Verdween mijn zusje onverwacht. En niemand die haar lopen zag. De zon sloop weg, de dag werd oud. De maan kwam op, de nacht was koud. We zochten haar aan strand en zee. Misschien nam Westenwind haar mee. We riepen hard en zongen zacht. We zochten sporen in de nacht. Maar alles gaat zoals het moet. En zij bleef weg, voorgoed, voorgoed. Nu zingt de wind een droevig lied. Vergeet mij niet, vergeet mij niet.
Zusje
Het zusje dat zo dwalen moest langs verre stranden, golven woest zij gaf de woorden toekomst mee en bracht ze naar de wijde zee nu is ze weg, haar stem werd stil maar als ik haar weer horen wil sluit ik mijn ogen om te zien of zij nog ergens is misschien.
Johanna Anna Kruit (Zoutelande, 14 december 1940) Sint Catharinakerk, Zoutelande
Uit: Mahmoed of het wassende water (Vertaald door Katelijne De Vuyst)
“We zijn alleen. Alleen zoals in de cel waar ze mijn nagels doorboorden en op me kwamen pissen. Mijn nagels doorboren, op me pissen. Drie jaar. Ik heb het nooit zo gezegd, vergeef me. Vanaf de zomer van 87, dag van onze terugkeer uit Parijs, tot de herfst van 90. We hadden onze twee zonen al en onze lieve Nazifé. Ze dwongen me regimegezinde dingen te schrijven, elke dag weer. Domme regimegezinde dingen. ‘Ik hou van onze president. In mijn ogen is hij de beste van allemaal. Ik heb nooit een president gezien die zo wijs is als president al-Assad. Ik heb van mijn leven nooit een leider gezien als hij. Ik heb nooit iemand gezien als hij. Hij is de vader van het volk. Hij helpt de armen. Hij is tegen onrecht, tegen corruptie, een ware Arabier. Telkens als we door een probleem worden bedreigd, kan alleen hij de natie op zijn schouders dragen enz.’ Ik ga weer onder water. Zien wat mijn geheugen niet heeft onthouden. De bomen. Op de bodem van het meer staan nog altijd bomen.* Maar je kunt ze onmogelijk herkennen. Sommige dragen nog altijd hun knoppen, arme paarse klokjes als kindertenen. Als ik mijn lamp richt en mijn hand naar ze uitsteek, ik wou dat je het zag, bewegen ze zachtjes, onmerkbaar. Als kleine knuistjes die vaarwel zwaaien. Dan moet ik aan onze kinderen denken. Blijf nog even, Almasji. Ga niet weg. Beneden, lager, op een diepte die ik niet kan bereiken, meen ik de ingebeukte deur te zien, de regenton, de blauwe gordijnen van het huis en, daarachter, achter de gordijnen en de gebroken ruiten, mama die naar me glimlacht en me wenkt om bij haar te komen, papa naast haar. Ik zwem snel nu.”
dezer dagen schiet het weer in je botten het nestelt zich in je gewrichten komt dichter bij je lang voor de ochtend dan lig je wakker weet je niet wat er met je gebeurt, waar het vandaan komt wat er overblijft alleen deze smalle kamer het verkeerd gefineerde meubilair het gekantelde raam een kier naar de straat het geruis in de populieren dreef me door de nachten je hoort daar niets meer en vraagt je in stilte af wanneer begon het dat ik niet meer dichterbij kon komen
Wantrouwen in grote woorden in kleine woorden, voegwoorden tussenwerpsels, in het laatste woord dat iedereen wil en niemand krijgt
Een totale gespreksstop met strenge straffen tong uitrukken wel het minste
Het paard langs de spoorbaan staart de sneltreinen na het gras wacht op de vallende nacht een steen koestert zich in het laatste licht.
Waarom hebt u mij verlaten? Wat een lachwekkende klacht.
Toekomstbeeld
Sommige dichters willen dat met hen ook het licht vergaat dat de wereld dan niet langer bestaat; blinde woede om de eigen dood (over die van anderen valt te praten).
Ik sta bij de rivier, u weet wel en zie hoe het licht mij majestueus links laat liggen; ik slik even en schik mij schrikkend in dit lege toekomstbeeld.
Het museum van de kindertijd
Het is altijd ergens, maar wie het bij toeval ontdekt in een naamloze straat, stuit meestal op een dichte deur waarachter stilte heerst
Of lijkt te heersen. De meesten lopen door terug naar het vertrouwde stratenplan en vergeten zijn bestaan.
