März (Georg Heym), Jan Eijkelboom, Franz Hohler

 

 

Maart door Boris Serdyuk, 2024

 

März

Aus der Erde quollen Kräfte,
Die in dunkler Enge schliefen,
In den Wolken gingen Stürme,
Graue Wogen in den Tiefen.

Lange Tage fuhren Winde
Regenschwer vom nahen Meere,
Große Vögel kamen nächtlich
Und verschwanden schnell ins Leere.

Auf dem halbgeborstnen Eise
Schoben sich die schweren Schollen,
Oft wir schraken auf aus Träumen
Von des Stromes dumpfem Grollen.

Sterne glänzten und verschwanden,
Eh wir noch die Schönen schauten,
Fern vom Sturm geläutet klangen
Glocken mit der Märznacht Lauten.

 

Georg Heym (30 oktober 1887 – 16 januari 1912)
Hirschberg in het Reuzengebergte, de geboorteplaats van Georg Heym

 

De Nederlandse dichter, vertaler en journalist Jan Eijkelboom werd op 1 maart 1926 in Ridderkerk geboren. Zie ook alle tags voor Jan Eijkelboom op dit blog.

 

Gedragen kleding

1

Hun eens per week gewassen voeten
in veelvuldig gestopte sokken
in eeuwig gepoetste bottines
gingen tweemaal ’s zondags ter kerke
in onwennig statige tred.

Jij, vader, sprong er nog uit
in je dure lakense jas,
je streepjesbroek die
– hoe is het godsterwereld mogelijk –
fantasiebroek genoemd werd
(en misschien nog wel wordt).

Door een broeder werd je berispt
toen jij, op klaarlichte zondag,
een brief op de post ging doen
en daarmee and’ren iiet werken
terwijl het nog sabbat was
(ook droeg je een zomerkostuum).

Tussen dat volk bleef je leven,
goedsmoeds. Ik heb ’t ze nooit vergeven.
Jou wel, maar veel te posthuum.

2

Dan was er die kennis
die niet naar de kerk ging
maar wel steeds de schrift
in het midden bracht.
Hij heeft meer verstand
dan menig predikant,
zo werd van hem gezegd.

Ook hij stapte op zondag
statiger dan anders
maar wandelde liever
– alleen, ongetrouwd –
in ’t lommerrijk stadspark
en sprak dan van ‘deez’ tempel
van ongekorven hout.’

Iedere ketter heeft zijn letter,
zei eens mijn moeder fel.
Zo had ik haar nooit gehoord.
Ik schrok, al bekoorden
zulke snel rijmende woorden
mij wel.

3

Ik heb dat rare geloof
als een jasje uitgedaan.
Ik was nog maar veertien jaar
en voelde mij begenadigd,
als was er een wonder geschied.
Toch, zonder kleerscheuren
is het niet gegaan.
Later kwam het besef:
je bent voorgoed beschadigd,
te nauwer nood gered.

Ik trok geen jas uit
maar een huid en
moest het voortaan zonder doen,
moest achter een
– door de geest uit de fles –
snel opgetrokken rookgordijn
verdwijnen voor wie alles ziet,
ook al bestaat hij niet.

 

Jan Eijkelboom (1 maart 1926 – 28 februari 2008)

 

De Zwitserse dichter, schrijver, cabaretier en liedjesmaker Franz Hohler werd geboren op 1 maart 1943 in Biel. Zie ook alle tags voor Franz Hohler op dit blog.

 

Turicum

Het eerste nieuws
dat ons bereikte
uit Zürich
is
in de 2e eeuw na Christus
de dood van een kind
de kleine Lucius Aelius
zijn vader was een Romeinse hoofdbelastinginner
geld was zeker geen probleem voor hem
hij had een ambt, een vrouw en genoeg te eten
en toch leefde de zoon
niet langer
dan 1 jaar, 5 maanden en 5 dagen
en zijn moeder heette Secundina
en haar verdriet is af te lezen
aan de laatste regel van de grafsteen
parentes dulcissimo filio
de ouders aan hun geliefde zoon.

