J. Bernlef, Sascha Kokot

De Nederlandse schrijver en dichter J. Bernlef werd geboren op 14 januari 1937 in Sint Pancras. Zie ook alle tags voor J. Bernlef op dit blog.

 

Nieuwjaarswens

Wantrouwen in grote woorden
in kleine woorden, voegwoorden
tussenwerpsels, in het laatste woord
dat iedereen wil en niemand krijgt

Een totale gespreksstop
met strenge straffen
tong uitrukken wel het minste

Het paard langs de spoorbaan
staart de sneltreinen na
het gras wacht op de vallende nacht
een steen koestert zich in het laatste licht.

Waarom hebt u mij verlaten?
Wat een lachwekkende klacht.

 

Toekomstbeeld

Sommige dichters willen
dat met hen ook het licht vergaat
dat de wereld dan niet langer bestaat;
blinde woede om de eigen dood
(over die van anderen valt te praten).

Ik sta bij de rivier, u weet wel
en zie hoe het licht mij
majestueus links laat liggen;
ik slik even en schik mij
schrikkend in dit lege toekomstbeeld.

 

Het museum van de kindertijd

Het is altijd ergens, maar wie het bij toeval ontdekt
in een naamloze straat, stuit meestal op een
dichte deur waarachter stilte heerst

Of lijkt te heersen. De meesten lopen door
terug naar het vertrouwde stratenplan
en vergeten zijn bestaan.

Is het museum vloeibaar, opvouwbaar
bestaat het uit prisma’s, electrische velden
of valt het soms samen met wie eraan denkt?

Meestal is het verlaten, de wanden
en uitstalkasten leeg op de jaartallen na
die elkaar hun juistheid betwisten

Of het vult zich met mist, met daarin
een aarzelende stem die beweert zich
niets meer te herinneren, vrijwel niets.

Maar één gezicht, één geluid, één lichtval
kan plotseling de toegang verschaffen tot de
expositie waar alles bewaard blijkt te zijn.

 

J. Bernlef (14 januari 1937 – 29 oktober 2012)

 

De Duitse dichter, schrijver en fotograaf Sascha Kokot werd geboren op 18 januari 1982 in Osterburg. Zie ook alle tags voor Sascha Kokot op dit blog.

 

Zodra de zon verdreven is

Zodra de zon verdreven is
duiken de zwermen op
ze cirkelen boven de daken,
gaan een ogenblik lang
op de stijve takken zitten
vliegen plotseling weer weg,
verdwijnen uit het zicht
van onze nog onverlichte ramen
breken door het dichte web van hogere vliegroutes
laten ons achter met een schemerige hemel
die we niet kunnen duiden.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Sascha Kokot (Osterburg, 18 januari 1982)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 14e januari ook mijn blog van 14 januari 2019 en eveneens mijn blog van 14 januari 2018 deel 2.

Anton de Goede

De Nederlandse biograaf, schrijver, programmamaker, presentator en stem voor luisterboeken Anton de Goede werd geboren in Velsen op 13 januari 1956. Nadat De Goede in 1975 de middelbare school in IJmuiden verliet, werd hij boekverkoper bij Athenaeum Boekhandel aan het Amsterdamse Spui. In 1980/1982 werkte hij bij reclamebureau Prad als copywriter (onder meer voor Mercedes-Benz, De Postcodeloterij en Douwe Egberts). Bij Paradiso was hij in 1977 medeoprichter van de Beurs van Kleine Uitgevers waar hij jarenlang een programma met schrijvers en dichters presenteerde. Dat leverde hem radiowerk op bij de VPRO. Sinds 1988 werkte hij als redacteur en eindredacteur bij de VPRO Gids en als presentator en maker van programma’s als Michelangelo, Het Gebouw, Geblaf in het Hondsdal, VPRO aan de Amstel, VPRO’s Marathoninterviews, Brands met Boeken, De Avonden en Nooit Meer Slapen. Tot 2018 was hij eindredacteur van Woord.nl (NPO). In 2020 was hij redacteur van het documentaire programma Radiodoc (VPRO/NTR) en verantwoordelijk voor het radiodrama dat bij de VPRO werd uitgezonden en de podcasts die deze omroep publiceerde. Hij is verder bekend als presentator van literaire evenementen en publiceerde onder meer in de tijdschriften De Tweede Ronde, Tirade en Mens & Gevoelens. Vanaf 2017 maakte hij de podcast Lees dees die werd uitgezonden in Nooit meer slapen. In deze podcast, die aanhaakte bij de actie Schwob van het Nederlands Letterenfonds, behandelde hij maandelijks een vergeten klassieker uit de wereldliteratuur. In 2020 tekende hij voor de VPRO-podcast Een dik uur Ischa op de radio waarin radio-uitzendingen van en met Ischa Meijer worden besproken door Karin Bloemen, Ramsey Nasr, Jan Haasbroek, Jessica Meijer en vele anderen. Onder regie van John Albert Jansen zond de EO in het najaar van 2022 de televisiedocumentaire ‘En de naam is Heeresma’ uit, waarin De Goede te zien is als interviewer. In 2025 verscheen zijn biografie van schrijver Heere Heeresma (1932-2011).

