De Noorse schrijver en historicus Gunnar Magne Roalkvam werd geboren op 27 augustus 1951 in Stavanger. Hij publiceerde diverse dichtbundels en een aantal vakboeken. Hij schreef ook toneelstukken en teksten voor koorwerken.Roalkvam staat ook bekend om zijn songteksten die een aantal artiesten op platen hebben opgenomen, waaronder: Svein Tang Wa, Stavangerensemblet, Reidar Larsen, Vamp, Ryfylke Visegruppe, Vestlandsfanden, Sigvart Dagsland, Per Inge Torkelsen, Leif en anderen. Hij was de tekstschrijver van de musical “Byterminalen”, die werd uitgevoerd in verband met Stavanger2008. Roalkvam ontving in 1995 de Cultuurprijs van de gemeente Stavanger en in 2012 de Cultuurprijs van de gemeente Rogaland County. Hij ontving ook de Prijs van Advocaat Ole Dehli voor zijn inspanningen om kennis over coöperaties als economische bedrijfsvorm te verspreiden. Roalkvam was van 1976 tot 2014 docent aan de St. Olav’s Upper Secondary School in Stavanger.
To be first
There’s no point being first, to arrive alone. It will not be fun before we others come, anyway.
Take it easy hold my hand, then we go step by step. Once you will become first, another time it is the second one who thinks the longest. And before we know it, the last person got right.
It is possible to go in front, without getting first, anyway.
De Italiaans-Zwitserse schrijver, essayist en journalist Giuliano da Empoli werd geboren in Neuilly-sur-Seine, Frankrijk, op 27 augustus 1973. Empoli groeide op in verschillende Europese landen. Hij studeerde rechten aan de Universiteit Sapienza Rome en behaalde een master in politieke wetenschappen aan het Sciences Po in Parijs. Empoli is lid van de Partito Democratico, de Democratische Partij (Italië). Hij was plaatsvervangend burgemeester voor cultuur in Florence en senior adviseur van de voormalige Italiaanse premier Matteo Renzi. Tot zijn nevenfuncties behoorden het lidmaatschap van de raad van bestuur van de Biënnale van Venetië en het voorzitterschap van de Italiaanse bibliotheek Cabinet Vieusseux in Florence. Van 2006 tot 2008 was hij senior adviseur van de Italiaanse vice-premier en minister van Cultuur, Francesco Rutelli, en richtte hij de eerste Italiaanse Design Council op in Milaan. Vanaf 2014 is hij lid van de Fondazione Italia-USA. In 2016 richtte hij de denktank Volta op. Sinds 1996 levert Da Empoli regelmatig bijdragen en columns voor toonaangevende gedrukte Italiaanse media, waaronder Corriere della Sera, La Repubblica, Il Sole 24 Ore en Il Riformista. Hij presenteerde een wekelijkse talkshow op de belangrijkste financiële nieuwsradio van Italië, Radio 24. Als auteur en commentator trad hij regelmatig op voor alle belangrijke Italiaanse tv-zenders. Op tweeëntwintigjarige leeftijd publiceerde hij zijn eerste boek “Un grande futuro dietro di noi”, over de problemen waarmee de Italiaanse jeugd te maken had rond 1996. Het boek bracht een nationaal debat op gang bracht en de krant La Stampa benoemde hem tot Man van het jaar 1996. Sindsdien heeft hij vele andere essays en boeken gepubliceerd over sociale mobiliteit en verandering en over de impact van de nieuwe economie en de effecten daarvan op de politiek. Zijn boek over nationaal-populistische spindoctors, “Les ingénieurs du chaos” (2019), is gepubliceerd in twaalf talen, waaronder Chinees (Taiwan) en Braziliaans-Portugees. In 2022 publiceerde hij zijn eerste roman “Le mage du Kremlin” (De Kremlinfluisteraar). De hoofdpersoon is gemodelleerd naar Vladislav Soerkov de adviseur van Vladimir Poetin. De roman werd in 2022 bekroond met de Grand Prix du roman de l’Académie française en haalde de finale van de Prix Goncourt 2022.
