bleke nachtlampen en gestamp van scheepsmotoren.
Die jonge keizer op de pont naar Dordrecht, knipoogt en terwijl bruin water over het dek spoelt houden wij elkaar vast en de reling natuurlijk ook.
Ik ga als een schizofreen de mogelijkheden na en geef me over aan de wildste redenaties. Papendrecht, nachtelijk Papendrecht met je woest donker havenwater en het vrijdagavond-geluk dat wacht.
Zeer kleine diamanten hangen aan de hijskranen en silo’s en zwarte meeuwen vliegen krijsend op.
Maar op de kade blijkt mijn keizer gewoon een matroos op wie gewacht werd.
Willem Bijsterbosch (23 oktober 1955 – 18 januari 2010) Cover
“En toch, tegenover het schijnbaar zo sterke en verheerlijkte ‘eigen huis’ bleef de wereld als een uitdaging liggen. Een wat vluchtige kennismaking met het katholieke milieu uit de hier behandelde jaren zou de waarnemer kunnen verleiden tot de gedachte dat een weldadige apostolische strijdbaarheid de gemeente kenmerkte. Toch schijnt achteraf veel activiteit eerder uit een plichtmatig doen dan uit wezenlijke bezieling geboren. Strijd lijkt b.v. in de jeugdbeweging het kernwoord, strijd in dienst van de koning Christus (het feest van Christus Koning werd door paus Pius XI in december 1925 ingesteld), in wiens naam geheel de wereld veroverd moest worden voor het ware geloof. Strijd ook scheen geboden wanneer de katholieken van die dagen zich de kerkvervolging in Mexico en Spanje voor de geest haalden of de agressiviteit van b.v. hun socialistische, communistische en fascistische landgenoten, wier bladen ook geen damesorganen konden heten. ‘Voor Christus onze Koning, God wil het, Amen’ is de meest gebruikte groet in de katholieke jeugdbeweging, – ja, men stelde zelfs ernstig voor deze groet in te voeren op het voetbalveld. Een beweging als De Kruisvaart was doortrokken van de ridderromantiek in dienst van de Koning. Een toentertijd populair boek als ‘Jonge Helden’ door de jezuïet Hardy Schilgen deed al evenzeer een beroep op de strijdbare ridderlijkheid in jongelui. De Graal trok luidruchtig en bont de straten door, in een getuigenisdrift die men tot dan toe slechts aan Leger des Heilssoldaten meende te kunnen toekennen. Maar de vraag dringt zich op of met name in deze massabewegingen de strijdgedachte niet al spoedig een gemeenplaats werd, die nauwelijks meer een weerspiegeling van de bezieling der jongelui zelf kon heten, – en bovendien of de jeugd hier niet in zekere zin gebruikt werd voor een machtsontplooiing (een bevestiging van de ‘katholieke zaak’) die haar leiders voor gewenst hielden. Zelden zal katholiek Nederland zoveel demonstraties hebben gekend als in de hier beschouwde jaren. Voortdurend zijn er congressen, demonstratieve dagen en vergaderingen, optochten, manifestaties, openluchtspelen.”
Michel van der Plas (23 oktober 1927 – 21 juli 2013)
“GALEN WACHTTE ONDER de vijgenboom op zijn moeder. Voor de honderdste keer zat hij Siddhartha te lezen, de jonge Boeddha, starend naar de rivier. Hij voelde de enorme aanwezigheid van de vijgenboom boven hem, luisterde of hij de niet-wind hoorde, de stilte. Zomerhitte drukte, plette de aarde. Een laagje zweet overdekte het grootste deel van zijn lijf, een olievlek. Dit oude huis, de bomen oeroud. Het gras, lang inmiddels, kriebelde aan zijn benen. Maar hij probeerde zich te concentreren. De niet-wind horen. Op de adem richten. Laat het niet-zelf voorbijgaan. Galen, riep zijn moeder van binnen, Galen. Hij ademde dieper, probeerde zijn moeder voorbij te laten gaan. 0, daar ben je, zei ze.Toe aan de thee? Hij gaf geen antwoord. Concentreerde zich op zijn ademhaling, hoopte dat ze weg zou gaan. Maar natuurlijk zat hij hier op haar te wachten, op de thee te wachten. Help me eens met het blad, zei ze, dus legde hij zuchtend zijn boek neer en stond op, stijf van het zitten met gekruiste benen. Daar ben je, zei ze, toen hij de keuken binnenkwam. Oud hout boog onder zijn blote voeten. Ruwheid van afschilferend vemis. Hij pakte het dienblad, oud, zwaar zilver, de bewerkte zilveren theepot, de witte porseleinen kopjes, alles wat hem deprimeerde, en toen hij met zijn handen vol stond, boog ze zich van achter naar hem toe en gaf hem een kus, haar lippen tegen zijn hals en dat snuffelgeluidje dat ze maakte omdat dat zo lief was, waarvan hij ineenkromp en wilde gaan gillen. Maar hij liet het blad niet vallen. Hij droeg het naar het gietijzeren tafeltje buiten in de schaduw van de vijg, dicht tegen de muur van de boerderijschuur met de kleine woonruimte erboven. Hij dacht