Anthony Staring, Derek Walcott

De Nederlandse dichter, landbouwkundige en landheer Anthony Christiaan Winand Staring werd geboren in Gendringen op 24 januari 1767. Zie ook alle tags voor Anthony Staring op dit blog.

 

De winter.

De Winter heeft, hoe grijs van kin,
Een kleur als melk en bloed!
Hij tafelt lang; schenkt naarstig in;
En ’t maal bekomt hem goed.
Hij plant, hij delft, hij ploegt bij daag,
Vermand door sneeuw noch buldervlaag;
En trekt wel eens, in jagersdragt,
Naar ’t glinstrend bosch, ter avendwacht.

Als ’t ijs den radden vloed houdt staan,
Voelt hij zijn kracht gesterkt:
Zijn schaatsen gonzen langs de baan,
Zijn hielen zijn gevlerkt!
Bevracht een aardig kind zijn sleê,
Hij zwaait er als een veder meê,
En ’t meisje tart, tot sneller vaart,
Haar speelnoot achter ’t rinklend paard.

Zijn haardsteê lokt de jeugd bijeen;
Zij wemelt om zijn stoel.
Hij pleegt terwijl zijne oude leên,
En schatert in ’t gejoel.
Een sprong in ’t ronde mag hij wel,
Doch voegt zich liefst bij zang en spel;
Of kort den nacht met gul gejok,
En heeft geene ooren voor de klok.

Omsingle ’t West, met slibbe en plas,
Zijne ongenaakbre stulp,
De Tijd gaat met geen trager pas;
Dank zij der Muzen hulp!
Gemis wordt in genot verkeerd,
Als ’t Oosten op zijn beurt regeert;
De vorst het grondloos pad bestraat,
En vriendschap weêr uit buren gaat.

Wie dan den Winter lastren meugt,
Kraait gij ons, na en voor,
Van Lenteblijheid, zomervreugd,
En Herfstvermaak aan ’t oor?
Den Grijsaard zij, als eerbetoon,
Een krans van palm bij ons geboôn;
En klank van gouden snaren zweev’
Door ’t feestgeroep: ‘De Winter leev’!’

 

Meizang.

’t Is Lente! Lente!
Het feestgeschal
Van ‘Lente! Lente!’
Klinke overal!

Hoe geurt de wasem
Der berkenspruit!
Hoe zacht is de asem
Van ’t vriendlijk zuid!

De bijtjes dragen
Weêr honig aan;
De tortels klagen;
De wachtels slaan.

Op weide en akker –
Langs vliet en poel –
Is ’t leven wakker –
Is blij gejoel.

Was ’t meerder weelde,
Dan lentevreugd,
Die Adam streelde,
In Edens jeugd?

Of breidde de aarde,
Toen de Eerste Bruid
Haar bruidkrans gaarde,
Zich schooner uit?

 

Anthony Staring (24 januari 1767 – 18 augustus 1840)
Portret door Johannes Immerzeel, 1840

 

De Westindische dichter en schrijver Derek Walcott werd geboren op 23 januari 1930 op St. Lucia, een van de kleine Bovenwindse Eilanden. Zie ook alle tags voor Derek Walcott op dit blog.

 

GOD REST YE MERRY, GENTLEMEN

Elke straathoek is Kerstavond
in het centrum van Newark. De Wijzen lopen
in zwarte overjassen en koesteren
een fles spiritus, en hoeren loeren
vergeefs uit de donkere kribben van portieken.
Een gekke koning breekt een fles ter ere
van de bijstand, ‘Ik maak ‘m dood, de klootzak’,
en voor zwarte woonblokken zonder werk
is de lucht vol kristallen splinters.

Een bus breekt uit de zinsbegoocheling van water,
een nijlpaard onder natte straatlantaarns, en knarst
verder in rook; elke schaduw lijkt te wankelen
onder het bijtend zuur van neon –
haperend als pis, sommige l tt rs uit-
gevallen, gedoofd – op twee witte
verpleegsters na, hun roeping nog witter gemaakt
door het donker. Over twee dagen zijn er verkiezingen.