Uit: Een gat in het hoofd. Leven en werk van Heere Heeresma

“Ik ben geboren in 1956, en de vroege jaren zeventig vormden de periode waarin ik de literatuur ontdekte. Op school gingen Heeresma’s boeken er bij mij in als koek. Wat een fijne melancholie kwam ik tegen.
Neem het motto van Zwaarmoedige verhalen voor bij de centrale verwarming: ‘tot stand gekomen in het besef dat de natuur/ machtig mooi is/ en een mensenleven/ nauwelijks de moeite waard’. Dat was een voltreffer in mijn puberhart. De uitgaven van Heeresma, van Thomas Rap en Peter Loeb in de jaren zeventig, brachten mij ook het plezier dat een boek als object kan geven.
Voor mij als tiener kwamen zijn boeken precies op tijd. De beschreven mistroostigheid in combinatie met een groot gevoel voor humor raakten mij. De bekrompenheid die je op die leeftijd naar de strot kan vliegen, ging hij te lijf. Heeresma was voor mij en een aantal van mijn vrienden een held, wiens werk we bespraken en citeerden. Hij was dwars, hij was ongrijpbaar, hij beschreef peilloze somberheid én hij was komisch. Hij nam alles op de hak.
Toen ik eind jaren zeventig werkte als boekverkoper bij Athenaeum in Amsterdam, dook hij daar een enkele keer op, zichzelf eens, op de drempel bij binnenkomst, luid introducerend door ‘Hier is Neerlands schrijver met het menselijk gezicht’ te roepen. Weer later, bij de vpro-radio, interviewde ik hem meer dan eens, en waren we blij als hij wilde optreden als columnist of spreker.
Hij kon je als interviewer voor een goed gesprek meenemen naar een stil terras van een jachthaven in de buurt van Loosdrecht om dan bijvoorbeeld commentaar te leveren op een patserige motorboot. ‘Zwart geld,’ mompelde hij die ene keer, om vervolgens een verhandeling af te steken over de Nederlandse én internationale onderwereld, die hij ook weer vrij abrupt afbrak, want ‘voor je het weet sta je met je voeten in beton gegoten het verkeer te regelen op de bodem van de Vinkeveense Plassen’.”

 

Anton de Goede (Velsen,13 januari 1956)

Edmund White, Kostís Palamás

De Amerikaanse schrijver en essayist Edmund White werd geboren op 13 januari 1940 in Cincinnati. Zie ook alle tags voor Edmund White op dit blog.

Uit: The Loves of My Life: A Sex Memoir

“I used to be shocked when Virgil Thomson the composer—who wrote the opera Four Saints in Three Acts with Gertrude Stein, which received its premiere in 1934 with an all-black cast—used to be called to the telephone. I knew him in the 1970s when he was almost in his eighties; he’d come back to the table and say, “Well, Smitty is dead,” and just sit down and continue the conversation about something else. I was amazed that he could receive the news with such indifference about such a close friend.
Now that I’m in my eighties, I realize his emotion was stoicism, not indifference; someone who outlives his contemporaries knows that he very likely will be next but that for the moment “he controls the narrative,” as pundits say. When you get to be old, everyone consults you about the biographies of your famous contemporaries. You get the last word, at least until the dead person’s Complete Letters come out.
A life, a love. I always say that Jim Ruddy was the great love of my life. What does that mean now he’s just a faint neural scratch on my brain? It seems the hippocampus delegates short-term memories to various other neurons, where they are encoded forever. Does that mean an electrode stimulating the right neurons could make Jim, his conversation, his deep voice, his big curved penis, as real as it was fifty or sixty years ago, a hologram? The wondering way he’d greet any declaration with a tentative acceptance? His always saying “Is that right?” no matter how preposterous one’s remark had been.
Maybe I’ve forgotten him because I wrote about him; I’ve always thought that writing about someone is the kiss-off. Nabokov, in Speak, Memory, was apprehensive about writing about his nanny since he liked revisiting her in his thoughts and he knew once he’d committed her to print, he’d lose her. Some people wonder why I’ve not written about them. If they’re a current part of my life, I need to keep them on life support; my husband is Michael Carroll, whom I’ve been with since 1995. I’ve never written about him; he’s too precious to me. My recent fiction is less autobiography and more thought experiment. I assemble my monsters from stolen body parts (his nape, her stutter). Often I want to lead the reader to a better (more compassionate, more forgiving, bolder, more loving) world by picturing it as if it already existed; George Meredith called that process “moral sculpture.”
What did it feel like to be in love?
Constant suspense. Does he love me yet? More? Less? Is he getting bored?”