erover om daar in te trekken, weg van haar, weg van het hoofdgebouw. Zijn moeder naast hem met de minisandwiches, komkommer en waterkers. Ze zaten niet in Engeland. Dit was Engeland niet. Ze zaten in Carmichael, een buitenwijk van Sacramento, Californië, in de Central Volley, een lang, heet, ruig dal, zo ver van Engeland als maar mogelijk was, en elke middag hadden ze een high tea. Ze waren niet eens Engels. Zijn grootmoeder uit IJsland, grootvader uit Duitsland. Niks in hun leven zou ooit ergens op slaan. Ga zitten, zei zijn moeder. Goed boek? Ze schonk een kop thee voor hem in. Ze was in het wit. Een zomerse witte blouse en een lange rok, helemaal wit, met sandalen.”
David Vann (Adak Island, 19 oktober 1966)
De Duitse dichter, schrijver en vertaler Jan Wagner werd geboren op 18 oktober 1971 in Hamburg. Zie ook alle tags voor Jan Wagner op dit blog.
Een paard
»The well-aimed phrase is a whip your poem a horse.« (Michael Donaghy, naar Lu Chi)
Is het een vos, een schimmel of Arabier, hengst of merrie, die door de tuin draaft en bij de rabarber bezig is, bij de lavendelstruik?
die daar over de triple-bar springt, alleen om midden op het slagveld te landen, voor de karren met vaten en de gouden piramide
van hooi gespannen ? De koudbloed die uit Brabant een zwaar hart meesleept en de V, de lichte ploeg van de wilde ganzen, of de Lipizzaner,
die zwart geboren wordt, die over alle velden weet weg te dansen en steeds witter wordt, die triomfeert, de hele wereld in toom houdt, verblindend als de zakdoek van een keizer?
Het spreekt voor zich: alle tweehonderd tweeënvijftig botten kun je nog in je slaap in elkaar zetten, je kent de hoefslag, de hardheid van inzicht, de precisie in de staart,
de schaduwen die ’s nachts grijsbruin tegen de omheining van de weide schuren, huhu en brr, hoort het gesmoorde gehinnik in de graven van de farao’s en veroveraars.
En toch ben je hier nu, rood als een bier koetsier en vloekend, met het suikerklontje genialiteit in je zak en het dier dat noch vooruit noch achteruit gaat,
niet reageert op je zweep, noch op de wortel die aan een touwtje voor zijn neusgaten bungelt als de kaars voor de icoon. Verroer je, zeg je trillend.
Het verroert zich niet. Het staat daar, uitkijkend over het land.
„Sie reißt einen kleinen Zettel in Hälften und beginnt zu schreiben. Meine Hände werden nicht zittern. Mit geschwungener Schrift notiert sie den Satz. Das Ganze hat etwas Lächerliches, Kindisches, aber sie kann nicht anders. Meine Hände, schreibt sie auf du zweite Stückchen Papier. Das M und das H zieht sie größer eh die anderen Buchstaben. Der Bleistift erzeugt ein Wispern. Werden nicht eitern. Sie schaut auf die Uhr, in einer Viertelstunde muss sie Ios. Schnell faltet sie die Papierstreifen und stopft sie in die Taschen ihrer Jeans, einen in die rechte, einen in die linke, einen für die rechte Hand, der ist wichtig, einen für die linke Hand, zur Sicherheit. Auf dem Weg in die Küche schiebt sie die Zettel tiefer in die Taschen, fest necken sie unter dem engen Jeansstoff. Georg sitzt am Tisch und füttert Matti, zwischendurch beißt er von seinem eigenen Brot ab und blättert in einer Zeitschrift. Auf dem Teller hat er Apfelringe und Gurkenwürfel arrangiert, dazu einige Häppchen Toast mit Butter, die Matti erstaunlich brav isst. Manchmal müssen sie mit Tricks seine Aufmerksamkeit suchen, damit er das Essen nicht vergisst, denn er spielt lieber mit seinem Löffel, schaut M der Eiche umher, zeigt mit seinem speichelnassen Enger fordernd auf die Lampe, eine Banane, eine Flasche, weil er das Wort dazu hören will. Dann sitzen sie beide neben ihm, jeder an einer Seite, und machen aus der Mahlzeit ein Spiel, ein Löffel Grießbrei brummt wie ein Flugzeug auf Maxis offenen Mund zu, ein Stückchen Gurke kreist wie eine Hummel durch die Luft, und mittendrin, sieht sie vor sich das komische Bild, das sie beide dabei abgeben, erkennt Georg nicht, erkennt sich selbst nicht; zwei seltsame Erwachsene, die Theater spielen, die sich über ihr sattes Kind freuen wie über ein großartiges Geschenk. Auf dem Herd zischt die Espressokanne, dazu hat Georg wieder Milch aufgesetzt. „Da ist Kaffee, wenn du möchtest«, sagt er, den Blick weiter auf die Zeitschrift gerichtet. Sie stellt die Gasflamme au, «ich bin heut nicht müde«, sagt sie, kann jedoch ein Gähnen nicht unterdrücken.“
De Nederlandse literatuurcriticus, essayist en letterkundige Kees Fens werd geboren in Amsterdam op 18 oktober 1929. Zie ook alle tags voor Kees Fens op dit blog.