Uit: De Kremlinfluisteraar (Vertaald door Hans E. Van Riemsdijk)
Al tijden deden de meest uiteenlopende verhalen over hem de ronde. Sommigen beweerden dat hij zich had teruggetrokken in een klooster op de berg Athos om daar tussen de stenen en de hagedisjes te bidden, anderen zweerden hem bezig te hebben gezien in een villa bij Sotogrande omgeven door een zwerm fotomodellen onder de cocaïne. Weer anderen hielden vol hem te hebben gesignaleerd op de startbaan van de luchthaven van Sharjah, in het commandocentrum van de milities in de Donbas of tussen de ruïnes van Mogadishu. Sinds Vadim Baranov ontslag had genomen als adviseur van de tsaar waren de verhalen over hem niet uitgedoofd maar juist fors in aantal toegenomen. Dat gebeurt soms. De meeste mannen met macht ontlenen hun aura aan de positie die ze bekleden. Zodra ze die verliezen is het alsof de stekker eruit is getrokken. Dan loopt de lucht eruit zoals bij die grote opblaaspoppen bij de ingang van attractieparken. Als je ze op straat tegenkomt kun je er met je verstand niet bij dat zo’n figuur de gemoederen ooit zo heeft kunnen beroeren. Baranov behoorde tot een ander ras. Al zou ik niet kunnen zeggen welk ras precies. Op foto’s zag je een stevige, zij het niet atletische man die zich vrijwel altijd in donkere kleuren kleedde en net iets te grote pakken droeg. Hij had een alledaags, misschien wat kinderlijk en tamelijk bleek gezicht, en zijn steile zwarte haar was geknipt als bij een communicantje. Op een video, gedraaid in de marge van een officiële ontmoeting, zie je hem lachen, wat maar heel weinig voorkomt in Rusland; een eenvoudige glimlach wordt daar al beschouwd als teken van zwakzinnigheid. Enfin, hij wekte de indruk zich niets gelegen te laten liggen aan zijn uiterlijk. Een wonderlijk trekje als je bedenkt dat zijn werk juist daarin bestond: spiegels in een cirkel opstellen om van een aarzelend vlammetje een betoverend spektakel te maken. Omringd door raadsels ging Baranov door het leven.
Giuliano da Empoli (Neuilly-sur-Seine, 27 augustus 1973)
De Duitse dichteres Maria Luise Weissmann werd geboren op 20 augustus 1899 in Schweinfurt. Weissmann was het oudste kind van Karl Weissmann, docent aan een middelbareschool, en zijn vrouw Klara. Ze genoot een beschermde jeugd, eerst in Schweinfurt en vanaf 1909 in Hof, waar haar vader naartoe was overgeplaatst. Tijdens WO I verhuisde ze naar Neurenberg, waar haar eerste werken (sommige onder het pseudoniem M. Wels) in 1918 in de krant Fränkischer Kurier verschenen. Daar raakte ze bevriend met Georg Britting, in wiens tijdschrift Die Sichel vier van haar gedichten werden gepubliceerd, en werd ze secretaris van de Neurenbergse Literaire Vereniging. Tijdens een lezing in juni 1918 ontmoette ze de auteur en uitgever Heinrich F. S. Bachmair, met wie ze vier jaar later zou trouwen. In 1919 verhuisde Weissmann naar München, waar ze samen met haar neef Wilhelm von Schramm werkte in de pas opgerichte boekhandel Die Bücherkiste. Ze sloot zich aan bij de Münchense Vereniging voor Boeddhistisch Leven en werkte bij de uitgeverij Oskar Schloß in Neubiberg, die aan de vereniging was gelieerd. Ze werd ook lid van de literaire revolutionaire groep Das junge Franken (Jong Franken), die in 1919 in Neurenberg was opgericht. In de daaropvolgende jaren publiceerde ze gedichten in verschillende tijdschriften, waaronder Die Sichel, Der Weg, Der Anbruch en Die Flöte. Bachmair was actief aan de linkerzijde van de Radenrepubliek München en werd na de val ervan veroordeeld tot gevangenisstraf. Hij werd in juli 1920 vrijgelaten en Weissmann verhuisde naar Pasing om bij hem te zijn, waar ze in juni 1922 met hem trouwde. In de daaropvolgende jaren woonde het paar afwisselend in Pasing, München en Dresden. Haar eerste dichtbundel, “Das frühe Fest”, werd in 1922 gepubliceerd.
Das frühe Fest
Du bist die silberne Weide am Bach. Schatten der Wolke Du schwimmend. Du gehst über die mondenen Wege. Die Städte-Straßen kennen Dich. Tiere spürten Deiner Fährte all.