 

Edmund White (13 januari 1940 – 3 juni 2025)

 

De Nieuwgrieks dichter Kostís Palamás werd geboren op 13 januari 1859 in Patra. Zie ook alle tags voor Kostís Palamás op dit blog.

 

De markt

Steeds dorst je – zoals dorst heeft naar de eerste regen
het droge zomerweer – naar je gezegend huis,
naar een verborgen leven, als de bede van een monnik,
leven van loochening en liefde in een hoek.

Ook dorst je naar het schip dat prooi is van de zeeën,
dat vogels, vissen volgend almaar verder trekt,
welks leven rijk en vol is van de ganse aarde –
maar beide, schip en huis, zij gaven ’t antwoord: ‘nee!’

Noch het geluk in afzondering en onbewogen,
noch ook het leven dat zich steeds weer weet bezield
door elke nieuwe haven, ieder volgend land –

alleen de siddering van de slaaf, van die moet zwoegen:
sleep voort over de markt de naaktheid van je leden,
vreemde voor vreemden en voor eigen mensen vreemd.

 

Vertaald door Hero Hokwerda

 

Kostís Palamás (13 januari 1859 – 27 februari 1943)
De dichters (1919) door Georgios Roilos. Het schilderij toont verschillende dichters van de generatie van 1880; in het midden, met het hoofd rustend op zijn elleboog, Kostís Palamás.

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 13e januari ook mijn blog van 13 januari 2019 deel 1 en eveneens deel 2.

Cees van der Pluijm, Anthony Hecht

De Nederlandse dichter, schrijver en columnist Cees van der Pluijm werd geboren op 12 januari 1954 te Radio Kootwijk (Gld.). Zie ook alle tags voor Cees van der Pluijm op dit blog.

 

Socialistisch realisme

Zodoende kent hij nu zijn burgerplicht –
Het volksbelang stijgt boven alles uit –
De staatscontroledienst wordt ingelicht.

(En Nikolaj weet meer van de schavuit
Bijvoorbeeld dat hij het met Olga houdt
Die door een dissident is opgeruid.

Dat is Andrej, voormalig kosmonaut,
Die zich vervreemd heeft van de onderbouw…)
Nauwkeurig rapporteert hij elke fout

En zie, de controleur verschijnt al gauw:
Tatjana is een frisse jonge vrouw.

 

Ondeugende roman

De bootsgezel lag uitgeput terneer,
Er viel met hem te ploegen noch te eggen
Die arme jongen – ach, hij kòn niet meer.

Hij kon zijn eigen naam niet eens meer zeggen,
Hij kwam niet verder dan een steunend ‘Moe…’
Toen zij hem vroeg hoe dit viel uit te leggen.

Het kamermeisje trok hem naar zich toe
(De koningin sliep onverstoorbaar voort)
En eiste dreigend ook een rendez-vous:

‘Zo niet dan ben jij voor de ochtend gloort
Ontmand en wel teruggekeerd aan boord.’

 

Lustige zeeroman

De pest breekt uit, de kapitein verdrinkt
De bottelier verhangt zich in het ruim
Hojo, hojo! Ons aantal koppen slinkt

Een zwabbergast stapt zingend in een fluim
En kiest het ruime sop op eigen kracht
Maar ’t leven is niet enkel as en schuim

De haven lonkt; wie weet wat ons daar wacht!
Wij gaan met 13 knoop naar Mexico
En ’t is geen pikbroek die daar niet naar smacht…

Het leven is een feest, ik zeg maar zo:
‘Hojo, hojo, hojo, hojo, hojo!’

 

Cees van der Pluijm (12 januari 1954 – 14 december 2014)

 

De Amerikaanse dichter Anthony Hecht werd geboren op 16 januari 1923 in New York. Zie ook alle tags voor Anthony Hecht op dit blog.