Johannesburg is vol sterverlichte kroegen.
Het is anti-Amerikaans zulke vergelijkingen te trekken.
Denk aan Newark als aan Kerstavond,
als alle mensen je broeders zijn, zelfs
deze; geef ons vrede in pakketjes,
laten er geen gebroken flessen meer zijn in de hemel
boven Newark, laat het niet glanzen als spuug
op een drempel, denk aan de denneboom-
piek met de gouden ster erboven op de
fluoriserende bumper-sticker van een passerende auto.

Dochter van je eigen Zoon, Moeder en Maagd,
groot is de sprankeling van het wolkenkrabber-firmament
in zure plassen, de gouden ster in etalages,
en de gele ster op de door mot aangevreten mouw van de avond
als de zwarte jas die Hij droeg door mesdunne ellebogen
uit het ghetto de veewagen in
van Warschau; nergens is Zijn komst meer immanent
dan in het centrum van Newark, waar drie lichten
de sterverlichte wieg en de evergreen kerstliederen
geloven voor het musse-kind: een jochie met zwarte flapperende jas
gevolgd door een witte ster terwijl er een politie-auto patrouilleert.

 

Vertaald door Jan Eijkelboom

 

Derek Walcott (23 januari 1930 – 17 maart 2017)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e januari ook mijn blog van 24 januari 2024 en ook mijn blog van 24 januari 2021 en ook mijn blog van 24 januari 2019 en ook mijn blog van 24 januari 2017 en ook mijn blog van 24 januari 2016 deel 2.

Jabik Veenbaas, John Donne

De Nederlandse dichter, schrijver, vertaler en filosoof Jabik Veenbaas werd geboren in Hijlaard op 23 januari 1959.

 

Mijn huis

nog denk ik terug aan mijn huis, het kleine, een
zomeravond en een zandbak, stekelbaarsjes
in een weckfles, buurmans radijzen

en aan de doden die hier woonden,
met hun zachte lippen en hun ogen vol onmacht: een
jongen die de sloot inliep, een vrouw die
viel het bloed vloeide zomaar door
mijn kamer

het verleden dat over de drempel strompelde, zwaar
bewapende soldaten, een veldheer die het oosten
veroverde, bommen op een stad. of eerder nog:
zonnestelsels die ontstonden (een vage
herinnering), sterren die hun eerste licht
smeten het vuur smeult nog na in mijn
open haard

mijn huis: zou het nooit groter geweest zijn dan mijn hoofd
en niet dikker dan het vlies van mijn huid?

hoe ik loop over smalle planken
met het huis in mijn doorzichtige hand

 

De gave

ik liep nog één keer door de stad
om alles weg te geven
mijn benen liet ik aan een bedelaar
die zijn hand ophield in een schemerig park
mijn vingers gunde ik aan een vogel
die er zijn jongen mee voerde
mijn kleumend hart schonk ik aan jou
een vreemde, bloederige gave!
toen was ik niets meer dan een lang verlaten,
een ongenaakbaarheid, maar ik werd ook
het onstilbaar verlangen van de late bedelaar,
het vogeljong dat reikhalzend uitvloog
en jouw meisjesogen die dorstig dongen
naar de broze blijdschap van een nieuwe dag

 

Jabik Veenbaas (Hijlaard, 23 januari 1959)

 

De Engelse dichter John Donne werd ergens tussen 24 januari en 19 juni 1572 geboren in Londen. Zie ook alle tags voor John Donne op dit blog.

