Karl Röttger

De Duitse dichter en schrijver Alfred Karl Röttger werd geboren op 23 december 1877 in Lübbecke als zoon van een schoenmaker. Van 1883 tot 1892 volgde hij de basisschool en de Selecta (een soort middelbare school) in Lübbecke, en van 1892 tot 1898 volgde hij de voorbereidende school en de lerarenopleiding in Petershagen/Weser. Van 1898 tot 1899 bekleedde hij zijn eerste onderwijsfunctie in Preußisch Ströhen, gevolgd door functies in Schwenningdorf van 1899 tot 1901 en in Lübbecke van 1901 tot 1905. In 1905 verhuisde hij met zijn moeder naar Düsseldorf-Gerresheim, waar hij tot 1908 lesgaf. In 1908 trouwde hij met Julie Kruse, eveneens schrijfster, met wie hij in 1909 naar Berlijn verhuisde. Daar werkte Röttger als mede-redacteur van het tijdschrift Charon en van 1911 tot 1914 als redacteur van het tijdschrift Die Brücke. Nadat zijn vrouw in 1914 ernstig ziek werd en Röttger zelf ook met gezondheidsproblemen kampte, keerde het echtpaar in 1915 terug naar het Rijnland, waar Röttger zijn onderwijscarrière in Düsseldorf hervatte. Hij werkte ook als theater- en kunstcriticus en publiceerde het tijdschrift Das Kunstfenster. In 1916 begon hij een relatie met Hella Ströter (1892-1971); hun drie kinderen, Helmut, Gerda en Rotraud, werden geboren in 1917, 1919 en 1920. Zijn scheiding van Julie Kruse volgde in 1920 of 1921, waardoor Karl Röttger en Hella Ströter konden trouwen. Vanaf 1926 woonde het gezin van vijf in hun eigen huis in Düsseldorf-Gerresheim, waar in de daaropvolgende jaren talloze poëzievoordrachten, lezingen en muzikale avonden plaatsvonden. In 1927 vierde de stad Düsseldorf Röttgers 50e verjaardag met een officiële ceremonie (Leopold Fleischhacker maakte een bronzen portret), en opnieuw in 1937 voor zijn 60e verjaardag. In 1940 ondernam de auteur een studiereis naar Salzburg en Wenen. Het jaar daarop werd hij wegens ziekte vervroegd gepensioneerd. Karl Röttgers literaire werk bestaat voornamelijk uit poëzie, romans, korte verhalen, toneelstukken en essays, waaronder enkele over educatieve onderwerpen.

 

Hoffnung

Was der Engel mir verkündet,
War ich vordem schon; die Jahre runden
Langsam sich zu eins — aus allen Weiten,
Aus der Ewigkeit und aus den Zeiten
Rundet das Herz des Kinds; in Weltenweiten
Wächst des Kindes Seele… Um mich breiten
Sich des Vaters blaue Einsamkeiten.

Meiner Wunder harr’ ich … Wenn das Kleine,
Das ich meine, nun bald seine
Augen glänzend in die Welt aufbricht,
Wenn aus seinem Kinderangesicht
Und aus seinem Blick mir widerstrahlt:
Gottes Tiefe, Gottes Allgewalt.

 

Marias Tod

Du, der mein Traum war,
Als er noch klein war —
Streichle mein Haar.

Halte die Hand mir,
Die ich dir Land war
Und Quelle und Strand.

Einst, einst, du weißt noch,
Wie du so weit auch
Gewandert, gereist.

Die ich dir Quelle war,
Als du ein Kind noch,
Als ich dich sanft trug
Unter dem Tuch.

Als noch der Traum klein,
Als noch dein Lächeln fein,
Glücklich und rein war.

