Als Josef mit Maria auf dem Weg nach Betlehem war, rief ein Engel die Tiere heimlich zusammen, um einige auszuwählen, der Heiligen Familie im Stalle zu helfen. Als erster meldete sich natürlich der Löwe: »Nur ein König ist würdig, dem Herrn der Welt zu dienen“, brüllte er, „ich werde jeden zerreißen, der dem Kind zu nahe kommt!“ “Du bist mir zu grimmig“, sagte der Engel. Darauf schlich sich der Fuchs näher. Mit unschuldiger Miene meinte er: „Ich werde sie gut versorgen. Für das Gotteskind besorge ich den süßesten Honig, und für die Wöchnerin stehle ich jeden Morgen ein Huhn!“ „Du bist mir zu verschlagen“, sagte der Engel. Da stelzte der Pfau heran. Rauschend entfaltete er sein Rad und glänzte in seinem Gefieder. „Ich will den armseligen Schafstall köstlicher schmücken als Salomon seinen Tempel!.“ „Du bist mir zu eitel“, sagte der Engel. Es kamen noch viele und priesen ihre Künste an. Vergeblich. Zuletzt blickte der strenge Engel noch einmal suchend um sich und sah Ochs und Esel draußen auf dem Felde dem Bauern dienen. Der Engel rief auch sie heran, »Was habt ihr anzubieten?“. »Nichts“, sagte der Esel und klappte traurig die Ohren herunter, „wir haben nichts gelernt außer Demut und Geduld. Denn alles andere hat uns immer noch mehr Prügel eingebracht!“. Und der Ochse warf schüchtern ein: „Aber vielleicht könnten wir dann und wann mit unseren Schwänzen die Fliegen verscheuchen!“ Da sagte der Engel: »Ihr seid die richtigen!“
Karl Heinrich Waggerl (10 december 1897 – 4 november 1973)
Uit: Schrijven is ritme (De meisjes hadden wél gelijk)
“Het moment waarop ik voor het eerst een literaire tekst hoorde, herinner ik me niet. Toch was dat moment er. Mijn moeder zong een liedje dat ik later, na dat moment van heel vroeg in mijn leven, opnieuw hoorde, hoeveel later weet ik niet precies, maar wel dat het een vage herkenning opriep, ik hoorde het bewust of in ieder geval bewuster dan toen, het liedje ‘Slaap kindje slaap’. Mijn moeder zong het met zachte stem, een paar keer achter elkaar, het woord ‘kindje’ verving ze de tweede keer dat ze het zong door mijn naam. Het liedje maakte me niet alleen slaperig, het stelde me ook gerust, terwijl het nauwelijks iets in me opriep wat ik wilde begrijpen (als ik dat toen al wilde), want hoe simpel de tekst ook is, ik geloof niet dat ik begreep wat ‘zo zoetjes’ was, want het woord ‘zoet’ had ik niet gehoord. Mijn ouders gebruikten het niet ter vervanging van ‘gehoorzaam’ of ‘braaf, ze noemden mij nooit ‘een zoete jongen’, wat ik achteraf niet betreur. Het liedje kende ik wel vrij snel uit mijn hoofd, althans ik wist wat er komen ging als mijn moeder had gezongen ‘Daar buiten loopt een schaap’, hoewel wat er volgde niet rijmde op ‘slaap’: ‘Een schaap met witte voetjes’. Niet alleen mijn geheugen hielp me, ook het ritme van het liedje, weliswaar een kalm ritme, maar wel degelijk aanwezig. Behalve dat ik woorden leerde om te communiceren, leerde ik meer liedjes van mijn moeder, liedjes die ik onthield zonder dat de tekst glashelder was. Hoe het met de kinderliedjes van nu zit weet ik niet, maar in die jaren was er soms geen touw aan vast te knopen. Op de kleuterschool, waar ik hoopte te leren schrijven, wat niet het geval bleek, zongen we liedjes — tot mijn spijt toen was dat belangrijker dan schrijven —, liedjes als:
Daar kwam ene boer uit Zwitserland Kadee, kadulleke, kada En die had enen ezel aan zijn hand Laberdi laberda laberdonia Een die had enen ezel aan zijn hand Cecilia!
Volgens mij was het een lied waaraan geen einde kwam. Waar die boer vandaan kwam, snapte ik. Ook hoe hij erbij liep, met een ezel immers. De woorden die ik niet kende en niet begreep, vond ik rare, een beetje beschamende woorden. Toch leerde ik het met betrekkelijk weinig moeite vanbuiten.”
