For a Parent on the Death of a Child (John O’Donohue), Kristín Marja Baldursdóttir

 

Dolce far niente

 

Moeder en dochter door Bertha Wegmann, 1883

 

For a Parent on the Death of a Child

No one knows the wonder
Your child awoke in you,
Your heart a perfect cradle
To hold its presence.
Inside and outside became one
As new waves of love
kept surprising your soul.

Now you sit bereft
Inside a nightmare,
Your eyes numbed
By the sight of a grave
No parent should ever see.

You will wear this absence
Like a secret locket,
Always wondering why
Such a new soul
Was taken home so soon.

Let the silent tears flow
And when your eyes clear
Perhaps you will glimpse
How your eternal child
Has become the unseen angel
Who parents your heart
And persuades the moon
To send new gifts ashore.

 

John O’Donohue (1 januari 1956 – 4 januari 2008)
De Petrus en Paulus kathedraal in Ennis, County Clare, de geboorteplaats van John O’Donohue

 

De IJslandse schrijfster Kristín Marja Baldursdóttir werd geboren op 21 januari 1949 in Hafnarfjörður. Zie ook alle tags voor Kristín Marja Baldursdóttir op dit blog.

Uit: Möwengelächter (Coletta Bürling und Renate Einarsson)

“Am Ostermorgen, als Agga mit der Aprilsonne im Nacken auf dem alten Steinpier stand und die Flundern im seichten Wasser am Ufer mit Steinen zu treffen versuchte, bekam sie dieses merkwürdige Prickeln im Bauch, das die Erwachsenen bekommen, wenn sie verliebt sind oder irgendein fürchterliches Gebräu getrunken haben. Allerdings hatte sie weder das eine noch das andere ausprobiert, und deshalb glaubte sie, das Gefühl sei ein Vorzeichen großer Ereignisse, denn genauso ging es Kidda in der Kellerwohnung immer, wenn Orkane oder Vulkanausbrüche im Anzug waren, und außerdem konnte diese plötzlich und unvermittelt Lemurengeruch wittern, was unweigerlich den Tod ankündigte. Agga schnupperte, konnte aber nichts anderes riechen als den penetranten Geruch von Seetang.
Gelbe Strahlen erleuchteten die glatte, graue Meeresoberfläche im Hafenbecken, und im Ort herrschte Grabesstille. Nur der Rauch aus den Häusern, die zum Teil halb versteckt in den Lavamulden kauerten, deutete darauf hin, dass manche bereits auf den Beinen waren. Die Uhr am Kirchturm zeigte gut zehn, und bald würden sich die Männer mit Schlägermützen und in abgewetzten Sonntagsanzügen am Hafen einfinden und mit den Händen in den Hosentaschen die alte Leier über mageren Fischfang, Reaktionäre und die verdammten Kommunisten anstimmen.
Die Möwen am Ufer kreischten laut an diesem Auferstehungstag des Gottessohnes, und Aggas Magen rumorte, als hätte sich dort ein Poltergeist eingenistet. Dass die Übelkeit von dem riesigen Schokoladenosterei herrühren könnte, das sie sich noch vor Sonnenaufgang einverleibt hatte, kam ihr nicht in den Sinn, sie glaubte eher an das Vorzeichen, spürte aber das Bedürfnis, aufzustoßen oder sich über einen Küchenhocker zu legen, um sich von Blähungen und Bauchschmerzen zu befreien. Sie trottete den alten Steinpier wieder zurück, über die Brücke, die über den Bach führte, und hielt sich bis nach Hause den Bauch. Unterwegs hörte sie aus einiger Entfernung das Klappern von hochhackigen Schuhen, war aber zu sehr mit ihren Bauchschmerzen beschäftigt, um es zu beachten. Es war ihr so egal, dass sie sich nicht einmal umdrehte, um zu sehen, wer schon so früh am Ostersonntag unterwegs war. Sie war bereits zu Hause am Gartentor angelangt, als ihr bewusst wurde, dass die Frau ihr die ganze Zeit auf den Fersen gewesen war. Da endlich drehte sie sich um.”