Du, der doch mein war,
Wandernde Welle du,
Werfe mir Helle zu

Fern aus dem Überlicht!
Hör’, meine Seele spricht:
Kennst du die Stimme nicht,

Die dir das Schlaflied sang?
Einst? Einst? Geliebter, lang
Dehnen die Wüsten sich,

Lange, o grüßten sich,
O unsre Seelen nicht —  —  —
Hebe mich auf zu dir,
O du Geliebter, mir

Traum und Gesang —  —  —

 

Karl Röttger (23 december 1877 – 1 september 1942)
Borstbeeld in het Stadtmuseum van Düsseldorf

Xillan Macrooy

De Surinaams-Nederlandse schrijver en singer-songwriter Xillan Macrooy werd samen meet zijn tweelingbroer Jeangugeboren op 6 november 1993 in Paramaribo. Hij verhuisde als jonge twintiger naar Nederland om aan het Conservatorium van Amsterdam te studeren. In 2022 bracht XILLAN zijn debuut EP ‘Crowning Gods’ uit: een verhaal over het transformeren van duisternis naar hoop en vertrouwen. De EP trekt inspiratie uit de roots van XILLAN en transformeert dit in vier genre-overschrijdend tracks. In september 2025 verscheen zijn  debuutroman “Mensen als zonnen en mensen als manen.”

Uit: Mensen als zonnen en mensen als manen

“Het is de laatste tijd benauwd in Paramaribo. In het donker steken de ramen met hun witte kozijnen af tegen de muren van ons blauwe huis, het lijken kleine bioscoopschermpjes die zweven in de lucht. Als je naar binnen gluurt kun je ons leven volgen in korte scènes. Zie de dreadlocks van mijn moeder, die als een ananaskroon boven torens achterstallig schoolwerk uitsteken. Ze zingt de hele dag door en soms schreeuwt ze iets de ruimte in. Dat moet, anders wordt ze gek Zie de kwasten en penselen van mijn broer, mijn evenbeeld, die over de muren van zijn kamer walsen, de kamer die we deelden toen alleen zijn nog ondenkbaar was. Het geprepareerde canvas op zijn schildersezel is blijkbaar te klein om wat hij in zijn hoofd ziet volledig te vangen. Het moet groter, het moet meer. Hij is bang dat zijn dromen gaan rotten in zijn hoofd, dus hij moet zijn verbeelding vertalen in kleuren, vormen, klanken en materialen. Deze taal, die van het maken, is een taal die we delen. Zijn dromen zijn mijn dromen. Soms letterlijk. Zie de lange blauwe eettafel in de gifgroene keuken met paarse deurtjes, deze tafel is het hart van dit huis en het centrum van de buurt. Alle buurttantes, buurtneven en buurtnichten kunnen dit bevestigen. Zo is het altijd geweest nog voordat mijn moeder de vrouw des huizes werd, zorgde mijn oma ervoor dat iedereen zich hier welkom voelde. Oma kun je trouwens altijd aan deze tafel vinden, soms met een warme lach die klinkt als vroeger. Nu vaker met ongeëvenaard sarcasme en shady kuchjes. Deze klein vrouw is na een levenslange training in bescheidenheid een meester  in non-verbale communicatie geworden. Ze zet deze skins tegenwoordig vooral in om haar zorgen en misnoegen te uiten. Ze heeft de tyuri geperfectioneerd. Tjstjtsjm! Het is knap wat er allemaal gezegd kan worden zonder woorden. Hier aan deze tafel worden experimentele maaltijden en smakelijke roddels gedeeld nieuwe regels verzonnen om oude besmeurde bordspelletjes nieuw leven in te blazen, soms wordt er hard gehuild en zacht gescholden, maar gelukkig wordt er vaker gelachen. Wijn en koffie helpen om de emotionele en geestelijke balans te houden. Mijn vader zit meestal niet aan de tafel, maar in de open garage die grenst aan de keuken, dan staat zijn auto voor de poort. Hij woont bier niet meer, maar zijn buitenstoel is nog altijd zijn stoel. Ons kleine leven wordt enigszins afgeschermd door de vuurrode fayalobistruiken die langs de schutting groeien, de jonge amandelboom op de berm waarvan de kruin gevaarlijk dicht bij de bedrading van de stroompalen begint te komen, de slanke papajaboom die dienstbaar met zijn vruchten reikt tot het balkon. Alles bloeit en woekert hier. Onze laatste tuinman heeft dit erf ontembaar verklaard, maar de grond waar deze stad op is gebouwd is gewoon wonderlijk Gooi een paar zaadjes uit het raam, stop een stekje in de grond, en voor je het weet loopt het sap van zongerijpt fruit over lippen en vingers, terwijl tantes voedzame bittere bladeren en steenharde aardvruchten als alchemisten transformeren tot gerechten die goed zijn voor zowel je body als je yeye.