 

Holy Sonnets

VI

Mijn slotscène, bepaalt God; pelgrim ik
Loopt hier zijn laatste mijl; bijna volbracht
Is dit mijn laatste stap in de ijdele jacht;
Nog even leef ik; nu de laatste tik,
En gulzige dood ontleedt onmiddellijk
Lichaam en ziel, en ik rust even zacht,
Mijn wakend deel ziet zich nu al gebracht
Voor het gezicht, dat mij verlamt van schrik;
Mijn ziel vliegt tijdelijk ten hemelpoort,
Mijn aardgebonden lijk zoekt aarden cel;
Dus val, zonden, terug waar je behoort,
Daar waar je mij wou hebben, broedplaats hel.
Rechtvaardig mij, gezuiverd van het kwaad,
Nu ik wereld, vlees en duivel achterlaat.

 

Vertaald door Jan Jonk

 

John Donne (24 januari 1572 – 31 maart 1631)
Cover

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e januari ook mijn blog van 23 januari 2019 en ook mijn blog van 23 januari 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

Delphine Lecompte, Rainer Stolz

De Vlaamse dichteres en schrijfster Delphine Lecompte werd geboren op 22 januari 1978 in Gent. Zie ook alle tags voor Delphine Lecompte op dit blog.

 

De hebberige oom en de naakte neushoornjager

Mijn grootmoeder heeft veertien wekkers
Dat zijn er elf te veel, beweert haar strenge zoon
Zonder kersenbonbons is hij binnengevallen
Met een zak vol maskers en wijwatervaten verlaat hij zijn moeder
Morgen zal hij de wijwatervaten verkopen aan een poëtische neushoornjager.

De neushoornjager is niet echt poëtisch
Hij schrijft gedichten, dat wel
Zijn het goede gedichten?
Ik weet het niet, ik durf mij niet uit te spreken
Over de kwaliteit van zijn groteske sonnetten.

Want toen ik ze las was ik gedrogeerd
Het spijt me, en ik doe dat nu niet meer
Maar mijn oom, mijn oom nee hij is niet braaf
Hij is vadsig, hebberig en rancuneus
Mijn grootmoeder vraagt me of ik hem wil vergiftigen.

In haar tuin staan kruiden
Die zonder sporen dodelijk zijn
Toch zal ik mijn oom laten leven
Ik ben nog veel te jong om een familielid te liquideren
En als ik het een keer doe vrees ik dat ik de smaak te pakken krijg.

Ik verlaat mijn grootmoeder met een borstzak vol teennagels

De zijne, de mijne, de hare
In de duinen spot ik de neushoornjager zonder kleren
Zijn penis is ondanks de rusttoestand groter dan een volwassen mol
Ziet hij mij naderen dan wordt de mol een alerte meerkat.

De neushoornjager vraagt hoe het met mijn rolschaatscarrière gaat
Ik antwoord: ‘Heel goed. In Bulgarije telt mijn fanclub meer dan honderd leden.’
Na deze onschuldige leugen valt zijn meerkat evenwel in duigen.

 

Ik imiteer mijn varaan, ik echo zijn naam

Vorige maand heb ik een varaan gekregen van een achterlijke bakker
Die twee dagen na de overhandiging van de magische hagedis is gestikt
In een hoefijzervormige magneet waaraan een lege goederenwagon kleefde
Het terrarium heb ik zelf moeten kopen
De terrariumverkoper zei: ‘Succes met je varaan. Heeft hij al een naam?’

Ik heb de winkel verlaten zonder te antwoorden
Omdat ik mij schaamde
Eerst een terrarium kopen, en dan pas nadenken over een naam
Dat is de verkeerde volgorde, weet zelfs de meest hardvochtige kleuter
In de laatste telefooncel van mijn geboortestad vond ik de naam.

De naam van de varaan lag op de grond
Tussen een jonge snijtand en een drievork
Die een gemberwortel bleek te zijn
Ik probeerde mijn muze te bellen
Maar hij stond op een telefoonloze dijk zichzelf op te hemelen.

Terug naar vandaag dan maar
De varaan met de telefooncelnaam is trots en vadsig
Sinds hij mijn woning heeft ingepalmd met zijn fiere landerigheid
Blijf ik vaker thuis om van hem te leren
Ik imiteer zijn ontzagwekkende apathie, ik faal niet.