 

De Venetiaanse Vespers (Fragment)

Canto II

Daarachter een gekringeld samenvloeien
Van schuine lijnen, als de strengen van
Een zijden koord, in ’t door een lichte bries
Gerimpeld water. Zonlicht tooit de baai
Met schittering van scherven dansend zilver.
Die rimpeltjes en kopjes promeneren,
Gehaast en schertsend, geen moment verveeld.
Ils se promènent, als vrij welgestelde
Gezinnen in het Bois, op zondag. Blij om
Die zorgeloosheid en gefascineerd
Door zonne-morsetekens in de haven,
Ben ik, voor het moment, geheel genezen,
Onthecht, en los van toekomst en verleden,
Zelfs van de wetenschap dat deze Zee
Van Hadria, des Doges gemalin,
De koele, de gewijde, is afgeschuimd
Door kooplui uit haast alle werelddelen,
En al die kristallijnen breekbaarheid
Waarvoor ze zweten aan de ovens lijkt
Een wondere en breekbare triomf.
De eerste ruwe bol van glas, gestold,
Wordt aan de blaaspijp, gloeiend heet en zacht
Als toffee nog, gedompeld in een mal,
Die van metaal is en van binnen als
Een ananas met stekels is bezet.
Het glas krijgt voor de helft een regelmatig
Patroon van kuiltjes zo, en als die eenmaal
Bedekt zijn met een vloeibare glazuur,
Ontstaan er belletjes gevangen lucht,
Geëmailleerde, parelende leegtes.

 

Vertaald door Paul van den Hout

 

Anthony Hecht (16 januari 1923 – 20 oktober 2004)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 12e januari ook mijn blog van 12 januari 2019 deel 1 en eveneens deel 2.

Katharina Hacker, Adrian Kasnitz

De Duitse dichteres en schrijfster Katharina Hacker werd geboren op 11 januari 1967 in Frankfurt am Main. Zie ook alle tags voor Katharina Hacker op dit blog.

Uit: Handbuch für Traurigkeiten

„Als ich mit den Hunden nach Hause zum Dorf zurückging, fand ich auf dem Weg Spuren von Rehen, einem sehr kleinen Pony, anderen Hunden und Menschen, Waschbären, viel-leicht einer Katze und in unregelmäßigen Abständen ein Herz, kleiner oder größer, ver-mutlich mit einem Stöckchen in den Sand gezogen, wie unterwegs, aber deutlich zu er-kennen, und vielleicht ftbaf oder sechs die Länge des Weges, der sich aufs Dorf hin wohl einen knappen Kilometer zieht.
Davor war ich auf den weiten Feldern zu den geborstenen Weiden hingelaufen, die ich von fern öfters mit meinem Vater gesehen hatte, breite, zerklüftete Stämme, kahl jetzt im Februar, und mein Vater hatte immer das Durchscheinende der winterlichen, laublosen Landschaft geliebt.
Mit meinem alten besten Freund war ich den Weg nicht mehr gegangen, denn er war vor-her gestorben, und vor zwei Jahren war ich viele Male den Weg mit meiner sterbenskran-ken Freundin im Herzen gegangen und mit meiner besten Freundin, die nach einem Herz-infarkt noch schwach gewesen, war ich ihn gegangen und wieder, als sie bei Kräften war, und unzählige Male waren wir den Weg zu viert gegangen, und meine inzwischen heran-gewachsenen Töchter auch un7ählige Male zu zweit oder mit Freundinnen. Was ich auch sah, sah ich mit vielen Augen, nur die Herzen im sandigen Weg sah ich al-leine, ohne die Menschen, die ich liebte, und anderntags würden sie schon verwischt oder vertreten oder verregnet sein.
Ich kann nicht sagen, dass ich traurig war, aber alle Traurigkeiten waren doch dabei, sehr hell und einige fröhlich, und viel Sehnsucht und auch ein zerdehntes Herz, das in die Ver-gangenheit wollte und noch etwas in die Zukunft.
Deswegen habe ich dieses Buch geschrieben.“

 

Katharina Hacker (Frankfurt am Main, 11 januari 1967)

 

De Duitse dichter en schrijver Adrian Kasnitz werd geboren op 10 januari 1974 in Orneta, Polen. Zie ook alle tags voor Adrian Kasnitz op dit blog.

 

Rüschhaus

Droste in een negligé, slapeloos. (Een wesp
die haar zwellingen stak:) Geen liefdesvlek, niets
uit een droom, gewoon een niet-vlek. Kijk: zwarte zwanen
halverwege. Vanuit de erker,
het gordijn als teken. Zijn het de dierbare
familieleden die draden spinnen en opkijken
van de boekhouding? Ach, al dat schrijven…
Zo geschrokken, arm ding, zo bedrogen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Adrian Kasnitz (Ometa, 10 januari 1974)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 11e januari ook mijn blog van 11 januari 2019 en ook mijn blog van 11 januari 2015 en ook mijn blog van 11 januari 2016 deel 2.

