Anne Mieke Backer

De Nederlandse schrijfster en landschapsarchitecte Anne Mieke Backer werd op 1 augustus 1950 op Surabaja (Indonesië) geboren. Van 1968 tot 1969 volgde zij haar opleiding aan de Academie Maximilien de Meuron in Neuchâtel in Zwitserland. Van 1969 tot 1974 studeerde Backer aan de Academie voor Beeldende Kunsten (AKI) in Enschede. Al tijdens haar studie was Anne Mieke Backer geïnteresseerd in de culturele vormgeving van de omgeving. Kort na haar afstuderen zocht de kunstenares naar mogelijkheden om haar levende huizen te realiseren. Aanleiding voor “Levende Huizen” was het verhaal van een jong stel dat een nieuw huis betrok, waarbij vervolgens aan een kozijn een scheut ontsproot. In Almere verwezenlijkte zij één van haar eerste projecten. Verder heeft Anne Mieke Backer in Bernisse, Zwartewaal, Elahuizen en Ridderkerk Levende Huizen gerealiseerd. In 2025 verscheen haar debuutroman “Ik was dat meisje”.

Uit: Ik was dat meisje

“Autun, november 1961. Hij, de Amerikaan, stapte mijn leven binnen als iemand die een onbekende kamer in komt en in het halfduister naar de lichtschakelaar tast. Hij vond die snel en zodra hij hem had overgehaald stond ik in een aangenaam schijnsel, alsof ik zelf licht gaf. Ik besloot op alles wat hij mij zou vragen ja te zeggen. Ja, ja en nog eens ja. Geen aarzelend ja, waarmee ik zou veinzen dat ik een moeilijk te versieren meisje was. Geen gretig ja, zodat het zou lijken alsof ik op hem had gewacht. Geen ongeïnteresseerd ja, alsof ik geen verwachtingen koesterde, maar een eerlijk en zelfbewust ja. Er hoefde namelijk alleen maar bevestigd te worden wat al lang geleden was beschikt. Een simpele formaliteit, zoals partners die al jaren samenwonen elkaar het jawoord geven in een zijkamer van het stadhuis, zonder genodigden, op een doordeweekse dag terwijl het zonlicht door de gebrandschilderde ruiten valt. Gewoon: ‘Ja:
Een meisje dat opgroeit in een provinciestad weet dat zij uiteindelijk zal trouwen met een jongen uit de omgeving. Soms heeft ze zelfs met hem op school gezeten. Maar ik keek al op jonge leeftijd dagelijks het speelplein rond en stelde keer op keer vast dat er niet één bij was die daarvoor in aanmerking kwam. Autun is een stadje met amper vijftienduizend inwoners in Midden-Frankrijk aan de rivier de Arroux. Er zijn een bioscoop, een enorme kathedraal waar botresten van de heilige Lazarus worden bewaard, drie kerken, een statig stadhuis met een marktplein, een hotel waar Napoleon nog heeft gelogeerd, een voetbalclub, elf cafés waarvan twee met een biljart, een lyceum, een agrarische school, een militaire academie, een muziektent, een station, een museum, een ijssalon, een atletiekvereniging en een monument voor gevallen soldaten uit de Eerste, Tweede en Algerijnse Oorlogen. We hebben geen overdekt zwembad, maar wel overblijfselen uit de Romeinse tijd, zoals een tempel gewijd aan de god Janus, de man met de twee gezichten. Voor ons was Autun de grote stad, want ons huis stond aan een kanaal in de gemeente Saint-Léger-sur-Dheune, op drie kwartier rijden. Iedere morgen, meer dan tien jaar lang, liepen wij door de ochtendnevel naar het kleine station aan de spoorlijn Nevers-Chagny om daar om acht minuten over zeven de trein naar Autun te nemen, mijn moeder en ik. Dat waren vanaf onze deurdrempel ongeveer duizend stappen, wat ik als kind veel vond, maar toen ik ze eenmaal kon tellen gaf dat rust in mijn hoofd. In de trein gingen we met onze tassen op schoot tegenover elkaar zitten en tijdens het rijden observeerde ik via de reflectie in de ruiten de andere reizigers. Dat deed ik liever dan de mensen recht aankijken.”