We worden stommer en breder
Soms likt mijn varaan een ruit, tik ik terug dan glimlacht hij ondubbelzinnig
In spiegelschrift schrijf ik onze namen naast elkaar
Met een groot hart ertussen uiteraard
Want zijn koudbloedigheid is altijd een fabel geweest.

 

Delphine Lecompte (Gent, 22 januari 1978)

 

De Duitse dichter en schrijver Rainer Stolz werd geboren in Hamburg op 22 januari 1966. Hij woont nu in Berlijn. Zie ook alle tags voor Rainer Stolz op dit blog.

 

Huis in We.

Er zijn nog vragen: aan de bewakers
van de grijstinten, die ’s avonds zachtjes
tegen de ramen kloppen, nog vragen
aan alle soorten weer waarvan de types
een beetje scheef zijn, zoals het huis
waar ze om vechten, vragen ook
aan de dakgoot, die soms
gelaten overbodig is, waardoor ik
me zou kunnen afvragen waarmee de zon
hierboven toch zijn geel verdient,
waar zelfs de schapen spijbelen
voordat ze in het zand bijten, verder
zouden er vragen zijn aan de schare der geesten
met hun klopsignalen: of ze zich vrijwillig
zo laten meeslepen, als was het
geen kunst, die onvergelijkbaar
nutteloos is, zoals de holtes hier
die alle vragen verplaatsen, als voedsel
voor de spinnen misschien, die me vertellen:
goed hout! is hier te krijgen – en dat ruikt
heerlijk wanneer ik weer eens
mijn hoofd gestoten heb.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Rainer Stolz (Hamburg, 22 januari 1966)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 22e januari ook mijn blog van 22 januari 2021 en ook mijn blog van 22 januari 2019 en ook mijn blog van 22 januari 2017 deel 1, deel 2 en deel 3.

For a Parent on the Death of a Child (John O’Donohue), Kristín Marja Baldursdóttir

 

Dolce far niente

 

Moeder en dochter door Bertha Wegmann, 1883

 

For a Parent on the Death of a Child

No one knows the wonder
Your child awoke in you,
Your heart a perfect cradle
To hold its presence.
Inside and outside became one
As new waves of love
kept surprising your soul.

Now you sit bereft
Inside a nightmare,
Your eyes numbed
By the sight of a grave
No parent should ever see.

You will wear this absence
Like a secret locket,
Always wondering why
Such a new soul
Was taken home so soon.

Let the silent tears flow
And when your eyes clear
Perhaps you will glimpse
How your eternal child
Has become the unseen angel
Who parents your heart
And persuades the moon
To send new gifts ashore.

 

John O’Donohue (1 januari 1956 – 4 januari 2008)
De Petrus en Paulus kathedraal in Ennis, County Clare, de geboorteplaats van John O’Donohue

 

De IJslandse schrijfster Kristín Marja Baldursdóttir werd geboren op 21 januari 1949 in Hafnarfjörður. Zie ook alle tags voor Kristín Marja Baldursdóttir op dit blog.

Uit: Möwengelächter (Coletta Bürling und Renate Einarsson)