Thomas Verbogt (Nijmegen, 9 december 1952)
De Amerikaanse dichteres en schrijfster Eileen Myles werd geboren in Boston, Massachusetts, op 9 december 1949. Zie ook alle tags voor Eileen Myles op dit blog.
Het verdriet van het vertrek
Alles is zo ver weg— mijn jas is daar. Ik ben doodsbang om te gaan en dat jij me niet zult missen Ik ben doodsbang voor het heldere blauw van de metro op andere dagen ben ik zo blij en bereid om te geloven dat iedereen die door de straat loopt iemand is die ik ken. De ouderdom van Macy’s maakt indruk op me. De houten roltrappen als je verder boven bij de meubels komt, krediet, lampenkappen— Je hebt hier gewinkeld als kind. Oh, je verdient me! In een film genaamd Close Up—af en toe de kronkelende stangen, let op de kronkelende blauwe stangen van metro-ingangen, de korrelige schoonheid, de vlek. Ik zal vandaag geen zelfmoord plegen. Het is te mooi. Mijn hart breekt op de 23e straat. Om dit met jullie te delen, de zoetheid van het frame. Mijn lichaam in perfecte vorm voor niets anders dan de dood. Ik wil je dit laten zien. Op het San Marcoplein schreeuwt een gek: mijn voetstappen, de trommelslagen van Armageddon. O ja, breng me dichter bij U, Heer. Ik wil sterven Van Dichtbij. Een handvol stuiterende gele tulpen voor David. Ik geef toe dat ik van tulpen houd omdat ze zo mooi sterven. Ik zie verlossing in hun hangende hoofdjes. Een prachtige uitgang. Hoe komen ze ertoe zich zo vrij te voelen? Ik ben gevangen door liefde— boven frietjes dwalen mijn ogen af naar De Hue Bar. Een blauw bord. Door het leven. Op weg om een punt te maken, om logica te vinden, om niet verliefd te worden van- nacht en mijn pijn onverpakt te laten – om de machine te duwen – Paul houdt contact, maar oh, herinner je Jessica nog Lange, ze zag er zo mooi uit helemaal onder invloed, op weg om King Kong te ontmoeten. Ik zit op mijn kleine rode bank in februari hoe krijgen ze het voor elkaar om zich zo vrij te voelen 1.000.000 vrouwen niet ik die door de straat bewegen vanavond van deze vage stad & ik kroon mezelf keer op keer en er kunnen geen twee koningen zijn.
“Geen voorzichtige inleiding. Mijn deurmat is niet gemaakt van kokoshaar maar van de afgestroopte stekelhuid van een egel. Er staat niet ‘Welkom’ op gedrukt, maar ‘Nietzsche’. Laat ik beginnen met een citaat uit diens De geboorte van de tragedie: ‘Er is een oude sage die zegt dat koning Midas lange tijd in het bos jacht maakte op de wijze Silenus, de metgezel van Dionysus, zonder hem te pakken te krijgen. Als hij hem ten slotte toch in handen valt, vraagt de koning wat het allerbeste en allervoortreffelijkste is voor de mens. De demon hult zich in een koppig en onverstoorbaar stilzwijgen totdat hij, door de koning gedwongen, ten slotte in lachen uitbarst en de volgende woorden spreekt: “Jullie, beklagenswaardig eendagsgeslacht, kinderen van toeval en kommer, waarom dwing je me te zeggen wat je veel beter niet kunt horen? Het allerbeste is voor jou totaal onbereikbaar, namelijk niet geboren te zijn, niet te zijn, niets te zijn. Het op één na beste echter is – zo spoedig mogelijk te sterven.”’ Puur sadisme, dat lachen van die oude sater Silenus, want zelfs het op één na beste is voor de meeste mensen geen optie. Al hangt hun leven van ellende aaneen, er een einde aan maken zien ze niet zitten. Doodsangst steekt daar een stokje voor. Lijdzaam afwachten, meer kunnen we niet doen. Er lopen allerlei draden van deze passage bij Nietzsche naar het werk van A.F.Th. van der Heijden. Meteen al in zijn debuut, het onder de naam Patrizio Canaponi gepubliceerde Een gondel in de Herengracht, is het Silenus-verhaal onderwerp van gesprek tussen Bruno Tirlantino en diens minnaar Simon Fringle. In de romancyclus De tandeloze