Saskia Stehouwer, Adrian Kasnitz

De Nederlandse dichteres Saskia Stehouwer werd geboren op 10 januari 1975 in Alkmaar. Zie ook alle tags voor Saskia Stehouwer op dit blog.

 

Avond

in je precieze jaren
toen je zelden buitenkwam
omdat je onder schot gehouden werd
zagen maar weinig mensen
hoe wit je haar was

als ik door de glazen deur naar buiten kijk
zie ik een trillend been naast de begonia

we zouden kunnen gaan graven
maar dat zal je rug niet rechten
we kunnen door de tuin lopen
en de plekken aanwijzen waar onkruid groeit
we laten de thee onze tong vormen
de inkt van deze lange dag op onze vingers

als we de jassen aantrekken
zal de wereld gaan draaien
zullen onze voeten bevriezen
zodat we kunnen schaatsen
tussen de hopeloos glijdende honden
op zoek naar een lijn naar een bal
naar een bot

we zullen weer naar school gaan
om schapen te leren tellen
we zullen naar de winkel gaan
omdat het prettig is om iets te kopen
voor het op is

 

Stem uitbrengen

een gevangene krijgt sleutel ven zijn cel
sluit de deur en verdwijnt

je zegt me te gaan slapen
nu je zelf nog wakker bent

de kampbewoners
dIe zich de woestijn eigen maken
omdat er geen gras is
vullen de bulten van hun kamelen

*

een gevangene komt terug
met de sleutel van rijn cel
als een priem in zijn hand

ik denk aan alles in mij
wat zijn nek niet uitsteekt
en loop wat sneller

ik mis mijn manieren
in mijn hoofd staan de torens recht
maar ze komen nooit buiten

een gevangene legt de sleutel
op de tafel in zijn cel

wil en stil zit een groep mensen
in een treincoupé
door het midden loopt een scheur

de rat het lieveheersbeestje
de vermoeide man
allemaal vormen vvan het kind
dat de trap afloopt
en zich uitvouwt

 

Saskia Stehouwer (Alkmaar, 10 januari 1975)

 

De Duitse dichter en schrijver Adrian Kasnitz werd geboren op 10 januari 1974 in Orneta, Polen. Zie ook alle tags voor Adrian Kasnitz op dit blog.

 

De nieuwslezeres

schijnwerpers glimlach lamplicht bloeiende mond
het oog een waterige ster in de avond (22:30)
hemel boven Servië waar bommenwerpers
overgeven / vanuit afvalscherven en puin wijs je
op het menselijke, op het daaronder be-
graven lichaamsdeel / even snikken en dan verder

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Adrian Kasnitz (Ometa, 10 januari 1974)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 13e januari ook mijn blog van 13 januari 2019 deel 1 en eveneens deel 2.

Bas Heijne, Nora Bossong

De Nederlandse schrijver, essayist, columnist en vertaler Bas Heijne werd geboren op 9 januari 1960 in Nijmegen. Zie ook alle tags voor Bas Heijne op dit blog.

Uit: Voor de democratie

“De man die zijn naam aan de Griekse ‘gouden eeuw’ gaf, de Atheense staatsman Perikles, bevond zich vrijwel zijn hele leven in dat politieke spanningsveld. Hij
was afkomstig uit een oud en voornaam geslacht, de Alkmaioniden, maar schaarde zich al vroeg aan de kant van het volk, wat hem het verwijt van populisme opleverde en veel conservatieve vijanden.
Niettemin was hij zo’n dertig jaar een leidende politieke figuur in Athene, van ongeveer 461 v.Chr. tot aan zijn dood tijdens de pestepidemie in 429 v.Chr. Dat de naam Perikles verbonden raakte met een ‘gouden tijdperk’ is grotendeels te danken aan zijn aanhoudende populariteit als politiek leider. Ieder jaar werd hij opnieuw gekozen als strategos (een van de tien bevelhebbers). Hij breidde de Atheense democratie uit, zorgde voor een financiële compensatie wanneer gewone burgers democratische verplichtingen op zich namen. Hij nam het initiatief tot grootse bouwprojecten als het
Parthenon, de Propyleeën, het Erechtheion, het Odeion. Hij voltooide de zogenaamde Lange Muren, een verdedigingswerk dat Atheners bescherming bood op de weg naar de haven van Piraeus. Ook gaf hij zijn persoonlijke vriend, de beeldhouwer Phidias, de opdracht tot het maken van het beeld van Athena Parthenos in het Parthenon, maar liefst 12 meter hoog, opgetrokken uit goud en ivoor.
Onder Perikles werd de hegemonie van Athene ten opzichte van haar bondgenoten versterkt. Zij hadden zich verenigd in de zogenaamde Delische Bond en het was Perikles die hun gezamenlijke schatkist van het eiland Delos overbracht naar Athene, waarmee behalve de oppermachtige Atheense vloot ook de prestigieuze bouwprojecten werden bekostigd – wat Perikles het verwijt van praalzucht en imperialisme bezorgde. Athene fungeerde zo’n beetje zoals de Verenigde Staten na de Tweede Wereldoorlog ten opzichte van West-Europa, dominant, maar ook een waarborg voor veiligheid. Je moest betalen, je had weinig in te brengen, maar je kreeg er een redelijk zorgeloos bestaan voor terug.
Iemand die de Atheense politiek zo lang domineerde, was vanzelfsprekend omstreden. Tijdens Perikles’ leven, maar ook in de eeuwen daarna, helemaal tot in onze tijd, is zijn reputatie en statuur onderwerp van discussie.”