“Am Ostermorgen, als Agga mit der Aprilsonne im Nacken auf dem alten Steinpier stand und die Flundern im seichten Wasser am Ufer mit Steinen zu treffen versuchte, bekam sie dieses merkwürdige Prickeln im Bauch, das die Erwachsenen bekommen, wenn sie verliebt sind oder irgendein fürchterliches Gebräu getrunken haben. Allerdings hatte sie weder das eine noch das andere ausprobiert, und deshalb glaubte sie, das Gefühl sei ein Vorzeichen großer Ereignisse, denn genauso ging es Kidda in der Kellerwohnung immer, wenn Orkane oder Vulkanausbrüche im Anzug waren, und außerdem konnte diese plötzlich und unvermittelt Lemurengeruch wittern, was unweigerlich den Tod ankündigte. Agga schnupperte, konnte aber nichts anderes riechen als den penetranten Geruch von Seetang.
Gelbe Strahlen erleuchteten die glatte, graue Meeresoberfläche im Hafenbecken, und im Ort herrschte Grabesstille. Nur der Rauch aus den Häusern, die zum Teil halb versteckt in den Lavamulden kauerten, deutete darauf hin, dass manche bereits auf den Beinen waren. Die Uhr am Kirchturm zeigte gut zehn, und bald würden sich die Männer mit Schlägermützen und in abgewetzten Sonntagsanzügen am Hafen einfinden und mit den Händen in den Hosentaschen die alte Leier über mageren Fischfang, Reaktionäre und die verdammten Kommunisten anstimmen.
Die Möwen am Ufer kreischten laut an diesem Auferstehungstag des Gottessohnes, und Aggas Magen rumorte, als hätte sich dort ein Poltergeist eingenistet. Dass die Übelkeit von dem riesigen Schokoladenosterei herrühren könnte, das sie sich noch vor Sonnenaufgang einverleibt hatte, kam ihr nicht in den Sinn, sie glaubte eher an das Vorzeichen, spürte aber das Bedürfnis, aufzustoßen oder sich über einen Küchenhocker zu legen, um sich von Blähungen und Bauchschmerzen zu befreien. Sie trottete den alten Steinpier wieder zurück, über die Brücke, die über den Bach führte, und hielt sich bis nach Hause den Bauch. Unterwegs hörte sie aus einiger Entfernung das Klappern von hochhackigen Schuhen, war aber zu sehr mit ihren Bauchschmerzen beschäftigt, um es zu beachten. Es war ihr so egal, dass sie sich nicht einmal umdrehte, um zu sehen, wer schon so früh am Ostersonntag unterwegs war. Sie war bereits zu Hause am Gartentor angelangt, als ihr bewusst wurde, dass die Frau ihr die ganze Zeit auf den Fersen gewesen war. Da endlich drehte sie sich um.”

 

Kristín Marja Baldursdóttir (Hafnarfjörður, 21 januari 1949)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 21e januari ook mijn blog van 21 januari 2024 en ook mijn blog van 21 januari 2022 en ook mijn blog van 21 januari 2019 en ook mijn blog van 21 januari 2018.

NERGENS (Anna Enquist), Stefan Popa

 

Dolce far niente

 

Moeder en dochter door Edvard Munch, 1897

 

NERGENS

En maar overal en maar
rusteloos maar zonder slaap
zonder haar overal zoeken

en zwerven om haar niet
te weten overal ook overal
in plaatsen waar zijn nooit

maar weten kan je niet
dus niet slapen niet eten
en overal kijken overal

dat had ze nooit zeggen
ze gewild maar wat
weten ze daarvan overal

waar haar schaduw haar
voetstap daar zal ook ik
gaan en in de zon gaan

en in de nacht natuurlijk
alle schepen straten treinen
er is veel te doen overal

ja ik weet ze is weg
maar wellicht wacht ze
toch overal op mij dus

ik zoek en ik kijk en ik
slaap niet maar blijf
buitengewoon waakzaam.

 

Anna Enquist (Amsterdam, 19 juli 1945)
De aula (ontvangstgebouw en dienstwoningen) van de begraafplaats Vredenhof in Amsterdam

 

De Nederlandse schrijver en journalist Stefan Popa werd op 20 januari 1989 geboren in Vleuten. Zie ook alle tags voor Stefan Popa op dit blog.

