De Russische schrijver en dichter Aleksej Salnikov werd geboren op 7 augustus 1978 in Tartu, Estische Socialistische Sovjetrepubliek, nu Estland) is. Sinds 1984 woont Salnikov in de Oeral: eerst in het dorp Gornouralski in de oblast Sverdlovsk, vervolgens in Nizjni Tagil en sinds 2005 in Jekaterinenburg. Hij studeerde af aan de landbouwacademie en studeerde vervolgens bij Joeri Kazarin aan de faculteit literatuur van het Jekaterinenburg Theaterinstituut. Hij was ook een leerling van de dichter Jevgeni Toerenko, een prominent figuur in de literaire scene van Nizjni Tagil. Hij debuteerde als dichter en publiceerde in de tijdschriften Literaturnaya Gazeta, New Oeral, Vozduk, Oeral Review, Vavilon en in de bloemlezing Contemporary Oeral Poetry. Zoals Vasili Tsjepelev opmerkt, was het Salnikovs ervaring als dichter die de basis legde voor zijn latere succes als prozaschrijver. Hij verwierf voor het eerst bekendheid in Rusland met zijn roman *De Petrovs, (De Griep). Salnikov is winnaar van de Prijs van de Jury van de Kritiek van de NOS (Novaja Slovestnokt) en winnaar van de Nationale Bestsellerprijs (2018).
Uit: Petrow hat Fieber (Vertaald door Bettina Kaibach)
„Petrow brauchte bloß in den Trolleybus zu steigen, und schon erschienen die Wahnsinnigen, um ihn, Petrow, zu piesacken. Der Einzige, der ihn nicht piesackte, war ein glattrasierter Greis, still und rundlich, der einem gekränkten Kind glich. Doch sobald
Petrow diesen Greis sah, kam ihn selbst die Lust an, sich von seinem Platz zu erheben und den Alten noch mehr zu kränken. Ein Gefühl war das, wild und durch nichts zu erklären, und es packte ihn jedes Mal wie ein Sturm, ein geballtes Etwas aus zottigen
darwinschen Trieben mit einer Dosis Dostojewski. Der Greis bemerkte Petrows interessierten Blick und drehte sich schüchtern weg.
Nun war selbiger Opa sozusagen der Stammgast unter den Verrückten, ihm begegnete Petrow praktisch seit seiner Kindheit ständig, und zwar nicht nur in den öffentlichen Verkehrsmitteln.
Von den übrigen Verrückten drang hingegen jeder exakt einmal in Petrows Leben, als hätte er sich zum ersten Mal in dreißig Jahren aus der städtischen Anstalt bei Kilometer acht des sibirischen Traktes losgerissen und wäre zum Trolleybus Nummer drei geeilt,
um Petrow ein paar Nettigkeiten an den Kopf zu werfen und für immer zu entschwinden.
Da gab es die Alte, die ihm ihren Platz mit der Begründung überließ, Petrow sei ein Invalide und habe Holzbeine und Holz-arme und Krebs (ohne Holz, einfach Krebs). Dann war da dieser Typ wie ein Schmied aus den sowjetischen Filmen, so ein Riesenkerl, der mit seiner Stimme das Blech des gesamten Trolley-busses ins Vibrieren zu bringen schien. Wie eine offene, halbleere Flasche vibriert, wenn ein Laster vorbeifährt. Während der Typ mit seiner Flanke Petrow an die Wand drückte, trug er der nicht mehr jungen Schaffnerin Gedichte vor, denn offenbar verbarg sich unter der wattierten Jacke, die nach Eisenspänen, Benzin und Dieselöl roch, ein zartes Poetenherz.
»Und fliegen vorbei, unsre Jahre, sie fliegen wie Vögel vorbei«, deklamierte der Typ mit zärtlicher Intonation der »Jahre« und »Vögel«.
Die Schaffnerin lauschte mit sanftem Lächeln.“

Onafhankelijk van geboortedata
De Vlaamse schrijver Roderick Six werd geboren in 1979 in Ieper en groeide op in het West-Vlaamse Woesten. Zijn debuutroman “Vloed” uit 2012 werd meteen onderscheiden met een premie van de Letterkunde Prijs van de Provincie West-Vlaanderen. In “Vloed”worden 4 studenten gegijzeld door wassend water, waarbij ze gaandeweg elk greintje optimisme kwijtspelen. Voor deze roman ontving hij in hetzelfde jaar ook de Bronzen Uil. Ook zijn tweede roman ‘Val’, die in 2015 verscheen, werd door de kritiek goed ontvangen. In 2019 volgde zijn derde roman “Volt”. Op 1 april 2020 – tijdens de Corona-pandemie – lanceerde Six het digitaal tijdschrift #VIRALEN, om zo ‘lezers én schrijvers in tijden van quarantaine samen te brengen’. Voor het eerste nummer leveren onder meer Ilja Leonard Pfeijffer, Radna Fabias, Charlotte Van Den Broeck, Fleur Pierets en Melissa Giardina een bijdrage. Een uit de hand gelopen rouwproces is het thema van de roman “Monster” uit 2021. In 2025 verscheen zijn vijfde roman “In het wit”.
Uit: In het wit
“Het sneeuwde.
Op de bus naar het rusthuis leunde M net niet met haar voorhoofd tegen het raam — de kou slechts een gedachtestreepjes van haar huid verwijderd. Haar adem legde een laagje damp over het glas; nu nog een hartje, een lachend gezichtje. Maar M raakte de wasem niet aan. Ze wreef de jeuk uit haar vingertop en keek naar de vlokken, naar het vrolijk gedwarrel, de winter die over de stad danste.
Op het voetpad ploegde een oude vrouw met haar boodschappenkar door de bleke smurrie. Met haar andere hand trok ze een groezelig wit hondje voort, de leiband strak gespannen. Zijn vacht een vale camouflage, zijn koolzwarte ogen gestolen van een blinde sneeuwpop.
Sneeuwen zou geen werkwoord mogen zijn, dacht M, net voor ze met een harde schok in haar zitting werd gedrukt. De bus, een harmonica op wielen en diesel, slipte en zwenkte, en de chauffeur trok het voertuig weer vloekend recht, de dood nog maar eens een halte afgewend. Al dat gedwarrel, die speelse kristallen die meer zweven dan vallen, het heeft niets met labeur te maken. Het verbum mist daadkracht en gewicht, het mist sleur. Sneeuwen — het klinkt als de wind die met vingers van licht de kruin van een kind streelt.
M kende sneeuw. Ze had veel sneeuwstormen meegemaakt, arctisch geraas en blizzards, het geril dat je tanden deed trillen, de vorstbeten en het rondvliegend ijs dat je gezicht aan flarden reet. Ze had het gevoeld, de gevoelloosheid. De vrieskou die je botten versplintert, die je lichaam bezet als een hellevuur, die elke zenuw verschroeit — Dante had gelijk toen hij de duivel verankerde in een ijsblok: kou is het ware inferno. M kende sneeuw. En ze kende de regen, en de bliksem in de Zwitserse bergen en een fatale picknick. Ze kende de wrede zon op het strand, de loop van een pistool, glimmend in het licht. Ze kende tropische stormen, hoe die op komst waren, donker aan de horizon, en hoe die later palmbomen uit de grond zogen. De herfst, natuurlijk kende M de herfst, met zijn scha-duw op de zonnewijzers en zijn rusteloos door lanen dwalen.”