Is het museum vloeibaar, opvouwbaar bestaat het uit prisma’s, electrische velden of valt het soms samen met wie eraan denkt?
Meestal is het verlaten, de wanden en uitstalkasten leeg op de jaartallen na die elkaar hun juistheid betwisten
Of het vult zich met mist, met daarin een aarzelende stem die beweert zich niets meer te herinneren, vrijwel niets.
Maar één gezicht, één geluid, één lichtval kan plotseling de toegang verschaffen tot de expositie waar alles bewaard blijkt te zijn.
Zodra de zon verdreven is duiken de zwermen op ze cirkelen boven de daken, gaan een ogenblik lang op de stijve takken zitten vliegen plotseling weer weg, verdwijnen uit het zicht van onze nog onverlichte ramen breken door het dichte web van hogere vliegroutes laten ons achter met een schemerige hemel die we niet kunnen duiden.
De Nederlandse biograaf, schrijver, programmamaker, presentator en stem voor luisterboeken Anton de Goede werd geboren in Velsen op 13 januari 1956. Nadat De Goede in 1975 de middelbare school in IJmuiden verliet, werd hij boekverkoper bij Athenaeum Boekhandel aan het Amsterdamse Spui. In 1980/1982 werkte hij bij reclamebureau Prad als copywriter (onder meer voor Mercedes-Benz, De Postcodeloterij en Douwe Egberts). Bij Paradiso was hij in 1977 medeoprichter van de Beurs van Kleine Uitgevers waar hij jarenlang een programma met schrijvers en dichters presenteerde. Dat leverde hem radiowerk op bij de VPRO. Sinds 1988 werkte hij als redacteur en eindredacteur bij de VPRO Gids en als presentator en maker van programma’s als Michelangelo, Het Gebouw, Geblaf in het Hondsdal, VPRO aan de Amstel, VPRO’s Marathoninterviews, Brands met Boeken, De Avonden en Nooit Meer Slapen. Tot 2018 was hij eindredacteur van Woord.nl (NPO). In 2020 was hij redacteur van het documentaire programma Radiodoc (VPRO/NTR) en verantwoordelijk voor het radiodrama dat bij de VPRO werd uitgezonden en de podcasts die deze omroep publiceerde. Hij is verder bekend als presentator van literaire evenementen en publiceerde onder meer in de tijdschriften De Tweede Ronde, Tirade en Mens & Gevoelens. Vanaf 2017 maakte hij de podcast Lees dees die werd uitgezonden in Nooit meer slapen. In deze podcast, die aanhaakte bij de actie Schwob van het Nederlands Letterenfonds, behandelde hij maandelijks een vergeten klassieker uit de wereldliteratuur. In 2020 tekende hij voor de VPRO-podcast Een dik uur Ischa op de radio waarin radio-uitzendingen van en met Ischa Meijer worden besproken door Karin Bloemen, Ramsey Nasr, Jan Haasbroek, Jessica Meijer en vele anderen. Onder regie van John Albert Jansen zond de EO in het najaar van 2022 de televisiedocumentaire ‘En de naam is Heeresma’ uit, waarin De Goede te zien is als interviewer. In 2025 verscheen zijn biografie van schrijver Heere Heeresma (1932-2011).
Uit: Een gat in het hoofd. Leven en werk van Heere Heeresma
“Ik ben geboren in 1956, en de vroege jaren zeventig vormden de periode waarin ik de literatuur ontdekte. Op school gingen Heeresma’s boeken er bij mij in als koek. Wat een fijne melancholie kwam ik tegen. Neem het motto van Zwaarmoedige verhalen voor bij de centrale verwarming: ‘tot stand gekomen in het besef dat de natuur/ machtig mooi is/ en een mensenleven/ nauwelijks de moeite waard’. Dat was een voltreffer in mijn puberhart. De uitgaven van Heeresma, van Thomas Rap en Peter Loeb in de jaren zeventig, brachten mij ook het plezier dat een boek als object kan geven. Voor mij als tiener kwamen zijn boeken precies op tijd. De beschreven mistroostigheid in combinatie met een groot gevoel voor humor raakten mij. De bekrompenheid die je op die leeftijd naar de strot kan vliegen, ging hij te lijf. Heeresma was voor mij en een aantal van mijn vrienden een held, wiens werk we bespraken en citeerden. Hij was dwars, hij was ongrijpbaar, hij beschreef peilloze somberheid én hij was komisch. Hij nam alles op de hak. Toen ik eind jaren zeventig werkte als boekverkoper bij Athenaeum in Amsterdam, dook hij daar een enkele keer op, zichzelf eens, op de drempel bij binnenkomst, luid introducerend door ‘Hier is Neerlands schrijver met het menselijk gezicht’ te roepen. Weer later, bij de vpro-radio, interviewde ik hem meer dan eens, en waren we blij als hij wilde optreden als columnist of spreker. Hij kon je als interviewer voor een goed gesprek meenemen naar een stil terras van een jachthaven in de buurt van Loosdrecht om dan bijvoorbeeld commentaar te leveren op een patserige motorboot. ‘Zwart geld,’ mompelde hij die ene keer, om vervolgens een verhandeling af te steken over de Nederlandse én internationale onderwereld, die hij ook weer vrij abrupt afbrak, want ‘voor je het weet sta je met je voeten in beton gegoten het verkeer te regelen op de bodem van de Vinkeveense Plassen’.”