 

Kristín Marja Baldursdóttir (Hafnarfjörður, 21 januari 1949)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 21e januari ook mijn blog van 21 januari 2024 en ook mijn blog van 21 januari 2022 en ook mijn blog van 21 januari 2019 en ook mijn blog van 21 januari 2018.

NERGENS (Anna Enquist), Stefan Popa

 

Dolce far niente

 

Moeder en dochter door Edvard Munch, 1897

 

NERGENS

En maar overal en maar
rusteloos maar zonder slaap
zonder haar overal zoeken

en zwerven om haar niet
te weten overal ook overal
in plaatsen waar zijn nooit

maar weten kan je niet
dus niet slapen niet eten
en overal kijken overal

dat had ze nooit zeggen
ze gewild maar wat
weten ze daarvan overal

waar haar schaduw haar
voetstap daar zal ook ik
gaan en in de zon gaan

en in de nacht natuurlijk
alle schepen straten treinen
er is veel te doen overal

ja ik weet ze is weg
maar wellicht wacht ze
toch overal op mij dus

ik zoek en ik kijk en ik
slaap niet maar blijf
buitengewoon waakzaam.

 

Anna Enquist (Amsterdam, 19 juli 1945)
De aula (ontvangstgebouw en dienstwoningen) van de begraafplaats Vredenhof in Amsterdam

 

De Nederlandse schrijver en journalist Stefan Popa werd op 20 januari 1989 geboren in Vleuten. Zie ook alle tags voor Stefan Popa op dit blog.

Uit: In de schaduw van de eik

“Ik druk mijn duim in de noest boven mijn voorhoofd en sleep mijn huid langs de nerf, over het taaie eikenhout, tot een splinter mijn vel in sluipt en ik op mijn tong bijt om geluidloos te kermen. Omdat ik toch iets denken moet, denk ik: ’toog’ betekent zowel ‘priestergewaad’ als ‘bar: Ik stop mijn duim in mijn mond en zuig het ijzer uit mijn lijf. Als de wond is gestold, vouw ik mijn handen kruislings over mijn borst en wacht net als iedereen het einde af. De mouwen van mijn gasten ruisen als zij hun kruisen slaan. Het moet me meer zorgen baren Ik hoor hoe de priester opnieuw rond mijn lichaam klingelt. HIJ prevelt zoetgevooisde woorden die ik niet versta. Ingenesteld in eiken tel ik mijn grafrede af. Er zit een ruimte van twee vuisten tussen neus en deksel, maar ik heb in te veel kleine keukens gewerkt om nu nog claustrofobie te ontwikkelen. Ik lig zo stijf als ik kan. Zonder de priester te zien volg ik het geketende wierookvat in zijn handen, op en neer, heen en terug, als een pendule die de toeschouwer in hypnose leidt. Mijn ingetoomde adem stuit op de deksel en keert nog warm terug. Ik begrijp beat dat je soms wordt verrast door het leven – noem het overrompeld – maar dit is niet het einde dat ik me had voorgesteld. Ik ben hier niet heen gegaan om te sterven. De priester kucht Ik bijt me door de psalmen, hymnes, gebeden en klaagzangen.
Een hoop gedoe om niets. Ik heb heel mijn leven gezegd dat ik niet gecremeerd en zeker niet begraven wilde worden. Stoof mijn lijf in een ketel met abdijbier en voer me aan het meest misbruikte dier ter wereld: het varken. Volgende keer beter. De priester neemt een slok water voor hij preekt. Hij vervloekt de globalisering, de eindeloze nood tot consumeren die zelfs is doorgedrongen tot zijn gemeente in het hoge noorden en het gebrek aan spiritualiteit die over de moderne mens is neergedaald. ‘Alex..? Hij pauzeert kort zodat alle aanwezigen mij voor zich zien, de Alex die zij zo kort kenden. te vroeg, veel te vroeg, teruggeroepen.’ Ik houd van mijn voornaam. Van mijn voornaam wel. Alex past me. Die naam heb ik te danken aan mijn vader, die mijn vader niet was. Hij gaf me bij een poldergemeente onder zeeniveau aan als Alex Petrescu. Tegen de zin van mama, zij stond erop om mij Codrin te noemen. Dat kon ze vergeten. Mijn voornaam was de naam die hij mij wilde geven om mijn vader te spelen. Het was een eenzijdig compromis. Al hield hij wel degelijk rekening met haar geboortegrond: het ging wat hem betrof tussen Daniel, Victor, Stefan, zonder komma onder de s, en Alex. Een Alex zou tenminste werk vinden in een kantoortoren. ‘Ik begraaf meer mensen dan ik doop: zegt de priester. Hij zucht – oprecht, geloof ik. ‘Dat kan ik accepteren, dat is mijn last. Maar dit…’ Hij wijst, vermoedelijk, naar mij. Ik druk mijn achterhoofd dieper in het hoofdkussen.”