tijd klinken de woorden van Silenus menigmaal, bijna als een refrein. De tekst van Nietzsche fungeert zelfs als motto bij het hoofdstuk ‘Het antwoord aan koning Midas’ in de roman Vallende ouders (De tandeloze tijd 1). Het allerbeste is onbereikbaar, het op één na beste onwenselijk. Van der Heijdens hele oeuvre, zo schijnt het mij toe, is doordrenkt van de vraag wat dan wél een wenselijke manier is om het leven te kunnen verdragen. En in zijn zoektocht naar antwoorden op die vraag lijkt hij geïnspireerd door de onmogelijkheid van wat Silenus het allervoortreffelijkste noemt. Het onmogelijke: daarin moeten de antwoorden gezocht worden. Leven in de breedte In De tandeloze tijd heeft het personage Albert Egberts zo’n mogelijk-onmogelijk antwoord bedacht. Op verleidelijke wijze legt hij het voor aan zijn vriend Thjum Schwantje: ‘Er is een manier, Thjum, een truc om tijd te winnen… oneindig veel tijd te winnen en te ontginnen. Tijd die niet aan je vreet… die je niet ouder maakt. Integendeel! Het is een tijd die je het eeuwige leven kan geven… of bijna in ieder geval.’ Wie wil dat niet, een trucje leren om een bijna eeuwig leven te verkrijgen? Mijn aandacht heeft hij in ieder geval, die Egberts. Hij gaat verder: ‘Aangezien het leven zich nietsontziend in de lengte ontrolt, moet je proberen het zo breed mogelijk te maken… moet je proberen het in de breedte te laten uitdijen…”
Betreffende de synthetische eenheid van het zelfbewustzijn
‘Quatsch, quatsch!’ zei de koning mijn oom, ‘de geest is rook en stijgt op, zwak als rook. Zit niet tussen de doden, zit in de zon. Eet sinaasappels! Kul! De wagen komt.
Alle geesten keerden terug. Het bevalt ze daar niet meer. Geen zijdezacht water en geen grote bruine beer,
geen bier daarboven, geen siësta’s en ook al geen –’ ‘Oom,’ zei ik, ‘wat is liefde? Ik ben zo alleen.’
Gek werd hij daarvan. Nu knoopt hij tijd en zelfbewustzijn draad na draad aaneen. •••
Zulke antwoorden zijn een schrale troost voor de doden ‘Wat een holle retoriek,’ zei de stilte, ‘jij leert de jongens en meisjes dat brood en wijn, waarop hun wellust spuugt als op de macht, binnen handbereik zijn. Het zijn waanbeelden van je schuldgevoel dat je tot schande strekt als een leugen die uitkomt. De andere jongens ploften als zoutzakken op wanhopige kusten.’
‘Maar je weet toch wat voor leven ik heb geleid, dat werkelijk alles wat ik ben geweest me afsnijdt van normale burgermansgenoegens. Hoe vaak ben ik niet ’s nachts langs een feest gekomen waar goedkope minachting getoeterd werd en klokslag twaalf de gulle lach losbarstte, het feest waar ze het nieuwe jaar ontkurkten als champagne of als liefde, met een knal en schuim, terwijl ik langdurig studeerde op de kunst waarmee je in Amerika een muur van stilte verdient. – Ik ben een onderzoeker van de typen licht, ik ben een dichter van de waakzame nacht, in het nieuwe en nog ongekende Amerika. Ik ben een onderzoeker van de gedurige nederlaag van de liefde. Ik schonk de jongens en meisjes mijn geest en mijn kunst, ik leerde hun over het vroege morgenlicht: kan ik dat niet aanvoeren als enigszins goed?’
St. Johannes de Doper als jongen door Andrea del Sarto, ca. 1525
Der Täufer
Siehe! Das ist Gottes Lamm. Dieser wird für unsre Sünde sterben an des Kreuzes Stamm, dass er allen Völkern künde: Gott nimmt ihr Gebrest auf sich. Dass fortan die Menschheit wisse: Träger ihrer Finsternisse ist nicht nur ihr kleines Ich.
Christian Morgenstern (6 mei 1871 – 31 maart 1914) Christkindlmarkt in München, de geboorteplaats van Christian Morgenstern
Kleine ronde harde stenen klikken onder mijn hielen, zaaiend gras duwt baardzaadjes in broekspijpen, blikjes, waarop getrapt wordt, knarsen in hoog, paars bloeiend, vriendelijk onkruid.