“I used to be shocked when Virgil Thomson the composer—who wrote the opera Four Saints in Three Acts with Gertrude Stein, which received its premiere in 1934 with an all-black cast—used to be called to the telephone. I knew him in the 1970s when he was almost in his eighties; he’d come back to the table and say, “Well, Smitty is dead,” and just sit down and continue the conversation about something else. I was amazed that he could receive the news with such indifference about such a close friend. Now that I’m in my eighties, I realize his emotion was stoicism, not indifference; someone who outlives his contemporaries knows that he very likely will be next but that for the moment “he controls the narrative,” as pundits say. When you get to be old, everyone consults you about the biographies of your famous contemporaries. You get the last word, at least until the dead person’s Complete Letters come out. A life, a love. I always say that Jim Ruddy was the great love of my life. What does that mean now he’s just a faint neural scratch on my brain? It seems the hippocampus delegates short-term memories to various other neurons, where they are encoded forever. Does that mean an electrode stimulating the right neurons could make Jim, his conversation, his deep voice, his big curved penis, as real as it was fifty or sixty years ago, a hologram? The wondering way he’d greet any declaration with a tentative acceptance? His always saying “Is that right?” no matter how preposterous one’s remark had been. Maybe I’ve forgotten him because I wrote about him; I’ve always thought that writing about someone is the kiss-off. Nabokov, in Speak, Memory, was apprehensive about writing about his nanny since he liked revisiting her in his thoughts and he knew once he’d committed her to print, he’d lose her. Some people wonder why I’ve not written about them. If they’re a current part of my life, I need to keep them on life support; my husband is Michael Carroll, whom I’ve been with since 1995. I’ve never written about him; he’s too precious to me. My recent fiction is less autobiography and more thought experiment. I assemble my monsters from stolen body parts (his nape, her stutter). Often I want to lead the reader to a better (more compassionate, more forgiving, bolder, more loving) world by picturing it as if it already existed; George Meredith called that process “moral sculpture.” What did it feel like to be in love? Constant suspense. Does he love me yet? More? Less? Is he getting bored?”
Steeds dorst je – zoals dorst heeft naar de eerste regen het droge zomerweer – naar je gezegend huis, naar een verborgen leven, als de bede van een monnik, leven van loochening en liefde in een hoek.
Ook dorst je naar het schip dat prooi is van de zeeën, dat vogels, vissen volgend almaar verder trekt, welks leven rijk en vol is van de ganse aarde – maar beide, schip en huis, zij gaven ’t antwoord: ‘nee!’
Noch het geluk in afzondering en onbewogen, noch ook het leven dat zich steeds weer weet bezield door elke nieuwe haven, ieder volgend land –
alleen de siddering van de slaaf, van die moet zwoegen: sleep voort over de markt de naaktheid van je leden, vreemde voor vreemden en voor eigen mensen vreemd.
Vertaald door Hero Hokwerda
Kostís Palamás (13 januari 1859 – 27 februari 1943) De dichters (1919) door Georgios Roilos. Het schilderij toont verschillende dichters van de generatie van 1880; in het midden, met het hoofd rustend op zijn elleboog, Kostís Palamás.
