Olivier Adam

De Franse schrijver Olivier Adam werd geboren op 12 juli 1974 in Parijs. Adam groeide op in Draveil, in het departement Essonne, samen met zijn ouders en twee broers. Na een studie management van culturele organisaties aan de Universiteit Paris-Dauphine begon hij zijn loopbaan als adviseur voor lokale overheden op het gebied van cultuurbeleid. Daarnaast werkte hij als programmeur voor literaire festivals (zoals *Nuits de la Correspondance* in Grignan en *Les Arènes du Livre* in Nîmes). In 1999 was hij, samen met Olivier Chaudenson, medeoprichter van het festival *Correspondances de Manosque. Vervolgens werkte hij korte tijd in de uitgeverswereld als redacteur van een boekenreeks bij *Éditions du Rouergue. Zijn eerste roman, *Je vais bien, ne t’en fais pas* (“Maak je geen zorgen, het gaat goed met me”), verscheen in 2000, werd lovend ontvangen door de kritiek en werd in 2001 geselecteerd voor het *Festival du Premier Roman. Met de publicatie van zijn derde roman, *Poids léger* (“Lichtgewicht”), in 2002 — waarvan de rechten werden verworven door Jean-Pierre Améris voor een verfilming (uitgebracht in 2004) — kon Adam zich volledig aan het schrijven wijden. Na een ontmoeting met Geneviève Brisac begon hij boeken voor jongeren te schrijven en gaf hij workshops creatief schrijven op scholen. In 2004 ontving hij de *Prix Goncourt de la nouvelle* voor zijn verhalenbundel *Passer l’hiver*. In 2005 en 2007 werd hij opgenomen in de shortlist voor de Prix Goncourt, eerst met *Falaises* en vervolgens met *À l’abri de rien*; in 2010 bereikte zijn roman *Le Cœur régulier* de tweede shortlist voor de Prix Goncourt. In de tussentijd werd zijn roman *Des vents contraires* bekroond met de Prix RTL-Lire. In 2013 werd hij benoemd tot *Chevalier* (ridder) in de *Ordre des Arts et des Lettres*. Datzelfde jaar werd zijn roman *Falaises* (oorspronkelijk gepubliceerd in 2005) “vrij bewerkt” tot een beeldroman, met een scenario van Loïc Dauvillier en illustraties van Thibault Balahy. Zijn boek *Peine perdue* verscheen in augustus 2014. Van 2014 tot 2017 schreef hij een maandelijkse column voor de krant *Libération*. In 2016 verkende hij in zijn boek *La Renverse* de impact van een seksschandaal op de naasten van een politicus. In 2018 werd *Chanson de la ville silencieuse* uitgegeven. Dit werd gevolgd door *La tête sous l’eau*, uitgebracht door Robert Laffont als onderdeel van hun “R”-collectie, gericht op tieners en jonge volwassenen. Hierna volgden in dezelfde collectie *Les roches rouges*, *Dans la nuit blanche* en *Mon cœur en cendres* in 2023. Tijdens het literaire seizoen van augustus 2019 verscheen *Une partie de badminton*, waarmee hij de terugkeer markeerde van zijn alter ego Paul, een personage dat hij eerder tegenkwam in *Des vents contraires* en *Les lisières*. In 2020 en 2022 verschenen respectievelijk *Tout peut s’oublier* en *Dessous les roses*. In 2023 publiceerde hij zijn eerste dichtbundel, *Personne n’a besoin de savoir*, bij uitgever Bruno Doucey. In 2024 werd *Il ne se passe jamais rien ici* uitgebracht. Als scenarioschrijver heeft hij bijgedragen aan het schrijven van verschillende films.

Uit: Je vais bien, ne t’en fais pas

“Vingt et une heures. Fermer la caisse. Claire a les yeux pleins d’étiquettes, la tête farcie de codes-barres.
Il fait encore chaud. On voit des couples sortir de leur tanière. Douche, maquillage, un petit whisky et les voilà repartis tout frais tout propres. Claire ouvre la porte. C’est un peu le bordel. Le canapé-lit est ouvert. Il y a une assiette sale et un verre qui traînent sur la moquette. Une culotte blanche et un soutien-gorge jaune à fleurs mauves dans un coin. Dans la petite cuisine ce n’est pas mieux. De la vaisselle dans l’évier, les plaques et le frigo pas très nets. Ce n’est pas grave, demain c’est jeudi, Claire commence à treize heures. Elle rangera un peu, ira nager une heure environ à la piscine Georges-Drigny, toute proche, avant de faire rouler les tapis, d’ouvrir et de fermer la caisse, de passer le rayon rouge horizontal sur les codes-barres des pots de moutarde, de taper le prix des fruits et légumes, de s’en souvenir pour les articles à la pièce (douze francs l’ananas, promotion de la semaine, quatre francs quatre-vingt-quinze l’avocat, quatre francs cinquante le concombre, sept francs quatre-vingt-dix la botte de petits oignons blancs, cinq francs vingt la botte de persil…). Claire met un disque. Elle se prépare un café. Assise à la table du coin-cuisine, elle feuillette un catalogue de meubles en kit aux lignes suédoises. Elle cherche un filtre qu’elle ne trouve pas. Le café a un goût de Sopalin. Elle y touche à peine. Si elle avait trois sous devant elle, elle se paierait bien cette petite commode (un truc pour enfant, en bois blanc). On sonne. Claire décroche l’interphone. C’est Nadia. Elle se change à toute vitesse, quitte son vieux bas de survêtement vert molletonné contre un pantalon noir, le tee-shirt Naf Naf trop grand et usé pour un Petit Bateau, taille seize ans, résolument petit et collé à sa peau très pâle.”