District zes. Geen bord zegt dat het zo is: maar mijn voeten weten het, en mijn handen, en de huid rond mijn botten, en het zachte gezwoeg van mijn longen, en de hete, witte, naar binnen draaiende woede van mijn ogen.
Ruw met glas, naam wapperend als een vlag, hurkt het in het gras en onkruid, ontluikende Port Jackson-bomen: nieuwe, chique haute cuisine, wachter bij de poort, herberg alleen voor blanken.
Geen bord zegt dat het zo is: Maar we weten waar we thuishoren.
Vertaald door Frans Roumen
Tatamkhulu Afrika (7 december 1920 – 23 december 2002) Cover
Metaphor is made of two parts, I tell them because I must say something: vehicle and tenor,
and we should know the names of things we do by instinct, though I only half believe this. Not that kind of vehicle,
not that kind of tenor, and yet their poems must move, must sing. It’s confusing and hard. Aristotle said
genius sees resemblance in difference. A car is not a metaphor, is a machine made of countless metal parts
that keep us mindful of oil, coolant, a milk jug in the trunk in which to dilute it, mindful of all the ways a day can turn-
pulling into Bloomsburg State, for instance, steam blowing from under the hood, I asked a student for the lecture hall,
campus clock gonging the hour of my talk, but he said, “Look, something really bad is happening to your car.”
I have watched water run off my radiator as freely as the waters of birth. I have peered
into the boxy chambers of my master cylinder, drained of brake fluid, dark and divided as the human heart.
Unable to start some mornings, I have loosened a wing nut, lifted the air filter, and jabbed a pencil stub
into my butterfly valve, clenched like a catch in the throat. So when half the audience walked out of that reading
to attend a memorial service for some boys, killed in a frat house fire, I did what any of us would do:
paused until the room grew still, then continued. In towns like that, mechanics take only cash,
but the folks who remained bought enough books to cover the cost of radiator hose, plus labor,
that transaction as sweet and pure as the motion of any of our lubricious, invisible parts.
Ondergronds
In die jaren werden bloemblaadjes van hun stengels geplukt. In het begin versplinterden kasruiten door de omhoogstaande knoppen van chrysanten; aardepotten werden in scherven vermalen. Bloemen op openbare pleinen werden ondergeploegd om rapen, radijsjes en kool te kweken voor de massa. Zaden werden oud en machteloos in hun verpakkingen; bollen verschrompelden en stierven in donkere kelders. Bonsai’s stonden onder theetafels in stille stadsappartementen terwijl boeren slechts een slordige rij goudsbloemen langs de lemen muren van hun huis riskeerden. Misschien bleven de vaste planten bestaan, hun wortels onwetend van de wet — stengels, die zich door de aarde heen strekken om vertrapt te worden — of stiekem bewaard, bloemblaadjes in boeken gedrukt als iconen van vislijm.
“Kijk, het was al dadelijk een stroeve Sinterklaasavond – dat zat in de lucht. In de eerste plaats harmonieerde het gezelschap niet, want oom Kees was erbij en die heeft laatst een geruchtmakende inklimming gepleegd, zodat tante Magda uit Zeist, die érg fel is op die dingen, dadelijk toen ze met neef Henk binnenkwam tegen hem zei: ‘Zo, Kees, zit jij niet meer?’ Dat was natuurlijk een beetje pijnlijk, vooral omdat oom Kees meteen met Henk wilde gaan vechten, ten einde iets terug te doen. Die kleine Henk had zijn jasje zó uit, maar toen gooide ik me ertussen, want tenslotte was ik de gastheer. Toen we weer zaten, begon opa over de begrafenis van tante Wilma en hij zei, dat hij het gedrag van Frits ‘knap schofterig’ had gevonden. Frits was namelijk boos geweest, omdat we een andere begrafenisonderneming hadden genomen dan door hem was aanbevolen. Hij wilde niet mee in rijtuigen die tegen zijn advies ingingen en stond, toen we op het kerkhof kwamen, al met zijn gehele egoïsme à quatre bij het open graf keurig opgepoetst te demonstreren tegen onze firma, die tante er toch heus heel netjes in hielp. Nu had ik het ook niet soepel gevonden van Frits, maar om nu dadelijk zo scherp te worden op Sinterklaasavond leek me toch niet juist van opa. De oude man had echter niet in de gaten dat Frits met zijn vrouw in onze kamer zat, want als je die jaren hebt onthoud je de gezichten allemaal niet meer zo goed. ‘Frits hoeft niet achter mijn kist te lopen, straks,’ riep de grijsaard of het een pretje was. Ik zat al te ssst’en en maakte een reeks van sprekende gebaren, maar hij begreep het niet, de goeierd, en zaagde maar door over zijn kist en wie erachter mocht en wie niet. Frits niet. ‘Kom, opa,’ riep ik, ‘nou niet over de dood praten telkens. ’t Is toch zeker Sinterklaas. Laten we nou gezellig een liedje zingen. Vooruit, Mien, speel er eens eentje.’ Mien is een nicht van ons, een fikse kwekeling met akte. Ze speelt een soort piano waarop je goed heilgymnastiek kunt doen, maar alles leek me beter dan conversatie. Spoedig klonk het lied over het heerlijk avondje en ik zong uit volle borst, inviterend wenkend dat ze moesten meedoen. Op het laatst galmde de hele club, met zwartgallige koppen, want ze waren nog niet uitgepraat, dat zag je zó. Ik liep de kamer uit om voor de pakjes te zorgen. Ze hadden allemaal wat meegebracht, voor eigen vrouw of man en ik stopte de hele boel in een wasmand en zette deze, krachtens de aardige methode die er elk jaar weer ingaat, voor de deur van ons huis. Een jongetje, dat passeerde, gaf ik een kwartje. ‘Jij belt straks even aan vent,’ zei ik met een knipoog. Het duurde wel vijf minuten, eer de bel klonk. Ik was blij dat ik het eindelijk hoorde, want ik was bepaald beroerd van dat zingen.”
Simon Carmiggelt (7 oktober 1913 – 30 november 1987) Illustratie bij “Het heerlijk avondje” uit Carmiggelts bundel “Onzin” uit 1979
De Duitse dichter Rainer Maria Rilke werd als René Karel Wilhelm Johann Josef Maria Rilke op 4 december 1875 in Praag geboren. Dat is vandaag precies 150 jaar geleden. Zie ook alle tags voor Rainer Maria Rilke op dit blog.
Die sechste Elegie
Feigenbaum, seit wie lange schon ists mir bedeutend, wie du die Blüte beinah ganz überschlägst und hinein in die zeitig entschlossene Frucht, ungerühmt, drängst dein reines Geheimnis. Wie der Fontäne Rohr treibt dein gebognes Gezweig abwärts den Saft und hinan: und er springt aus dem Schlaf, fast nicht erwachend, ins Glück seiner süßesten Leistung. Sieh: wie der Gott in den Schwan……. Wir aber verweilen, ach, uns rühmt es zu blühn, und ins verspätete Innre unserer endlichen Frucht gehn wir verraten hinein. Wenigen steigt so stark der Andrang des Handelns, dass sie schon anstehn und glühn in der Fülle des Herzens, wenn die Verführung zum Blühn wie gelinderte Nachtluft ihnen die Jugend des Munds, ihnen die Lider berührt: Helden vielleicht und den frühe Hinüberbestimmten, denen der gärtnernde Tod anders die Adern verbiegt. Diese stürzen dahin: dem eigenen Lächeln sind sie voran, wie das Rossegespann in den milden muldigen Bildern von Karnak dem siegenden König.
Wunderlich nah ist der Held doch den jugendlich Toten. Dauern ficht ihn nicht an. Sein Aufgang ist Dasein; beständig nimmt er sich fort und tritt ins veränderte Sternbild seiner steten Gefahr. Dort fänden ihn wenige. Aber, das uns finster verschweigt, das plötzlich begeisterte Schicksal singt ihn hinein in den Sturm seiner aufrauschenden Welt. Hör ich doch keinen wie ihn. Auf einmal durchgeht mich mit der strömenden Luft sein verdunkelter Ton.
Dann, wie verbärg ich mich gern vor der Sehnsucht: O wär ich, wär ich ein Knabe und dürft es noch werden und säße in die künftigen Arme gestützt und läse von Simson, wie seine Mutter erst nichts und dann alles gebar.