Nun suchen Waller, steile, Dich gebetvoll. Da rot mein Fuß ging – Deine Ferne brannte! – Liebend erkannten sich die Wandernden.
Abenteuer
Nun hat der weite Weg mich ganz verloren, Wie floh mich Anfang, Ende und die Mitte! Ich bin in einem tiefen Kreis geboren, Ich höre meine leichten Schritte In einem fernen Lande widerhallen, Ich höre meine leisen Worte In eine dunkle Stille niederfallen, Ich schreite durch viel fremde Orte, Fühl mich gehalten, stille, wie zu Haus, Und muß doch gehn, und gehe wie für immer, Und schau nach meiner Rückkehr lächelnd aus – Ich weiß so viel: Ich kenne schon das Zimmer, Der blauen Ampel süß gestilltes Licht, Ich hörte schon vor tausend Jahren diese Stimme, Wie sie mir zitternd das Willkommen spricht.
Maria Luise Weissmann (20 augustus 1899 – 7 november 1929)
De Britse schrijver Robert Macfarlane werd geboren op 15 August 1976 in Halam, Nottinghamshire.Macfarlane is internationaal bekend om zijn werk over natuur, mensen en plaatsen. Zijn bestsellers zijn onder andere “Underland”, “Landmarks”, “The Old Ways”, “The Wild Places” en “Mountains of the Mind”, evenals het prozagedicht “Ness”. Zijn werk is in meer dan dertig talen vertaald, heeft wereldwijd prijzen gewonnen en is veelvuldig bewerkt voor film, muziek, theater, radio en dans. Hij heeft ook opera’s, toneelstukken en films geschreven, waaronder “River and Mountain”, beide verteld door Willem Dafoe. Hij heeft nauw samengewerkt met kunstenaars zoals Olafur Eliasson en Stanley Donwood, en samen met kunstenaar Jackie Morris creëerde hij de internationaal bestverkochte boeken over natuurpoëzie en kunst, “The Lost Words” en “The Lost Spells”. Als tekstschrijver en performer schreef hij albums en liedjes met muzikanten als Cosmo Sheldrake, Karine Polwart en Johnny Flynn, met wie hij twee albums uitbracht: “Lost In The Cedar Wood” (2021) en “The Moon Also Rises” (2023). In 2017 kende de American Academy of Arts and Letters hem de E.M. Forster Prize for Literature toe en in 2022 was hij in Toronto de eerste winnaar van de Weston International Award voor een oeuvre op het gebied van non-fictie. Robert Macfarlane is Fellow van Emmanuel College.
Uit: De laatste wildernis (Vertaald door Nico Groen)
“De wind wakkerde aan en dus ging ik naar het bos. Het ligt ten zuiden van de stad, op anderhalve kilometer van mijn huis: een klein, naamloos stuk beukenbos, dat een lage heuvel bekroont. 1k ging er te voet heen, eerst door straten die me naar de rand van de stad leidden, vervolgens over paden tangs akkers, tussen meidoorn- en hazelaarhagen door. Er kibbelden roeken in de lucht boven de bomen. De hemel was van een helder, koel blauw, dat aan de rand vervaagde tot de kleur van melk. Al van een paar honderd meter hoorde ik het geluid van het bos in de wind: een zacht gebulder als van de zee. Het was het immense, meerstemmige geluid van wrijving – blad knistert tegen blad, tak tikt tegen tak. 1k betrad het bos via de zuidhoek. Er begon van alles uit het bewegende bladerdak te vallen: takjes en beukennootjes tikkelden neer op de koperkleurige laag bladeren. Zonlicht viel in uitbundige banen op de grond. Ik liep door het bos omhoog en bereikte halverwege de noordelijke rand mijn boom: een grote beuk met grijze schors, met wijd uitstaande takken waar je gemakkelijk in kunt klimmen. 1k was al vele keren eerder de boom in geklommen en was vertrouwd geraakt met al zijn merktekens. Onder aan de stam is de schors rondom uitgezakt en geplooid, waardoor hij lijkt op de huid van een olifantspoot. Op zo’n drie meter hoogte kromt een tak scherp naar zichzelf terug; daarboven staat de letter ‘h’, die jaren geleden met een mes in de stam is gekerfd en opgezwollen is doordat de boom is gegroeid; nog hoger bevindt zich de geheelde stomp van een verdwenen tak. Tien meter hoog, vlak onder de top van de beuk, waar de schors zachter en zilvergrijs is, bereikte ik wat ik het observatorium was gaan noemen: een gevorkte zijtak net onder een kromming in de stam. ik had ontdekt dat ik daar lekker kon zitten als ik met mijn rug tegen de stam steunde en mijn voeten op de tanden van de vork zette. Ms ik me een paar minuten stilhield, liepen er soms wandelaars onder me door zonder me op te merken.”