Uit: Wilhelmus Jozef Maria Bronzwaer Heerlen 15 mei 1936 – Nijmegen 20 januari 1999
“Maar zijn verzet tegen verstarring en eenzijdigheid, die ook een angst voor de verstijving van zichzelf kan verraden, verliet hem niet. Dat hij, met al zijn kennis van de theorie, zijn leeropdracht het accent van het comparatisme gaf, is veelzeggend. Hij bleef voor alles een heel groot lezer; ook, en dat mag wel benadrukt worden, in de Nederlandse letterkunde. Hij schreef een aantal stukken over Vestdijk, Bordewijk en Koolhaas die klassiek verdienen te zijn. Zijn zeer grote kennis van de Nederlandse poëzie blijkt uit zijn in 1993 verschenen Lessen in lyriek. De gebondenheid aan het boek was zijn vrijheid. Ik heb hem van alle collega’s aan de Nijmeegse letterenfaculteit het meest van een boek zien opkijken. Literatuur en muziek zijn de enige zaken die hij nooit heeft gerelativeerd. Met dit laatste woord raak ik aan een van zijn meest fundamentele eigenschappen: zijn scepsis. Die is natuurlijk allereerst een voorbeeldige wetenschappelijke hoedanigheid. Maar samen met ironie treft ze alles wat pretentie heeft en starheid vertoont (die twee gaan meestal samen) en dat in personen, opvattingen en publicaties. De scepsis was ook een voortdurende vorm van zelfcorrectie, een lichte bekering kan men zeggen. In gesprekken uitte de scepsis zich in een bijna ondergrondse humor, waarbij ook het lichte gerinkel van de kettingen die hemzelf bonden, hoorbaar was. De in zijn ambt zeer formele, om niet te zeggen strenge Bronzwaer had een opstandige kant, die zijn verlangen naar vrijheid te vermoeden gaf. Hij heeft die tweedracht in zichzelf – en dat is ook de tweedracht tussen de wetenschap en het schrijven, tussen week en vrije dag – niet helemaal kunnen oplossen. Een van zijn opvallendste wetenschappelijke uitingen, die ook een persoonlijke bevrijding moet hebben betekend, was zijn relativeren – wellicht is ‘afwijzen’ een te sterk woord – van de hem, ook uit zijn Nijmeegse studiejaren, zeer vertrouwde ‘Cambridge-canon’ (wat, uiteraard, bewondering voor zijn leermeester T.A. Birrell niet uitsloot). Bronzwaer is al vroeg zijn eigen weg gegaan en die heeft hij tot zijn einde gevolgd, met een steeds groter wordend relativeringsvermogen. Alle hartstocht verraadt zich in eenzijdigheid. Ook bij de veelzijdigen. Over enkele auteurs heeft Bronzwaer zeer veel geschreven en vaak briljant: Eliot, Hopkins, Thomas Mann en Rilke. Van de laatste heeft hij ook – en dat was ineens een verrassend initiatief, dat een altijd vermoed, maar verborgen gebleven kunstenaarstalent in hem zichtbaar maakte – gedichten en proza vertaald. Over de oorsprong van deze voorkeuren durf ik niet te speculeren. Wat de vier gemeenschappelijk hebben, is wat ik maar noem hun ‘zwaarte’, hun moeilijkheidsgraad ook. Bronzwaer hield van het spel, maar hij beminde de ernst.”