Uit: In de schaduw van de eik

“Ik druk mijn duim in de noest boven mijn voorhoofd en sleep mijn huid langs de nerf, over het taaie eikenhout, tot een splinter mijn vel in sluipt en ik op mijn tong bijt om geluidloos te kermen. Omdat ik toch iets denken moet, denk ik: ’toog’ betekent zowel ‘priestergewaad’ als ‘bar: Ik stop mijn duim in mijn mond en zuig het ijzer uit mijn lijf. Als de wond is gestold, vouw ik mijn handen kruislings over mijn borst en wacht net als iedereen het einde af. De mouwen van mijn gasten ruisen als zij hun kruisen slaan. Het moet me meer zorgen baren Ik hoor hoe de priester opnieuw rond mijn lichaam klingelt. HIJ prevelt zoetgevooisde woorden die ik niet versta. Ingenesteld in eiken tel ik mijn grafrede af. Er zit een ruimte van twee vuisten tussen neus en deksel, maar ik heb in te veel kleine keukens gewerkt om nu nog claustrofobie te ontwikkelen. Ik lig zo stijf als ik kan. Zonder de priester te zien volg ik het geketende wierookvat in zijn handen, op en neer, heen en terug, als een pendule die de toeschouwer in hypnose leidt. Mijn ingetoomde adem stuit op de deksel en keert nog warm terug. Ik begrijp beat dat je soms wordt verrast door het leven – noem het overrompeld – maar dit is niet het einde dat ik me had voorgesteld. Ik ben hier niet heen gegaan om te sterven. De priester kucht Ik bijt me door de psalmen, hymnes, gebeden en klaagzangen.
Een hoop gedoe om niets. Ik heb heel mijn leven gezegd dat ik niet gecremeerd en zeker niet begraven wilde worden. Stoof mijn lijf in een ketel met abdijbier en voer me aan het meest misbruikte dier ter wereld: het varken. Volgende keer beter. De priester neemt een slok water voor hij preekt. Hij vervloekt de globalisering, de eindeloze nood tot consumeren die zelfs is doorgedrongen tot zijn gemeente in het hoge noorden en het gebrek aan spiritualiteit die over de moderne mens is neergedaald. ‘Alex..? Hij pauzeert kort zodat alle aanwezigen mij voor zich zien, de Alex die zij zo kort kenden. te vroeg, veel te vroeg, teruggeroepen.’ Ik houd van mijn voornaam. Van mijn voornaam wel. Alex past me. Die naam heb ik te danken aan mijn vader, die mijn vader niet was. Hij gaf me bij een poldergemeente onder zeeniveau aan als Alex Petrescu. Tegen de zin van mama, zij stond erop om mij Codrin te noemen. Dat kon ze vergeten. Mijn voornaam was de naam die hij mij wilde geven om mijn vader te spelen. Het was een eenzijdig compromis. Al hield hij wel degelijk rekening met haar geboortegrond: het ging wat hem betrof tussen Daniel, Victor, Stefan, zonder komma onder de s, en Alex. Een Alex zou tenminste werk vinden in een kantoortoren. ‘Ik begraaf meer mensen dan ik doop: zegt de priester. Hij zucht – oprecht, geloof ik. ‘Dat kan ik accepteren, dat is mijn last. Maar dit…’ Hij wijst, vermoedelijk, naar mij. Ik druk mijn achterhoofd dieper in het hoofdkussen.”

 

Stefan Popa (Vleuten, 20 januari 1989)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 20e januari ook mijn blog van 20 januari 2024 en ook mijn blog van 20 januari 2019 deel 1 en eveneens deel 2.

Brother And Sister (D.H. Lawrence)

 

Dolce far niente

 

Portret van broer en zus door Sergei Pavlenko, z.j.  

 

Brother And Sister

The shorn moon trembling indistinct on her path,
Frail as a scar upon the pale blue sky,
Draws towards the downward slope: some sorrow hath
Worn her down to the quick, so she faintly fares
Along her foot-searched way without knowing why
She creeps persistent down the sky’s long stairs.

Some day they see, though I have never seen,
The dead moon heaped within the new moon’s arms;
For surely the fragile, fine young thing had been
Too heavily burdened to mount the heavens so.
But my heart stands still, as a new, strong dread alarms
Me; might a young girl be heaped with such shadow of woe?