De Russische schrijver en dichter Aleksej Salnikov werd geboren op 7 augustus 1978 in Tartu, Estische Socialistische Sovjetrepubliek, nu Estland) is. Sinds 1984 woont Salnikov in de Oeral: eerst in het dorp Gornouralski in de oblast Sverdlovsk, vervolgens in Nizjni Tagil en sinds 2005 in Jekaterinenburg. Hij studeerde af aan de landbouwacademie en studeerde vervolgens bij Joeri Kazarin aan de faculteit literatuur van het Jekaterinenburg Theaterinstituut. Hij was ook een leerling van de dichter Jevgeni Toerenko, een prominent figuur in de literaire scene van Nizjni Tagil. Hij debuteerde als dichter en publiceerde in de tijdschriften Literaturnaya Gazeta, New Oeral, Vozduk, Oeral Review, Vavilon en in de bloemlezing Contemporary Oeral Poetry. Zoals Vasili Tsjepelev opmerkt, was het Salnikovs ervaring als dichter die de basis legde voor zijn latere succes als prozaschrijver. Hij verwierf voor het eerst bekendheid in Rusland met zijn roman *De Petrovs, (De Griep). Salnikov is winnaar van de Prijs van de Jury van de Kritiek van de NOS (Novaja Slovestnokt) en winnaar van de Nationale Bestsellerprijs (2018).
Uit: Petrow hat Fieber (Vertaald door Bettina Kaibach)
„Petrow brauchte bloß in den Trolleybus zu steigen, und schon erschienen die Wahnsinnigen, um ihn, Petrow, zu piesacken. Der Einzige, der ihn nicht piesackte, war ein glattrasierter Greis, still und rundlich, der einem gekränkten Kind glich. Doch sobald Petrow diesen Greis sah, kam ihn selbst die Lust an, sich von seinem Platz zu erheben und den Alten noch mehr zu kränken. Ein Gefühl war das, wild und durch nichts zu erklären, und es packte ihn jedes Mal wie ein Sturm, ein geballtes Etwas aus zottigen darwinschen Trieben mit einer Dosis Dostojewski. Der Greis bemerkte Petrows interessierten Blick und drehte sich schüchtern weg. Nun war selbiger Opa sozusagen der Stammgast unter den Verrückten, ihm begegnete Petrow praktisch seit seiner Kindheit ständig, und zwar nicht nur in den öffentlichen Verkehrsmitteln. Von den übrigen Verrückten drang hingegen jeder exakt einmal in Petrows Leben, als hätte er sich zum ersten Mal in dreißig Jahren aus der städtischen Anstalt bei Kilometer acht des sibirischen Traktes losgerissen und wäre zum Trolleybus Nummer drei geeilt, um Petrow ein paar Nettigkeiten an den Kopf zu werfen und für immer zu entschwinden. Da gab es die Alte, die ihm ihren Platz mit der Begründung überließ, Petrow sei ein Invalide und habe Holzbeine und Holz-arme und Krebs (ohne Holz, einfach Krebs). Dann war da dieser Typ wie ein Schmied aus den sowjetischen Filmen, so ein Riesenkerl, der mit seiner Stimme das Blech des gesamten Trolley-busses ins Vibrieren zu bringen schien. Wie eine offene, halbleere Flasche vibriert, wenn ein Laster vorbeifährt. Während der Typ mit seiner Flanke Petrow an die Wand drückte, trug er der nicht mehr jungen Schaffnerin Gedichte vor, denn offenbar verbarg sich unter der wattierten Jacke, die nach Eisenspänen, Benzin und Dieselöl roch, ein zartes Poetenherz. »Und fliegen vorbei, unsre Jahre, sie fliegen wie Vögel vorbei«, deklamierte der Typ mit zärtlicher Intonation der »Jahre« und »Vögel«. Die Schaffnerin lauschte mit sanftem Lächeln.“
Aleksej Salnikov (Tartu,7 augustus 1978)
Onafhankelijk van geboortedata
De Vlaamse schrijver Roderick Six werd geboren in 1979 in Ieper en groeide op in het West-Vlaamse Woesten. Zijn debuutroman “Vloed” uit 2012 werd meteen onderscheiden met een premie van de Letterkunde Prijs van de Provincie West-Vlaanderen. In “Vloed”worden 4 studenten gegijzeld door wassend water, waarbij ze gaandeweg elk greintje optimisme kwijtspelen. Voor deze roman ontving hij in hetzelfde jaar ook de Bronzen Uil. Ook zijn tweede roman ‘Val’, die in 2015 verscheen, werd door de kritiek goed ontvangen. In 2019 volgde zijn derde roman “Volt”. Op 1 april 2020 – tijdens de Corona-pandemie – lanceerde Six het digitaal tijdschrift #VIRALEN, om zo ‘lezers én schrijvers in tijden van quarantaine samen te brengen’. Voor het eerste nummer leveren onder meer Ilja Leonard Pfeijffer, Radna Fabias, Charlotte Van Den Broeck, Fleur Pierets en Melissa Giardina een bijdrage. Een uit de hand gelopen rouwproces is het thema van de roman “Monster” uit 2021. In 2025 verscheen zijn vijfde roman “In het wit”.