 

Xillan Macrooy (Paramaribo, 6 november 1993)

Taffy Brodesser-Akner

De Amerikaanse schrijfster en journaliste Taffy Brodesser-Akner werd geboren op 26 oktober 1975 in New York City. Stephanie “Taffy” Akner groeide op in Brooklyn in een orthodox joods gezin en studeerde aan de Tisch School of the Arts (BA) van de New York University. In 2006 trouwde ze met journalist Claude Brodesser; beiden gebruiken sindsdien de dubbele achternaam als familienaam. Ze hebben twee kinderen. Taffy Brodesser-Akner werkte aanvankelijk als freelance journaliste voor GQ en The New York Times. Sinds 2017 is Taffy Brodesser-Akner lid van de redactieraad van The New York Times. Zij staat bekend om haar profielen van onder andere actrices Gaby Hoffmann en Britney Spears, auteur Damon Lindelof, genderactiviste Jill Soloway en radiopresentator Don Lemon. Haar artikelen hebben haar de New York Press Club Award en de Mirror Award opgeleverd. Brodesser-Akner publiceerde haar eerste roman, “Fleishman is in Trouble”, in 2019. Deze roman vormt de basis voor de miniserie “Fleishman is in Trouble” uit 2022.

Uit: Fleishman is in Trouble

“Toby Fleishman awoke one morning inside the city he’d lived in all his adult life and which was suddenly somehow now crawling with women who wanted him. Not just any women, but women who were self-actualized and independent and knew what they wanted. Women who weren’t needy or insecure or self-doubting, like the long-ago prospects of his long-gone youth—meaning the women he had thought of as prospects but who had never given him even a first glance. No, these were women who were motivated and available and interesting and interested and exciting and excited. These were women who would not so much wait for you to call them one or two or three socially acceptable days after you met them as much as send you pictures of their genitals the day before. Women who were open-minded and up for anything and vocal about their desires and needs and who used phrases like “put my cards on the table” and “no strings attached” and “I need to be done in ten because I have to pick up Bella from ballet.” Women who would fuck you like they owed you money, was how our friend Seth put it.Yes, who could have predicted that Toby Fleishman, at the age of forty-one, would find that his phone was aglow from sunup to sundown (in the night the glow was extra bright) with texts that contained G-string and ass cleavage and underboob and sideboob and just straight-up boob and all the parts of a woman he never dared dream he would encounter in a person who was three- dimensional—meaning literally three-dimensional, as in a person who wasn’t on a page or a computer screen. All this, after a youth full of romantic rejection! All this, after putting a lifetime bet on one woman! Who could have predicted this? Who could have predicted that there was such life in him yet?
Still, he told me, it was jarring. Rachel was gone now, and her goneness was so incongruous to what had been his plan. It wasn’t that he still wanted her—he absolutely did not want her. He absolutely did not wish she were still with him. It was that he had spent so long waiting out the fumes of the marriage and busying himself with the paperwork necessary to extricate himself from it—telling the kids, moving out, telling his colleagues—that he had not considered what life might be like on the other side of it. He understood divorce in a macro way, of course.”

 

Taffy Brodesser-Akner (New York, 26 oktober 1975)

Aleksej Salnikov

De Russische dichter en schrijver Aleksej Salnikov werd geboren op 7 augustus 1978 in Tartu, Estland. Sinds 1984 woont hij in het Oeralgebied, waaronder in Jekaterinburg, waar hij zich ontwikkelde tot een van de meest eigenzinnige stemmen in de hedendaagse Russische literatuur. Salnikov begon zijn carrière als dichter en publiceerde in diverse literaire tijdschriften. Zijn poëtische achtergrond is duidelijk terug te zien in zijn proza, dat wordt gekenmerkt door een unieke stijl en een scherp oog voor het absurde. Zijn doorbraak kwam met de roman “De Petrovs en de griep”, een hyperrealistisch en absurdistisch portret van een gezin in Jekaterinburg tijdens een griepepidemie. Het boek, oorspronkelijk online gepubliceerd, werd een literaire sensatie en won onder andere de Nationale Bestsellerprijs en de NOS-juryprijs. In 2021 werd het verfilmd door Kirill Serebrennikov en in première gebracht op het filmfestival van Cannes.​ Salnikovs werk wordt geprezen om zijn zwarte humor, ironie en kritische blik op de post-Sovjetmaatschappij. Zijn romans, waaronder “De afdeling” en “Indirect”, combineren het alledaagse met het surrealistische en onthullen de onderliggende absurditeit van het moderne Russische leven.