 

Anne Mieke Backer (Surabaja, 1 augustus 1950)

Teddy Tops, Nisrine Mbarki Ben Ayad, Alara Adilow

De Nederlandse schrijver, programmamaker en cultuurjournalist Teddy Tops werd geboren op 20 juli 1989 in Den Bosch. Tops host en programmeert Mensen Zeggen Dingen in EKKO (Utrecht) en Paradiso (Amsterdam). Ze is opgeleid aan de academie voor journalistiek in Tilburg, waarna ze bureauredacteur was van de redactie Cultuur en Leven van de Volkskrant. Ze was betrokken bij Festival Boulevard en bij Het Zuidelijk Toneel. Haar artikelen, columns en korte verhalen zijn gepubliceerd in De Standaard, de Volkskrant en VPRO Tegenlicht. In september 2025 verscheen haar debuutroman “Egelskop”.

Uit: Egelskop

“Kinderen zijn getuigen van ouders die zeggen: kijk naar me, let goed op, ik doe het maar één keer voor. Ouders die denken: zolang een ziel zo puur als die van een kind kijkt naar hoe ik mijn leven leid en dat voor waar aanneemt, kan het niet verkeerd zijn wat ik doe. Ouders zoeken in kinderen hun medestanders, bevestiging van hun goede bedoelingen en verdiensten als opvoeder. Vrouwen die geen kinderen kregen hebben deze getuigen niet gehad, ze zijn niet bewaard gebleven in het brein van onschuldige hoofdjes, in hun archieven opgeslagen. Wat deze vrouwen deden bleef binnenshuis, kwam niet in musea of boekenkasten terecht, maar bleef achter in de keuken of slaapkamer achter stof of steen. De meeste vrouwelijke kunstenaars, de zorgverleners, de bouwers, de vrouwen die niet konden schrijven, die geen klein verzet pleegden zoals goudsbloemen in de berm planten — oranje in het straatbeeld was verboden — de vrouwen die het huishouden van anderen deden, die pasten op de kinderen van anderen, die de kinderen niet konden krijgen, de vrouwen die ze niet wilden hebben, de vrouwen die van vrouwen hielden: ze blijven anoniem achter, met hun liedjes, hun liefjes, hun eigenaardigheden en hun meisjesnamen. Met hun twee slaapkamers, de eerste om in te slapen en de tweede om te zorgen dat niemand vragen stelde bij twee vrouwen die in één huis wonen. Er hingen schilderijen aan de muur en het bed was onbeslapen, de onbewoonde kamer was er om hun recepten, ambities, herinneringen in te bewaren. Ze worden niet omschreven in geschiedenisboeken, zijn geen onderzoeksgroep in een wetenschappelijk tijdschrift, gaven geen dagboeken, oorlogstrauma’s of fotoalbums door aan nakomelingen. Of ze kozen voor het kunstenaarschap, het kunstmonsterschap, het verzet, de rebellie, tegen kind en tegen hoeksteen, en kregen een plek aan de muur van een museum. Maar meestal maakten we er ook dan heksen of heiligen van, gum de vrouwen die niet baren, kunst of kind, hun hele le lang alles wat na hen had kunnen komen uit, alsof z< geschiedenis achterstevoren schrijven. De navelstret intrekken en dichtknopen op hun buik. Mijn oma’s stierven ongelukkig, omdat ze moest leven naar wat van hen verwacht werd. Wanneer ze : mijn opa’s maar elkaar hadden ontmoet, zouden mij: ouders niet geboren zijn, zou ik niet geboren zijn, h2 zij misschien een vol leven kunnen leiden.”

 

Teddy Tops (Den Bosch, 20 juli 1989)

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Nederlandse schrijfster, dichteres, programmamaakster en vertaalster Nisrine Mbarki Ben Ayad werd geboren in 1977 in Tilburg. Haar poëziebundel ‘Oeverloos’ werd genomineerd voor de C.Buddingh’-prijs en de Grote Poëzieprijs in 2021. Mbarki Ben Ayad is programmamaker voor het literatuurfestival ‘Winternachten’. In oktober 2025 verscheen haar nieuwe roman ‘Kookpunt’,

 

oorlog

de oorlog slaapt al jaren naast me in bed houdt me vast in zijn slaap 
ik ben minstens vijftienhonderd nachten gestorven 
hij zet ’s ochtends vroeg sterke koffie met veel suiker 
draagt manchetknopen en paradeert graag op hoge hakken 

ik deel onbevangen mijn zout wijn en dromen met hem 
hij zwaait met zijn sigarettenhouder en turquoise vingers 
drinkt uit gouden glazen eet delicaat met zilveren lepels 
leunt in de deurpost en loert uit zijn glanzende khol ogen 

in het hart van de nacht beraamt en tekent hij zijn offensief 
ik zie zijn ambitieuze plannen en snijd onmiddellijk m’n tong af 
zachte stemmen mesten het wapenarsenaal in zijn lichaam 
hij spint taal tot stalen strengen in zijn verfijnde handen 