War er nicht Held schon in dir, o Mutter, begann nicht dort schon, in dir, seine herrische Auswahl? Tausende brauten im Schoß und wollten er sein, aber sieh: er ergriff und ließ aus -, wählte und konnte. Und wenn er Säulen zerstieß, so wars, da er ausbrach aus der Welt deines Leibs in die engere Welt, wo er weiter wählte und konnte. O Mütter der Helden, o Ursprung reißender Ströme! Ihr Schluchten, in die sich hoch von dem Herzrand, klagend, schon die Mädchen gestürzt, künftig die Opfer dem Sohn.
Denn hinstürmte der Held durch Aufenthalte der Liebe, jeder hob ihn hinaus, jeder ihn meinende Herzschlag, abgewendet schon, stand er am Ende der Lächeln, – anders.
De Sonnetten aan Orpheus
VI
Is hij een aardeling? Neen, zijn wijde wezen ontsproot aan beiderlei sfeer. Kundiger weet de loten te leiden wie met de wortels der wilgen verkeert.
Gaat gij naar bed, laat op tafel achter – doden trekt het – melk niet, noch brood. Hij echter menge onder het zachte ooglid, bezwerend, al wat als dood
aan hem verschijnt in de zichtbare dingen; en de betoovring van wijnruit en kervel is hem zo waar als het klaarste verband.
Niets kan het geldige beeld hem verwringen. Gaven voor ’t leven, gaven bij ’t sterven, love hij vingerling, haarspeld en kan.
Vertaald door W. Blok en C.O. Jellema
Rainer Maria Rilke (4 december 1875 – 29 december 1926)
“Deze geschiedenis speelt zich af in een ander land. Een land waar het dienen van de publieke zaak nog gold als hoogste doel. Een land waar, dwars door al het harde onrecht, een democratische belofte gloorde. Een land dat, ondanks alle verschillen tussen de mensen, de kracht en eenheid kon opbrengen om die te verdedigen, tot in het verre Europa toe. De president kreeg, toen alles voorbij was, zijn pleinen, straten en standbeelden, zijn bibliotheken, scholen en vliegdekschepen. Voor hem restte een kleine steen, op de begraafplaats van Grinnell, ergens ver weg in lowa. Daar kwam hij vandaan, daarheen keerde hij terug. Harry LIoyd Hopkins. In Europa kent bijna niemand hem. Toch hoort hij bij de handvol mensen die vanuit de verte, bepalend waren voor het lot van ons continent, van ons land, van onze dierbaren en onszelf. Tijdens de oorlogsjaren gold hij in de kleine wereld van internationale diplomaten en politici als de belangrijkste Amerikaan na Roosevelt, samen met opperbevelhebber Marshall. Hopkins was een wisselwachter, niet meer dan dat, maar op cruciale momenten was hij welde man die, achter de schermen, geschiedenis schreef. Zelf liep ik hem min of meer bij toeval tegen het lijf. Toen ik een artikel schreef over Martha Gellhorn, de legendarische oorlogsverslaggeefster, bleek dat ze haar loopbaan was begonnen in de crisisjaren, als een soortverkenner voor het Witte Huis. Zij was nog jong, ze trok door het hele land, praatte met iedereen, en brief na brief rapporteerde ze haar bevindingen aan een mistige maar altijd nieuwsgierige topfunctionaris, grote man achter de New Deal “My dear Mr.Hopkins”. Toen ik, jaren later, schreef over Engeland tijdens de Tweede Wereldoorlog, trof ik hem opnieuw.”