Since Death from the mother moon has pared us down to the quick,
And cast us forth like shorn, thin moons, to travel
An uncharted way among the myriad thick
Strewn stars of silent people, and luminous litter
Of lives which sorrows like mischievous dark mice chavel
To nought, diminishing each star’s glitter,

Since Death has delivered us utterly, naked and white,
Since the month of childhood is over, and we stand alone,
Since the beloved, faded moon that set us alight
Is delivered from us and pays no heed though we moan
In sorrow, since we stand in bewilderment, strange
And fearful to sally forth down the sky’s long range.

We may not cry to her still to sustain us here,
We may not hold her shadow back from the dark.
Oh, let us here forget, let us take the sheer
Unknown that lies before us, bearing the ark
Of the covenant onwards where she cannot go.
Let us rise and leave her now, she will never know.

 

D.H. Lawrence (11 september 1885 – 2 maart 1930)
St Mary’s Church in Eastwood, de geboorteplaats van D.H. Lawrence

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 19e januari ook mijn blog van 19 januari 2025 en ook mijn blog van 19 januari 2019 deel 1 en ook deel 2.

Brother And Sister (Lewis Carroll)

 

Dolce far niente

 

Broer en zus door Joan Eardley , 1955

 

Brother And Sister

“SISTER, sister, go to bed!
Go and rest your weary head.”
Thus the prudent brother said.

“Do you want a battered hide,
Or scratches to your face applied?”
Thus his sister calm replied.

“Sister, do not raise my wrath.
I’d make you into mutton broth
As easily as kill a moth”

The sister raised her beaming eye
And looked on him indignantly
And sternly answered, “Only try!”

Off to the cook he quickly ran.
“Dear Cook, please lend a frying-pan
To me as quickly as you can.”

And wherefore should I lend it you?”
“The reason, Cook, is plain to view.
I wish to make an Irish stew.”

“What meat is in that stew to go?”
“My sister’ll be the contents!”
“Oh”
“You’ll lend the pan to me, Cook?”
“No!”

Moral: Never stew your sister.

 

Lewis Carroll (27 januari 1832 – 14 januari 1898)
De All Saints’ parish church in Daresbury, de geboorteplaats vanLewis Carroll

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 18e januari ook mijn blog van 18 januari 2025 en ook mijn blog van 18 januari 2019 en ook mijn blog van 18 januari 2015 deel 2 en ook deel 3.

An die Schwester (Georg Trakl)

 

Dolce far niente

 

Broer en zus door Emil Nolde, 1918

 

An die Schwester

Wo du gehst wird Herbst und Abend,
Blaues Wild, das unter Bäumen tönt,
Einsamer Weiher am Abend.

Leise der Flug der Vögel tönt,
Die Schwermut über deinen Augenbogen.
Dein schmales Lächeln tönt.

Gott hat deine Lider verbogen.
Sterne suchen nachts, Karfreitagskind,
Deinen Stirnenbogen.

 

Georg Trakl (3 februari 1887 – 4 november 1914)
De Evangelische Christuskirche in Salzburg, de geboorteplaats van Georg Trakl

 

Zie voor de schrijvers van de 17e januari ook mijn blog van 17 januari 2025 en ook mijn blog van 17 januari 2019, mijn blog van 17 januari 2017 en ook mijn blog van 17 januari 2016 deel 1 en deel 2 en eveneens deel 3.

Zusje (Johanna Kruit)

 

 

Broer en zus door Erich heckel, 1913

 

Zusje

Verdween mijn zusje onverwacht.
En niemand die haar lopen zag.
De zon sloop weg, de dag werd oud.
De maan kwam op, de nacht was koud.
We zochten haar aan strand en zee.
Misschien nam Westenwind haar mee.
We riepen hard en zongen zacht.
We zochten sporen in de nacht.
Maar alles gaat zoals het moet.
En zij bleef weg, voorgoed, voorgoed.
Nu zingt de wind een droevig lied.
Vergeet mij niet, vergeet mij niet.