rondom mijn keel plant ik geurende jasmijn als omheining 
ik borduur met zilverdraad een harnas aan mijn zachte armen 
op de bruine flanken van mijn rug galopperen wilde paarden 
in de schaduw van mijn borsten bouw ik een noodhospitaal 

ik heb het oorlogsrecht nageleefd en dwaas gewacht op de strijd 
hij wekt me in alle vroegte en leidt me de trap af naar de keuken 
staat stil achter me en steekt een fors vleesmes tussen mijn ribben 
’t gif en de immense zege verspreiden zich in mijn romp 

hij fluistert karmozijnzacht in mijn haar 
‘kijk de eerste sneeuw’ 
het tellen van de slachtoffers en het graven mag beginnen

 

Nisrine Mbarki Ben Ayad (Tilburg, 1977)

 

De Somalisch- Nederlandse prozaïste en dichteres Alara Adilow werd geboren in 1988. Ze studeert deeltijd Rechtsgeleerdheid aan de Open Universiteit en volgt de schrijfopleiding aan de Schrijversvakschool Amsterdam met studierichting proza. In 2019 haalde ze de finale van het NK Poetry Slam. Ze publiceerde onder andere in De Gids, Het liegend konijnDe Revisor en Tirade. In april 2022 is haar debuutbundel “Mythen en Stoplichten” verschenen. Momenteel werkt ze aan haar debuutroman, “Kijk es naar al dit licht”, die in februari 2025 zal verschijnen bij De Bezige Bij. Voor haar debuutbundel Mythen en stoplichten ontving ze de C. Buddingh’-prijs en de Herman de Coninckprijs 2023. Ze is door de De Volkskrant uitgeroepen tot literatuur talent van 2024.

 

De kamer deint in mij

Ik lig tegen de borst van een oude visser
en streel zijn ballen zoals golven kliffen.

Het is heet en we zweten allebei.
De jasmijnstruik die langs het raam groeit staat in bloei.
Nabij hoor je de zee en

ik wil hem bezitten. Ik wil hem bezitten
ook de reizen in zijn ogen.

De wind steekt zijn lange arm door het raam
rust zijn geparalyseerde hand tussen onze lichamen.

We lijken gebonden aan elkaar
maar het hart in de kamer is niet meer dan een idee.

Doradeschubben plakken aan zijn schouders.
Zijn vingers nog vuil van de vangst die hij vanmiddag heeft schoongemaakt.

Hij houdt mijn billen vast zoals een stroming een boei.
Mijn huid liegt tegen de jaren die hem veranderd hebben.

Ik druk mijn lippen op zijn grijze wenkbrauwen,
verander mezelf in een hangklok, een anemoon, koraal, een ree.
Daarna een panter, een zeester.

De versleten deur in de hoek dreigt een metafoor te worden.
De zon kijkt weemoedig op ons neer.

 

Alara Adilow (1988)

Cressida Cowell

De Britse schrijfster Cressida Cowell werd geboren op 15 april 1966 in Londen. Ze is vooral bekend van de boekenreeks “How to Train Your Dragon”, die later een mediafranchise werd en door DreamWorks Animation werd bewerkt. In 2015 waren er wereldwijd meer dan zeven miljoen exemplaren van de serie verkocht. Naast haar andere publicaties werkt Cowell samen met illustrator Neal Layton aan de lopende reeks verhalen van Emily Brown. Het eerste deel in de serie, “That Rabbit Belongs to Emily Brown”, won een Nestlé Children’s Book Award. Cressida Cowell is de dochter van Michael Hare, 2nd Viscount Blakenham. Haar oom, getrouwd met Stephen Breyer, is voormalig rechter bij het Hooggerechtshof van de Verenigde Staten. Als kind, zegt Cowell, groeide ze op in Londen en op een klein, onbewoond eiland voor de westkust van Schotland. Tijdens de zomers die ze doorbracht op de Binnen-Hebriden, begon ze haar schrijf- en tekenvaardigheden te ontwikkelen: “Als kind bracht ik veel tijd door op een piepklein, onbewoond eiland voor de westkust van Schotland… Tegen de tijd dat ik acht was, had mijn familie een klein stenen huis op het eiland gebouwd, en met de boot konden we bijna genoeg voedsel vangen om het gezin de hele zomer te voeden.” “Vanaf dat moment brachten we elk jaar vier weken van de zomer en twee weken van de lente op het eiland door. Het huis was verlicht met kaarslicht en er was geen telefoon of televisie, dus ik bracht veel tijd door met tekenen en verhalen schrijven.” Cowell studeerde Engels aan Keble College in Oxford, en ook aan de Saint Martin’s School of Art en Brighton University, waar ze illustratie studeerde. Ze studeerde eveneens aan Marlborough College (1982-1984).