Uit: De afdeling (Vertaald door Maarten Tengbergen)

“Voor de vijfde keer in anderhalf uur belde ze hem om te vragen wanneer hij nou thuiskwam. Sinds Igor was ontslagen bij de organen van de veiligheidsdienst, was zijn vrouw veranderd in een zeldzaam despotisch kreng. Alle vijf de keren dat ze belde, herinnerde ze hem eraan dat ze werd opgehouden op haar werk en dat hij het dus was die hun zoontje moest ophalen van de kleuterschool.
‘Hoor ‘s,’ kon Igor zich ten slotte niet langer inhouden.
‘Heb je daar niks beters te doen dan voortdurend telefoontjes te plegen?’
Zijn irritatie viel gemakkelijk te begrijpen. Hij reed in zijn auto eindeloos rondjes door een vreemde wijk, als een verdwaalde snorder op zoek naar een klant, zonder dat hij de plek
kon vinden waar hij werd verwacht voor een sollicitatiegesprek. Zowel zijn GPS, het navigatiesysteem van Yandex en Google Maps als ook de mensen op straat – allemaal wezen ze hem de weg naar een desolaat gebouw met een door de jaren heen verweerde schoorsteenpijp van rode baksteen, die uitstak boven een scheefgezakte betonnen muur. Langs de lage oktoberhemel waartegen de schoonsteenpijp zich aftekende, dreef
langzaam naar onbekende bestemming een massieve, naar alle kanten uitdijende wolk. En die trage voortbeweging langs de hemel verdiepte Igors gevoel van wanhoop. Naar het gebouw met de schoorsteenpijp leidde een onverhard kleiig paadje dat was afgesloten met een afbladderende houten slagboom. Dit gebouw kon toch onmogelijk het FSB-kantoor zijn waar een officier met een hem vaag bekend voorkomende naam hem een paar dagen geleden zo dringend had gevraagd te verschijnen.
Zijn vrouw belde voor de zesde keer en Igor besloot een tijdje onbereikbaar te zijn. Hij stapte uit, liet zijn telefoon achter in de auto en kroop onder de slagboom door. Aan
de andere kant van de muur was alles nog troostelozer dan het van buitenaf had geschenen, waarschijnlijk omdat hij eerst vanuit zijn warme droge auto over de slagboom heen had gekeken, zonder dat hij de naargeestige wind die ononderbroken, met mottige regendruppels over het ommuurde terrein blies, aan den lijve had gevoeld en gehoord. De bosjes die in de hoeken van de muur groeiden, zagen eruit als
ongeschoren oksels. Het onverharde paadje boog zich als een vraagteken rond het gebouw met de schoorsteenpijp, als wilde het de nieuwsgierigheid prikkelen van de bezoeker die zich afvroeg waarom de voordeur van het gebouw zich aan de achterkant bevond.”

 

Aleksej Salnikov (Tartu,7 augustus 1978)