„Auch ich erwartete den Sohn, der den Weg zu seinem Vater so lange nicht gefunden hatte. Seit bald drei Jahren war er, ein junger Architekt, in einem Züricher Planungsbüro angestellt und in dieser Funktion auf der ganzen Welt unterwegs. Da blieb für Gut Zichow, für das Haus und den Garten seiner Kindheit, kein Platz im Kalender, aber doch wohl immer in seinem Herzen. Und trotzdem hatte er nun überraschend seinen Besuch angekündigt, da er zu einer Besprechung nach Berlin mußte und sich für einen Abstecher zu seinem Vater unbedingt die nötige Zeit nehmen wollte. Ankunft Sonntag mittag; ich bereitete das Haus, im besonderen sein altes Kinderzimmer, und ein Mittagessen mit mehreren Gängen. Es war auch geplant, daß er über Nacht bliebe, um Montag früh mit dem Mietwagen zurück nach Berlin zu fahren. Nur ein Kurzbesuch, ja, eine Stippvisite. Damit mußte ich zufrieden sein. Sein Beruf — sicher auch sein persönlicher Ehrgeiz —ließ ihm wenig Zeit zum Ausruhen und für private Termine, er hatte ja selbst noch keine Familie Ihm lag daran, in seiner corporation geschätzt und entsprechend mit verantwortungsvollen Aufgaben betraut zu werden. Also wurde es Sonntag, die Stunden standen still, und ich betrat den quälenden Zeitraum der Erwartung, wenn die Minuten sich hinschleppen und nie eine Stunde füllen wollen. Sonntag vormittag, zehn Uhr zwanzig. Er müßte sich langsam auf den Weg machen. Elf Uhr sieben. Warum gibt er kein Zeichen, daß er unterwegs ist? Ich kann ihn nicht erreichen. Sein Handy ist aus. Mittag. Jonas meldet sich nicht. Ich sitze schon bei Tisch. Warum hat er das Handy ausgestellt? Dreizehn Uhr fünfunddreißig. Er hat unsere Verabredung vergessen! Er sitzt mit wichtigen Leuten zusammen und hat sein Handy ausgestellt. Und wieder das Warten. Welche Freude, ihm zu zeigen den neu gepflanzten Purpurahorn, schon bald drei Meter hoch, die Birkenreihe hinter dem Kornspeicher. Und was aus dem Ginkgo wurde, den wir zusammen in die Erde brachten. Und extra für ihn habe ich neu pflastern lassen den Brunnenplatz, wo wir einander gegenübersaßen und lange schwiegen, bevor er den Ort verließ, um nach Zürich zu ziehen. Jedenfalls kam die letzte Ankündigung seines Besuchs gegen siebzehn Uhr. Das war schon spät, viel Zeit wäre uns ohnehin nicht geblieben. Dann seine SMS eine Stunde später: Ich schaff es nicht mehr, lieber Papa. Ich muß morgen früh überraschend nach Amsterdam. Aber das nächste Mal bestimmt! Nehme mir dann mehr Zeit für Berlin und für dich. Dein dich ewig liebender Sohn.”
Je zeeft sluiers van rood licht glinsterend in de novemberlucht, zeeft de gedachten van een terende dakdekker. Door een gang lopend sta je even stil
en zeeft de hersens in een glazen kom, zeeft het label hangend aan de pols van een lijk, zeeft de gevouwen vleugels van een musje. De heersende noties van het seizoen zijn
groen gevlekte melkzwammen die in de bergen wijdverspreid drie dagen en een uur heersen. Wat je moet verwerpen zijn ideeën van disjunctie en collage, verwerp ook advies, lofprijzing.
Pas dan kun je kijken naar een kaart van Hangzhou uit de Song-dynastie en de configuratie zien van ionkanalen in het brein. Kun je kijken naar een aboriginal zandschildering en daarin
een kosmologie van smart zien. Kun je kijken naar de zwaaiende beweging van een tak en voelen wat het is om een verschroeid verschrompeld blad te zijn hangend aan de dood.
Al de bladers zijn verdronken In het water, in de regen, En het donker bos staat open En de droppelende stronken Staan verlaten aan de wegen, – Kille winter laat één sprokkel Aan een hart, dat niet mag hopen!
Al de zon is uitgeblonken, En het jaar is heengezegen, En mijn handen zijn nog open, En mijn hart is leeggeschonken, En het heeft niets weergekregen, – Schemer laat één lichte sprankel Aan een hart, dat niet mag hopen!
En de nacht is neergezonken, En de dag is opgestegen, En mijn ogen zijn nog open, En zijn duizend witte vonken Hebben zo doodstil gezwegen, – Klare nacht laat éne starre Aan een hart, dat niet mag hopen!
C. S. Adama van Scheltema (26 februari 1877 – 6 mei 1924) Amsterdam, de geboorteplaats van C. S. Adama van Scheltema
Horizons heb ik altijd graag geschilderd en hun teer blauw ontroerd op doek gelegd. Woeste buien werden in mij gemilderd, nadat ik me voor een kim had uitgezegd.
De bomen hebben hun takken dan gekruist en hun applaus heeft het dal doorruist. Dit blijft mij een troost, mijn hele leven liep ik horizons na. Ik heb gefaald. De vreugde erin te slapen werd mij niet gegeven, Ik heb er nooit een ingehaald.