Uit: How to Train Your Dragon

“Long ago, on the wild and windy isle of Berk, a smallish Viking with a longish name stood up to his ankles in snow.
Hiccup Horrendous Haddock the Third, the Hope and Heir to the Tribe of the Hairy Hooligans, had been feeling slightly sick ever since he woke up that morning.
Ten boys, including Hiccup, were hoping to become full members of the Tribe by passing the Dragon Initiation Program. They were standing on a bleak little beach at the
bleakest spot on the whole bleak island. A heavy snow was falling.
“PAY ATTENTION!” screamed Gobber the Belch, the soldier in charge of teaching Initiation. “This will be your first military operation, and Hiccup will be commanding the team.”
“Oh, not Hic-cup,” groaned Dogsbreath the Duhbrain and most of the other boys. “You can’t put’: Hiccup in charge, sir, he’s USELESS.”
Hiccup Horrendous Haddock the Third, the Hope and Heir to the Tribe of the Hairy Hooligans, wiped his nose miserably on his sleeve. He sank a little deeper into the snow.
“ANYBODY would be better than Hiccup,” sneered Snotface Snotlout. “Even Fishlegs would be better than Hiccup.”
Fishlegs had a squint that made him as blind as a jellyfish, and an allergy to reptiles.
“SILENCE!” roared Gobber the Belch. “The next boy to speak has limpets for lunch for the next THREE WEEKS!”
There was absolute silence immediately. Limpets are a bit like worms and a bit like snot and a lot less tasty than either.
“Hiccup will be in charge and that is an order!” screamed Gobber, who didn’t do noises quieter than screaming. He was a seven-foot giant with a mad glint in his one working eye and a beard like exploding fireworks. Despite the freezing cold he was wearing hairy shorts and a teeny weeny deerskin vest that showed off his lobster-red skin and bulging muscles. He was holding a flaming torch in one gigantic fist.”

 

Cressida Cowell ( Londen, 15 april 1966)

Wiesław Myśliwski

De Poolse schrijver Wiesław Myśliwski werd geboren op 25 maart 1932 in Dwikozy bij Sandomierz. Myśliwski kwam uit een Poolse middenklassefamilie. Zijn vader was officier en diende in de Pools-Russische Oorlog van 1920. Na het einde van de Tweede Wereldoorlog studeerde Myśliwski van 1951 tot 1956 Poolse filologie aan de Katholieke Universiteit van Lublin. Van 1955 tot 1976 werkte hij als adjunct-hoofdredacteur, uitgever en hoofdredacteur bij uitgeverij Ludowa Spółdzielnia Wydawnicza. Van 1975 tot 1999 was hij hoofdredacteur van het kwartaalblad Regiony en van 1993 tot 1999 was hij tevens hoofd van het tijdschrift Sycyna. Van 1971 tot 1983 was Myśliwski lid van de Poolse Schrijversbond. Hij woont momenteel in Warschau. Zijn debuutroman, “Nagi sad” (De Naakte Tuin), werd in 1967 in Polen gepubliceerd en won de Stanisław Piętak-prijs. Sindsdien heeft hij verschillende romans en toneelstukken gepubliceerd, die “meestal ‘boerenliteratuur’ worden genoemd. Ze behandelen de identiteitsproblemen van dorpen en hun bewoners in tijden van historische verandering.” Myśliwski’s werken zijn vertaald in het Engels, Duits, Nederlands, Russisch, Hongaars, Tsjechisch, Slowaaks, Roemeens, Bulgaars, Lets, Litouws, Ests, Oekraïens en Georgisch. Hij ontving de Nike Literatuurprijs, de meest prestigieuze literaire prijs van Polen, voor “Widnokrąg” (De heldere horizon, 1997) en “Traktat o łuskaniu fasoli”(Traktaat over de geschiedenis van het dorp, 2006). Verschillende van zijn romans en toneelstukken zijn verfilmd, waaronder “Klucznik” in 1980, geregisseerd door Wojciech Marczewski; “Pałac” in 1980, geregisseerd door Tadeusz Junak; en “Kamień na kamieniu” in 1995, geregisseerd door Ryszard Ber. Myśliwski schreef zelf ook diverse scenario’s voor televisiefilms.