 

Stefan Popa (Vleuten, 20 januari 1989)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 20e januari ook mijn blog van 20 januari 2024 en ook mijn blog van 20 januari 2019 deel 1 en eveneens deel 2.

Brother And Sister (D.H. Lawrence)

 

Dolce far niente

 

Portret van broer en zus door Sergei Pavlenko, z.j.  

 

Brother And Sister

The shorn moon trembling indistinct on her path,
Frail as a scar upon the pale blue sky,
Draws towards the downward slope: some sorrow hath
Worn her down to the quick, so she faintly fares
Along her foot-searched way without knowing why
She creeps persistent down the sky’s long stairs.

Some day they see, though I have never seen,
The dead moon heaped within the new moon’s arms;
For surely the fragile, fine young thing had been
Too heavily burdened to mount the heavens so.
But my heart stands still, as a new, strong dread alarms
Me; might a young girl be heaped with such shadow of woe?

Since Death from the mother moon has pared us down to the quick,
And cast us forth like shorn, thin moons, to travel
An uncharted way among the myriad thick
Strewn stars of silent people, and luminous litter
Of lives which sorrows like mischievous dark mice chavel
To nought, diminishing each star’s glitter,

Since Death has delivered us utterly, naked and white,
Since the month of childhood is over, and we stand alone,
Since the beloved, faded moon that set us alight
Is delivered from us and pays no heed though we moan
In sorrow, since we stand in bewilderment, strange
And fearful to sally forth down the sky’s long range.

We may not cry to her still to sustain us here,
We may not hold her shadow back from the dark.
Oh, let us here forget, let us take the sheer
Unknown that lies before us, bearing the ark
Of the covenant onwards where she cannot go.
Let us rise and leave her now, she will never know.

 

D.H. Lawrence (11 september 1885 – 2 maart 1930)
St Mary’s Church in Eastwood, de geboorteplaats van D.H. Lawrence

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 19e januari ook mijn blog van 19 januari 2025 en ook mijn blog van 19 januari 2019 deel 1 en ook deel 2.

Brother And Sister (Lewis Carroll)

 

Dolce far niente

 

Broer en zus door Joan Eardley , 1955

 

Brother And Sister

“SISTER, sister, go to bed!
Go and rest your weary head.”
Thus the prudent brother said.

“Do you want a battered hide,
Or scratches to your face applied?”
Thus his sister calm replied.

“Sister, do not raise my wrath.
I’d make you into mutton broth
As easily as kill a moth”

The sister raised her beaming eye
And looked on him indignantly
And sternly answered, “Only try!”

Off to the cook he quickly ran.
“Dear Cook, please lend a frying-pan
To me as quickly as you can.”

And wherefore should I lend it you?”
“The reason, Cook, is plain to view.
I wish to make an Irish stew.”

“What meat is in that stew to go?”
“My sister’ll be the contents!”
“Oh”
“You’ll lend the pan to me, Cook?”
“No!”

Moral: Never stew your sister.

 

Lewis Carroll (27 januari 1832 – 14 januari 1898)
De All Saints’ parish church in Daresbury, de geboorteplaats vanLewis Carroll

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 18e januari ook mijn blog van 18 januari 2025 en ook mijn blog van 18 januari 2019 en ook mijn blog van 18 januari 2015 deel 2 en ook deel 3.

An die Schwester (Georg Trakl)

 

Dolce far niente

 

Broer en zus door Emil Nolde, 1918

 

An die Schwester

Wo du gehst wird Herbst und Abend,
Blaues Wild, das unter Bäumen tönt,
Einsamer Weiher am Abend.