 

Bas Heijne (Nijmegen, 9 januari 1960)

 

De Duitse dichteres en schrijfster Nora Bossong werd geboren op 9 januari 1982 in Bremen. Zie ook alle tags voor Nora Bossong op dit blog.

 

Siroop

Hoe ze haar vinger uitstrekt
van de mokkalepel, mijn Sudeten-grootmoeder.
Haar haar zwart
van de gedroogde bieten.
Buiten, de afdruk
van haar handen in de wind,
waar kinderen kastanjes
doorheen gooien. De aardappelen
heeft ze nooit vertrouwd en hurkte
alleen in de rook van de stokerij.
Zoals bij sommigen een bochel
langs de rug omhoog groeit,
groeit deze in haar krullen.
Dit uiteenvallen elke avond,
naakt voor de gordijnen is haar huid
slechts een scheur in de stof.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Nora Bossong (Bremen, 9 januari 1982)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 9e januari ook mijn blog van 9 januari 2019 en ook mijn blog van 9 januari 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

Waldtraut Lewin, Alfred Tomlinson

De Duitse schrijfster Waldtraut Lewin werd geboren op 8 januari 1937 in Wernigerode. Zie ook alle tags voor Waldtraut Lewin op dit blog.

Uit: Feuer: Der Luther-Roman

„Unbegreiflich. Unbegreiflich, aus welchem Grund unser allergnädigster Kurfürst Friedrich, den man den Weisen nennt, uns diesen halbtoten Augustinermönch aufgehalst hat. Die Gedanken der Großen dieser Welt sind unerforschlich wie Wolken und Winde. Einen Mann, der wider den Ablasshandel wettert – dabei betreibt unser durchlauchtigster Herr den ja selbst in üppigem Maße. Er nennt eine Unzahl von heiligen Reliquien sein eigen, die gegen ein Entgelt zu betrachten oder gar zu berühren, wie man weiß, bereits viele Jahre Ablass vom Fegefeuer garantiert. Und vom wahren Glauben abzufallen, dazu zeigt der Fürst nicht die geringste Neigung. So wenig wie der ganze thüringische Landstrich. Aber gewiss steckt feinsinnigstes Kalkül dahinter, das kein schlichter Erdenbürger zu erraten ver-mag. Sc’ ist die Meinung jener, die halb verborgen hinter den Fensterbögen des Palas stehen und mit ansehen, wie die Begleiter den seltsamen Gast vom Pferd heben. Dabei geht er in die Knie, und sie müssen ihn beinah tragen, um ihn ins Neben-gebäude zu bringen. Der Mann, dessen Name in aller Mund war! Ein schmächtiges Mönchlein, das kantige Gesicht unter der Kappe, die seine Tonsur verdeckt, vor Erschöpfung wie erloschen. Sie zucken die Achseln, gehen zur Tagesordnung über – die ganze ritterliche Mannschaft, die diese Burg im Norden Thüringens bewacht und eigentlich nichts tut als saufen, fressen, spielen, zur Jagd reiten und dem Herrgott den Tag zu stehlen. Man hatte von diesem angekündigten »Besuche heute etwas Ab-wechslung erwartet. In welcher Weise, wüsste man allerdings nicht zu sagen. Irgendetwas gegen die tägliche Langeweile. Es war allerhöchster Befehl erteilt worden, diesen gebannten Erzketzer auf seiner Heimreise vom Reichstag abzufangen und hierher zu verbringen. Nicht etwa, so wurde ihnen eingeschärft, um die ansehnliche Belohnung zu kassieren, die Kaiser und Reich darauf ausgesetzt hatten, einen Vogelfreien zu greifen und Justitiam zu überliefern, sondern ihn zu verstecken und dabei zu behandeln, als sei er wie einer von Adel. All seine Wünsche seien zu erfüllen, außer, er verlange, sein Domizil oder gar die Burg zu verlassen.“

 

Waldtraut Lewin (8 januari 1937 – 20 mei 2017)

 

De Engelse dichter, vertaler en graficus Alfred Charles Tomlinson werd geboren op 8 januari 1927 in Stoke-on-Trent, Staffordshire. Zie ook alle tags voor Alfred Tomlinson op dit blog.