Wiesław Myśliwski

De Poolse schrijver Wiesław Myśliwski werd geboren op 25 maart 1932 in Dwikozy bij Sandomierz. Myśliwski kwam uit een Poolse middenklassefamilie. Zijn vader was officier en diende in de Pools-Russische Oorlog van 1920. Na het einde van de Tweede Wereldoorlog studeerde Myśliwski van 1951 tot 1956 Poolse filologie aan de Katholieke Universiteit van Lublin. Van 1955 tot 1976 werkte hij als adjunct-hoofdredacteur, uitgever en hoofdredacteur bij uitgeverij Ludowa Spółdzielnia Wydawnicza. Van 1975 tot 1999 was hij hoofdredacteur van het kwartaalblad Regiony en van 1993 tot 1999 was hij tevens hoofd van het tijdschrift Sycyna. Van 1971 tot 1983 was Myśliwski lid van de Poolse Schrijversbond. Hij woont momenteel in Warschau. Zijn debuutroman, “Nagi sad” (De Naakte Tuin), werd in 1967 in Polen gepubliceerd en won de Stanisław Piętak-prijs. Sindsdien heeft hij verschillende romans en toneelstukken gepubliceerd, die “meestal ‘boerenliteratuur’ worden genoemd. Ze behandelen de identiteitsproblemen van dorpen en hun bewoners in tijden van historische verandering.” Myśliwski’s werken zijn vertaald in het Engels, Duits, Nederlands, Russisch, Hongaars, Tsjechisch, Slowaaks, Roemeens, Bulgaars, Lets, Litouws, Ests, Oekraïens en Georgisch. Hij ontving de Nike Literatuurprijs, de meest prestigieuze literaire prijs van Polen, voor “Widnokrąg” (De heldere horizon, 1997) en “Traktat o łuskaniu fasoli”(Traktaat over de geschiedenis van het dorp, 2006). Verschillende van zijn romans en toneelstukken zijn verfilmd, waaronder “Klucznik” in 1980, geregisseerd door Wojciech Marczewski; “Pałac” in 1980, geregisseerd door Tadeusz Junak; en “Kamień na kamieniu” in 1995, geregisseerd door Ryszard Ber. Myśliwski schreef zelf ook diverse scenario’s voor televisiefilms.

Uit: De horizon (Vertaald door Karol Lesman)

“Proloog
Dat kleine, schriele mensje op de foto, met die opengesperde ogen, in een als het ware te grote gabardine jas en platgedrukt door een als het ware te grote hoed —dat is mijn vader. Naast hem, gehuld in een donkerblauw matrozenpakje met korte broek, met een wit matrozenpetje op het hoofd, op sandalen en in kniekousen — dat ben ik. Mijn moeder is er niet bij. Dus is het vast zondag. Anders had ik trouwens ook dat matrozenpakje niet aangehad.
Mijn moeder is hoogstwaarschijnlijk bezig met het middageten, want wat zou ze anders kunnen doen op deze, zoals op de door de zon overbelichte foto te zien is, zomerse zonnige zondag. Ze staat vast iets in een pan te roeren, verzet wat op de kachelplaat, legt houtblokken onder het fornuis, kneedt het deeg voor de noedels, waarbij ze zich beklaagt dat het enige wat ze ziet pannen en potten zijn, waarvoor heeft Onze-Lieve-Heer haar zo moeten straffen dat ze zelfs op zondag niet uit wandelen kan gaan. We gingen altijd op zondag uit wandelen, ze droeg een vos, een hoed, een tasje, handschoenen, pumps, alles in dezelfde kleur, ze was een dame, men keek haar na, en nu is ze veranderd in een huissloof. Misschien staat ze wel te ruziën met tante Marta, want we wonen met zijn allen bij opa en oma en ruzie is zo gemaakt.
Niet alleen jou, niet alleen jou, probeert tante Jadwinia zoveel ze kan haar mild te stemmen, want tante Jadwinia zou wel voor iedereen de sterren van de hemel willen plukken en het doet haar pijn als iemand anders pijn heeft, Hij heeft ons allemaal gestraft. Neem de varkens, die hebben ze geringd, ze zijn zogenaamd van jou, je voedert ze, je doet je best, je voelt je handen niet meer van de aardappelen, ze zijn vetgemest maar slachten mag je ze niet. Wacht even, ik doe eerst nog wat eten voor ze in de trog en dan kom ik je helpen.
Daarentegen vergeeft tante Marta moeder nog geen woord. Mevrouw! Moet je haar zien, mevrouw! Waarom ben je ook hiernaartoe gekomen? Was in de stad gebleven, als je het daar zo naar je zin had. En een vos kan ik ook dragen, haal je maar niets in je hoofd. Wiadek gaat daarvoor zorgen, hij zet een val, hij brengt hem naar Kazimierski om hem te laten tanen en dan heb ik ook mijn vos. Dat doe je toch wel voor me, hè Wladek?
Oom Wiadek komt die vos zo ongeveer de keel uit”.

 

Wiesław Myśliwski (Dwikozy, 25 maart 1932)