Uit: De horizon (Vertaald door Karol Lesman)

“Proloog
Dat kleine, schriele mensje op de foto, met die opengesperde ogen, in een als het ware te grote gabardine jas en platgedrukt door een als het ware te grote hoed —dat is mijn vader. Naast hem, gehuld in een donkerblauw matrozenpakje met korte broek, met een wit matrozenpetje op het hoofd, op sandalen en in kniekousen — dat ben ik. Mijn moeder is er niet bij. Dus is het vast zondag. Anders had ik trouwens ook dat matrozenpakje niet aangehad.
Mijn moeder is hoogstwaarschijnlijk bezig met het middageten, want wat zou ze anders kunnen doen op deze, zoals op de door de zon overbelichte foto te zien is, zomerse zonnige zondag. Ze staat vast iets in een pan te roeren, verzet wat op de kachelplaat, legt houtblokken onder het fornuis, kneedt het deeg voor de noedels, waarbij ze zich beklaagt dat het enige wat ze ziet pannen en potten zijn, waarvoor heeft Onze-Lieve-Heer haar zo moeten straffen dat ze zelfs op zondag niet uit wandelen kan gaan. We gingen altijd op zondag uit wandelen, ze droeg een vos, een hoed, een tasje, handschoenen, pumps, alles in dezelfde kleur, ze was een dame, men keek haar na, en nu is ze veranderd in een huissloof. Misschien staat ze wel te ruziën met tante Marta, want we wonen met zijn allen bij opa en oma en ruzie is zo gemaakt.
Niet alleen jou, niet alleen jou, probeert tante Jadwinia zoveel ze kan haar mild te stemmen, want tante Jadwinia zou wel voor iedereen de sterren van de hemel willen plukken en het doet haar pijn als iemand anders pijn heeft, Hij heeft ons allemaal gestraft. Neem de varkens, die hebben ze geringd, ze zijn zogenaamd van jou, je voedert ze, je doet je best, je voelt je handen niet meer van de aardappelen, ze zijn vetgemest maar slachten mag je ze niet. Wacht even, ik doe eerst nog wat eten voor ze in de trog en dan kom ik je helpen.
Daarentegen vergeeft tante Marta moeder nog geen woord. Mevrouw! Moet je haar zien, mevrouw! Waarom ben je ook hiernaartoe gekomen? Was in de stad gebleven, als je het daar zo naar je zin had. En een vos kan ik ook dragen, haal je maar niets in je hoofd. Wiadek gaat daarvoor zorgen, hij zet een val, hij brengt hem naar Kazimierski om hem te laten tanen en dan heb ik ook mijn vos. Dat doe je toch wel voor me, hè Wladek?
Oom Wiadek komt die vos zo ongeveer de keel uit”.

 

Wiesław Myśliwski (Dwikozy, 25 maart 1932)

László Krasznahorkai

De Hongaars schrijver en scenarist László Krasznahorkai werd geboren in Gyula op 5 januari 1954. Zijn werk wordt beschouwd als postmodern en hij snijdt vaak dystopische en melancholische thema’s aan. In 2015 werd hem de prestigieuze Man Booker International Prize toegekend. Hij studeerde aanvankelijk rechten in Szeged, en vervolgens van 1976 tot 1983 Hongaars en literatuurwetenschappen aan de Universiteit van Boedapest.  Na 1987 woonde hij langere tijd in Berlijn en begin jaren negentig in China, Mongolië en Kyoto. Gedurende deze tijd woonde hij ook enige tijd in het appartement van Allen Ginsberg in New York, die hem ook adviseerde bij zijn schrijfwerk. Zijn werk valt uiteen in twee periodes: de eerste, in de jaren tachtig, wordt gekenmerkt door apocalyptische, duistere verhalen over kleine steden en de vernietiging van gewone mensen. Later transformeert zijn werk en wordt het veel helderder. Zijn romans zijn vaak meditatief. Zijn roman *In het Noorden een Berg, in het Zuiden een Meer, in het Westen Paden, in het Oosten een Rivier* speelt zich af in een Japans klooster, *De Gevangene van Urga* speelt zich af in de Mongoolse woestijn en in Peking, en in *Oorlog en Oorlog* onderneemt een Hongaarse privé-wetenschapper een reis naar New York om daar te sterven. Zijn eerste boek, *Satantango*, werd samen met andere verfilmd door Béla Tarr, waarbij Krasznahorkai zelf de scenario’s schreef. Sinds 2024 is Krasznahorkai’s literaire nalatenschap ondergebracht in het Literair Archief van de Oostenrijkse Nationale Bibliotheek in Wenen.