Leise der Flug der Vögel tönt,
Die Schwermut über deinen Augenbogen.
Dein schmales Lächeln tönt.

Gott hat deine Lider verbogen.
Sterne suchen nachts, Karfreitagskind,
Deinen Stirnenbogen.

 

Georg Trakl (3 februari 1887 – 4 november 1914)
De Evangelische Christuskirche in Salzburg, de geboorteplaats van Georg Trakl

 

Zie voor de schrijvers van de 17e januari ook mijn blog van 17 januari 2025 en ook mijn blog van 17 januari 2019, mijn blog van 17 januari 2017 en ook mijn blog van 17 januari 2016 deel 1 en deel 2 en eveneens deel 3.

Zusje (Johanna Kruit)

 

 

Broer en zus door Erich heckel, 1913

 

Zusje

Verdween mijn zusje onverwacht.
En niemand die haar lopen zag.
De zon sloop weg, de dag werd oud.
De maan kwam op, de nacht was koud.
We zochten haar aan strand en zee.
Misschien nam Westenwind haar mee.
We riepen hard en zongen zacht.
We zochten sporen in de nacht.
Maar alles gaat zoals het moet.
En zij bleef weg, voorgoed, voorgoed.
Nu zingt de wind een droevig lied.
Vergeet mij niet, vergeet mij niet.

 


Zusje

Het zusje dat zo dwalen moest
langs verre stranden, golven woest
zij gaf de woorden toekomst mee
en bracht ze naar de wijde zee
nu is ze weg, haar stem werd stil
maar als ik haar weer horen wil
sluit ik mijn ogen om te zien
of zij nog ergens is misschien.

 

Johanna Anna Kruit (Zoutelande, 14 december 1940)
Sint Catharinakerk, Zoutelande

 

Zie voor de schrijvers van de 16e januari ook mijn blog van 16 januari 2025 en ook mijn blog van 16 januari 2019 en ook mijn blog van 16 januari 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

Antoine Wauters, Sascha Kokot

De Belgische dichter en schrijver Antoine Wauters werd op 15 januari 1981 geboren in Luik. Zie ook alle tags voor Antoine Wauters op dit blog.

Uit: Mahmoed of het wassende water (Vertaald door Katelijne De Vuyst)

“We zijn alleen.
Alleen zoals in de cel waar ze mijn nagels
doorboorden en op me kwamen pissen.
Mijn nagels doorboren, op me pissen.
Drie jaar.
Ik heb het nooit zo gezegd, vergeef me.
Vanaf de zomer van 87, dag van onze terugkeer uit Parijs,
tot de herfst van 90.
We hadden onze twee zonen al en onze lieve Nazifé.
Ze dwongen me regimegezinde dingen te schrijven, elke dag weer.
Domme regimegezinde dingen.
‘Ik hou van onze president. In mijn ogen is hij de
beste van allemaal.
Ik heb nooit een president gezien die zo wijs is als
president al-Assad.
Ik heb van mijn leven nooit een leider gezien als hij.
Ik heb nooit iemand gezien als hij.
Hij is de vader van het volk.
Hij helpt de armen.
Hij is tegen onrecht, tegen corruptie,
een ware Arabier.
Telkens als we door een probleem worden bedreigd,
kan alleen hij de natie op zijn schouders dragen enz.’
Ik ga weer onder water.
Zien wat mijn geheugen niet heeft onthouden.
De bomen.
Op de bodem van het meer staan nog altijd bomen.* Maar je kunt ze
onmogelijk herkennen. Sommige dragen nog altijd
hun knoppen, arme paarse klokjes
als kindertenen.
Als ik mijn lamp richt en mijn hand
naar ze uitsteek, ik wou dat je het zag,
bewegen ze zachtjes, onmerkbaar.
Als kleine knuistjes die vaarwel zwaaien.
Dan moet ik aan onze kinderen denken.
Blijf nog even, Almasji.
Ga niet weg.
Beneden, lager, op een diepte die ik niet kan
bereiken, meen ik de ingebeukte deur te zien, de regenton,
de blauwe gordijnen van het huis en, daarachter, achter de
gordijnen en de gebroken ruiten, mama die naar me glimlacht en me
wenkt om bij haar te komen, papa naast haar.
Ik zwem snel nu.”