Uit: In het wit
“Het sneeuwde. Op de bus naar het rusthuis leunde M net niet met haar voorhoofd tegen het raam — de kou slechts een gedachtestreepjes van haar huid verwijderd. Haar adem legde een laagje damp over het glas; nu nog een hartje, een lachend gezichtje. Maar M raakte de wasem niet aan. Ze wreef de jeuk uit haar vingertop en keek naar de vlokken, naar het vrolijk gedwarrel, de winter die over de stad danste. Op het voetpad ploegde een oude vrouw met haar boodschappenkar door de bleke smurrie. Met haar andere hand trok ze een groezelig wit hondje voort, de leiband strak gespannen. Zijn vacht een vale camouflage, zijn koolzwarte ogen gestolen van een blinde sneeuwpop. Sneeuwen zou geen werkwoord mogen zijn, dacht M, net voor ze met een harde schok in haar zitting werd gedrukt. De bus, een harmonica op wielen en diesel, slipte en zwenkte, en de chauffeur trok het voertuig weer vloekend recht, de dood nog maar eens een halte afgewend. Al dat gedwarrel, die speelse kristallen die meer zweven dan vallen, het heeft niets met labeur te maken. Het verbum mist daadkracht en gewicht, het mist sleur. Sneeuwen — het klinkt als de wind die met vingers van licht de kruin van een kind streelt. M kende sneeuw. Ze had veel sneeuwstormen meegemaakt, arctisch geraas en blizzards, het geril dat je tanden deed trillen, de vorstbeten en het rondvliegend ijs dat je gezicht aan flarden reet. Ze had het gevoeld, de gevoelloosheid. De vrieskou die je botten versplintert, die je lichaam bezet als een hellevuur, die elke zenuw verschroeit — Dante had gelijk toen hij de duivel verankerde in een ijsblok: kou is het ware inferno. M kende sneeuw. En ze kende de regen, en de bliksem in de Zwitserse bergen en een fatale picknick. Ze kende de wrede zon op het strand, de loop van een pistool, glimmend in het licht. Ze kende tropische stormen, hoe die op komst waren, donker aan de horizon, en hoe die later palmbomen uit de grond zogen. De herfst, natuurlijk kende M de herfst, met zijn scha-duw op de zonnewijzers en zijn rusteloos door lanen dwalen.”