Kees Fens (18 oktober 1929 – 14 juni 2008) Kees Fens en W. J. M. Bronzwaer
De Duitse dichter, schrijver en vertaler Jan Wagner werd geboren op 18 oktober 1971 in Hamburg. Zie ook alle tags voor Jan Wagner op dit blog.
het wilgentakje
waarom precies wanneer tante Mia een wilgentakje in haar neus stak, vertelt de geschiedenis niet. Zeker is: hoe meer ze probeerde het te grijpen, hoe meer het zich gestaag terugtrok in zijn duisternis, zacht en wit, een hermelijn in zijn hol. het punt waarop de dingen zich weg bewegen; het moment waarop we worden genegeerd en slechts getuigen of figuranten zijn, totdat dat tapijt geruïneerd, de vleugelpiano van de tiende verdieping is gevallen, de hele stad een laaiend inferno. nog was het oorlog, maar de krekel zong ondanks alles in de bloeiende takken van de wilg, in de beek zat de met licht gepantserde forel. en niets, dat hielp, geen pincet en geen breinaald, tot men het krijsende kleintje naar een kliniek bracht. deze heldere dubbele maan van de lamp en de halo van lachende verpleegsters erboven – je zou bijna mee willen lachen, was daar niet de subtiele druk die tussen voorhoofdsholte en neusbrug heerst, achter het gezicht, die afwacht, vasthoudend, als een dier.
De maand is uitgebalanceerd en snel En jong en snaat’rend als een eendenkom; De nachten zijn te kort en noord’lijk hel En kant’len makk’lijk naar de ochtend om.
Dit is het ergst: men kent die nachten wel, Dat men zich wentelt om en om en om In ’t lauwe bed, terwijl een Turksche trom Van verre kermissen de zielsrust kwelt.
Alles in bloei, en alles hangt te bengelen En daagt de zwaartekracht uitbundig uit En vliegt en zweeft en doet wat ’t niet kan laten.
En wie des nachts een draaiorgel hoort jengelen Droomt kort en bondig van de acrobaten Die, vallend, door een koord worden gestuit.
Juli
Verwonderd vragen van de eerste vruchten: Zijn wij voor ’t midden of voor ’t eind bestemd? Reeds schallen onze bongerds van geruchten Die het welvarend appelvolk niet kent.
Het najaar stooft met zijn verbleekte luchten Ons zoo verwoed niet als dit licht ons temt En zoet en vloeibaar maakt; wij willen vluchten, Maar kunnen niet, door ’t rijpen overstemd.
Jong rijp jong rot: wij gaan de avond in, En hangen pronkend achter meisjesooren, Wij willen leven, en wij kunnen niet.
Wij werden niet als toovervrucht geboren, Maar moeten bloeden in ons eerst begin, En moeten sterven bij een kinderlied.
Augustus
De warmste dag, en dit merkwaardig korten Der dagen, waar de dood de hand in heeft, De dood van ’t jaar, die zich nog op wil schorten, Doch reeds in koop’ren donderkoppen beeft.
En als de hondsdag ons het graan niet geeft, Dan komen onverhoeds de ijscohorten Van koning Winter grijnslachend en scheef Zich op het onbeschermde bouwland storten.
Een grijsaard, heet en geil, verwarmt zijn leden Aan de eigen brand, en brandt geweldig op, Met heel zijn toekomst saamgeperst in ’t heden.
Maar als hij met zijn malsche prooi terneerligt, Slaat hem de hitte, en op zijn kale kop Buigen de laatste halmen onder ’t weerlicht.
Simon Vestdijk (17 oktober 1898 – 23 maart 1971) Mieke en Simon Vestdijk met Harry Mulisch en Hugo Claus
De Duitse dichter, schrijver en vertaler Jan Wagner werd geboren op 18 oktober 1971 in Hamburg. Zie ook alle tags voor Jan Wagner op dit blog.
Heers
Niet te onderschatten: heers met verlangen al in de naam – vandaar de bloesems, die zo zwevend wit zijn, kuis als een tirannendroom.
Keert altijd terug als een oude schuld, zendt zijn geheime boodschappen door de duisternis onder het gazon, onder het veld, tot ergens een nieuw wit nest
van verzet opschiet. Achter de garage, bij het knarsende grind, de kers: heers als schuim, als bruis, dat geruisloos
gebeurt, omhoog naar de gevel kruipt, totdat heers bijna overal ontspruit, door de hele tuin heers over heers schuift, verslindt met niets anders dan heers.