Dimensies
Totdat ik onder een boom ga staan voor het veel te grote licht en dan mijn handen saam moet slaan om mijn veel te klein gezicht.
Totdat ik onder een ster ga staan voor het veel te kleine licht en daar nog mijn handen saam moet slaan om mijn veel te groot gezicht.
Heraldiek
Het leven in een zwarte kat glijdt van een stoep en springt het leven in een vogel na, die zich stort in een boom vol verse zon. Dit zijn dus mijn kleuren voor vandaag, met zwart en groen zal ik het moeten doen. Niet dat ik mij daarom beklaag. Er waren er vroeger in het blazoen van menig heer niet meer.
Pierre Kemp (1 december 1886 – 21 juli 1967) In 1915
Theeblaadjes verwelkt in de zon worden geschud en gekneusd zodat de randen rood worden en de nerven transparant. Aan de bar eet een man gekookte zijdewormen en hoest; een vrouw stopt met praten en staart naar het sterrenbeeld Perseus. Ooit sloeg een handelaar een zwarte raku-kom kapot toen die een theemeester niet bekoren kon, weer samen gelijmd bleken de zwarte scherven de textuur van moerbeiblaadjes te hebben. Je passeert iemand die al telefonerend buigt en de schok is een witgloeiende quark die een spiralend spoor achterlaat in je geest: je voelt hoe onmogelijk het is, in een veldgids, om de groeicirkel van een paddestoel te bepalen maar stuit je op rijen oesterzwammen groeiend op dode populieren dan zie je hoe in deze wereld niets nog van jou is.
Wieder sieht man in den frühen Abenden die Lichter blühen. Straßen hin und wieder funkeln bunte Wunder in das Dunkeln.
Wieder träumt viel Kinderhoffen vor den Fenstern – leise Stimmen flüstern; in der Dämmrung glimmen Augen groß – und sehn den Himmel offen.
Seligen Kinderglücks. Voll Wartens sind die Tage und die Abende vorm Schlafengehn – Wohl im Schlaf und Traum der Nächte sehn sie erfüllt schon ihres Sehnens Frage;
schon erfüllt im Traum des Traums Verlangen, sehen, wie das Wunder – schon geschah -: Christkind kommt weiß durch die Nacht gegangen und ist da …
Karl Röttger (23 december 1877 – 1 september 1942) De Evangelisch-Lutherse St. Andreaskerk in Lübbecke, de geboorteplaats van Karl Röttger
Ik ben geen vluchteling; ik ben een bouwer en mijn broers vertelden mij dat de grond hier goed was. Muharrem en Metin werkten in de put, maar toen er in de put geen werk meer was, brachten ze shoarma naar de buitenstad. Daarna haalden ze mij naar Nijmegen. Dat is bouwen. Er waren dagen waarop ik moest bepalen: ga ik eten of toch maar slapen? Ik kom uit een land waar je geen garanties hebt behalve je twee handen en wat daar verder aan vastzit – zolang dat lichaam het uithoudt moet je gaan. Hier deden we niet anders; wij drieën draaiden zaken, maakten het steeds later en nu is alles anders hier. Het draait, dag en nacht door. Toen zeiden ze: ‘Je bent klaar, boven zeggen ze dat je weg moet.’ Ik vroeg: ‘Wie is boven?’ Want beneden willen ze dat ik blijf. Zoiets noem je een fundament. Eigenlijk is alles bouwen of breken en wat ik wil is bouwen, dingen zoals rust.
Een schilder duidt de tijd van de dag aan in een stilleven; schuin valt middaglicht op een mes, citroenen, groene wijnfles met restje rode wijn. Laten we altijd iets niet helemaal af? We willen x hebben we x willen we y en hebben we y willen we z? Ik probeer het scheppingsmoment te voelen in de lichtval op een doorgesneden citroen. Wat ik wil is het strooien van grind op modder verbinden met hongerig zijn. ‘Eet’, zei een man uit Afghanistan en wees naar de oude rottende appels in de open kofferbak. Ik zie een rij mannen een wolkendans dansen; twee vrouwen dansen de complexe bliksempassen aan de uiteindes. Mijn fouten en vergissingen kloppen in mij ook als momenten van geluk, maar ik wil dat de glanzende momenten uitdijen resonerend als een gamelangong. Ik wil van de complexe brokkelige momenten van onze levens een vloer maken van jade, obsidiaan, turkoois, ebbenhout en lapis.