 

Dialectisch

voor Edoardo Sanguineti

Leven is het verhaal van een lichaam, zeg jij:
het gekuch in de concertzaal is het verhaal
van een lichaam dat zichzelf niet kan bevatten,
en de Waldstein het verhaal van een leven
dat weigert zich te laten vangen
in z’n eigen lichaam, het beschadigde oor
dat z’n gaafheid terugkrijgt in een nageslacht
van noten. Ik strek
mijn verkrampte knieën. Naast elkaar
deze hele reeks van jeukende benen! Zwoegend
om het ritme uit de lucht
aan het lichaam terug te geven en
met de hak de grond steeds in te tikken.
Een gevallen programma verhaalt
van een in zichzelf verdwaald lichaam
dat één en al oor werd – zo’n oor
waarvan alleen de doven
dromen, met z’n reusachtige
boogkanalen en doolhoven, z’n
slakkenhuisje van kraakbeen
dat trilt en beeft en tot de rand gevuld is
met het door de oorschelp doorgegeven verhaal
waarin leven het verbreken is van nu gehoorde
stiltes, het dagelijks
herscheppen van een lichaam
belichaamd met lucht.

 

Vertaald door Peter Nijmeijer

 

Alfred Charles Tomlinson (8 januari 1927 – 22 August 2015)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 8e januari ook mijn blog van 8 januari 2025 en ook mijn blog van 8 januari 2019 en ook mijn blog van 8 januari 2017 deel 2.

Frans Kellendonk, Reginald Gibbons

De Nederlandse schrijver en vertaler Frans Kellendonk werd geboren in Nijmegen op 7 januari 1951. Zie ook alle tags voor Frans Kellendonk op dit blog.

Uit: Mystiek Lichaam

Want geld was een kwestie van geloof, welbeschouwd, en net als ieder geloof baatte het je niets als anderen het niet met je deelden. Stel dat het als staatsgodsdienst zou worden afgeschaft, of dat het vaderland failliet zou gaan… O ongrijpbare, onherroepelijk symbolische gulden, die op zo’n dag des oordeels als loos verzinsel ontmaskerd zou worden! Dan zou fl voor flut en flauwekul komen te staan en Gijselhart voor gek, met zijn buidel om zijn hals.
Het gebied waar men weet had van zijn kredietwaardigheid besloeg maar een paar vierkante kilometer. Daarbinnen wist men dat de toonder van het Gijselhartgezicht goed was voor de somma van één miljoen gulden, dat het in de rangorde van Vondel, Frans Hals, J.P. Sweelinck, de zonnebloem en de watersnip het hoogst bereikbare vertegenwoordigde, maar daarbuiten was zijn geld hem niet aan te zien, al liet hij het bedrag op zijn voorhoofd tatoeëren. Eigendom werd nooit eigenschap. En geld was niet eens eigendom, eerder vage belofte, volksbegoocheling, God mocht weten wat het was.
De muis van Gijselhart was een vrouw. Bij uitbreiding ook ‘de’ vrouw.
Toen hij pas weduwenaar was had hij een paar keer een prostituee bezocht, in de stad, in nachtclub De Keizerskroon. Slangemensen en buikdanseressen werkten zich daar star glimlachend voor je in het zweet, een bandje speelde in een doorzakkend tempo en schudde zichzelf af en toe wakker met een onverhoedse dissonant, een dame troonde je mee naar boven. In de dagen na zo’n bezoek trachtte Gijselhart zijn schaamte en de scherven van zijn verlangen op te ruimen door met een handeltje het schandegeld terug te verdienen. De sterrekijker die zijn zoon thuis had laten staan of de naaimachine van zijn overleden echtgenote werden dan haastig te gelde gemaakt. Was zijn portefeuille weer even vol als vóór het incident, dan beschouwde hij zijn zonde als vergeven en vergeten.
Eén keer had hij echter een vrouw van de straat opgepikt. Die was vast goedkoper, dacht hij, en dus minder slecht. Op het tippeltrottoir, aan de voet van de kruittoren, stond ze haar zwarte haar te borstelen, dwars over haar hoofd naar links, dan een gelijk aantal slagen naar rechts, dan weer evenveel naar links, met een mechanische ijver. Wanneer de haren uitwaaierden in het lamplicht waren ze eventjes van goud. Ze had zijn oude Pontiac eerst willen negeren, maar was toch ingestapt toen hij voor de derde keer langsreed. Ze was een buitenlandse, een Française zo te horen of misschien een Algerijns heidinnetje, in elk geval sprak ze bar weinig Nederlands. Ze reden naar een hotel dat zij genoemd had. Daar was ze de meest kil-routineuze en zwijgzame hoer geweest die hij tot dusver had meegemaakt.”