Vandaag
is het slechts 5 minuten lopen
van de kastelen van het geld
en de winkels van de hoogste douanebeambten
naar de Lindenhof
waar oude mannen
schaakstukken verplaatsen onder de bomen
en soms stopt er iemand
zoals ik
en leest deze inscriptie
en denkt
ook al worden in deze stad
dingen gebouwd, geboord, gegraven en opgehoopt
totdat alles van goud, glas en staal is gemaakt
dan ligt er helemaal onderin
een dood kind
en een verdriet
dat eeuwen zal duren.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Franz Hohler (Biel, 1 maart 1943)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 1e maart ook mijn blog van 1 maart 2025 en ook mijn blog van 1 maart 2021 en ook mijn blog van 1 maart 2020 en ook mijn blog van 1 maart 2019  en ook mijn blog van 1 maart 2015 deel 1 en ook deel 2 en eveneens deel 3.

Édouard Louis, Georg Heym, Paul Claes

De Franse schrijver Édouard Louis werd geboren als Eddy Bellegueule op 30 oktober 1992 in Hallencourt, Somme, in het noorden van Frankrijk. Zie ook alle tags voor Édouard Louis op dit blog.

Uit: De geschiedenis van geweld (Vertaald door Reintje Ghoos  en Jan Pieter van der Sterre)

“Ik sopte de houten stoelen, haalde een natte spons over de boeken die hij in zijn handen had gehad, wreef de deurknoppen met antiseptische doekjes, veegde zorgvuldig, een voor een, de houten lamellen van de zonneblinden schoon, verplaatste en verwisselde de stapels boeken die op de vloer stonden en liet de metalen ombouw van mijn bed glanzen, vernevelde op het gladde, witte oppervlak van de koelkast een product met een citroengeur, het lukte me niet te stoppen, ik werd gedreven door een soort energie die dicht bij waanzin lag. Ik dacht: beter gek dan dood. Ik schrobde de douche, die hij had gebruikt, goot een paar liter bleekwater in het toilet en in de wastafel (op zijn minst ruim twee liter, dat wil zeggen één volle fles van anderhalve liter en een nog halfvolle), schrobde dwaas genoeg de hele badkamer, ging zelfs zo ver de spiegel schoon te maken waarin hij zich die avond had bekeken, of liever bewonderd, gooide de kleren weg die hij had aangeraakt, ze wassen zou niet genoeg zijn geweest; ik weet niet waarom dat wel genoeg was voor de lakens en niet voor de kleren. Op handen en voeten boende ik de vloer, ik brandde mijn vingers aan het dampende water, de dweil schuurde dunne, rechthoekige strookjes van mijn zacht geworden huid. De stukjes huid krulden op. Ik stopte even, haalde diep adem, ik snoof zelfs als een beest, ik was een beest geworden, op zoek naar die geur die ondanks mijn inspanningen nooit leek te verdwijnen, zijn geur wilde niet weggaan en daar leidde ik uit af dat die geur aan mij hing en niet aan de lakens of de meubels. Het probleem kwam uit mij. Ik stapte de douche in, ik waste me, toen een tweede keer, toen een derde keer, en zo verder. Ik gebruikte zeep, shampoo, conditioner op mijn lichaam om het zo veel mogelijk geur te geven, het was alsof zijn geur bij me was ingevreten, in mij, tussen het vlees en de opperhuid, ik krabde mijn lichaam overal, duwde hard met mijn nagels, hardnekkig, om de binnenste huidlagen te bereiken, daar de geur weg te krijgen, ik vloekte, godverkut, maar de geur bleef hangen, maakte me steeds misselijker, duizeliger. Ik concludeerde: hij zit In de neus, die geur. Je ruikt de binnenkant van je neus. De geur zit vast aan mijn slijmvliezen. Ik liep de badkamer uit, kwam terug en goot een fysiologische zoutoplossing in mijn neus; ik blies de lucht door mijn neus naar buiten, zoals bij snuiten, nou ja, dat effect wilde ik teweegbrengen, dat het vocht overal mijn slijmvliezen bereikte; het hielp niets; ik zette de ramen open en ging naar buiten om Henri op te zoeken, de enige vriend die op die ochtend van 25 december om een uur of negen wakker was.”

 

Édouard Louis (Hallencourt, 30 oktober 1992)

 

De Duitse dichter Georg Heym werd geboren op 30 oktober 1887 in Hirschberg. Zie ook alle tags voor Georg Heym op dit blog.