Uit: Satantango (Vertaald door Mari Alföldy)

“Op een ochtend tegen eind oktober, vlak voordat de eerste druppels van de onbarmhartig lange herfstregens op de gebarsten grond van het verdorde land ten westen van de kolonie zouden neerdalen (waarna door de stinkende modderzee de landwegen tot het invallen van de vorst onbegaanbaar zouden zijn, zodat ook de stad niet meer te bereiken was), werd Futaki wakker van het gebeier van klokken. Vier kilometer verder naar het zuidwesten, op het oude land van Hochmeiss, stond een verlaten kapel, maar daarvan was zelfs de toren ingestort tijdens de oorlog, laat staan dat er nog een klok zou zijn, en de stad was zo ver weg dat daar onmogelijk iets vandaan kon komen. Het triomfantelijke gebimbam deed hem ook niet zozeer aan klokgelui in de verte denken, veeleer klonk het alsof het van heel dichtbij (`Vanaf de molen, lijkt het wel…’) kwam aangewaaid. Hij richtte zijn hoofd op boven het kussen en leunde op zijn ellebogen om door het keukenraam te kunnen kijken, dat niet groter was dan een muizengaatje, maar aan de andere kant van de halfbeslagen ruit lag de kolonie er nog stil en roerloos bij, overgoten door het blauwige schijnsel van het ochtendgloren en het steeds zachter klinkende klokgelui; aan de overkant, waar de huizen een heel eind van elkaar af stonden, brandde er slechts licht achter de dichtgetrokken gordijnen van de dokter, en ook dat was alleen maar omdat de bewoner van het huis al jaren niet in het donker kon slapen. Futaki hield zijn adem in om niets van de wegzwevende sonore klanken te missen, want hij wilde de waarheid weten (ge slaapt vast nog, Futaki’), en daarvoor had hij elk verweesd geluidje nodig. Met zijn legendarisch zachte, katachtige tred liep hij hinkend naar het raam over de ijskoude keukenvloer (Is er dan niemand wakker? Is er niemand die het hoort? Niemand anders?’), opende de ramen en stak zijn hoofd naar buiten.”

 

László Krasznahorkai (Gyula, 5 januari 1954)

Karl Röttger

De Duitse dichter en schrijver Alfred Karl Röttger werd geboren op 23 december 1877 in Lübbecke als zoon van een schoenmaker. Van 1883 tot 1892 volgde hij de basisschool en de Selecta (een soort middelbare school) in Lübbecke, en van 1892 tot 1898 volgde hij de voorbereidende school en de lerarenopleiding in Petershagen/Weser. Van 1898 tot 1899 bekleedde hij zijn eerste onderwijsfunctie in Preußisch Ströhen, gevolgd door functies in Schwenningdorf van 1899 tot 1901 en in Lübbecke van 1901 tot 1905. In 1905 verhuisde hij met zijn moeder naar Düsseldorf-Gerresheim, waar hij tot 1908 lesgaf. In 1908 trouwde hij met Julie Kruse, eveneens schrijfster, met wie hij in 1909 naar Berlijn verhuisde. Daar werkte Röttger als mede-redacteur van het tijdschrift Charon en van 1911 tot 1914 als redacteur van het tijdschrift Die Brücke. Nadat zijn vrouw in 1914 ernstig ziek werd en Röttger zelf ook met gezondheidsproblemen kampte, keerde het echtpaar in 1915 terug naar het Rijnland, waar Röttger zijn onderwijscarrière in Düsseldorf hervatte. Hij werkte ook als theater- en kunstcriticus en publiceerde het tijdschrift Das Kunstfenster. In 1916 begon hij een relatie met Hella Ströter (1892-1971); hun drie kinderen, Helmut, Gerda en Rotraud, werden geboren in 1917, 1919 en 1920. Zijn scheiding van Julie Kruse volgde in 1920 of 1921, waardoor Karl Röttger en Hella Ströter konden trouwen. Vanaf 1926 woonde het gezin van vijf in hun eigen huis in Düsseldorf-Gerresheim, waar in de daaropvolgende jaren talloze poëzievoordrachten, lezingen en muzikale avonden plaatsvonden. In 1927 vierde de stad Düsseldorf Röttgers 50e verjaardag met een officiële ceremonie (Leopold Fleischhacker maakte een bronzen portret), en opnieuw in 1937 voor zijn 60e verjaardag. In 1940 ondernam de auteur een studiereis naar Salzburg en Wenen. Het jaar daarop werd hij wegens ziekte vervroegd gepensioneerd. Karl Röttgers literaire werk bestaat voornamelijk uit poëzie, romans, korte verhalen, toneelstukken en essays, waaronder enkele over educatieve onderwerpen.