 

Antoine Wauters (Luik, 15 januari 1981)

 

De Duitse dichter, schrijver en fotograaf Sascha Kokot werd geboren op 18 januari 1982 in Osterburg. Zie ook alle tags voor Sascha Kokot op dit blog.

 

dezer dagen schiet het weer in je botten

dezer dagen schiet
het weer in je botten
het nestelt zich in je gewrichten
komt dichter bij je lang voor de ochtend
dan lig je wakker weet je niet
wat er met je gebeurt, waar het vandaan komt
wat er overblijft
alleen deze smalle kamer
het verkeerd gefineerde meubilair
het gekantelde raam
een kier naar de straat
het geruis in de populieren
dreef me door de nachten
je hoort daar niets meer
en vraagt je in stilte af
wanneer begon het dat ik
niet meer dichterbij kon komen

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Sascha Kokot (Osterburg, 18 januari 1982)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 15e januari ook mijn blog van 15 januari 2019 en ook  mijn blog van 15 januari 2017 deel 2 en eveneens deel 3.

J. Bernlef, Sascha Kokot

De Nederlandse schrijver en dichter J. Bernlef werd geboren op 14 januari 1937 in Sint Pancras. Zie ook alle tags voor J. Bernlef op dit blog.

 

Nieuwjaarswens

Wantrouwen in grote woorden
in kleine woorden, voegwoorden
tussenwerpsels, in het laatste woord
dat iedereen wil en niemand krijgt

Een totale gespreksstop
met strenge straffen
tong uitrukken wel het minste

Het paard langs de spoorbaan
staart de sneltreinen na
het gras wacht op de vallende nacht
een steen koestert zich in het laatste licht.

Waarom hebt u mij verlaten?
Wat een lachwekkende klacht.

 

Toekomstbeeld

Sommige dichters willen
dat met hen ook het licht vergaat
dat de wereld dan niet langer bestaat;
blinde woede om de eigen dood
(over die van anderen valt te praten).

Ik sta bij de rivier, u weet wel
en zie hoe het licht mij
majestueus links laat liggen;
ik slik even en schik mij
schrikkend in dit lege toekomstbeeld.

 

Het museum van de kindertijd

Het is altijd ergens, maar wie het bij toeval ontdekt
in een naamloze straat, stuit meestal op een
dichte deur waarachter stilte heerst

Of lijkt te heersen. De meesten lopen door
terug naar het vertrouwde stratenplan
en vergeten zijn bestaan.

Is het museum vloeibaar, opvouwbaar
bestaat het uit prisma’s, electrische velden
of valt het soms samen met wie eraan denkt?

Meestal is het verlaten, de wanden
en uitstalkasten leeg op de jaartallen na
die elkaar hun juistheid betwisten

Of het vult zich met mist, met daarin
een aarzelende stem die beweert zich
niets meer te herinneren, vrijwel niets.

Maar één gezicht, één geluid, één lichtval
kan plotseling de toegang verschaffen tot de
expositie waar alles bewaard blijkt te zijn.

 

J. Bernlef (14 januari 1937 – 29 oktober 2012)

 

De Duitse dichter, schrijver en fotograaf Sascha Kokot werd geboren op 18 januari 1982 in Osterburg. Zie ook alle tags voor Sascha Kokot op dit blog.

 

Zodra de zon verdreven is

Zodra de zon verdreven is
duiken de zwermen op
ze cirkelen boven de daken,
gaan een ogenblik lang
op de stijve takken zitten
vliegen plotseling weer weg,
verdwijnen uit het zicht
van onze nog onverlichte ramen
breken door het dichte web van hogere vliegroutes
laten ons achter met een schemerige hemel
die we niet kunnen duiden.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Sascha Kokot (Osterburg, 18 januari 1982)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 14e januari ook mijn blog van 14 januari 2019 en eveneens mijn blog van 14 januari 2018 deel 2.