 

Voorstad

In hun kwartier, de stinkend vieze goot,
Waar door een walm de grote maan heendringt
En als een reuzenschedel neerwaarts zinkt,
Verhangen aan de hemel, wit en dood,

Daar zitten ze de warme zomernacht
Voor grotten als van ’t zwarte dodenrijk
In lompen die vergaan van stof en slijk.
Gezwollen lijven puilen uit die dracht.

Hier spert een tandeloze mond zich wijd,
Ginds steekt er één zijn armenstompjes uit,
Een imbeciel lalt wezenloos geluid,
Een grijsaard hurkt, zijn lepra-hoofd lijkt krijt.

Er spelen kinderen, wier beentjes men
Al heel jong brak. Zij springen op hun krukken
Als vlooien licht en hinken hele stukken
Om bij een vreemdeling te bedelen.

De vislucht walmt vanuit een kelderluik,
Waar schooiers, woedend, slechts de graten vinden.
Met ingewanden voeren ze een blinde,
Die kotst de kleding onder, langs zijn buik.

 

Vertaald door Matthias Rozemond

 

Georg Heym (30 oktober 1887 – 16 januari 1912)

 

De Vlaamse schrijver, , criticus, classicus en literair vertaler Paul Claes werd geboren in Leuven op  30 oktober 1943. Zie ook alle tags voor Paul Claes op dit blog.

Uit: Rimbaud in de Lage Landen

“‘Porteur de blés flamands’ (bevracht met Vlaams koren) noemt Arthur Rimbaud zijn ‘Bateau ivre’. Waarom ‘Vlaams’? Is het mogelijk dat de dichter die in Parijs opviel door zijn Ardense tongval, zich toen nog met het Noorden verbonden voelde? Zijn eerste ontvluchtingspogingen uit het benauwde Charleville voerden hem in elk geval naar België: Charleroi en Brussel. In Brussel ook wordt hij op 10 juli 1873 door zijn vriend Paul Verlaine met een pistoolschot gewond. Uit het politieverhoor blijkt hun homoseksuele relatie. Drie jaar later is de 21-jarige Rimbaud in Nederland. Vóór zijn aanmelding in het koloniale leger leert hij zelfs de beginselen van onze taal. Op 19 mei tekent hij als recruut in Harderwijk, op 23 juli ontscheept hij in Batavia, drie weken later deserteert hij en keert met een Brits schip terug naar Europa.
Van het verblijf in onze contreien zijn er enkele sporen terug te vinden in het werk van Rimbaud. De gewild nonchalante verzen van het gedicht ‘Bruxelles’ uit de zogenaamde ‘Derniers vers’ roepen de hoofdstad op: ‘Plates-bandes d’ amarantes jusqu’à / L’agréable palais de Jupiter. / – Je sais que c’est Toi qui, dans ces lieux, / Mêles ton Bleu presque de Sahara!’ (Bloemperken van amaranten tot aan / Het aardige paleis van Jupiter. / – Ik weet dat Gij het zijt die in dit oord / uw bijna Sahara-achtig blauw mengt!). In deze regels, blijkens een ondertitel in de Regentlaan geschreven, herkennen we het Park van Brussel en het daarachter gelegen Koninklijk Paleis, dat mythische dimensies aanneemt: de koning wordt een hemelgod die azuur op zijn palet mengt.
Dit picturale element vinden we ook in de tekst ‘Mystique’ uit de Illuminations (een van de mogelijke betekenissen van de titel is trouwens ‘Verluchtingen’). Volgens J. Tielrooy (in: Neophilogus, XX, 1934-1935) is dit een surrealistische transpositie van het Lam Gods (L’Agneau Mystique!) van Jan van Eyck in Gent. De eerste zin luidt: ‘Sur la pente du talus les anges tournent leurs robes de laines dans les herbages d’acier et d’émeraude’ (Op de bermhelling draaien de engelen hun wollen gewaden rond in de weilanden van staal en smaragd). Je hoeft dit maar naast een reproduktie van het schilderij te leggen om de gelijkenis te zien: de kring van engelen in hun witte uitgespreide klederen, de verhevenheid waarop het altaar met het lam staat, het gras vol schitterende, kleurige bloemen, alles is er.”

 

Paul Claes (Leuven, 30 oktober 1943)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 30e oktober ook mijn blog van 30 oktober 2021 en ook mijn blog van 30 oktober 2018 en ook mijn blog van 30 oktober 2017 en ook mijn blog van 30 oktober 2011 deel 2.