 

Olivier Adam (Parijs, 12 juli 1974)

Nieuws (David Troch), Sasha Filipenko, Pablo Neruda

 

 

Zomer strandtafereel door Josine Vignon, jaren 1960

 

Nieuws

het kwik stijgt fel. het ijs smelt. we staan met een voet in zee.
wat een nieuws je toch in de krant leest. en dan schrijft men:
als het niet tot aan de kin is. straks leeft slechts wat vin heeft.

het hek is van de dam. je keert het tij niet meer. je zal blij zijn
als er een wolk voor de zon schuift en dat het stormt dat het
geen naam heeft. zet een stap uit huis en je schroeit half dood.

waar haalt men het! het is al te gek. een grap. een graad meer,
wat zou het? wie voelt zich niet in zijn sas als het goed warm
is. je lacht het weg, denkt: ik zwem niet slecht. ik red me wel.

 

David Troch (Bonheiden, 28 juli 1977)
Bonheiden, Gemeenschapscentrum ’t Blikveld

 

De Belarussische schrijver, journalist en tv-presentator Sasha Filipenko werd geboren op 12 juli 1984 in Minsk. Zie ook alle tags voor Sasha Filipenko op dit blog.

Uit: Hetze (Vertaald door Jan Lodewijk Eshuis)

“Na de lunch wordt er in de tuin een muziekquiz gespeeld. De privéleraren kiezen als onderwerp het negentiende- en twintigste-eeuwse Rusland. Onder begeleiding van cicaden klinken Moessorgski, Tsjaikovski en Cui. Liza wint met maar één foutje: ze heeft het Dodeneiland verward met de Symfonische dansen. ‘Rachmaninov zou het je vergeven,’ grapt de muziekdocent, die ze speciaal voor de zomer uit Rusland hebben laten overkomen. Het zilver is voor Pavel, die het bojarenkoor uit Prins Igor en De liefde voor drie sinaasappelen niet wist te herkennen. De oudste en de jongste, Aleksandr en Anatoli, leveren hun papier blanco in. De eerste, ook wel Sasja, is net terug van zijn training, de tweede, ook wel Tolja, kan zich niet losscheuren van zijn computerspelletje.
Tegen achten gaan ze aan tafel. Uit de boxen klinkt ‘Moskouse nachten’. De privékok dient zeevruchten op.
Pavel schept erover op dat hij monsieur Guillaume in Antibes drie flessen voor zesduizend per stuk heeft weten af te pingelen. Aleksandr zwijgt. Tolja speelt. Mama
merkt op dat het verachtelijk is om af te dingen, want fransozen – die orgeldraaiertjes met hun zwabbers, je weet wel waar – gaan vast lopen rondbazuinen dat alle Russen sjacheraars zijn.
Na het eten gaan ze voor de televisie zitten, een grote flatscreen-tv die ook in de tuin staat. De kabels zijn verstrengeld met de groene tuinslang. Boven het scherm cirkelt een bij.
Zwijgend luisteren ze naar vader, met meer aandacht dan ooit. Papa voorspelt een onafwendbare ineenstorting van de consumptiemaatschappij, vertelt van de ineffectiviteit van democratie en dringt erop aan dat de wereld hervormd moet worden op basis van orthodoxe principes. Op de vraag van een journaliste (de zoveelste uiterst knappe maar oliedomme minnares van een bekende minister) antwoordt papa dat hij niet bang is voor sancties, dat hij geen onroerend goed in het buitenland heeft en dat zijn enige rijkdom het goede oude Rusland is. De kinderen lachen. Mama’s humeur betrekt.”

 

Sasha Filipenko (Minsk, 12 juli 1984)

 

De Chileense dichter Pablo Neruda (eig. Ricardo Eliecer Neftalí Reyes Basoalto) werd geboren in Parral op 12 juli 1904. Zie ook alle tags voor Pablo Neruda op dit blog.

 

De poëzie

En het was op die leeftijd… De poëzie
kwam mij opzoeken. Ik weet niet, weet niet
van waar ze kwam, van de winter of de rivier.
Ik weet niet hoe noch wanneer, het waren
geen stemmen, geen woorden noch stilte,
maar uit een straat riep ze mij, uit de takken
van de nacht, plotseling daar bij de anderen,
temidden van laaiende vuren en alleen terugkerend,
was ze daar zonder gezicht en beroerde mij.

Ik wist niet wat ik moest zeggen en mijn mond
was niet in staat te benoemen, mijn ogen
waren blind en iets sloeg in mijn keel, koorts
of verloren vleugels en ik ging
mijn eigen weg, ontcijferend deze brandwond,
en ik schreef
de eerste vage strofe, onbestemd, zonder lichaam,
pure nonsens,
zuivere wijsheid
van iemand die niets weet en plotseling zag ik
de hemel uitgepeld en open, de planeten,
de zwetende plantages, de doorboorde schaduw
vol gaten van pijlen – ik zag
vuur en bloemen, de voortrollende nacht,
het heelal.

En ik, klein wezen, dronken
van de grote leegte vol sterren, naar de gelijkenis,
naar het beeld van het mysterie, voelde mij
een zuiver deel van de afgrond en rolde voort
met de sterren – mijn hart
brak los in de wind.

 

Vertaald door Riekus Waskowsky

 

Pablo Neruda (12 juli 1904 – 23 september 1973)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 12e juli ook mijn blog van 12 juli 2020 en eveneens mijn blog van 12 juli 2019 en ook mijn blog van 12 juli 2016 en ook mijn blog van 12 juli 2015 deel 2.