 


Zusje

Het zusje dat zo dwalen moest
langs verre stranden, golven woest
zij gaf de woorden toekomst mee
en bracht ze naar de wijde zee
nu is ze weg, haar stem werd stil
maar als ik haar weer horen wil
sluit ik mijn ogen om te zien
of zij nog ergens is misschien.

 

Johanna Anna Kruit (Zoutelande, 14 december 1940)
Sint Catharinakerk, Zoutelande

 

Zie voor de schrijvers van de 16e januari ook mijn blog van 16 januari 2025 en ook mijn blog van 16 januari 2019 en ook mijn blog van 16 januari 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

Antoine Wauters, Sascha Kokot

De Belgische dichter en schrijver Antoine Wauters werd op 15 januari 1981 geboren in Luik. Zie ook alle tags voor Antoine Wauters op dit blog.

Uit: Mahmoed of het wassende water (Vertaald door Katelijne De Vuyst)

“We zijn alleen.
Alleen zoals in de cel waar ze mijn nagels
doorboorden en op me kwamen pissen.
Mijn nagels doorboren, op me pissen.
Drie jaar.
Ik heb het nooit zo gezegd, vergeef me.
Vanaf de zomer van 87, dag van onze terugkeer uit Parijs,
tot de herfst van 90.
We hadden onze twee zonen al en onze lieve Nazifé.
Ze dwongen me regimegezinde dingen te schrijven, elke dag weer.
Domme regimegezinde dingen.
‘Ik hou van onze president. In mijn ogen is hij de
beste van allemaal.
Ik heb nooit een president gezien die zo wijs is als
president al-Assad.
Ik heb van mijn leven nooit een leider gezien als hij.
Ik heb nooit iemand gezien als hij.
Hij is de vader van het volk.
Hij helpt de armen.
Hij is tegen onrecht, tegen corruptie,
een ware Arabier.
Telkens als we door een probleem worden bedreigd,
kan alleen hij de natie op zijn schouders dragen enz.’
Ik ga weer onder water.
Zien wat mijn geheugen niet heeft onthouden.
De bomen.
Op de bodem van het meer staan nog altijd bomen.* Maar je kunt ze
onmogelijk herkennen. Sommige dragen nog altijd
hun knoppen, arme paarse klokjes
als kindertenen.
Als ik mijn lamp richt en mijn hand
naar ze uitsteek, ik wou dat je het zag,
bewegen ze zachtjes, onmerkbaar.
Als kleine knuistjes die vaarwel zwaaien.
Dan moet ik aan onze kinderen denken.
Blijf nog even, Almasji.
Ga niet weg.
Beneden, lager, op een diepte die ik niet kan
bereiken, meen ik de ingebeukte deur te zien, de regenton,
de blauwe gordijnen van het huis en, daarachter, achter de
gordijnen en de gebroken ruiten, mama die naar me glimlacht en me
wenkt om bij haar te komen, papa naast haar.
Ik zwem snel nu.”

 

Antoine Wauters (Luik, 15 januari 1981)

 

De Duitse dichter, schrijver en fotograaf Sascha Kokot werd geboren op 18 januari 1982 in Osterburg. Zie ook alle tags voor Sascha Kokot op dit blog.

 

dezer dagen schiet het weer in je botten

dezer dagen schiet
het weer in je botten
het nestelt zich in je gewrichten
komt dichter bij je lang voor de ochtend
dan lig je wakker weet je niet
wat er met je gebeurt, waar het vandaan komt
wat er overblijft
alleen deze smalle kamer
het verkeerd gefineerde meubilair
het gekantelde raam
een kier naar de straat
het geruis in de populieren
dreef me door de nachten
je hoort daar niets meer
en vraagt je in stilte af
wanneer begon het dat ik
niet meer dichterbij kon komen

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Sascha Kokot (Osterburg, 18 januari 1982)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 15e januari ook mijn blog van 15 januari 2019 en ook  mijn blog van 15 januari 2017 deel 2 en eveneens deel 3.