Daarachter een gekringeld samenvloeien Van schuine lijnen, als de strengen van Een zijden koord, in ’t door een lichte bries Gerimpeld water. Zonlicht tooit de baai Met schittering van scherven dansend zilver. Die rimpeltjes en kopjes promeneren, Gehaast en schertsend, geen moment verveeld. Ils se promènent, als vrij welgestelde Gezinnen in het Bois, op zondag. Blij om Die zorgeloosheid en gefascineerd Door zonne-morsetekens in de haven, Ben ik, voor het moment, geheel genezen, Onthecht, en los van toekomst en verleden, Zelfs van de wetenschap dat deze Zee Van Hadria, des Doges gemalin, De koele, de gewijde, is afgeschuimd Door kooplui uit haast alle werelddelen, En al die kristallijnen breekbaarheid Waarvoor ze zweten aan de ovens lijkt Een wondere en breekbare triomf. De eerste ruwe bol van glas, gestold, Wordt aan de blaaspijp, gloeiend heet en zacht Als toffee nog, gedompeld in een mal, Die van metaal is en van binnen als Een ananas met stekels is bezet. Het glas krijgt voor de helft een regelmatig Patroon van kuiltjes zo, en als die eenmaal Bedekt zijn met een vloeibare glazuur, Ontstaan er belletjes gevangen lucht, Geëmailleerde, parelende leegtes.
„Als ich mit den Hunden nach Hause zum Dorf zurückging, fand ich auf dem Weg Spuren von Rehen, einem sehr kleinen Pony, anderen Hunden und Menschen, Waschbären, viel-leicht einer Katze und in unregelmäßigen Abständen ein Herz, kleiner oder größer, ver-mutlich mit einem Stöckchen in den Sand gezogen, wie unterwegs, aber deutlich zu er-kennen, und vielleicht ftbaf oder sechs die Länge des Weges, der sich aufs Dorf hin wohl einen knappen Kilometer zieht. Davor war ich auf den weiten Feldern zu den geborstenen Weiden hingelaufen, die ich von fern öfters mit meinem Vater gesehen hatte, breite, zerklüftete Stämme, kahl jetzt im Februar, und mein Vater hatte immer das Durchscheinende der winterlichen, laublosen Landschaft geliebt. Mit meinem alten besten Freund war ich den Weg nicht mehr gegangen, denn er war vor-her gestorben, und vor zwei Jahren war ich viele Male den Weg mit meiner sterbenskran-ken Freundin im Herzen gegangen und mit meiner besten Freundin, die nach einem Herz-infarkt noch schwach gewesen, war ich ihn gegangen und wieder, als sie bei Kräften war, und unzählige Male waren wir den Weg zu viert gegangen, und meine inzwischen heran-gewachsenen Töchter auch un7ählige Male zu zweit oder mit Freundinnen. Was ich auch sah, sah ich mit vielen Augen, nur die Herzen im sandigen Weg sah ich al-leine, ohne die Menschen, die ich liebte, und anderntags würden sie schon verwischt oder vertreten oder verregnet sein. Ich kann nicht sagen, dass ich traurig war, aber alle Traurigkeiten waren doch dabei, sehr hell und einige fröhlich, und viel Sehnsucht und auch ein zerdehntes Herz, das in die Ver-gangenheit wollte und noch etwas in die Zukunft. Deswegen habe ich dieses Buch geschrieben.“
Katharina Hacker (Frankfurt am Main, 11 januari 1967)
Droste in een negligé, slapeloos. (Een wesp die haar zwellingen stak:) Geen liefdesvlek, niets uit een droom, gewoon een niet-vlek. Kijk: zwarte zwanen halverwege. Vanuit de erker, het gordijn als teken. Zijn het de dierbare familieleden die draden spinnen en opkijken van de boekhouding? Ach, al dat schrijven… Zo geschrokken, arm ding, zo bedrogen.