Anton de Goede

De Nederlandse biograaf, schrijver, programmamaker, presentator en stem voor luisterboeken Anton de Goede werd geboren in Velsen op 13 januari 1956. Nadat De Goede in 1975 de middelbare school in IJmuiden verliet, werd hij boekverkoper bij Athenaeum Boekhandel aan het Amsterdamse Spui. In 1980/1982 werkte hij bij reclamebureau Prad als copywriter (onder meer voor Mercedes-Benz, De Postcodeloterij en Douwe Egberts). Bij Paradiso was hij in 1977 medeoprichter van de Beurs van Kleine Uitgevers waar hij jarenlang een programma met schrijvers en dichters presenteerde. Dat leverde hem radiowerk op bij de VPRO. Sinds 1988 werkte hij als redacteur en eindredacteur bij de VPRO Gids en als presentator en maker van programma’s als Michelangelo, Het Gebouw, Geblaf in het Hondsdal, VPRO aan de Amstel, VPRO’s Marathoninterviews, Brands met Boeken, De Avonden en Nooit Meer Slapen. Tot 2018 was hij eindredacteur van Woord.nl (NPO). In 2020 was hij redacteur van het documentaire programma Radiodoc (VPRO/NTR) en verantwoordelijk voor het radiodrama dat bij de VPRO werd uitgezonden en de podcasts die deze omroep publiceerde. Hij is verder bekend als presentator van literaire evenementen en publiceerde onder meer in de tijdschriften De Tweede Ronde, Tirade en Mens & Gevoelens. Vanaf 2017 maakte hij de podcast Lees dees die werd uitgezonden in Nooit meer slapen. In deze podcast, die aanhaakte bij de actie Schwob van het Nederlands Letterenfonds, behandelde hij maandelijks een vergeten klassieker uit de wereldliteratuur. In 2020 tekende hij voor de VPRO-podcast Een dik uur Ischa op de radio waarin radio-uitzendingen van en met Ischa Meijer worden besproken door Karin Bloemen, Ramsey Nasr, Jan Haasbroek, Jessica Meijer en vele anderen. Onder regie van John Albert Jansen zond de EO in het najaar van 2022 de televisiedocumentaire ‘En de naam is Heeresma’ uit, waarin De Goede te zien is als interviewer. In 2025 verscheen zijn biografie van schrijver Heere Heeresma (1932-2011).

Uit: Een gat in het hoofd. Leven en werk van Heere Heeresma

“Ik ben geboren in 1956, en de vroege jaren zeventig vormden de periode waarin ik de literatuur ontdekte. Op school gingen Heeresma’s boeken er bij mij in als koek. Wat een fijne melancholie kwam ik tegen.
Neem het motto van Zwaarmoedige verhalen voor bij de centrale verwarming: ‘tot stand gekomen in het besef dat de natuur/ machtig mooi is/ en een mensenleven/ nauwelijks de moeite waard’. Dat was een voltreffer in mijn puberhart. De uitgaven van Heeresma, van Thomas Rap en Peter Loeb in de jaren zeventig, brachten mij ook het plezier dat een boek als object kan geven.
Voor mij als tiener kwamen zijn boeken precies op tijd. De beschreven mistroostigheid in combinatie met een groot gevoel voor humor raakten mij. De bekrompenheid die je op die leeftijd naar de strot kan vliegen, ging hij te lijf. Heeresma was voor mij en een aantal van mijn vrienden een held, wiens werk we bespraken en citeerden. Hij was dwars, hij was ongrijpbaar, hij beschreef peilloze somberheid én hij was komisch. Hij nam alles op de hak.
Toen ik eind jaren zeventig werkte als boekverkoper bij Athenaeum in Amsterdam, dook hij daar een enkele keer op, zichzelf eens, op de drempel bij binnenkomst, luid introducerend door ‘Hier is Neerlands schrijver met het menselijk gezicht’ te roepen. Weer later, bij de vpro-radio, interviewde ik hem meer dan eens, en waren we blij als hij wilde optreden als columnist of spreker.
Hij kon je als interviewer voor een goed gesprek meenemen naar een stil terras van een jachthaven in de buurt van Loosdrecht om dan bijvoorbeeld commentaar te leveren op een patserige motorboot. ‘Zwart geld,’ mompelde hij die ene keer, om vervolgens een verhandeling af te steken over de Nederlandse én internationale onderwereld, die hij ook weer vrij abrupt afbrak, want ‘voor je het weet sta je met je voeten in beton gegoten het verkeer te regelen op de bodem van de Vinkeveense Plassen’.”