De Frans-Rwandese schrijver, zanger, rapper en singer-songwriter Gaël Faye werd geboren in Bujumbura, Burundi, op 6 augustus 1982 als zoon van een Franse vader en een Rwandese moeder. In 1995 verhuisde het gezin naar Frankrijk vanwege de burgeroorlog tussen de Hutu’s en de Tutsi’s. Hij bracht zijn jeugd door in het departement Yvelines, waar hij kennis maakte met de wereld van de rap en de hiphop. Gaël Faye studeerde aan een école de commerce en behaalde een master. Later ging hij gedurende twee jaar bij een investeringsfonds werken in Londen. Vervolgens verliet hij Londen om van muziek en schrijven zijn beroep te maken. In zijn jeugd had hij immers de rap en de hiphop ontdekt. Later verhuisde hij naar de Rwandese hoofdstad Kigali, waar hij samen met zijn vrouw en twee kinderen leeft. In 2008 richtte Gaël Faye de hiphopgroep Milk Coffee and Sugar op, samen met Edgar Sekloka alias Suga. In 2009 bracht de groep een gelijknamig album uit dat gunstig ontvangen werd. In 2013 bracht hij zijn eerste soloalbum uit, genaamd Pili Pili sur un croissant au beurre. Voor dit album kreeg hij de Prix Charles-Cros des lycéens (2012-2014) vand de nieuwe Franse chanson. Verder werkte samen met onder meer Mulatu Astatke, Ben l’Oncle Soul, Flavia Coelho en Christophe Maé. In augustus 2016 publiceerde Grasset zijn debuutroman Petit Pays, die goed onthaald werd. Naast zijn nominatie voor de Prix Goncourt werd hij onder meer beloond met de volgende Franse literatuurprijzen:
Prix du roman FNAC Prix du premier roman français Prix Goncourt des lycéens Prix du roman des étudiants France Culture-Télérama
Op 5 september 2017 werd deze roman in Nederlandse vertaling gepubliceerd met als titel “Klein land”. Het is het verhaal van Gaby, een kleine Burundees, zijn ouders en zijn zus. Het kleine land wordt een oorlogstoneel, door de strijd tussen de Hutu’s en Tutsi’s. In 2025 verscheen zijn roman “Jacaranda” over de Rwandese genocide.
Uit:Klein land (Vertaald door Liesbeth van Nes)
“Proloog Ik weet echt niet hoe dit verhaal is begonnen. Toch had papa het ons op een dag allemaal uitgelegd, in de bestelwagen. ‘In Burundi is het net als in Rwanda, weet je. Er zijn drie verschillende groepen, etnische bevolkingsgroepen heet dat. De Hutu zijn de grootste groep, ze zijn klein, met een dikke neus.’ ‘Zoals Donatien?’ had ik gevraagd. ‘Nee, hij is een Zaïrees, dat is iets heel anders. Prothé bijvoorbeeld wel, onze kok. Je hebt ook de Twa, de pygmeeën. Die slaan we over, ze zijn met zo weinig dat ze niet meetellen, zeg maar. En dan heb je de Tutsi, zoals jullie mama. Daarvan zijn er veel minder dan de Hutu, ze zijn lang en mager met een spitse neus en je weet nooit wat er in hun hoofd omgaat. Jij, Gabriel,’ had hij gezegd en hij wees naar me, lij bent een echte Tutsi, ik weet nooit wat je denkt.’ Nou, ik wist zelf ook niet wat ik dacht. Trouwens, wat kun je over dat alles denken? Dus vroeg ik: ‘Is er oorlog tussen de Tutsi en de Hutu omdat ze niet hetzelfde grondgebied hebben?’ ‘Nee, dat is het niet, ze hebben hetzelfde land.’ ‘Eh… omdat ze niet dezelfde taal hebben, dan?’ ‘Nee hoor, ze spreken dezelfde taal.’ ‘Omdat ze niet dezelfde god hebben, dan?’ ‘Nee hoor, ze hebben dezelfde god.’ ‘Maar… waarom voeren ze dan oorlog tegen elkaar?’ `Omdat ze niet dezelfde neus hebben.’ Daar stopte het gesprek. Maar het was toch een vreemde zaak. Ik geloof dat papa er ook niet veel van begreep. Vanaf die dag begon ik te letten op de neus en de lengte van de mensen op straat. Als ik met mijn zusje Ma boodschappen deed in het centrum van de stad, probeerden we onopvallend te raden wie er Hutu of Tutsi was. We fluisterden: Die met die witte broek, dat is een Hutu, hij is klein met een dikke neus.’ ‘Ja, en die daar, met die hoed, dat is een lange dunne met een heel spitse neus, dat is een Tutsi.’ ‘En die daar met zijn gestreepte overhemd, dat is een Hutu.’ ‘Welnee, kijk dan, hij is lang en mager.’ Ja, maar hij heeft een dikke neus!’ Op dat punt begonnen we te twijfelen aan het verhaal over de bevolkingsgroepen. En bovendien wilde papa niet dat we erover praatten. Van hem mochten kinderen zich niet met politiek bemoeien. Maar we konden niet anders. Van dag tot dag breidde de vreemde sfeer zich uit. Zelfs op school begonnen kameraden om de haverklap te kibbelen en elkaar als Hutu of Tutsi te behandelen. Tijdens de vertoning van Cyrano de Bergerac hoorden we zelfs een leerling zeggen: ‘Kijk, het is een Tutsi, met die neus.’ Er was iets in de lucht komen te hangen. Je kon het ruiken, maakte niet uit wat voor neus je had.”