in je precieze jaren toen je zelden buitenkwam omdat je onder schot gehouden werd zagen maar weinig mensen hoe wit je haar was
als ik door de glazen deur naar buiten kijk zie ik een trillend been naast de begonia
we zouden kunnen gaan graven maar dat zal je rug niet rechten we kunnen door de tuin lopen en de plekken aanwijzen waar onkruid groeit we laten de thee onze tong vormen de inkt van deze lange dag op onze vingers
als we de jassen aantrekken zal de wereld gaan draaien zullen onze voeten bevriezen zodat we kunnen schaatsen tussen de hopeloos glijdende honden op zoek naar een lijn naar een bal naar een bot
we zullen weer naar school gaan om schapen te leren tellen we zullen naar de winkel gaan omdat het prettig is om iets te kopen voor het op is
Stem uitbrengen
een gevangene krijgt sleutel ven zijn cel sluit de deur en verdwijnt
je zegt me te gaan slapen nu je zelf nog wakker bent
de kampbewoners dIe zich de woestijn eigen maken omdat er geen gras is vullen de bulten van hun kamelen
*
een gevangene komt terug met de sleutel van rijn cel als een priem in zijn hand
ik denk aan alles in mij wat zijn nek niet uitsteekt en loop wat sneller
ik mis mijn manieren in mijn hoofd staan de torens recht maar ze komen nooit buiten
een gevangene legt de sleutel op de tafel in zijn cel
wil en stil zit een groep mensen in een treincoupé door het midden loopt een scheur
de rat het lieveheersbeestje de vermoeide man allemaal vormen vvan het kind dat de trap afloopt en zich uitvouwt
schijnwerpers glimlach lamplicht bloeiende mond het oog een waterige ster in de avond (22:30) hemel boven Servië waar bommenwerpers overgeven / vanuit afvalscherven en puin wijs je op het menselijke, op het daaronder be- graven lichaamsdeel / even snikken en dan verder
De Nederlandse schrijver, essayist, columnist en vertaler Bas Heijne werd geboren op 9 januari 1960 in Nijmegen. Zie ook alle tags voor Bas Heijne op dit blog.
Uit: Voor de democratie
“De man die zijn naam aan de Griekse ‘gouden eeuw’ gaf, de Atheense staatsman Perikles, bevond zich vrijwel zijn hele leven in dat politieke spanningsveld. Hij was afkomstig uit een oud en voornaam geslacht, de Alkmaioniden, maar schaarde zich al vroeg aan de kant van het volk, wat hem het verwijt van populisme opleverde en veel conservatieve vijanden. Niettemin was hij zo’n dertig jaar een leidende politieke figuur in Athene, van ongeveer 461 v.Chr. tot aan zijn dood tijdens de pestepidemie in 429 v.Chr. Dat de naam Perikles verbonden raakte met een ‘gouden tijdperk’ is grotendeels te danken aan zijn aanhoudende populariteit als politiek leider. Ieder jaar werd hij opnieuw gekozen als strategos (een van de tien bevelhebbers). Hij breidde de Atheense democratie uit, zorgde voor een financiële compensatie wanneer gewone burgers democratische verplichtingen op zich namen. Hij nam het initiatief tot grootse bouwprojecten als het Parthenon, de Propyleeën, het Erechtheion, het Odeion. Hij voltooide de zogenaamde Lange Muren, een verdedigingswerk dat Atheners bescherming bood op de weg naar de haven van Piraeus. Ook gaf hij zijn persoonlijke vriend, de beeldhouwer Phidias, de opdracht tot het maken van het beeld van Athena Parthenos in het Parthenon, maar liefst 12 meter hoog, opgetrokken uit goud en ivoor. Onder Perikles werd de hegemonie van Athene ten opzichte van haar bondgenoten versterkt. Zij hadden zich verenigd in de zogenaamde Delische Bond en het was Perikles die hun gezamenlijke schatkist van het eiland Delos overbracht naar Athene, waarmee behalve de oppermachtige Atheense vloot ook de prestigieuze bouwprojecten werden bekostigd – wat Perikles het verwijt van praalzucht en imperialisme bezorgde. Athene fungeerde zo’n beetje zoals de Verenigde Staten na de Tweede Wereldoorlog ten opzichte van West-Europa, dominant, maar ook een waarborg voor veiligheid. Je moest betalen, je had weinig in te brengen, maar je kreeg er een redelijk zorgeloos bestaan voor terug. Iemand die de Atheense politiek zo lang domineerde, was vanzelfsprekend omstreden. Tijdens Perikles’ leven, maar ook in de eeuwen daarna, helemaal tot in onze tijd, is zijn reputatie en statuur onderwerp van discussie.”
Hoe ze haar vinger uitstrekt van de mokkalepel, mijn Sudeten-grootmoeder. Haar haar zwart van de gedroogde bieten. Buiten, de afdruk van haar handen in de wind, waar kinderen kastanjes doorheen gooien. De aardappelen heeft ze nooit vertrouwd en hurkte alleen in de rook van de stokerij. Zoals bij sommigen een bochel langs de rug omhoog groeit, groeit deze in haar krullen. Dit uiteenvallen elke avond, naakt voor de gordijnen is haar huid slechts een scheur in de stof.