De Nederlandse dichter, schrijver, vertaler en filosoof Jabik Veenbaas werd geboren in Hijlaard op 23 januari 1959.
Mijn huis
nog denk ik terug aan mijn huis, het kleine, een zomeravond en een zandbak, stekelbaarsjes in een weckfles, buurmans radijzen
en aan de doden die hier woonden, met hun zachte lippen en hun ogen vol onmacht: een jongen die de sloot inliep, een vrouw die viel het bloed vloeide zomaar door mijn kamer
het verleden dat over de drempel strompelde, zwaar bewapende soldaten, een veldheer die het oosten veroverde, bommen op een stad. of eerder nog: zonnestelsels die ontstonden (een vage herinnering), sterren die hun eerste licht smeten het vuur smeult nog na in mijn open haard
mijn huis: zou het nooit groter geweest zijn dan mijn hoofd en niet dikker dan het vlies van mijn huid?
hoe ik loop over smalle planken met het huis in mijn doorzichtige hand
De gave
ik liep nog één keer door de stad om alles weg te geven mijn benen liet ik aan een bedelaar die zijn hand ophield in een schemerig park mijn vingers gunde ik aan een vogel die er zijn jongen mee voerde mijn kleumend hart schonk ik aan jou een vreemde, bloederige gave! toen was ik niets meer dan een lang verlaten, een ongenaakbaarheid, maar ik werd ook het onstilbaar verlangen van de late bedelaar, het vogeljong dat reikhalzend uitvloog en jouw meisjesogen die dorstig dongen naar de broze blijdschap van een nieuwe dag
Mijn slotscène, bepaalt God; pelgrim ik Loopt hier zijn laatste mijl; bijna volbracht Is dit mijn laatste stap in de ijdele jacht; Nog even leef ik; nu de laatste tik, En gulzige dood ontleedt onmiddellijk Lichaam en ziel, en ik rust even zacht, Mijn wakend deel ziet zich nu al gebracht Voor het gezicht, dat mij verlamt van schrik; Mijn ziel vliegt tijdelijk ten hemelpoort, Mijn aardgebonden lijk zoekt aarden cel; Dus val, zonden, terug waar je behoort, Daar waar je mij wou hebben, broedplaats hel. Rechtvaardig mij, gezuiverd van het kwaad, Nu ik wereld, vlees en duivel achterlaat.
Vertaald door Jan Jonk
John Donne (24 januari 1572 – 31 maart 1631) Cover
Weeks diffuse into each other like they’re sprayed; jetted, they shoot certain: days, times, doodles, kept appointments, next is lull, pool, fading, flash-disperse.
I was shook and shocked by death, chanced upon it on a winter walk, proof of plod for miles behind me swept in fog, a wet so thick
it blended with the snow that settled plenty on the sand. It was not yet daybreak, and I’d driven miles to walk and think,
find peace in sweat and sea racket, that ancient wise asthmatic sound. The light took its lazy time for lifting. In the shift I saw a darker shaping
than the gray—at two miles a boat of some proportion, at quarter mile a whale. Since then I’ve been lamenting, moving as if held in gel.
At night I dream it, see it stretched across the wrack of high tide, belly to the stars—flung shells and gravel— throat-part grooved, fins unflappable,
balletic flukes symmetric in their pointing, how they fused: all this in half-light, all this in sea dirge, wet air matte, toned silver,
and I hunched in the hood of my parka, God-awed before shavasana, stilled as if the glassy eye that looked to me had fixed me in a century of tintype.
Ah-gah-pay. I’ve only recently discovered love of animals—well, Kili, Nan, and Rebus, three dogs. Now I’ve partly taken leave of language, have given incoherence due.
I know what it’s like to be mammal filled with deepest ocean sounds: oblivion, solitude, stillness intermitted by quake roar,
tectonic slipping, lava fissures, ship propellers drilling, the human croons of whales. There is slave in me, fat heritage,
no fluke I’m invested with hurt, echo of the hunted, located, natural rights redacted, meagered to resource. All is flux as I’m collapsing
love and distance, moving through the gel, my life, edging the canals of my city, clomping up its hills, memory aerosol, head in self cloud, getting Melville
as I should have, watching at him contemplate the vista from a landlocked house, hills becoming pods of transmigrating giants: Greylock. Berkshire range.
There’s thirst for music in this less than solid state. Ampless back in my office, I knee-prop my Fender, ancient black thing. Strum it casual, weep;
suck salt in darkness, fingers guessy, lazing up the sound. Still, something brusque runs up me: shuddered wood, that deep flesh shook
that makes string music fuse to you. The thumbing further breaks the thing in me. I know what now love is, know tentative for sure its
incoherence, jelly analog, is mine for life. The windows stay black and phlegmatic as the air outside begins to heave with rain. I hum, thumbing, fashion something of a home,
some succor, pulse quick but steady as I deep dive to dub. With it comes the baleen wheeze of mouth organs, plangent blue whoop. I am dub and dub is water.
Exile, I wish you could have lived in me, plunging, life spumante. I’d slip my hold on you like magma shot for islands every single time you breach.
Colin Channer (Kingston, 13 oktober 1963)
De Indiase dichter, schrijver, librettist en muzikant Jeet Thayil werd geboren op 13 oktober 1959 in Kerala. Zie ook alle tags voor Jeet Thavil op dit blog.
INTENTIEVERKLARING
Je lippen gaan in één zucht van zonnetje naar zelfmoord. Je bent elke sluipschutter te snel af. Je weet wanneer je moet gaan liggen en moet blijven liggen. Wanneer je de deur uitgaat, triomferen of bezwijken legers door je ogen. Je soldaten zijn van alle leeftijden, geslachten en godsdienstige gezindten. Het enige wat ze delen is het beeld van jou gedragen in geheime medaillons, of gebrand in hun derde, nooit knipperende oog, of getatoeëerd in de oksel, op de haargrens en tussen de tenen. Als je een blik werpt op jezelf terwijl je gekust wordt, rukt de spiegel zijn eigen ogen uit, want geen enkel ander beeld zal ooit nog goed genoeg zal zijn. Je wordt gekust en nog eens gekust. Je wordt altijd gekust. Je wordt wakker met een kus en valt ermee in slaap. Daartussen: kussen. Je zegt je dromen met een verrukte, zachte stem die hoort tot de andere wereld. Je stiltes zijn ijzig, de ouderdom smelt zijn vasteland vast aan je adem, met je tranen eindigen seizoenen. Soms, op een roltrap, als je praat tegen jezelf, laten je ongehoorde woorden een vreemde verdrietig stoppen. Je macht is duurzaam en biologisch afbreekbaar. Je groen blijft langer goed dan plastic. Je vond de elektriciteit uit. De netwerken behoren aan jou toe. Ze bazuinen je lof, zichtbaar vanaf ruimteschip en satelliet. Wanneer je de stad ontvlucht, zegt de wind in de straat je naam. Ah, zegt hij. Kang. Sha. Niemand ontsnapt aan je invloed. Eens, in mijn waanzin, probeerde ik het, maar het gras versperde me de weg. En de sterren zwierven uit hun hokken. En God ademde uit. En de wereld was alle geloof verloren.