De Nederlandse schrijfster en landschapsarchitecte Anne Mieke Backer werd op 1 augustus 1950 op Surabaja (Indonesië) geboren. Van 1968 tot 1969 volgde zij haar opleiding aan de Academie Maximilien de Meuron in Neuchâtel in Zwitserland. Van 1969 tot 1974 studeerde Backer aan de Academie voor Beeldende Kunsten (AKI) in Enschede. Al tijdens haar studie was Anne Mieke Backer geïnteresseerd in de culturele vormgeving van de omgeving. Kort na haar afstuderen zocht de kunstenares naar mogelijkheden om haar levende huizen te realiseren. Aanleiding voor “Levende Huizen” was het verhaal van een jong stel dat een nieuw huis betrok, waarbij vervolgens aan een kozijn een scheut ontsproot. In Almere verwezenlijkte zij één van haar eerste projecten. Verder heeft Anne Mieke Backer in Bernisse, Zwartewaal, Elahuizen en Ridderkerk Levende Huizen gerealiseerd. In 2025 verscheen haar debuutroman “Ik was dat meisje”.
Uit: Ik was dat meisje
“Autun, november 1961. Hij, de Amerikaan, stapte mijn leven binnen als iemand die een onbekende kamer in komt en in het halfduister naar de lichtschakelaar tast. Hij vond die snel en zodra hij hem had overgehaald stond ik in een aangenaam schijnsel, alsof ik zelf licht gaf. Ik besloot op alles wat hij mij zou vragen ja te zeggen. Ja, ja en nog eens ja. Geen aarzelend ja, waarmee ik zou veinzen dat ik een moeilijk te versieren meisje was. Geen gretig ja, zodat het zou lijken alsof ik op hem had gewacht. Geen ongeïnteresseerd ja, alsof ik geen verwachtingen koesterde, maar een eerlijk en zelfbewust ja. Er hoefde namelijk alleen maar bevestigd te worden wat al lang geleden was beschikt. Een simpele formaliteit, zoals partners die al jaren samenwonen elkaar het jawoord geven in een zijkamer van het stadhuis, zonder genodigden, op een doordeweekse dag terwijl het zonlicht door de gebrandschilderde ruiten valt. Gewoon: ‘Ja: Een meisje dat opgroeit in een provinciestad weet dat zij uiteindelijk zal trouwen met een jongen uit de omgeving. Soms heeft ze zelfs met hem op school gezeten. Maar ik keek al op jonge leeftijd dagelijks het speelplein rond en stelde keer op keer vast dat er niet één bij was die daarvoor in aanmerking kwam. Autun is een stadje met amper vijftienduizend inwoners in Midden-Frankrijk aan de rivier de Arroux. Er zijn een bioscoop, een enorme kathedraal waar botresten van de heilige Lazarus worden bewaard, drie kerken, een statig stadhuis met een marktplein, een hotel waar Napoleon nog heeft gelogeerd, een voetbalclub, elf cafés waarvan twee met een biljart, een lyceum, een agrarische school, een militaire academie, een muziektent, een station, een museum, een ijssalon, een atletiekvereniging en een monument voor gevallen soldaten uit de Eerste, Tweede en Algerijnse Oorlogen. We hebben geen overdekt zwembad, maar wel overblijfselen uit de Romeinse tijd, zoals een tempel gewijd aan de god Janus, de man met de twee gezichten. Voor ons was Autun de grote stad, want ons huis stond aan een kanaal in de gemeente Saint-Léger-sur-Dheune, op drie kwartier rijden. Iedere morgen, meer dan tien jaar lang, liepen wij door de ochtendnevel naar het kleine station aan de spoorlijn Nevers-Chagny om daar om acht minuten over zeven de trein naar Autun te nemen, mijn moeder en ik. Dat waren vanaf onze deurdrempel ongeveer duizend stappen, wat ik als kind veel vond, maar toen ik ze eenmaal kon tellen gaf dat rust in mijn hoofd. In de trein gingen we met onze tassen op schoot tegenover elkaar zitten en tijdens het rijden observeerde ik via de reflectie in de ruiten de andere reizigers. Dat deed ik liever dan de mensen recht aankijken.”