 

Anton de Goede (Velsen,13 januari 1956)

Edmund White, Kostís Palamás

De Amerikaanse schrijver en essayist Edmund White werd geboren op 13 januari 1940 in Cincinnati. Zie ook alle tags voor Edmund White op dit blog.

Uit: The Loves of My Life: A Sex Memoir

“I used to be shocked when Virgil Thomson the composer—who wrote the opera Four Saints in Three Acts with Gertrude Stein, which received its premiere in 1934 with an all-black cast—used to be called to the telephone. I knew him in the 1970s when he was almost in his eighties; he’d come back to the table and say, “Well, Smitty is dead,” and just sit down and continue the conversation about something else. I was amazed that he could receive the news with such indifference about such a close friend.
Now that I’m in my eighties, I realize his emotion was stoicism, not indifference; someone who outlives his contemporaries knows that he very likely will be next but that for the moment “he controls the narrative,” as pundits say. When you get to be old, everyone consults you about the biographies of your famous contemporaries. You get the last word, at least until the dead person’s Complete Letters come out.
A life, a love. I always say that Jim Ruddy was the great love of my life. What does that mean now he’s just a faint neural scratch on my brain? It seems the hippocampus delegates short-term memories to various other neurons, where they are encoded forever. Does that mean an electrode stimulating the right neurons could make Jim, his conversation, his deep voice, his big curved penis, as real as it was fifty or sixty years ago, a hologram? The wondering way he’d greet any declaration with a tentative acceptance? His always saying “Is that right?” no matter how preposterous one’s remark had been.
Maybe I’ve forgotten him because I wrote about him; I’ve always thought that writing about someone is the kiss-off. Nabokov, in Speak, Memory, was apprehensive about writing about his nanny since he liked revisiting her in his thoughts and he knew once he’d committed her to print, he’d lose her. Some people wonder why I’ve not written about them. If they’re a current part of my life, I need to keep them on life support; my husband is Michael Carroll, whom I’ve been with since 1995. I’ve never written about him; he’s too precious to me. My recent fiction is less autobiography and more thought experiment. I assemble my monsters from stolen body parts (his nape, her stutter). Often I want to lead the reader to a better (more compassionate, more forgiving, bolder, more loving) world by picturing it as if it already existed; George Meredith called that process “moral sculpture.”
What did it feel like to be in love?
Constant suspense. Does he love me yet? More? Less? Is he getting bored?”

 

Edmund White (13 januari 1940 – 3 juni 2025)

 

De Nieuwgrieks dichter Kostís Palamás werd geboren op 13 januari 1859 in Patra. Zie ook alle tags voor Kostís Palamás op dit blog.

 

De markt

Steeds dorst je – zoals dorst heeft naar de eerste regen
het droge zomerweer – naar je gezegend huis,
naar een verborgen leven, als de bede van een monnik,
leven van loochening en liefde in een hoek.

Ook dorst je naar het schip dat prooi is van de zeeën,
dat vogels, vissen volgend almaar verder trekt,
welks leven rijk en vol is van de ganse aarde –
maar beide, schip en huis, zij gaven ’t antwoord: ‘nee!’

Noch het geluk in afzondering en onbewogen,
noch ook het leven dat zich steeds weer weet bezield
door elke nieuwe haven, ieder volgend land –

alleen de siddering van de slaaf, van die moet zwoegen:
sleep voort over de markt de naaktheid van je leden,
vreemde voor vreemden en voor eigen mensen vreemd.

 

Vertaald door Hero Hokwerda

 

Kostís Palamás (13 januari 1859 – 27 februari 1943)
De dichters (1919) door Georgios Roilos. Het schilderij toont verschillende dichters van de generatie van 1880; in het midden, met het hoofd rustend op zijn elleboog, Kostís Palamás.

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 13e januari ook mijn blog van 13 januari 2019 deel 1 en eveneens deel 2.