 

Hoffnung

Was der Engel mir verkündet,
War ich vordem schon; die Jahre runden
Langsam sich zu eins — aus allen Weiten,
Aus der Ewigkeit und aus den Zeiten
Rundet das Herz des Kinds; in Weltenweiten
Wächst des Kindes Seele… Um mich breiten
Sich des Vaters blaue Einsamkeiten.

Meiner Wunder harr’ ich … Wenn das Kleine,
Das ich meine, nun bald seine
Augen glänzend in die Welt aufbricht,
Wenn aus seinem Kinderangesicht
Und aus seinem Blick mir widerstrahlt:
Gottes Tiefe, Gottes Allgewalt.

 

Marias Tod

Du, der mein Traum war,
Als er noch klein war —
Streichle mein Haar.

Halte die Hand mir,
Die ich dir Land war
Und Quelle und Strand.

Einst, einst, du weißt noch,
Wie du so weit auch
Gewandert, gereist.

Die ich dir Quelle war,
Als du ein Kind noch,
Als ich dich sanft trug
Unter dem Tuch.

Als noch der Traum klein,
Als noch dein Lächeln fein,
Glücklich und rein war.

Du, der doch mein war,
Wandernde Welle du,
Werfe mir Helle zu

Fern aus dem Überlicht!
Hör’, meine Seele spricht:
Kennst du die Stimme nicht,

Die dir das Schlaflied sang?
Einst? Einst? Geliebter, lang
Dehnen die Wüsten sich,

Lange, o grüßten sich,
O unsre Seelen nicht —  —  —
Hebe mich auf zu dir,
O du Geliebter, mir

Traum und Gesang —  —  —

 

Karl Röttger (23 december 1877 – 1 september 1942)
Borstbeeld in het Stadtmuseum van Düsseldorf

Xillan Macrooy

De Surinaams-Nederlandse schrijver en singer-songwriter Xillan Macrooy werd samen meet zijn tweelingbroer Jeangugeboren op 6 november 1993 in Paramaribo. Hij verhuisde als jonge twintiger naar Nederland om aan het Conservatorium van Amsterdam te studeren. In 2022 bracht XILLAN zijn debuut EP ‘Crowning Gods’ uit: een verhaal over het transformeren van duisternis naar hoop en vertrouwen. De EP trekt inspiratie uit de roots van XILLAN en transformeert dit in vier genre-overschrijdend tracks. In september 2025 verscheen zijn  debuutroman “Mensen als zonnen en mensen als manen.”

Uit: Mensen als zonnen en mensen als manen

“Het is de laatste tijd benauwd in Paramaribo. In het donker steken de ramen met hun witte kozijnen af tegen de muren van ons blauwe huis, het lijken kleine bioscoopschermpjes die zweven in de lucht. Als je naar binnen gluurt kun je ons leven volgen in korte scènes. Zie de dreadlocks van mijn moeder, die als een ananaskroon boven torens achterstallig schoolwerk uitsteken. Ze zingt de hele dag door en soms schreeuwt ze iets de ruimte in. Dat moet, anders wordt ze gek Zie de kwasten en penselen van mijn broer, mijn evenbeeld, die over de muren van zijn kamer walsen, de kamer die we deelden toen alleen zijn nog ondenkbaar was. Het geprepareerde canvas op zijn schildersezel is blijkbaar te klein om wat hij in zijn hoofd ziet volledig te vangen. Het moet groter, het moet meer. Hij is bang dat zijn dromen gaan rotten in zijn hoofd, dus hij moet zijn verbeelding vertalen in kleuren, vormen, klanken en materialen. Deze taal, die van het maken, is een taal die we delen. Zijn dromen zijn mijn dromen. Soms letterlijk. Zie de lange blauwe eettafel in de gifgroene keuken met paarse deurtjes, deze tafel is het hart van dit huis en het centrum van de buurt. Alle buurttantes, buurtneven en buurtnichten kunnen dit bevestigen. Zo is het altijd geweest nog voordat mijn moeder de vrouw des huizes werd, zorgde mijn oma ervoor dat iedereen zich hier welkom voelde. Oma kun je trouwens altijd aan deze tafel vinden, soms met een warme lach die klinkt als vroeger. Nu vaker met ongeëvenaard sarcasme en shady kuchjes. Deze klein vrouw is na een levenslange training in bescheidenheid een meester  in non-verbale communicatie geworden. Ze zet deze skins tegenwoordig vooral in om haar zorgen en misnoegen te uiten. Ze heeft de tyuri geperfectioneerd. Tjstjtsjm! Het is knap wat er allemaal gezegd kan worden zonder woorden. Hier aan deze tafel worden experimentele maaltijden en smakelijke roddels gedeeld nieuwe regels verzonnen om oude besmeurde bordspelletjes nieuw leven in te blazen, soms wordt er hard gehuild en zacht gescholden, maar gelukkig wordt er vaker gelachen. Wijn en koffie helpen om de emotionele en geestelijke balans te houden. Mijn vader zit meestal niet aan de tafel, maar in de open garage die grenst aan de keuken, dan staat zijn auto voor de poort. Hij woont bier niet meer, maar zijn buitenstoel is nog altijd zijn stoel. Ons kleine leven wordt enigszins afgeschermd door de vuurrode fayalobistruiken die langs de schutting groeien, de jonge amandelboom op de berm waarvan de kruin gevaarlijk dicht bij de bedrading van de stroompalen begint te komen, de slanke papajaboom die dienstbaar met zijn vruchten reikt tot het balkon. Alles bloeit en woekert hier. Onze laatste tuinman heeft dit erf ontembaar verklaard, maar de grond waar deze stad op is gebouwd is gewoon wonderlijk Gooi een paar zaadjes uit het raam, stop een stekje in de grond, en voor je het weet loopt het sap van zongerijpt fruit over lippen en vingers, terwijl tantes voedzame bittere bladeren en steenharde aardvruchten als alchemisten transformeren tot gerechten die goed zijn voor zowel je body als je yeye.