 

Frans Kellendonk (7 januari 1951 – 15 februari 1990)
Portret door Kees Knopper, 1984

 

De Amerikaanse dichter, redacteur en hoogleraar Reginald Gibbons werd geboren in Houston op 7 januari 1947. Zie ook alle tags voor Reginald Gibbons op dit blog.

 

Naar Mandelshtam

Op het nutteloze geluid
van middernachtelijke kerkklokken,
spoelt iemand achter het huis
haar gedachten in de
onpeilbare
universele hemel –
een koude, zwakke gloed.
Zoals altijd zijn de sterren
wit als zout op het
blad van een oude bijl.
De regenton is vol,
er zit ijs in de opening.
Verbrijzel het ijs – kometen
en sterren smelten weg
als zout, het water
wordt donkerder en de aarde
waarop de ton staat
is transparant
onder de voeten, en daar
zijn ook sterrenstelsels,
spookachtig bleek en stilletjes
brullend in de zowat
zevenhonderd
kamers van de geest.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Reginald Gibbons (Houston, 7 januari 1947)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 7e januari ook mijn blog van 7 januari 2022 en ook mijn blog van 7 januari 2019 en ook mijn blog van 7 januari 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Hester Knibbe, Carl Sandburg

De Nederlandse dichteres Hester Knibbe werd geboren op 6 januari 1946 in Harderwijk. Zie ook alle tags voor Hester Knibbe op dit blog.

 

Staand

Versteend sta ik op deze aarde
met lange rok en omslagdoek
die hij strak rond mijn borsten
speelde, omdat dat van de wereld
moet. Zo ben ik opgevoed.

Mijn ogen hebben iris noch pupil.
Dus kijk ik maar naar binnen, wil
al wat buiten voorvalt binnen horen.

Van wat ik waarneem ligt rondom
mijn mond een lach bevroren,
die daar maar vriezen blijft. Ontdooi me,
tooi me met een hoed van bloemen
en lange stengels in m’n lijf.

 

Endymion

je komt in al mijn dromen om
wat bij te praten, in mijn tuin te zwijgen,
ruggespraak te houden over een feest
dat je tezijnertijd zult geven

wat ik destijds verzweeg, vertel ik je:
blij dat je er bent, ik regel alle
dag en geef je heel mijn schijn
van licht in wisselende vorm;
donker slibt achter ons dicht

maar lang al voor de zon opkomt,
word je doorschijnend, blauw als ijs, verdwijnt
het beeld perfect als jou vermomd
je komt in al mijn dromen om

 

Tuin met uitzicht

Ik heb mij hoger gesetteld
dan doorgaans, ben stapel op wolken
lucht en zo meer. Nee, nee ik kijk

niet op u neer, heb nog te veel
weet van gemodder, moeizaam
gewroet daarbeneden. Maar ik

hecht nu eenmaal sterk aan
het weidse, een buigzame wuivende
blik op het leven, wil een lusthof zijn

voor wie mij betreden en een dak
voor degenen die bijna als mollen
onder mijn wortels schuilen

voor het extreme. Hierboven en
tussen de huizen ontvang ik blijmoedig

eenieder met uitzicht, een zetel om
genietend te zitten te kijken te lezen.

 

Hester Knibbe (Harderwijk, 6 januari 1946)

 

De Amerikaanse dichter Carl Sandburg werd geboren op 6 januari 1878 in Galesburg, Illinois. Zie ook alle tags voor Carl Sandburg op dit blog.

 

Sneeuwstorm notities

Ik geef niet de pauken de schuld – ze hebben honger.
En de snaredrums – ik weet wat ze willen – die zijn ook leeg.
En de dreunende basdrums – die hebben het meeste honger van allemaal…
De huilende speren van het noordwesten verstommen.
De wiegeliedjes van het zuidwesten krijgen een kans, een moederlied.
Een wiegemaan komt tevoorschijn uit een gescheurd gat in de voddenhemel.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Carl Sandburg (6 januari 1878 – 22 juli 1967)
Portret door William Arthur Smith, 1961

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 6e januari ook mijn blog van 6 januari 2021 en ook mijn blog van 6 januari 2019 deel 2 en eveneens deel 3.