 

Xillan Macrooy (Paramaribo, 6 november 1993)

Taffy Brodesser-Akner

De Amerikaanse schrijfster en journaliste Taffy Brodesser-Akner werd geboren op 26 oktober 1975 in New York City. Stephanie “Taffy” Akner groeide op in Brooklyn in een orthodox joods gezin en studeerde aan de Tisch School of the Arts (BA) van de New York University. In 2006 trouwde ze met journalist Claude Brodesser; beiden gebruiken sindsdien de dubbele achternaam als familienaam. Ze hebben twee kinderen. Taffy Brodesser-Akner werkte aanvankelijk als freelance journaliste voor GQ en The New York Times. Sinds 2017 is Taffy Brodesser-Akner lid van de redactieraad van The New York Times. Zij staat bekend om haar profielen van onder andere actrices Gaby Hoffmann en Britney Spears, auteur Damon Lindelof, genderactiviste Jill Soloway en radiopresentator Don Lemon. Haar artikelen hebben haar de New York Press Club Award en de Mirror Award opgeleverd. Brodesser-Akner publiceerde haar eerste roman, “Fleishman is in Trouble”, in 2019. Deze roman vormt de basis voor de miniserie “Fleishman is in Trouble” uit 2022.

Uit: Fleishman is in Trouble

“Toby Fleishman awoke one morning inside the city he’d lived in all his adult life and which was suddenly somehow now crawling with women who wanted him. Not just any women, but women who were self-actualized and independent and knew what they wanted. Women who weren’t needy or insecure or self-doubting, like the long-ago prospects of his long-gone youth—meaning the women he had thought of as prospects but who had never given him even a first glance. No, these were women who were motivated and available and interesting and interested and exciting and excited. These were women who would not so much wait for you to call them one or two or three socially acceptable days after you met them as much as send you pictures of their genitals the day before. Women who were open-minded and up for anything and vocal about their desires and needs and who used phrases like “put my cards on the table” and “no strings attached” and “I need to be done in ten because I have to pick up Bella from ballet.” Women who would fuck you like they owed you money, was how our friend Seth put it.Yes, who could have predicted that Toby Fleishman, at the age of forty-one, would find that his phone was aglow from sunup to sundown (in the night the glow was extra bright) with texts that contained G-string and ass cleavage and underboob and sideboob and just straight-up boob and all the parts of a woman he never dared dream he would encounter in a person who was three- dimensional—meaning literally three-dimensional, as in a person who wasn’t on a page or a computer screen. All this, after a youth full of romantic rejection! All this, after putting a lifetime bet on one woman! Who could have predicted this? Who could have predicted that there was such life in him yet?
Still, he told me, it was jarring. Rachel was gone now, and her goneness was so incongruous to what had been his plan. It wasn’t that he still wanted her—he absolutely did not want her. He absolutely did not wish she were still with him. It was that he had spent so long waiting out the fumes of the marriage and busying himself with the paperwork necessary to extricate himself from it—telling the kids, moving out, telling his colleagues—that he had not considered what life might be like on the other side of it. He understood divorce in a macro way, of course.”

 

Taffy Brodesser-Akner (New York, 26 oktober 1975)